XV.

Eenzaamheid.—Men nadert Kwala Hiang.—De aanval.—Kanon- en

geweervuur.—De bezetting op de vlucht.—De plundering.—Een

illuminatie.—De kommandant van Kwala Kapoeas op vervolging.—Zijn

nasporingen te soengei Naning en te soengei Mantangei.—Zijn

aankomst te Kwala Hiang.—Vooruit naar kotta Baroe.—Een

monsterkaart.

Drie dagen en twee nachten waren voorbijgegaan zonder dat onze

vluchtelingen eenige ontmoeting op hunne reis hadden. Het was of het

eiland uitgestorven was. In al dien tijd hadden zij geen menschelijk

wezen gezien, geen enkel vaartuig ontwaard en, hoe zij ook uitgekeken

hadden, zelfs geen rookspiraal waargenomen, die van uit het dichte

bosch ten hemel kronkelende, hen aangeduid zoude hebben, dat daar een

hutje stond, waar natuurgenooten den strijd des levens streden. Had

zich van tijd tot tijd niet een troep apen schuchter aan den boschrand

vertoond, om onder het slaken van een angstkreet, maar toch met koddige

gebaren in het donkere groen te verdwijnen; had soms niet eens een

kolossale visch de oppervlakte des waters met zijn staart gegeeseld,

zij hadden kunnen gelooven, dat ook het dierlijk leven van Borneo

geweken was. Niets was hun voor oogen gekomen dan het beperkte uitzicht

op de immer meer en meer kronkelende rivier, aan welker boorden het

dichte loof zich als een ondoordringbaar woud verhief en, als ware het

jaloersch, niet gedoogde een blik op het daarachter gelegen terrein te

slaan.

Rusteloos hadden de deserteurs voortgeroeid. Voort! altijd voort! Door

Dalim bestuurd, was de prauw verscheidene antassans doorgevaren en had

zoo vele groote kronkelingen der rivier afgesneden, waardoor in afstand

aanmerkelijk was gewonnen. De derde nacht was ook reeds voor de

grootste helft voorbijgegaan, toen de reizigers Kwala Hiang naderden.

De soengei Hiang is een linkerzijrivier van de Kapoeas, die bij hare

uitwatering in dien stroom een aanmerkelijke breedte heeft en deze nog

een paar dagen roeiens opwaarts behoudt. Die soengei ontspringt uit een

uitgestrekt moeras, dat, tusschen de Doesson en Kapoeas gelegen,

bovendien een andere uitwatering in eerstgenoemden stroom heeft. Na de

overmeestering van het stoomschip Onrust op de boven-Doesson, lag het

voor de hand, dat de vijandelijke stammen uit die streken strooptochten

in de Kapoeas-landen zouden ondernemen. Om dat tegen te gaan, werd van

wege het Nederlandsche bestuur aan de uitwatering van de Hiang een

kleine Dajaksche versterking gebouwd, waarop een viertal kleine

kanonstukjes geplant werden, en die door een vijftigtal Dajaks van

Kwala Kapoeas, met geweren gewapend, bezet werden.

Dalim had al verscheidene malen een fluisterend gesprek met Johannes

gevoerd, waarbij hij steeds op het hachelijke gewezen had, die

versterking voorbij te varen. Wel viel er niet aan te denken, dat daar

reeds kennis zou gegeven zijn van de vlucht der vier Europeesche

soldaten; daartoe had volgens ieders berekening de tijd ontbroken. Maar

Dalim en zijn Dajaksche makker stonden onder opzicht der politie. Ieder

der aanwezigen te Kwala Hiang zou hen herkennen en met het hoofd

aldaar, Tomonggong Patti Singa Djaja viel niet te gekscheren. Indien

die hen herkende, zou hij hen zeker opvatten. En aan ontwijken viel

niet te denken; daar bestond geen antassan, waarlangs een bocht der

hoofdrivier kon afgesneden worden.

Johannes zat lang te peinzen; eindelijk opperde hij als zijn meening,

dat men trachten moest Kwala Hiang in het holst van den nacht, liefst

na het middernachtuur te bereiken. Het was dan zeer waarschijnlijk, dat

de Dajaksche bezetting in diepen slaap zoude gedompeld zijn en de prauw

ongemerkt zouden kunnen voorbij sluipen. Lukte dat niet en waren de

uitgezette schildwachten waakzaam, dan moest naar omstandigheden

gehandeld worden. Zoo werd besloten. Onmiddellijk na dat besluit

hielden La Cueille en Johannes zich onledig met de beide kleine

kanonstukjes, van soengei Naning medegenomen, op een paar stevige

stukken hout met de rottanlussen te bevestigen met de monding buiten

boord. Beide stukjes werden met los kruit geladen, waarop een flinke

prop gezet werd.

Het was stikdonker toen men de versterking naderde, de pagaaien werden

uiterst voorzichtig gehanteerd, zóó dat zij het boord der prauw niet

raakten en geen leven maakten. Dalim stuurde het vaartuig onder langs

den dichtbegroeiden oever, waarop de versterking lag. Langzaam werd

voortgestevend en eindelijk was men de grens van het woud genaderd; nog

eenige roeislagen en het vaartuig trad den kring binnen van de

onbeschutte strook, alwaar de oever schoongekapt was, om vrij uitzicht

aan de wachthebbenden te verleenen. Plotseling weerklonk een stem:

„Jèï! narai gawim kantoh olo toh kea?” (He, wat komen die menschen hier

doen?) En voor dat er een antwoord op gegeven kon worden, knalde een

schot, waarvan de kogel door de dakbedekking der prauw heenvloog.

