XIV.

Karakter der inlandsche bevolking.—Veertien lijken op het

vlot.—Damboeng Papoendeh verschijnt op het tooneel.—Vergeefsche

tocht in de soengei Mantangei.—Het „maroetas.”—Terug naar de

Kapoeas.—Het nachtelijke schieten.—De reddende bijen.—Hulp in

nood.—De scheiding.—Dichterlijke beschouwing van het

meer.—Tegenstelling.—Beschaving en barbaarschheid.—Het ontstaan der

meren.

„Ik ben er nog niet overtuigd van,” sprak La Cueille, „dat we goed

gedaan hebben dien vent te laten ontsnappen.”

Die volzin bij het aanbreken van den dag geuit, was eigenlijk de

voortzetting van het gesprek, dat na de ontvluchting van den

koppensneller met de meest mogelijke variatiën had plaats gehad.

„Morte la bête, mort le venin,” was de meening van den Waal, die hij

dan ook overeenkomstig zijn aard zoo energiek mogelijk mededeelde. Als

Sjech zou hij die spreuk wel in het Arabisch weergegeven hebben, ware

hij die taal maar machtig geweest.

Maar Dalim suste hem en verklaarde, dat zij van dien kajau geen leed

meer zouden ondervinden. Het zou zelfs niet onmogelijk zijn, dat zij nu

of dan van zijn stam wiens opperhoofd Harimaoung Boekit bleek te zijn

veel hulp zouden erlangen. Bij al de gebreken en ondeugden, die het

karakter van den bovenlander ontsieren,—verzekerde hij zoo goed hem

mogelijk was—is de dankbaarheid, al heeft hij er zelfs geen naam voor

in zijn taal, de grondslag van het karakter van den Dajak. Hij had er

bij kunnen voegen, dat het ook het kenmerkend karakter is van de

geheele inlandsche bevolking van het schoone Insulinde. Zeven achtste

van de Nederlanders in Nederland miskennen dat karakter en leggen

gebeurtenissen, die den dampkring wel eens met brandlucht vervulden of

hem met een lauwen bloedreuk doortrokken, volgens hunne opvattingen

uit. Spoort evenwel de onpartijdige geschiedvorscher de oorzaken dier

beroeringen op, dan vindt hij, dat onverdraaglijke heerschzucht,

inhaligheid en schraapzucht, maar niet het minst oneerlijkheid en kwade

trouw, zoo eigen aan het blanke ras, den onderdrukten en uitgezogen

natuurgenoot de brandfakkel en het staal in de vuist wrongen.

Toen het dag was, telden de opvarenden van het vlot dertien lijken, die

onder het vuur der Europeanen waren gevallen, ongerekend het lijk van

hem, die door Schlickeisen met de bajonet doorstoken was. De wapenen en

maliënkolders der gesneuvelden vielen den overwinnaars ten buit en

onder den onverbiddelijken drang der noodzakelijkheid werden de

veertien lijken in den koelen schoot van het meer neergelaten.

„Een offer aan Djata,” grinnikte Dalim.

Och! dat de blanke overweldigers gedurende de vele jaren, dat zij hun

schepter loodzwaar op de schouders van de bewoners dier schoone

gewesten deden neerkomen, toch aan de eischen der beschaving, die zij

zoo huichelachtig in hunne banier voeren, hadden voldaan, dan waren

thans gruwelen als het koppensnellen geheel onmogelijk. Dat waren de

gedachten, die den beiden Zwitsers bij die plechtigheid door het brein

voeren.

Ter nauwernood was men met die begrafenis klaar en had men elkander

geluk gewenscht, dat hunnerzijds geene verliezen te betreuren waren, of

de algemeene aandacht werd gewekt door een drietal prauwen, die zich

vertoonden aan den ingang van het verbindingskanaal van het meer met de

rivier. De schrik sloeg den Europeanen en ook Dalim met zijn

overgebleven tochtgenoot om het hart, toen zij van den achtersteven van

de twee eerste prauwen de Nederlandsche vlag zagen waaien. O! het was

duidelijk voor onze vluchtelingen; men was hen eindelijk op het spoor

en in hunne oogen was alles wat zij tot nu ondervonden hadden slechts

kinderspel bij hetgeen hen nu te wachten stond. Ademloos en sprakeloos

verbeidden zij wat nu verder gebeuren zou.

Bapa Andong, onbewust, en ook niet kunnende raden, wat in het gemoed

zijner medeopvarenden omging, zag in de naderende prauwen, wel verre

van een gevaar, daarentegen een zekere hulp, als de Poenans zich

misschien weer mochten vertoonen. Met zijn zoon en zijne pandelingen

stiet hij dan ook tot drie malen toe een doordringend geroep uit:

„Gagoeloeng, kantoh ikau! Oūi!!” (Spoedig komt hier ohé!)

Wat was er gebeurd, dat die prauwen in dezen stond op het meer bracht?

De lezers hebben zeker geraden, dat Damboeng Papoendeh, dien zij van

Kwala Kapoeas hebben zien vertrekken, op het tooneel verscheen. Met den

ijver, die hem bezielde, was dit jeugdige hoofd, zonder verpoozing

doorroeiende, naar soengei Mantangei gestevend. Daar had hij op de

plaats der gebeurtenissen zelve het verhaal van den strijd met de slang

en het daaropgevolgde vuurgevecht met de mannelijke bevolking andermaal

aangehoord en de vernieuwde verzekering bekomen, dat de bedoelde

personen de Mantangei opgestevend waren, om de Doesson te bereiken.