De teerling was geworpen.

„Zij schieten op de Hollanders!” riep Johannes in het Dajaksch met

luider stem. „Die kotta is thans door de oproerlingen bezet,” en zich

tot zijn makkers wendende, riep hij, thans in het Hollandsch:

„Vooruit! vooruit tegen die muiters!! Vuur! vuur!! op dat gebroed!”

Op dat kommando schoot La Cueille de beide kanonstukjes af. Deze,

zonder iemand kwaad te doen, lieten een langen vuurstraal in den

stikdonkeren nacht flikkeren en een gedonder hooren, dat des te

indrukwekkender was, daar het geknal tusschen die dicht begroeide

oevers door de echo honderdvoudig herhaald werd. Johannes en Dalim

hadden vier geweren te hunner beschikking, die zij achtervolgens in de

richting van de versterking afvuurden en daarna weder snel laadden. De

beide Zwitsers openden een snelvuur met hunne repeteer-geweren, dat wel

moest doen gelooven, alsof een geheele macht, wel tienmaal sterker dan

de aanvallers telden, in ’t strijdperk getreden was.

Dat vuur werd een poos met alle hevigheid onderhouden en toen ongeveer

een honderdtal patronen verschoten was, liet Johannes het staken. Geen

geluid liet zich hooren. De Dajaksche bezetting, zoo onzacht uit den

slaap gewekt, en toch al niet te kloekhartig tegenover vuurwapenen, was

radeloos en in doodsangst opgevlogen en had—in stede van naar de

wapenen te grijpen—in allerijl een heenkomen gezocht langs de

achterdeur der versterking en hun toevlucht in de wildernis genomen.

Met zooveel overhaasting was daarbij te werk gegaan, dat verscheidene

dier dappere verdedigers bij het afdalen van de trap, die naar buiten

toegang verleende, bijna den hals gebroken hadden. Wat die vlucht nog

bespoedigd had, waren de Hollandsche kommando’s van Johannes, waardoor

zij vermeenden door Nederlanders aangevallen te worden. Het hevige

vuur, dat hen in al zijn verschrikkelijkheid tegen donderde en tegen

knetterde en de kogels, die hen om de ooren floten, lieten daaromtrent

geen twijfel over; de schildwachten daarenboven verklaarden dat zij

zeer duidelijk op de voorste prauw—want dat er een geheele flotille

was, werd bij den algemeenen angst door niemand ontkend—een

Nederlandsche vlag hadden zien waaien.

Alles was nu doodstil in de versterking. Alleen heel ver in den

boschrand werden nog angstkreten waargenomen. La Cueille stopte nu op

ieder zijner geladen kanonnetjes een handvol geweerkogels, zette die

met een goeden prop aan en vuurde in de richting af, van waar die

stemmen vernomen werden. Die kogels vlogen suizend en fluitend door het

bosch en verleenden vleugels aan de reeds zoo beangstigden.

Johannes stapte nu aan wal, terwijl de overigen met het geweer in de

hand gereed zaten om op ieder, die zich vertoonde, vuur te geven en

zijn terugtocht te dekken. Maar weldra kwam hij terug met het bericht,

dat de versterking verlaten was. Twee Dajaks bleven nu ter bewaking in

de prauw, terwijl al de anderen op den oever sprongen. De Europeanen

sloten dadelijk de achterdeur der versterking en drie hunner stelden

zich doelmatig op, om iederen terugkeer der bezetting met nadruk tegen

te gaan. Middelerwijl doorsnuffelden Johannes en Dalim met de overigen

het nest. Zij legden de hand op de aanwezige geweerpatronen en het

buskruit en brachten die munitie met behulp hunner pandelingen in de

prauw. Zij namen ook de vier kanonstukjes, waarmede het fort bewapend

was, in beslag, en de geweren, waarvan zij evenwel slechts een

veertigtal vonden, terwijl er vijftig aanwezig moesten zijn. Het was

dus waarschijnlijk, dat de overigen door de wegloopers waren

medegenomen.

Toen men de geheele versterking doorzocht en nog eenige kleinigheden,

waaronder een paar manden tabak, welke vondst veel genoegen deed,

gekaapt had, greep Johannes een brandend stuk hout en stak dat in een

grooten hoop takkebossen, die onder een afdak opgeschuurd lagen.

Ongeloofelijk snel verspreidde zich het vuur en onze avonturiers

moesten zich haasten hun vaartuig te bereiken en dat op stroom buiten

gevaar te halen. Zij namen evenwel nog twee prauwen en een paar

djoekoengs mede, die voor de versterking in een kleine kreek als in een

haven te dobberen lagen, hakten in die vaartuigen een groot gat en

lieten ze zinken. Toen hervatten zij hunne reis, terwijl de versterking

lustig brandde en den stroom in het nachtelijk uur over zijn geheele

breedte helder verlichtte.

„Zie zoo! dat is illuminatie bij onzen doortocht,” riep Johannes

vroolijk.

„Maar is die illuminatie geen daad van baldadigheid?” vroeg

Wienersdorf. „Was de aanval op die versterking daarenboven

noodzakelijk? Me dunkt dat we best voorbij hadden kunnen varen, zonder

dat ons iets gedeerd had. Op zijn ergst genomen, zouden we wat

geweerschoten te verduren gehad hebben. Die waren in het nachtelijk

duister van die schutters niet bijzonder gevaarlijk en met wat meerdere

inspanning zouden we spoedig buiten bereik geweest zijn.”

„Akkoord! We hadden wel voorbij kunnen komen; daaraan behoeft geen

oogenblik getwijfeld te worden. Maar de gevolgen! vraag je af, wat de

gevolgen zouden geweest zijn? Waren we voorbij kunnen komen, zonder

ontdekt te zijn, voorzeker, dat ware wel het beste geweest. Maar nu die

schildwacht ons gezien had, bleef ons niet anders te handelen over, dan

we gedaan hebben. Waren we voorbij gesneld, dan zouden ons morgen

ochtend bij het krieken van den dag een vijf-en-twintigtal Dajaks op de

hielen gezeten hebben, en het hoofd Patti Singa Djaja zou niet

nagelaten hebben van zijn invloed gebruik te maken om de bevolking van

de boven-Kapoeas tegen ons op de been te brengen; en dan... dan zou ik

geen uitweg meer geweten hebben. Nu is de bezetting van Kwala Hiang in

de wildernis verstrooid; zij is zonder vervoermiddelen en derhalve vrij

hulpeloos. Maar al had zij prauwen, dan zou zij nog nalaten ons te

vervolgen, ongewapend als zij is. De gelegenheid om onzen slag te

slaan, was te mooi, dan dat ik die onbenut mocht laten voorbijgaan. Zoo

midden in haar slaap opgeschrikt, is die bezetting uit elkaar gestoven

of haar de drommel op de hielen zat. Ik zou durven wedden, dat zij geen

enkelen gekwetste heeft; althans ik heb geen enkel spoor van bloed

ontdekt.”

„Daar ben ik dankbaar voor,” sprak Wienersdorf ernstig. „Onze desertie

heeft al bloed genoeg gekost. Maar nu die brandstichting? die had

kunnen nagelaten worden. Thans zwerven die ongelukkigen in de wildernis

rond, beroofd van een onderkomen, aan het nijpendst gebrek ten prooi.”

„Die brandstichting!” vloog Johannes terstond op. „Die brandstichting!

Je hebt zulke krasse benamingen voor de dingen. Neen, die

brandstichting heb ik niet kunnen nalaten. Het vereenigingspunt van die

menschen moest hun ontnomen en zij zoo tot den aftocht gedwongen

worden. Die versterking is met Hollandsch geld gebouwd en bewapend.

Door haar te verbranden, hebben we niemand benadeeld dan een Regeering

waartegen we in openbaar verzet zijn en die dat verlies wel zal kunnen

dragen. Wat de ongelukkigen betreft, die volgens je uitdrukking nu in

de wildernis ronddolen, beroofd van een onderkomen en aan het nijpendst

gebrek ten prooi, die zullen zich daaruit wel redden. Een Dajak lijdt

geen gebrek in zijn wouden. En om een onderkomen heeft hij zich, in een

luchtgestel als dit, al weinig te bekommeren. Vraag eens aan Dalim of

hij er erg tegen op zou zien om van hier naar Kwala Kapoeas over land

terug te keeren. Hij zal tal van moeielijkheden opsommen, tegen welker

opruiming zijn luiheid zich verzetten zou, maar van gebrek lijden zou

hij geen woord reppen; nog minder zou hij op het gemis van een

onderkomen wijzen. Neen, ik blijf bij mijn beweren, de bemachtiging van

die versterking was in de gegeven omstandigheden gebiedend noodzakelijk

en hare verbranding niet minder.”

Johannes had met vuur en overtuiging gesproken en toch kon hij niet

weten, dat die overrompeling nog een anderen en meer ingrijpenden

invloed op hunne vlucht zoude hebben, dan hij bedoelde. Hij besprak

slechts de onmiddellijke gevolgen, die onder het bereik zijner

berekeningen lagen, terwijl op hetzelfde oogenblik een ander gevaar,

veel grooter dan dat, waardoor zij zich thans heengeslagen hadden, hen

op de hielen zat.

De kommandant van Kwala Kapoeas, de lezers weten het, had daags na het

vertrek van Damboeng Papoendeh bevelen gegeven, dat het districtshoofd

met vijftig gewapende Dajaks gereed zoude staan, hem bij een tocht naar

de boven-Kapoeas te vergezellen. De gezaghebbersprauw, een fraai, rank

en ruim vaartuig werd in gereedheid gebracht en van het noodige

voorzien; en op het aangeduide uur aanvaardde die officier den tocht,

na den dokter op het hart gedrukt te hebben goed waakzaam te zijn en

hem zoo veel doenlijk op de hoogte van alle merkwaardige voorvallen te

houden.

Een bezoek aan soengei Naning gaf niet veel licht. Onze bekende Ali

Bahar vluchtte de wildernis in, toen die fraaie „kaloeloes”

(staatsieprauw), waarboven de Nederlandsche vlag wapperde, en die door

een groot aantal roeiers voortgedreven werd, zijn woning naderde. Zijn

vrouw, Indoe Soemping was dermate door dat bezoek verschrikt, dat zij,

hoe welwillend de Tomonggong Nikodemus Djaja Nagara haar ook toesprak,

geen inlichtingen kon verschaffen. Wel erkende zij, dat Dalim met twee

Kwala-Kapoeassers ten haren huize geweest waren, maar van den Sjech,

die hare kinderen besneden had en boos geworden was, omdat hem

varkensvleesch was voorgezet, en van den Pangareran, die hen van een

vraatzuchtigen kaaiman verlost had, haspelde zij zulk een verward

verhaal door elkander, dat er niet uit wijs te worden was. Hardnekkig

bleef zij daarbij volhouden, dat zij geen blanken bespeurd had. Er werd

nog een vergeefsche poging aangewend, om Ali Bahar in de wildernis te

achterhalen en van hem iets duidelijkers te erlangen. Maar toen die

opgegeven moest worden, werd de reis voortgezet.