Hoewel hij daaraan weinig geloof sloeg, waren de berichten toch zoo

stellig, dat hij ze niet in den wind mocht slaan. Hij besloot dan ook

die soengei op te varen. Somwijlen schudde hij ongeloovig het hoofd en

was hij niet ongenegen den terugtocht naar de Kapoeas te bevelen, maar

dan werd weer in een doorgekapten tak of een opgeruimden struik een

spoor herkend, dat nog kort geleden een prauw zich door dat weinig

bezochte vaarwater baan gebroken had. Eindelijk, na een geheelen dag de

Mantangei opgevaren te zijn, kwam hij aan een kleinen kampong aan,

Takisan geheeten, waar hij niet verder kon, omdat die kampong

„maroetas” was.

Maroetas beteekent: onrein. Een huis, een dorp, een landstreek kunnen

tengevolge van verscheidene oorzaken voor onrein verklaard worden. Bij

voorbeeld ten gevolge van sterfgevallen, ook van besmettelijke ziekten

en van gepleegde bloedschande. Wanneer een huis maroetas is, wordt het

eenvoudig gesloten en de trap weggenomen. Niemand der bewoners mag daar

buiten treden of bezoek ontvangen. Is een dorp of een landstreek

verontreinigd, dan worden de toegangen versperd en het is op verbeurte

van het leven verboden, die versperringen te overschrijden.

Zoo vond Damboeng Papoendeh de soengei Mantangei, als toegang tot den

bedoelden kampong, versperd door een dubbelen zwaren rottankabel, welks

uiteinden aan den wal door gewapende mannen bewaakt werden. Hij

begreep, dat hier geen geweld te gebruiken was; al zoude hij daartoe

hebben willen overgaan, dan zouden zijne tochtgenooten zich tegen dat

vergrijp ten opzichte hunner godsdienstige instellingen verzet hebben.

Van de wachthebbenden bij den kabel vernam hij bovendien, dat het

maroetas reeds sedert zeven dagen duurde, dat den volgenden dag de

gewone offeranden aan de Sangiangs [58] zouden gebracht en het

gebruikelijke feestmaal zou gehouden worden; waarna de afsluiting

opgeheven zoude zijn. In volle zeven dagen tijds was hier dus geen

prauw kunnen passeeren; dat was duidelijk. Hij was dus op een valsch

spoor en zijn eerste opvatting was de juiste geweest. Lang bedacht hij

zich niet; de prauwen werden gewend en de terugtocht met pijlsnelle

vaart aangenomen. Het was zaak den verloren tijd in te halen. Het was

stikdonker toen men den kampong Mantangei voorbij voer; maar met allen

spoed en onverdroten werd dag en nacht doorgeroeid en zoo bevonden zich

de vervolgers in den bewusten nacht ter hoogte van Danau Ampang, zonder

evenwel te bevroeden, dat zij toen de vluchtelingen zoo nabij waren.

Het woei dien nacht stormachtig uit het noordwesten, hetgeen de vaart

niet weinig bemoeielijkte en bij de hevige vlagen somwijlen gevaarlijk

maakte. Eindelijk zelf uitgeput, gaf Damboeng Papoendeh aan de beden

van zijn volk toe, om het overige gedeelte van den nacht in een kreek

aan den wal gemeerd door te brengen. Wel deed hij dat noode, want hij

had zich in het hoofd gesteld met ijlende vaart kotta Baroe te

bereiken, daar berichten in te winnen en zou het hem dan misschien

gelukken, wat hij hoopte, namelijk de avonturiers voorbij te stevenen,

hen daar in te wachten en met behulp der bevolking gevangen te nemen.

Dat plan was hoogst eenvoudig en zoude door zijn eenvoudigheid alle

kans van slagen gehad hebben, ware er niet een voorval tusschenbeide

gekomen, dat het geheele plan in duigen wierp.

Het kon naar gissing van de wachthebbenden drie uur na middernacht

zijn, toen plotseling in westelijke richting, evenwel zeer nabij, een

doordringend: lēēēh lèlèlè ouiiit! gevolgd door een hevig geweervuur,

vernomen werd. Dat gaf licht in de duisternis, want Damboeng begreep,

dat zij, die hij vervolgde, in zijne nabijheid en slaags waren, hetzij

met kampongbewoners, zooals dat te soengei Mantangei gebeurd was,

hetzij met koppensnellers, die in deze buurt eerder te verwachten

waren.

In gespannen ongeduld ging de nacht voorbij en toen de dag aangebroken

was, ontwaarde hij in zijn nabijheid de monding van het kanaal, dat

naar het meer voert. Hij had nu de overtuiging, dat het drama, dien

nacht afgespeeld, daar had plaats gegrepen. Hij aarzelde dan ook geen

oogenblik, om aan het meer een bezoek te brengen. Hij deed zijn makkers

hunne wapens in gereedheid brengen en stevende weldra derwaarts.

In het kanaal werd niets opmerkenswaardigs of verdachts waargenomen.

Maar bij het uitkomen in het meer zag men in de verte aan den

oostelijken oever een groot vlot liggen, dat met rottanbossen overdekt

was en waarvan de opvarenden de aankomenden toeriepen bij hen te komen.

Die kreet van: „gagoeloeng, kantoh ikau!” was goed waarneembaar.

Damboeng liet nu een prauw achter ter bewaking van de kanaalmonding,

met bepaalden last niemand het meer te doen verlaten en stevende met de

twee andere prauwen langs den westelijken oever van de danau, om die in

alle bochten en kreken te onderzoeken en zoo langs den noordelijken

oever bij het vlot op den oostelijken oever te geraken.