Te soengei Mantangei waren de berichten niet duidelijker. Men kon niet

meer verhalen dan wat er gebeurd was. En toch werd nog een verhaal

geleverd, dat te verwarder en te ingewikkelder klonk, naar mate meer

personen zich beijverden het te verduidelijken en te vertellen, wat zij

gezien hadden en ook wat zij vermeenden gezien te hebben. Vooral de

vrouwen waren daarbij uiterst breedsprakig, zonder evenwel veel mede te

deelen. Maar allen kwamen ook hier daarin overeen, dat men geene

blanken bespeurd had. Wat hier de onzekerheid ten top voerde, was de

verzekering, dat Damboeng Papoendeh een paar dagen geleden met drie

prauwen hier was geweest, dat hij een onderzoek ingesteld had, waarna

hij de soengei Mantangei opgestevend was, terwijl niemand kon

bevestigen die prauwen te hebben zien terugkeeren. Dit gaf aanleiding

tot een langdurige wisseling van gedachten, waarbij het oude

districtshoofd van Kwala Kapoeas geheel van gevoelen met den officier

verschilde en dat vrijmoedig bekend stelde. Hij weersprak niet, dat

Damboeng Papoendeh de soengei Mantangei opgestevend was, maar wel dat

de vluchtelingen daarlangs een uitkomst zouden gezocht hebben. Hij wist

dat Dalim in de Doessonstreken een vreemdeling was, daarentegen zich in

de Kapoeas geheel en al te huis kon rekenen. Eindelijk na lang aarzelen

werd besloten deze laatste rivier tot Kwala Ybang op te roeien, daar

berichten in te winnen en, versterkt met een gedeelte van de bezetting

van dat fortje, naar omstandigheden te handelen. Het was al reeds een

groote teleurstelling niet op de macht onder Damboeng Papoendeh met

zekerheid te kunnen rekenen.

„Mijnheer zal zien,” sprak de oude Tomonggong, „dat wij zoo den besten

weg kiezen. ’t Is onmogelijk dat de vluchtelingen langs de Doesson

zullen trachten te ontsnappen. Daar zijn zij hun leven geen oogenblik

zeker.”

„Ik mag lijden dat je gelijk hebt,” antwoordde de officier, „ik vind

het onaangenaam zoo in den blinde rond te moeten tasten.”

De reis werd hervat; maar eerst bij Pendek Katiempoen werden de eerste

berichten, die men vertrouwen kon, ingewonnen. De prauwen van Damboeng

Papoendeh waren daar aangekomen; maar de lijders bevonden zich nog in

zoo’n deerniswaardigen toestand, dat van hen niets te vernemen viel. De

roeiers deelden mede wat zij wisten; hoe zij eens in het holst van den

nacht een zwaar geweervuur gehoord hadden, hetgeen een bezoek aan Danau

Ampang ten gevolge had gehad; verder vertelden zij van den bijenaanval

en eindelijk van den bijstand dien Bapa Andong en de lieden van zijn

vlot aan de lijders geboden hadden. Maar dat alles verspreidde zeer

weinig licht, want ook deze menschen ontkenden ten stelligste, dat zij

blanken gezien hadden. Wat evenwel den Tomonggong en ook den luitenant

de wenkbrauwen deed fronsen, was de mededeeling, dat een forsch

gebouwde Dajak, na de lijders zorgvuldig verpleegd te hebben, de twee

Nederlandsche vlaggen van de prauwen ingehaald en medegenomen had. Ook

de schriftelijke instructie, aan Damboeng Papoendeh medegegeven, was

nergens te vinden, hoewel niemand kon verzekeren, dat die ontvreemd

was.

De luitenant en het districtshoofd keken elkander een poos aan. Zij

konden hunne gedachten geen vorm geven en zagen er van af die mede te

deelen. De officier besloot evenwel den tocht tot Kwala Ybang voort te

zetten. Hij hield zich overtuigd, dat zij daar meer zouden vernemen.

Niet ver boven Pendek Katiempoen werd het vlot van Bapa Andong ontmoet.

Deze, met het wantrouwende karakter, den Oosterling eigen, gaf niets

dan ontwijkende antwoorden. Van Europeanen wist hij hoegenaamd niets.

Toen hij ondervraagd werd over het geweervuur, dat door de volgelingen

van Damboeng Papoendeh vernomen was, legde hij een soort van verbazing

aan den dag. Met het onschuldigste gezicht van de wereld, gaf hij te

kennen, dat hij daar niets van gehoord had en verhaalde verder dat hij

bij zijn strijd tegen de koppensnellers, hulp had erlangd van de

opvarenden eener handelsprauw die, met een jachtgeweer een paar schoten

gelost hadden. Toen op dat geweervuur verder en met allen ernst

aangedrongen werd, gaf hij leuk ten antwoord, dat hij niet begreep, wat

de toean kommandant bedoelde. Hij kon alleen mededeelen, dat zijne

lieden om de muskieten te verdrijven, een groot vuur gestookt en dat

met bamboestengels onderhouden hadden. Waarschijnlijk had het knappen

van de bamboe aanleiding tot de meening gegeven, dat er hevig geschoten

werd. Nu ontstaat er werkelijk bij het verbranden van bamboe, door de

verhitte lucht die in de holle pijpstengels van dat riet de geledingen

doet uit elkander springen, een sterk knappend geluid, dat, op een

afstand gehoord, veel overeenkomst heeft met wild door elkander geloste

geweer- en pistoolschoten.

Of de luitenant dat verzinsel geloofde? Hij zag er van af, of beter,

hij nam den tijd niet, het onderzoek verder voort te zetten. Het zou

hem ook bitter weinig gegeven hebben, daar het onderhoud met Bapa

Andong op het vlot ten aanhoore zijner pandelingen had plaats gegrepen

en deze zich wel gewacht zouden hebben hun meester tegen te spreken.

Voort, voort ging het weer. Altijd noordwaarts de Kapoeas op.

Het was omstreeks het middaguur toen de opvarenden van de staatsieprauw

de monding der soengei Ybang in het gezicht kregen; maar hoe zij ook

uitkeken, van de versterking, die tegenover die monding gelegen en haar

beheerscht had, was niets te ontdekken.

„Wat drommel!” riep de luitenant verbaasd uit, „waar is de kotta

gebleven?”

„Ik kijk er ook naar,” was het antwoord van den Tomonggong, „ik begrijp

er niets van. Dáár, dáár heeft zij gestaan!”

En bij die woorden wees hij met den vinger in de richting, waar hij

meende de versterking te moeten zoeken. Toen zij al nader en nader

gekomen waren, zagen de reizigers eenige zwart verkoolde stronken

staan, die de plek nauwkeurig aanduidden, waar eenmaal de kotta stond;

ook zagen zij nog een lichten rook uit de nog smeulende puinhoopen

omhoog kronkelen. Het was duidelijk, de benting was afgebrand. Maar....

was dat slechts een ongeval door onhandigheid of onvoorzichtigheid

veroorzaakt? of zat daar meer achter?

Terwijl de luitenant en het districtshoofd daarover beraadslaagden,

knetterden plotseling een paar schoten van achter de struiken en

veroorzaakten de fluitende kogels een wezenlijk panischen schrik onder

de Dajaksche opvarenden van de staatsieprauw. De Tomonggong greep zijn

jachtgeweer, de officier zijn revolver en hielden zich gereed. Maar de

roeiers sloegen zonder bevel de pagaaien ruggelings te water, zoodat de

prauw bijna onmiddellijk door den stroom teruggevoerd werd en het

geheel veel op een aftocht geleek. Daar evenwel op den oever alles

rustig bleef, was die paniek spoedig genoeg bedaard. Kalm als altijd,

maar toch behoedzaam stapte het oude districtshoofd alleen en

ongewapend aan den wal en verhief luide zijne stem om te roepen, dat

niemand eenig leed zoude geschieden. Aanvankelijk had zijn toeroepen

weinig gevolg, maar eindelijk toch werd dat geroep beantwoord en, na

lang dralen, kwam het hoofd van Kwala Hiang Tomonggong Patti Singa

Djaja, maar toch nog schoorvoetende uit het dichte bosch te voorschijn.

Hij was uitermate verbitterd op de Nederlanders. Hij noemde hen

verraders, sluipmoordenaars, landstroopers en wat niet al. De man kon

geen uitdrukkingen krachtig genoeg vinden om aan zijn verontwaardiging

lucht te geven. De bedaarde Nikodemus liet hem uitrazen; maar toen

gebrek aan adem den verwoede noodzaakte den vloed van scheldnamen af te

breken, begon hij hem aan het verstand te brengen, dat hij zich had

laten verschalken en de Hollanders aan niets schuld hadden. Hij deelde

hem mede, dat de kommandant van Kwala Kapoeas aan boord der

staatsieprauw was en bracht het zoo ver, dat het hem gelukte den

beangstigde over te halen dien officier te ontmoeten.

Het verhaal van het gebeurde werd toen vlug genoeg geleverd en toen hij

inzag, dat hij beet genomen was, bleef het hoofd niet in gebreke de

geschiedenis aanmerkelijk te overdrijven. Zoo was de aanval door een

tiental prauwen met minstens een paar honderd strijders bemand,

volvoerd; de versterking was heftig door kanon- en geweervuur

geteisterd geworden en het was niet, dan nadat de palissadeering

vernield was, dat de bezetting de wijk genomen had. Hij twijfelde er

niet aan of velen zijner ondergeschikten waren gevallen; want slechts

weinigen hadden zich in de wildernis om hem geschaard. Dat woord

„kanonvuur” deed den officier ongeloovig glimlachen; want al gaf hij

toe, dat geweervuur weerklonken had, waar van daan zouden de deserteurs

kanonnen gehaald hebben? Toch bevestigden alle ooggetuigen, die Patti

Singa Djaja bijbracht, dat herhaaldelijk met kanon op hen gevuurd was

en dat hen bij hunne vlucht nog een hagelbui „anak pelor”