Bapa Andong, die het gevaarlijke van die manoeuvre voor de aankomenden

inzag, wilde de prauwen andermaal toeroepen, maar Dalim lag de hand

gebiedend op den mond, fluisterde hem iets in het oor en liet hem

tegelijkertijd de punt van een „badek” (kleine dolk) tusschen de korte

ribben voelen. Verschrikt keek de Dajak zijn landgenoot aan en zag toen

Dalim’s metgezellen met het geweer of den ontblooten mandauw in de

hand, hem met hoogst ernstige gezichten omringen, terwijl zijn eigene

makkers op dat kleine tooneel, dat trouwens slechts weinige seconden

duurde, geen acht gaven. Hij begreep van dat alles niets, dan alleen

dat hij voor het oogenblik den mond moest houden.

De beide prauwen daar ginds hielden nog steeds den westelijken oever.

Plotseling verhief zich uit die beide vaartuigen een geweldig gegil.

Men kon de opvarenden gedurende een oogenblik met de armen heftig zien

zwaaien; enkele hunner sprongen in het water en trachtten zich al

zwemmende met den meesten spoed van de prauwen te verwijderen, terwijl

zij herhaalde malen onderdoken. De kreet: „badjanji! badjanji!!” (de

bijen, de bijen) weerklonk door de lucht.

En werkelijk het was een woedende aanval van de bijen, wier nesten den

vorigen nacht zoo onmeedoogend waren geroofd. Des nachts waren zij,

door den rook verstikt en door den hevigen wind weggevoerd, ter aarde

gevallen, maar bij het aanbreken van den dag hadden zij hunne nesten

opgezocht en daar de gepleegde verwoesting aanschouwd. Nog dagen na

zulk een was- en honiginzameling is het uiterst gevaarlijk de

tanggirangs te naderen, waaraan de nesten eenmaal hingen. Damboeng

Papoendeh en zijne makkers deden daarvan de wreede ondervinding op.

Argeloos waren zij de plek genaderd, toen plotseling, en vóór dat er

iets tegen te doen was, wolken van bijen nederdaalden en zich met de

grootste verwoedheid op de opvarenden dier prauwen wierpen, iedere

wondbare plek huns lichaams overdekten en daar hun giftigen angel in

het vleesch boorden.

De Europeanen op het vlot keken sprakeloos toe en hadden door den

afstand in den beginne weinig begrip van wat er gebeurde; maar toen zij

Dalim zagen springen van de pret, toen zij hem hoorden grinniken en

vernamen met welke vijanden hunne vervolgers te doen hadden, bekroop

ook hen een zelfzuchtig dankbaar gevoel over die ontknooping, die een

bloedige botsing voorkwam, welker uitslag onmogelijk te berekenen zou

geweest zijn. Toen zij evenwel vernamen in welk levensgevaar die

menschen verkeerden, werd hun hart met deernis vervuld en maakte een

soort van schaamtegevoel zich van hen meester, dien doodstrijd zoo

werkeloos te aanschouwen. De twee Zwitsers waren reeds in een djoekoeng

gesprongen om die ongelukkigen, in wie zij geen vijanden maar wel

lijdende natuurgenooten zagen, te hulp te ijlen. De Dajaks bezwoeren

hen evenwel te blijven; zij zouden een nadering met den dood moeten

bekoopen. En inderdaad, de woeste bijenzwermen, onvoldaan over de

genomen wraak, begonnen nu, na hun aanval op de prauwen, zich over het

meer te verspreiden en zich in hun verbittering op ieder levend wezen

te werpen. Wienersdorf en Schlickeisen hadden weldra eenige pijnlijke

steken op handen en aangezicht, die hen met een heftig

„kreuzmillionensakrament!” aan boord van het vlot een toevlucht in de

hut deden nemen en hen noodzaakten van een tehulpsnellen af te zien. Om

op het vlot tegen verdere aanvallen beveiligd te zijn, waren de

opvarenden verplicht vuren aan te leggen en zich in een dikken rook te

hullen.

Aan boord van de twee geteisterde prauwen liet zich geen geluid meer

hooren. Die vaartuigen dreven, door den stroom medegevoerd, die uit het

meer zette, zachtkens naar de monding van het kanaal en zoo buiten den

kring der gevaarlijke boomen.

Toen Dalim en Bapa Andong konden berekenen, dat de woede der bijen

eenigermate gestild was en zij naar de tanggirangs teruggezwermd waren,

werd besloten die prauwen te naderen, om te zien wat er te doen viel.

Johannes, Wienersdorf en nog een drietal pandelingen zouden hen daarbij

vergezellen. Zij namen evenwel vuur en een overvloed van groene takken

mede om steeds een dikken rook te kunnen verspreiden.

Het schouwspel, dat zich aan de oogen dier mannen voordeed, toen zij

bij de prauwen gekomen waren, was allertreurigst. Vier der opvarenden

lagen met den dood te worstelen en hadden hevige vlagen van ijlende

koorts. Ook de anderen waren zoodanig toegetakeld en hunne

aangezichten, handen en armen, in een woord, al de lichaamsdeelen, die

aan de aanvallen der verwoede bijen hadden blootgestaan, waren dermate

opgezwollen, dat zij niets menschelijks meer vertoonden. Geen enkele

was in staat eenige beweging te doen en allen waren schier zinneloos

van de hevige pijnen, door die tallooze vergiftigde angels veroorzaakt.

Om tegen een herhaling van de aanvallen der bijen beveiligd te zijn,

werden de prauwen in het kanaal gebracht, en eenmaal daar aangekomen,

beijverden zich voornamelijk de twee Europeanen hulp te verleenen. Zij

gaven de lijders te drinken, bestreken hunne gezwollen gezichten en

ledematen met klapperolie en met verdunde sirihkalk en troffen al die

maatregelen welke hun toestand vorderde. Terwijl men hiermede bezig

was, kwam de prauw, die ter bewaking van het kanaal door Damboeng

Papoendeh was achtergelaten, en die zich uit angst voor de bijen schuil

had gehouden, naderbij. Na eenige woordenwisseling werden de opvarenden

van die prauw, twaalf in getal, over de drie prauwen verdeeld, waarna

de terugtocht aangenomen werd. Dalim stelde voor, die vaartuigen tot op

de Kapoeas te vergezellen, om behulpzaam te kunnen zijn bij de vele

kronkelingen, die het kanaal vormt. Toen men evenwel dien stroom

bereikt had, waren de vier zieltogenden reeds overleden, en was de

toestand van drie anderen, waaronder ook Damboeng Papoendeh, uiterst

bedenkelijk geworden. Den roeiers werd dan ook op het hart gedrukt,

onverpoosd door te roeien tot de kampong Pendek Katiempoen, waar voor

de lijders ten minste eenige hulp te erlangen was.

Alvorens evenwel te scheiden, werden de gewonden, die allen in

bewusteloozen toestand lagen, nogmaals door Wienersdorf verzorgd en

plaatste die bovendien nog naast ieder hunner een klapperdop met

drinkwater gevuld, om hun brandenden dorst te lesschen. Gedurende die

verzorging nam Johannes de Nederlandsche vlaggen van de beide

voornaamste prauwen in beslag. Hij beweerde die uitstekend te kunnen

gebruiken, alsook de schriftelijke instructie, die aan Damboeng

Papoendeh was uitgereikt en onder het slaapmatje van dat hoofd, in een

bamboekoker besloten, opgeborgen lag. Zoowel die instructie als de

beide vlaggen waren voorzien van het Nederlandsche wapen, dat vooral op

de witte banen der vlaggen sierlijk afgedrukt stond.

De prauwen werden nu aan den stroomdraad overgelaten en verwijderden

zich snel.

Het eerste wat nu na dat vertrek te doen viel, was het vlot, dat zijn

geheele lading ontvangen had, uit het meer op de rivier te brengen. Het

was toen zoo omstreeks 9 uur des voormiddags en men had dus een goede

karrewei voor den boeg. Met lust en ijver werd aan den arbeid getogen,

met dat gevolg dat het zware gevaarte bij het vallen van den avond op

de rivier lag. De dankbaarheid van Bapa Andong, zoowel voor de hulp bij

de behandeling van zijn lanting, als bij het bezoek der koppensnellers

ondervonden, was zoo levendig, dat hij, behalve een menigte zijner

koopwaren als hars, rottang enz., die den reizigers op hun langen tocht

zoo nuttig zouden kunnen zijn, vier zijner pandelingen afstond, in

plaats van twee, zooals de afspraak was, om bij het roeien behulpzaam

te zijn. Ook stond hij onzen avonturiers tien manden met tabak en

eenige stukken sits en katoen voor een luttele som gelds af. Hij had

die tabak en die katoentjes medegenomen om ze tegen andere waren in te

ruilen, maar het was hem niet gelukt daarvoor den gewilden prijs te

erlangen.

Men drukte elkander na die beschikkingen hartelijk de hand, de tros

werd losgegooid, die het vlot nog bij de monding van het kanaal

onbeweeglijk hield en onder den drang van den machtigen stroom stelde

het gevaarte zich in beweging. Onze avonturiers bestegen hunne prauw,

plantten daarop fier een der Nederlandsche vlaggen, die vroolijk in den

wind wapperde, wierpen het vlot nog een luidruchtig hoera toe, sloegen

de pagaaien in het water en waren weldra door een der menigvuldige

bochten der rivier aan de oogen van de vrienden, wier bedrijvigheid zij

gedurende twee maal vierentwintig uren gedeeld hadden, onttrokken.

Johannes hield thans zijn makkers voor, dat, nu hun spoor bekend was

geworden, vlugheid hen alleen redden kon. Aan een toevallige

omstandigheid hadden zij thans hun redding te danken; een dergelijke

zou zich niet ten tweeden male voordoen. Hij berekende, dat zij nu zoo

wat een voorsprong van een vijftal dagen zouden hebben; in dien tijd

zouden zij met wat inspanning een aanmerkelijken afstand kunnen

afleggen en wellicht buiten het bereik der Nederlanders zijn. Er werd

nu besloten, dat men met den meesten ijver dag en nacht zoude

doorroeien. Over dag zouden allen de pagaai hanteeren en des nachts

zouden steeds zes in de weer zijn, waarvan telkens twee om de vier uren

door anderen zouden vervangen worden, opdat allen de noodige rust

genieten en de krachten gespaard blijven zouden.

Het was daarenboven een flink vaartuig, dat de Chinees Baba Poetjieng

aan de deserteurs geleverd had. Rank en scherp gebouwd lag het als een

zeevogel op het water en kliefde gemakkelijk en met bevalligheid en

snelheid de oppervlakte. Er waren weinig vaartuigen in de Dajaklanden,

die in vlugheid ook maar daarmee gelijkgesteld konden worden.

„Dat’s alweer achter den rug!” begon La Cueille, toen zij tegen het

middaguur wat rust namen, ook om het maal te bereiden, „de

gebeurtenissen volgen elkander wel spoedig op. Voorgisteren die dans te

kotta Towanan en nu verleden nacht andermaal. ’t Is alsof, nu wij op

reis zijn, alle koppensnellers van geheel Borneo op het pad zijn.”

„Loop heen,” antwoordde hem Johannes, „we hebben in den afgeloopen

nacht met hetzelfde troepje te doen gehad als te kotta Towanan. Denk

je, dat we na ons vertrek van daar een oogenblik onbespied zijn

gebleven? Neen, ze hebben steeds rond ons gewaard; daar kunt ge zeker

van zijn. En het oogenblik van aanval was niet slecht gekozen. Zij

hebben ons den geheelen dag met dat vlot zien sjouwen, daarna die was-

en honinginzameling, die onzen geheelen voornacht in beslag nam. Zij

rekenden op onze uitputting en meenden ons in diepen slaap gedompeld

aan te treffen.”