(kartetskogels) nagezonden was, wat toch niet anders dan met grof

geschut kon geschieden. De luitenant fronste de wenkbrauwen en trok de

schouders omhoog. Hij wist niet wat te gelooven. Dat was zeker, dat hij

ditmaal op het spoor der deserteurs was; want uit al die verwarde

verhalen bleek ontegenzeggelijk dat er Hollandsche kommando’s waren

gehoord. Maar wat nu te doen? Dat was een allergewichtigste vraag. Die

kerels stelden zich aan als razende Rolands en waren geen katjes om

zonder handschoenen aan te pakken. Daar tegenover had de officier de

volle maat erlangd van hetgeen hij van zijn Dajaksche metgezellen te

verwachten had. Een paar schoten, die hun over het hoofd gesuisd

hadden, waren voldoende geweest, om hen te doen deinzen. Het speet hem

nu, dat hij niet een tiental soldaten medegenomen had, dan ware er een

kern, die pal zoude staan. Maar de voorzichtigheid had hem dat doen

nalaten. Het fortje te Kwala Kapoeas was toch al zoo zwak bezet. Hij

peinsde en peinsde. Hij gevoelde zich als de bevelhebber eener

belegerde sterkte. Al is die door nog zulk een groote overmacht

omsingeld, hij mag haar niet overgeven of zij moet minstens een storm

doorstaan hebben. Dat gebieden plicht en eer. Hier ook. Hij begreep dat

hij verreweg in de minderheid was, niet in getal, maar in zedelijke

waarde der horden, die hij tegen de vluchtelingen zou kunnen aanvoeren.

Ook de bewapening zijner tegenstanders was beter, al trok hij ook de

schouders op voor de berichten omtrent kanonvuur. En wat hem niet het

minste teleurstelling baarde, zijne verwachtingen om de bezetting van

Kwala Hiang met hare wapens gedeeltelijk te kunnen bezigen, waren

gefaald. In een woord, hij stond daar vrij hulpeloos tegenover die

mannen, die voor hunne vrijheid, het dierbaarst goed, streden en

daarvoor alles veil hadden. Toch wilde hij de poging niet opgeven. Hij

zou het onmogelijke trachten te doen en wie weet of niet het een of

ander toeval hem alle kansen in handen zoude voeren.

Dat waren de gedachten, die hem het brein doorkruisten. Hij

beraadslaagde met het districtshoofd, ook met het hoofd van Kwala Hiang

en er werd overeen gekomen, dat men tot kotta Baroe zoude doorroeien.

Daar zouden zij de bevolking te wapen roepen. Op een paar honderd man

viel al licht te rekenen en met die macht, versterkt door hetgeen van

de bezetting van Kwala Hiang verzameld was kunnen worden, waaronder

eenige met geweren, maar met slechts een beperkt aantal patronen, zoude

een ernstige poging gewaagd kunnen worden om de deserteurs in handen te

krijgen. Andere meer uitgewerkte plannen, van hetgeen hun te doen of te

laten viel, waren in de gegeven omstandigheden niet te ontwerpen.

Middelerwijl hadden de deserteurs ook niet stil gezeten. Wel konden zij

niet gissen, dat het gevaar zoo nabij was. Zij verlangden slechts de

bovenlanden te bereiken. Hoe grooter de afstand was, die hen van de

onmiddellijke onderhoorigheden der Nederlanders scheidde, des te

veiliger zouden zij zijn; want dat gevoelden allen: met den afstand

klommen ook de bezwaren voor hunne vervolgers in toenemende rede bij

hunne pogingen om hen in handen te krijgen. Het ergste was reeds achter

den rug, meenden zij; met nog wat inspanning zouden zij van dien kant

niet veel meer te duchten hebben. Vlijtig werd dan ook voortgeroeid en

toen de dag aan den hemel verscheen, was zelfs de opstijgende rook van

de brandende kotta Kwala Hiang niet meer te bespeuren.

Bij een der menigvuldige zandplaten, die in dit gedeelte der rivier de

uitspringende hoeken welke zij vormt, omzoomen, werd aangelegd en nu

beijverden zich de reizigers hun maal te bereiden en zich door een bad

in de kristalheldere rivier te verfrisschen en te versterken.

Na die verfrissching en terwijl de rijst gaar kookte, zaten de Dajaks

van het gezelschap in een kringetje en bespraken de gebeurtenissen van

de laatste dagen. Met een zeker ontzag keken zij tegen die vier kerels

op, die er bruin uitzagen als een hunner, die in hun omgang zoo

eenvoudig en hartelijk waren, maar die toch, als hun moeielijkheden in

den weg traden, als halve duivels te werk gingen. Dat gevecht aan boord

van het vlot en dan dat koene ondernemen tegen de kotta Hiang vooral,

hadden diepen indruk nagelaten. Zij lachten dat zij schudden bij de

gedachte hoe hunne landgenooten het hazenpad gekozen hadden en zij

waren onuitputtelijk in het aanhalen van bijzonderheden, welke die

overrompeling gekenmerkt hadden.

De Europeanen van hun kant hadden zich in een groepje op het helder

witte zand uitgestrekt en verlustigden zich de ledematen eens goed te

kunnen uitrekken, iets wat in die enge prauw niet wel doenlijk was. Een

oogenblik hadden ook hen de laatste gebeurtenissen bezig gehouden, maar

dat was slechts kort geweest. Wat hen thans voornamelijk boeide, was de

prachtige ochtendstond, die hen omgaf, die den hemel en de toppen van

het woud verguldde en de rivier onder de weerkaatsing van dien

purpervloed, aan een stroom vloeibaar goud gelijk deed zijn. Het

morgenrood van het Oosten uitgegaan, en eerst een onbeduidende streep

van het zachtste rozenrood, had langzamerhand het geheele uitspansel

met een liefelijk rosé overtogen, dat gaandeweg donkerder werd,

naarmate de dagvorstin den gezichteinder meer nabij kwam, om eindelijk

daar boven te stijgen. De natuur was stil en als eerbiedig opgetogen in

dien plechtigen stond, die bijna dagelijks in dezelfde pracht

wederkeert en toch door zoo weinige redelijke en denkende wezens

genoten wordt. Geen zuchtje verhief zich, geen blad ritselde en

gedurende die plechtige stilte murmelde slechts het zachte geklater der

rivier, als prevelde zij een gebed tot verheerlijking en innigen dank.

Het zoo kleurrijke hemelgewelf was langzamerhand in het schitterendste

purper overgegaan; nog een poos en in het Oosten teekende zich te

midden van die kleurenpracht een stip die weergaloos helder blonk. Die

stip werd grooter en grooter, en eindelijk was het een groote vurige

bol, die boven den horizon geklommen was en nu niet meer de toppen der

boomen in goud tooide, maar tusschen takken en bladeren doordrong, het

nachtelijk duister verdreef en alom licht en leven tot in de somberste

hoeken van het woud verspreidde. In vlammende trekken vertelden de

hemelen de natuurwonderen in zulk een indrukwekkende taal als alleen te

midden van een tropisch woud gesproken en verstaan kan worden.

Naarmate de zon boven den horizon klom, nam de purperkleur af.

Langzamerhand baadden hare stralen alles in een rein helder wit licht,

terwijl het hemelgewelf zich in het fraaiste azuur, de kleur van het

onbegrensde, hulde. Bij de algeheele windstilte, die tusschen de

keerkringen gewoonlijk de eerste uren van den nieuw geboren dag

vergezelt, teekende zich nu op het blauw des hemels een

natuurverschijnsel, dat, hoewel niet zeldzaam op Borneo, toch op verre

na niet dagelijks voorkomt. Vlak boven hunne hoofden zagen onze

avonturiers een band ontstaan van uiterst fijne vederwolkjes, die zich

van noord naar zuid uitstrekkende, al de bochten en kronkelingen der

rivier vertoonde. Naarmate de purperkleur verbleekte, trad die band

meer bestemd voor het oog. Het was alsof een reusachtige kaart van den

stroom hier beneden, zich daarboven ontrolde, waarop de rivier als een

zilverlint op een blauwen achtergrond aangeduid stond. De oevers van

het beeld der Kapoeas waren scherp begrensd; al de soengei’s, die haar

toevloeien, waren met hare kronkelingen en bochten helder aangeduid;

zelfs de meren en plassen, langs de boorden der rivier, lagen daar

duidelijk voor oogen en naar het noorden nam de zilveren band zichtbaar

af en naar het zuiden in breedte toe, tot het beeld den boschrand bij

den gezichteinder raakte en zich in den aether verloor. Aan die

hydrographische teekening ontbrak alleen maar, dat in een der hoeken

met kolossale letters gegriffeld had gestaan: „schaal op natuurlijke

grootte” en in een anderen: „Deus sculpsit,” om haar volmaakt te kunnen

heeten.

Met verbazing staarden onze reizigers hemelwaarts.

„Bewonderenswaardig mooi!” riep Wienersdorf eindelijk na een lang

stilzwijgen uit. „De kaarten van Otto Petri zijn er niets bij.”

„Prachtig! prachtig!” stemde Schlickeisen in, er met geestdrift

bijvoegende: „Zoo verkondigen de hemelen de heerlijkheid en almacht des

Heeren!”

„Ik heb die verschijning meermalen gezien, evenwel nimmer fraaier en

duidelijker dan thans,” sprak Johannes. „Eens evenwel heb ik het

bijgewoond, dat niet alleen de afbeeldingen van de Kapoeas, maar ook

die van de aan haar evenwijdig vloeiende Doesson en Kahaian waar te

nemen waren. Het beeld vertoonde zich toen veel hooger dan dit schijnt.

Het was bij gelegenheid dat het stoomsleepertje „Kapitein Van Os” in de

eerste helft van 1860 een verkenningstocht op de Kapoeas maakte. We

bevonden ons des morgens, ook zoo omtrent dit uur, ter hoogte van de

eilandengroep Poeloe Teloe. ’t Was een verrukkelijk gezicht, zoo als

die drie stroomen daar afgebeeld stonden. Alleen de linker soengei’s

van de Doesson en de rechter van de Kahaian waren minder duidelijk; zij

liepen, door het welven van het hemeldak, bij den gezichteinder

eenigszins in elkander. Overigens was alles prachtig gedetailleerd en

waren zelfs de eilandjes, die Poeloe Teloe vormen, als blauwe openingen

in den zilveren band zichtbaar.”

„Hoe zou zulk een teekening ontstaan?” vroeg La Cueille.