„Maar waarom dan dat gegil, toen ze op het vlot sprongen?” vroeg

Schlickeisen.

„Dat is Dajaksche gewoonte, die onbedwingbaar is. Maar toch heeft dat

gillen zijn nuttige zijde voor den aanvaller. In ons geval, nu we op de

been waren, was het vrij overbodig; maar bij mindere waakzaamheid heeft

het alle kansen voor zich, den overvallene te ontstellen, in verwarring

te brengen en radeloos van angst te maken. Verbeeldt je, dat we uit

onzen eersten slaap met dien kreet gewekt waren geworden.”

„Dat had er gek genoeg uitgezien. ’t Kwam me nu al hachelijk genoeg

voor,” bekende de Waal gulweg. „Toen die kerels zoo schreeuwende en

tierende in het donker rondsprongen, kwam me ons getal tegenover hen al

zeer klein voor. Maar wie heeft die list uitgedacht, om hen in dien

nauwen doorgang te lokken en waar kwam eensklaps dat licht van daan?

Het had veel van een wonder!”

„Nu, dan mag je aan Bapa Andong wel een schietgebedje brengen,”

antwoordde Johannes, „hij had reeds over dag een hoeveelheid hars heel

fijn gestampt, die op een roosterwerk van gespleten rottan boven een

laag aardolie op een bord, uitgespreid en daarmede in aanraking

gebracht. Een vlammetje was voldoende om een helder licht te ontsteken

en dat vlammetje had ik hem bezorgd, door hem een doosje lucifers in de

hand te stoppen.”

„Ik dacht eerst dat er brand ontstond. ’t Was een prachtig licht; we

hadden een helder gezicht op die halve duivels, terwijl we achter dien

hoek in het donker staande, bijna onzichtbaar waren. Ieder schot was

dan ook raak.”

„Ja, er zijn al weer menschenlevens genoeg opgeofferd,” zuchtte

Wienersdorf; „’t is een vreeselijke tocht. Wanneer en hoe zal die

eindigen?”

„Daarover hebben we ons thans minder te bekommeren. We zitten in het

schuitje en moeten meevaren,” sprak Johannes ernstig. „Vooral mag ons

geen kleinmoedigheid bevangen. Onze leus moet blijven: pas op je kop.

Hij, die dien kop te nabij komt, moge de gevolgen daarvan ondervinden.

We bevinden ons in de noodzakelijkheid van tegenweer.”

„Maar die noodzakelijkheid heeft toch schrikkelijke gevolgen.”

Schlickeisen beijverde zich aan het gesprek een wending te geven.

„Wat een fraai meer,” zeide hij met een soort van bewondering, „was

dat, waarin we het vlot brachten. De eerste aanblik was voor mij

betooverend. Die gladde wateroppervlakte zonder eenigen rimpel, die als

een spiegel hare geheele omgeving en den hemel daarboven zoo blauw en

zoo rein weerkaatste; die bochten en inhammen, die zich onder het

donkere loof van het maagdelijk woud schenen te verliezen; die kapen en

landtongen, die als het verlangen te kennen gaven zich in het

kristallijnen vocht te willen ontmoeten en te omhelzen; en niet het

minst de wildernis, welke dien spiegel omlijstte met hare grillige

struiken en fantastische klimop- en slingerplanten, met hare

woudreuzen, die hoog in de lucht hun glinsterend en donker loover

scherp tegen het azuurblauw afteekenden en waartusschen de orchideeën

met hare wonderlijke bloemen en haar fraai en soms zoo fijn gevormd

groen een betooverende versiering aanbrachten; dat alles leverde zulk

een verrukkelijk geheel op, dat ik een oogenblik verrukt bleef staren.”

Wienersdorf, die eerst met het hoofd op de borst, als in nadenken

verzonken, gezeten had, werd langzamerhand bij die ontboezeming

geboeid. Hij hief zachtkens het hoofd op, wendde den blik naar den

spreker en hoorde hem aandachtig aan. Zijne mismoedige gedachten scheen

hij te laten varen of beter zij schenen van vorm te veranderen en op

zijn gelaat was de weerkaatsing te lezen van de woorden zijns makkers.

„O ja! ’t was fraai, dat meer,” hernam hij, toen gene zweeg. „Vooral

fraai in zijn eenzaamheid en verlatenheid. Het blonk en schitterde daar

onder de stralen der keerkringszon als een diamant pas ontsnapt aan de

hand des Scheppers, als een parel nog onbezoedeld, nog onbeduimeld door

’s menschen hand.”

„Ha! ha! ha!!” schreeuwde Johannes het uit.

„Lach je daarmede?” vroeg Wienersdorf eenigszins verstoord.

„Ga voort, ga voort!” zei de Sienjo, terwijl hij bleef voortlachen;

„laten zich uwe dichterzielen niet aan mij, prozamensch, storen. Zoo

iets is wel eens aardig om te hooren.”

„Ik was opgetogen,” ging Wienersdorf voort, „daar aan die boorden geen

fabriekswalm te bespeuren, geen stoombooten de gladde oppervlakte te

zien verbreken, het schril gefluit van spoortreinen de kalme en heilige

rust der oevers niet te hooren storen, geen menschelijk gewemel waar te

nemen, dat slechts woeker en winstbejag beoogt. Men gevoelde zich daar

alleen, alleen onder het oog van God.”

„Verd.... mooi! ’k wou dat ik het gezegd had,” viel Johannes hem scherp

in de rede. „O! wat is soms het menschenoog blind, vooral wanneer het

zich in dichterlijke heerlijkheden baadt. Of beter, wat ziet zoo’n

dichtersoog de zaken anders dan zij zijn! ’t Is waar, we hebben bij dat

meer noch den rook van fabrieksschoorsteenen gezien, noch het gefluit

van voortijlende locomotieven of stoombooten gehoord; geen nijvere

fabrikanten verdrongen er zich met steeds rustelooze handelaren; en dat

is zeer te betreuren in stede van aanleiding tot opgetogenheid te

geven. We hebben op die boorden heel wat anders gezien. Geen

fabriekswalm, maar den blauwen, spiraalvormigen rook van het

houtvuurtje, waarboven de sluipmoordenaar in het dichte bosch de

buitgemaakte menschenhoofden zat te roosteren om ze van de

vleeschdeelen te ontdoen. Geen stoomgefluit gehoord, neen, maar den

oorlogskreet der onverlaten, die den vermoeide in zijn slaap verrassen,

den oorlogskreet die snerpend en schril door merg en beenderen dringt,

als doodsbedreiging waaraan de bedreigde niet vermag te ontkomen dan

door zelf te dooden. En ge waagt het dat meer een diamant te noemen,

pas ontsprongen aan de hand des Scheppers, een parel nog onbezoedeld

door ’s menschen hand! ge zegt, u daar alleen, alleen met God gevoeld

te hebben! Veel eer die ge het Opperwezen betuigt! Maar wat waren de

kajau’s dan die met opgeheven zwaard op ons indrongen? Wat waren de

Dajaks, die ons op het vlot omringden? Waren dat geen menschen? Alleen,

alleen met God! Neen, we zijn er wel degelijk met de menschen in

aanraking gekomen, zelfs met menschen van het allergeringste gehalte.

Met menschen, eensdeels slechts behebt met den dierlijken lust tot

moorden, alleen om te moorden, voor wie het hooren van angstgegil en

doodgerochel de grootste streeling, het verhevenste genot daarstelt;

anderdeels met menschen, voor wie het najagen van zingenot de eenige

prikkel in het leven is, de eenige zweepslag, die ten arbeid voert.”

„O! houd op, niet verder,” stoof Wienersdorf niet zonder

verontwaardiging op. „Voor de koppensnellers is geen verdediging in te

brengen; die laat ik onder de volle zwaarte van je verontwaardiging.

Maar de andere Dajaks, wier bedrijvigheid, wier tobben en zwoegen we

van nabij, al was het ook maar kortstondig, hebben kunnen gadeslaan;

die menschen, die zich dat leven in de wildernis maanden lang

getroosten, om het woud zijn schatten te ontvoeren, die wensch ik te

verdedigen, die stel ik oneindig hooger dan gij dat schijnt te doen; en

het is voor hen dat ik met nadruk opkom, wanneer ik hen hoor

afschilderen als wezens, alleen gedreven door het najagen van zingenot.

Ik noem hun zwoegen en tobben, hunne bedrijvigheid de handelswereld in

haar kiem. Het moge waar zijn, dat zingenot voor hen een groote prikkel

is; maar dat valt van iederen handelaar, van iederen nijverheidsman, ja

van ieder menschelijk wezen der westersche maatschappij te zeggen.”

„Wel zeker; maar dan het woord zingenot in zijn meer edele beteekenis,”

viel hier Schlickeisen zijn landgenoot in de rede. „Iedere poging van

den mensch om zijn maatschappelijke positie te verbeteren, iedere zucht

tot veredeling van smaak, de zorgen voor het welzijn en de toekomst van

vrouw en kinderen, verschaffen zingenot. Maar van die soort is hier

geen sprake; hier wordt slechts bedoeld zingenot van het meest

dierlijke gehalte. Laat je eens vertellen door Johannes, die reeds vele

jaren op dit eiland doorbracht, wat er met dat vlot van Bapa Andong zal

gebeuren.”

Wienersdorf keek vragend op.

„O!” beantwoordde Johannes dien blik, „dat zal gauw verteld zijn.

Luister. Na een inspanning van nog vele weken zal hij dat vlot, waarop

de schatten, ontvoerd uit de vele meren en soengei’s, opgestapeld

liggen, te Bandjermasin aangebracht hebben. Eerst worden de rottan, de

hars, de getah pertjah, de was, de vogelnestjes enz. verkocht of

eigenlijk in den roes van het oogenblik op een liederlijke wijze

verkwanseld. Daarna volgt de hut op het vlot, die steeds van flinke

materialen vervaardigd is, vervolgens de vloer en eindelijk de

boomstammen, waarop het geheel dreef. Alles, alles wordt te gelde

gemaakt. Maar van het eerste oogenblik van aankomst op die hoofdplaats

af is een leven van dronkenschap en ongebondenheid begonnen, dat

voortgezet zal worden, zoolang een gulden in den zak zal rammelen.

Wanneer nu Bapa Andong na maanden lange afwezigheid bij vrouw en

kinderen terugkomt, brengt hij niets mee tot verbetering van hun

schamel lot, of het zou moeten zijn voor ieder een stel eenvoudige

kleedingstukken, welker aanschaffing hem door de noodzakelijkheid

geboden wordt; maar het is nog lang niet zeker, dat hij daaraan zal

voldoen. Het zal al uiterst gelukkig uitkomen, als hij zonder schulden

wederkeert, ook wanneer hij het geheele aantal pandelingen, waarmede

hij ten arbeid toog, thuis zal brengen. In den regel worden daarvan bij

zulke gelegenheden verscheidene verkocht. Hij zal dan aan den arbeid

gaan om zijn rijstveld te bebouwen, anders heeft hij met de zijnen niet

te eten, en wanneer het seizoen weer daar zal zijn om boschproducten te

gaan zamelen, zal hij weer uittrekken, vrouw en kinderen in schamelen

toestand achterlatende.”