„Daar zit ik al over te peinzen,” antwoordde Wienersdorf, „ik zal

trachten je duidelijk te maken, hoe ik me die vorming voorstel. De

groote verdamping, waaraan de watermassa onder den invloed van de

keerkringszon op den moerassigen bodem van Borneo bloot staat, heeft de

vorming van meer wolken ten gevolge, dan wel ergens op aarde plaats

heeft. Het eerste wat we gewoonlijk hier zoowel als overal waarnemen,

wanneer bij het doorkomen van de eerste zonnestralen de nachtelijke

nevels optrekken, is de vorming van vederwolken. Deze, door de

geleerden Cirrhi genaamd, verschijnen heel hoog in de lucht en zien er

uit als afhangende veeren, ook wel als bijna onzichtbare parallelle

draden van een zeer fijn netvormig weefsel. Ze doen zich ook soms voor

als banden in den vorm van fijne houtkrullen en worden dan niet

oneigenaardig met een onbedwongen haarlok vergeleken. Heeft een groote

verdamping plaats, dan ronden die vederwolken zich af en vormen half

bolvormige massa’s als opgehoopt op een waterpas grondvlak, die dan

schapen- ook wel stapelwolken, Cumuli genoemd worden. In den regel

vormen deze zich omstreeks het middaguur, om tegen zonsondergang te

verdwijnen. Is dit laatste niet het geval en heeft verdere uitdamping

plaats, dan vervormen de Cumuli zich tot Nimbi of regenwolken of tot

Strati of schichtwolken, die zich in dikke horizontale lagen langs het

hemelgewelf uitspreiden en regen of onweder aanbrengen. Dit is in het

algemeen de wolkenvorming. Ik stel mij nu voor, dat bij zeer droge en

volmaakt stille lucht, de dampen, die steeds boven iedere watervlakte

gevormd worden, loodrecht omhoog stijgen, zich, in hoogere lagen

aangekomen, verdichten en de vederwolkjes vormen, die we daar boven

aanschouwen. Is het nu in die bovenlagen van den dampkring ook volmaakt

stil, dan zullen die vederwolkjes zich boven de watervlakte, waaruit ze

ontstonden, samenpakken en zoo het afbeeldsel van die watervlakte

vormen. Gaat de verdamping voort en blijven de luchtdeelen in rust, dat

wil zeggen, dat ze niet in zijdelingsche beweging geraken, dan zal de

teekening op het blauwe grondvlak al scherper en duidelijker uitkomen;

maar eindelijk zullen de Cirrhi in Cumuli overgaan en weldra de grenzen

der teekening verbreken en door elkander dwarrelen. Of een windje

verheft zich en de vederwolken zullen onder dien drang wijken om hare

fijne en breede pluimen volgens de windrichting te scharen. Ziet,

zooals ginds reeds gebeurt, dáár, waar ge die opening in den rivierband

reeds kunt zien en waar de vederbossen in de richting van het

noordwesten beginnen te wijken, waaruit we gevoeglijk kunnen afleiden,

dat weldra, althans in de bovenlagen een zuidoostelijke wind zal

doorwaaien.”

„Mooi verklaard,” betuigde Schlickeisen, „maar alvorens ik onzen

kameraad mijn dank betuig, wenschte ik nog een opheldering. Zoo even is

gezegd, dat bij de verdamping, die zich boven iedere wateroppervlakte

vormt, vederwolken ontstaan. Maar het geheele gedeelte van Borneo, waar

we ons nu nog bevinden, tot aan de zuidkust toe, kan aangemerkt worden

als een samenhangende watervlakte te vormen, zoo moerassig is het.

Heeft nu de vorming plaats, zooals gij uitgelegd hebt, dan zou geen

beeld eener rivier of van een stroomgebied zich afteekenen, maar dan

zou het geheele uitspansel zich met een net van vederwolken bedekken.”

„Jawel,” viel hem hier Wienersdorf nog al onstuimig in de rede, „dat

zou het ook, als de verdamping boven die moerasgronden ongestoord

plaats vond; als die in andere woorden daar kon geschieden, zooals dat

boven de rivieren en meren gebeurt. Maar, boven dat moeras spreidt zich

het dichte loof van het maagdelijke woud uit en vormt als het ware een

beschermend dak, dat weinig of niets doorlaat. Des nachts koelen de

takken, maar voornamelijk de bladeren sterk af, de opstijgende damp

condenseert zich of slaat daarop neer, zooals men dat noemt, evenals de

vochtdeelen uit de omringende lucht in een verwarmd vertrek zich op de

wanden van een glas met kilkoud water gevuld, neerzetten. Ge ziet het,

takken en loof zijn met overvloedigen dauw overdekt. Die dauw zou

vederwolken gevormd hebben, als hij omhoog had kunnen trekken. Straks

zal hij wel verdampen, wanneer takken en bladeren zich, onder den

invloed van de minder schuine zonnestralen, met den warmtegraad der

omringende luchtdeelen in evenwicht zullen gesteld hebben. Ten opzichte

van die verdamping dus, vormt het woud als het ware een horizontaal

dak, een vlak dat boven de rivieren, soengei’s, spruiten, meren, enz.

uitgeknipt zou zijn, om de vervluchtigde waterdeelen in de morgenuren

door te laten, terwijl die dan elders weerhouden worden. Ik hoop, dat

die uitleg proefhoudend zal bevonden worden, voor mij ten minste is hij

voldoende om mij het ontstaan der prachtige teekening, die we straks

bewonderd hebben, maar die nu reeds verdwenen en onder den invloed van

den zuidoostenwind uitgewischt is, te verklaren.”

„Ten volle neem ik genoegen met die toelichting en verklaar mij

daardoor bevredigd,” betuigde Schlickeisen.

„Als dat zoo is, dan betuig ik mijn dank voor de duidelijke en

zakelijke voordracht,” sprak Johannes, „maar de rijst is gaar; onze

Dajaks hebben ze reeds in portie’s afgedeeld en in breede bladeren

gewikkeld. Straks zullen we met smaak kunnen eten. Dus ieder op zijn

plaats in de prauw en de pagaaien ter hand genomen. Er mag geen tijd

verloren gaan; we zullen trachten heden nog kotta Baroe te bereiken.”

Borneo van Zuid naar Noord · 第 53 / 77 题