„Als dat zoo is, dan is Bapa Andong een slechte kerel; maar ik kan niet

gelooven, dat het meerendeel der Dajaksche bevolking zoo zal handelen.”

„Op de schets die ik gaf, maken zeer weinigen uitzondering. Er zijn

zeer weinig welgestelde Dajaks en bij den rijkdom hunner bosschen mag

dat wel als bewijs voor mijn beweren gelden. Zie hunne woningen, die de

ellendigste en afzichtelijkste krotten der wereld zijn; zie hunne

kleeding, die, als de Dajak gekleed is, uit akelige, vuile en smerige

vodden bestaat, nog meerendeels uit boombast geklopt [59], ter

nauwernood aan de oorspronkelijke dierenhuid gelijk. Ge zult dat in de

bovenlanden nog beter kunnen opmerken.”

„’t Is wel treurig, wat je me daar vertelt,” hernam Wienersdorf

eenigszins bitter, „de mensch is een vloek voor dit mooie land.”

„Neen, het land is een vloek voor den mensch,” hervatte Schlickeisen

met vuur, „het land is te rijk, het verspilt zijn schatten zonder den

mensch tot gezetten arbeid te noodzaken. Deze heeft zich maar te bukken

om ze op te rapen; dat maakt hem lui en de luiheid is de grondslag van

veel kwaad.”

Ja, daar was de vinger gelegd op de wond, op de open wond, die aan het

levensbestaan van de menschelijke wezens op het schoonste, het rijkste

en het uitgebreidste eiland van de Nederlandsche bezittingen, dien

smaragdengordel om den evenaar, knaagt. Gedurende de lange jaren, dat

de Hollanders aanspraak op het bezit van het eiland Borneo maken en

alles in het werk stellen om wangunstig andere natiën daarvan

verwijderd te houden, hebben zij niets, hoegenaamd niets gedaan om het

volk tot arbeidzaamheid op te wekken. Integendeel, soms kunnen zij den

schijn niet ontgaan, zich van de volksondeugden bediend te hebben om

voor de lieve kas munt te slaan.

Wienersdorf zat een oogenblik met het hoofd in de hand en scheen na te

denken over hetgeen hij gehoord had. Eindelijk hernam hij tegen

Johannes:

„Je zei daar straks dat het nog vele weken zou duren alvorens dat vlot

te Bandjermasin zou aankomen. Dat is toch overdreven, niet waar?”

„Overdreven! waarachtig niet. De opvarenden van zoo’n vlot roeien

zelden, of het gevaarte moet in een tegenstroom of in een draaikolk

geraakt zijn. Soms ook wel, wanneer het gevaar dreigt om tegen den wal

geworpen te worden. Wanneer dat vlot nu een weinig verder de Kapoeas

afgezakt zal zijn, dan is het in de streken aangekomen, waar zich de

invloed van het rijzen en dalen der zee doet gevoelen. „Tijd is geen

geld”, bij den Dajak; bij het doorkomen van den vloed meert hij zijn

lanting aan den wal vast en wacht dood kalm de invallende eb af om de

reis te vervolgen. Ga nu in gedachten eens na, welke afstanden af te

leggen zijn: eerst de Kapoeas af tot aan hare uitwatering, dan de

Batang Moeroeng op tot aan Moeara Poelau, dan weer de Barito af tot aan

Schans van Thuyll en eindelijk de Martapoerarivier op tot aan de

hoofdplaats; en bedenk daarbij dat dagelijks slechts weinige kilometers

gedurende het ebben van het water afgelegd worden, dan zal je ’t kunnen

begrijpen, dat verscheidene weken met zoo’n reis gemoeid zijn.”

„Maar,” was de schijnbaar niet ongegronde opmerking van La Cueille, „we

hebben dat vlot toch met de spil tegen den stroom zien ophalen; we

hebben daaraan dapper meegedaan. Onze Dajaks zullen dat toch ook wel

doen, wanneer ze in den vloed komen.”

„Het mocht wat,” was het antwoord van Johannes. „Toen zij dat vlot van

soengei Moeroi naar Danau Ampang brachten, konden ze niet anders; er

loopt daar geen vloedstroom. Hadden ze anders kunnen handelen, wees dan

verzekerd, dat ze zich de moeite wel gespaard zouden hebben, al was er

nog zoo veel tijd mee gemoeid geweest.”

„Dat alles begrijp ik nu,” hernam Wienersdorf, „ik heb echter op een

ander punt weer inlichting noodig. Je hadt het zoo even over de vele

meren en soengei’s, waaruit Bapa Andong zijn boschproducten zou gehaald

hebben. Soengei’s zijn er legio, dat weet ik, maar meren? Zijn er dan

nog meer, behalve dit Danau Ampang? Dit is al een merkwaardigheid in

een bodem van alluviale vorming, zooals de zone is, waarin we ons thans

bevinden; bestaan er meerdere dan is de merkwaardigheid des te

grooter.”

„Ik kan je daaromtrent volkomen inlichten,” was het antwoord van

Johannes. „We bevinden ons juist te midden van den meergordel. We zijn

er reeds een half dozijn gepasseerd, waarvan de voornaamste zijn: Danau

Telaga, Danau Telok Katjang, welke laatste oneindig veel grooter in

oppervlakte dan Danau Ampang, dat wij bezocht hebben. Dwars van ons,

maar op den oostelijken kant der rivier, ligt Danau Lihon en verder

zullen we nog wel een half dozijn passeeren, waarvan Danau Sapoipondong

en Danau Lawang de voornaamste zijn. Ik noemde dit den merengordel,

omdat in de nevengelegen stroomen Doesson en Kahajan, die met de

Kapoeas evenwijdig van noord naar zuid vloeien, op dezelfde breedten

ook aan weerszijden een groot aantal meren gevonden wordt.”

„Maar waaraan zou de vorming van die meren in dat lage terrein toe te

schrijven zijn?”

„Zoo je eenige reizen in deze streken gemaakt hadt, zou je die vorming

niet vreemd voorkomen. Zij hangt geheel te samen met het aanwezen van

de geheele alluviale streek, die de zuidkust daarstelt en nog in volle

vorming verkeert. We zijn thans in het hoogwaterseizoen, zoodat de

oevertaluds niet zichtbaar zijn; anders zou je al gemerkt hebben, dat

de rivier niet altijd gestroomd heeft, waar thans hare bedding is. Zij

zal ook niet altijd blijven stroomen, waar zij dat nu doet.

Betrekkelijk geringe tijdruimten zijn er noodig om daarin aanmerkelijke

wijzigingen te brengen; en iemand, die hier vroeger geweest is en deze

streken daarna in een tiental jaren niet bezocht heeft, zou zich op

sommige gedeelten der rivieren in dezen gordel niet herkennen. Zooals

je ziet, vormt de rivier tallooze kronkelingen; soms keert zij op hare

schreden terug en stroomt dan een wijl van zuid naar noord. Er zijn

punten, waar de oevers van beide stroomgedeelten zoo dicht bij elkander

komen, dat een persoon, op den eenen oever geplaatst, met iemand op

denzelfden oever, maar in een andere bocht, zonder inspanning een

gesprek zou kunnen voeren. Was onze prauw zoo laag van boord niet, of

was het terrein zoo begroeid niet, dan zouden we dikwijls gedeelten van

de rivier zien, waar we uren geleden geweest zijn of waar we eerst na

een aanmerkelijk tijdsverloop komen zullen. Wat is het gevolg van die

vele kronkelingen? In de bochten, en dat is genoegzaam zichtbaar, wordt

de bodem langzaam maar gestadig uitgehold en ondermijnd; de oevers van

twee zulke nabijgelegen bochten naderen elkander gedurig. De landengte,

die zulk een schiereiland aan den vasten wal verbindt, wordt gedurig

smaller en smaller en eindelijk breekt zij door. Eerst vormt dat een

smal kanaal, hetwelk soms aanmerkelijke gedeelten van de rivier

afsnijdt en de vaart, als men er goed mede bekend is, aanmerkelijk

bekort. Dat kanaal heet dan: antassan. Maar die antassan wordt met

elken watervloed breeder en eindelijk spoedt de geheele watermassa der

rivier zich als langs den kortsten weg door dat nieuw gevormde bed. De

beide mondingen van de oude bedding verzanden langzamerhand, het

hierdoor afgesneden gedeelte, dat nu een minder of meer aanmerkelijken

plas vormt, kan den toevoer van water, dat het van grootere of kleinere

soengei’s ontvangt, niet genoegzaam loozen; de oevers worden

langzamerhand overstroomd, het terrein rondom wordt moerassig en de

vorming van het meer heeft een aanvang genomen. Allengskens worden de

rivierbedding en ook hare oeverkanten door bezinking van modder en

zand, maar voornamelijk van plantendetritus opgehoogd, waardoor een dam

tusschen het meer en de rivier ontstaat. Maar bij iederen westmoesson

hebben herhaaldelijk overstroomingen plaats, waardoor telkens een

groote watermassa zich in de Danau uitstort en dit al grooter en

grooter maakt. Bij terugkeer van de rivieroppervlakte tot haar peil,

keert ook een gedeelte van het meerwater naar de rivierbedding terug,

waardoor dan door het laagste gedeelte van den dam een kanaal gevormd

wordt, dat het meer voortdurend met den stroom in gemeenschap stelt.

Zietdaar, wat ik meen opgemerkt te hebben en hoe ik mijzelven het

ontstaan van dat groot aantal meren verklaard heb.”

„Bravo!” riep Wienersdorf in de handen klappende, „bravo! voor die

uitlegging. ’k Geloof niet dat er een betere te geven is. Maar die

meren moeten zeer vischrijk zijn?”

„Dat zijn ze ook. ’t Is verbazend hoe het daar van visschen krioelt.

Groote en kleine, visschen die een lengte bereiken van 1 tot 2 M.,

zooals de dahoeman, een soort van paling, de behoe of gaboes, zooals

hij op Java geheeten wordt, de djampol, een geelwitte visch, die

bijzonder lekker is, de kaloi, een witvisch, enz. enz., te veel om

allen op te noemen. Die visschenwereld heeft echter een geduchten

vijand in den kaaiman, die er groote verwoestingen onder aanricht.

Zoo’n meer is dan ook het luilekkerland voor die monsters, die er welig

tieren. De Dajaks verzekeren ook, dat een soort van hippopotamus of

rivierpaard in die meren te huis behoort. Ik heb er nooit een gezien en

van al de inboorlingen, wien ik er naar vroeg, konden maar zeer weinige

bevestigen, zoo’n monster ooit onder de oogen gehad te hebben. Zooveel

is zeker, dat zij er een naam voor hebben in hunne taal. Dat dier heet

bij hen „kadjamiena” en wordt voor een bovennatuurlijk en uiterst

boosaardig wezen gehouden.”

„Die Sienjo is toch nog zoo dom niet, als hem zijn hoofddoek wel

tooit,” dacht La Cueille bij zich zelven.

Middelerwijl was het middagmaal verorberd en het uurtje van rust

verstreken. Met hernieuwde krachten nam men de pagaaien ter hand en

werd de reis hervat.

Borneo van Zuid naar Noord · 第 52 / 77 题