Vaart op de rivier.—Toxicologie.—De „siren” en de „ipoh”.—De
soengei Moeroi.—Een vlot.—Op de Danau Ampang.—De „tanggirangs”.—Een
wasinzameling.—De aanval.—Plotseling verlicht.—Het gevecht.—Een
kamp op leven en dood.—„Blakoe ampoen”.—Een tooneel van
onderwerping.
„De drommel moge zoo’n stroom halen!” pruttelde La Cueille
binnensmonds, „je ziet niet dat we vooruit komen.”
En werkelijk het kostte inspanning en ook genoeg zweet onder de
tropische zon, om den aandrang van het water te breken en veld te
winnen. Er waren soms oogenblikken, als scherpe hoeken omgevaren
moesten worden, dat het oog zoo dadelijk niet waarnemen kon of men
vorderde ja dan neen. Het was dan of de prauw op de watervlakte heen en
weder gierde, zonder voor- of achteruit te komen. Maar dan werden de
pagaaien met verdubbelde kracht in ’t water geslagen en eerst langzaam,
daarna iets beter, ging het vooruit.
Er was een ware kennis van de vaart op de rivier noodig om hoeken af te
snijden, bochten te mijden, van stroomdraaiingen gebruik te maken,
zand- en rolsteenbanken te ontloopen, rotsblokken om te sturen, in een
woord om zonder gevaar de reis in den kortst mogelijken tijd te
volbrengen. Wat nog al tot veel omzichtigheid noopte, was de
aanwezigheid van een groot aantal doode boomen in de bedding der
rivier, die het vaarwater al zeer onveilig maakten. Door storm of
overstrooming aan den vasten wal ontrukt, worden die woudreuzen
gewoonlijk door den zwaren stroom een eindweegs medegesleept, maar
blijven eindelijk zitten, als verankerd door de wortelmassa, die door
de klei en steenen daar tusschen opgehoopt, veel zwaarder dan het
overige gedeelte van den tronk, over den rivierbodem sleurt en door de
oneffenheden daarvan weerhouden, zich eindelijk vastzet. Die
boomstammen zijn vooral voor stroom opkomende vaartuigen zeer
gevaarlijk, daar zij, met de kruinen in de richting van den stroom
liggende, en langzamerhand van bladeren en dunne takken ontdaan, als
een geduchte piketteering te beschouwen zijn, welker punten onder
zekere helling staande, zich niet altijd voor het oog vertoonen, maar
slechts door het koken en opborrelen des waters waarneembaar zijn. Een
aanvaring met zulk een „snack”, zooals de Amerikanen dat noemen, is
meestal noodlottig en heeft het spoedig zinken van het vaartuig ten
gevolge. Dalim en zijn landgenoot, als goed bekend met de rivier, keken
dan ook nauwlettend uit en verhoedden zoo onheilen, die, behalve het
levensgevaar, dat zij daarstelden, ook nog onherstelbare verliezen—b.v.
van de prauw—zouden kunnen berokkenen.
La Cueille, dien het zware roeien eenigszins pijnlijk viel, bekeek van
tijd tot tijd zijn arm. Daaraan was evenwel niet veel te bespeuren. De
snee, die Wienersdorf gemaakt had, was met een korst overdekt, maar
overigens zonder eenige ontsteking. Alleen werd rondom het pijlwondje
een zwarte kring waargenomen, die zich ter grootte van een gulden
uitstrekte. Dalim verklaarde dat dit bij pijlverwondingen steeds het
geval was, ook wanneer de gewonde overleed.
Wienersdorf kon niet nalaten te vragen, waaruit die vergiften getrokken
werden. Toen hij vernam, dat de beide voornaamste, bij de Dajaks bekend
onder de namen van „siren” en „ipoh”, plantaardige vergiften zijn, was
zijn weetgierigheid uitermate geprikkeld. Hij wilde weten van welke
gewassen zij afkomstig zijn, hoe zij bereid worden. Op de eerste vraag
kon Dalim noch zijn makker hem voldoende inlichting geven, want van het
pedante classificeeren der plantenwereld, zooals de geleerden dat doen,
hadden die eenvoudige Dajaks volstrekt geen begrip. Wat de tweede vraag
betrof, deze verkreeg een meer voldoend antwoord; Dalim althans had het
bereiden van het vergift meermalen bijgewoond. Het kostte evenwel veel
moeite hem aan het praten te krijgen. De Dajaks zijn dienaangaande zeer
geheimzinnig. Na veel gevraag kwamen zijne mededeelingen op het
navolgende neer:
In de binnenlanden van Borneo, bij voorkeur op de hellingen van bergen
en heuvels, groeit een boom, die door de inboorlingen „Batang Siren”
genoemd wordt. Deze boom bereikt, evenals onze eik, den ouderdom van
honderd jaren. Zijn stam erlangt bij volle dikte een doorsnede van 1.50
M.
Om nu het vergift uit dien boom te trekken, worden in den dikken bast
schuinsche inkervingen tot op het hout gemaakt. Uit die inkervingen
druppelt een wit melkachtig vocht, dat in bamboezen cylindertjes wordt
opgevangen. Dit vocht verkleurt spoedig wanneer het met de
dampkringslucht in aanraking komt, wordt geel, daarna bruin en
eindelijk zwart bruin. De inzameling moet met de uiterste omzichtigheid
geschieden, daar de inademing van de gassen, die zich bij de
afscheiding van het vocht en zijn aanraking met de lucht ontwikkelen,
zware ziekteprocessen en niet zelden den dood veroorzaakt.
Het vocht, zooals het uit den boom gevloeid is, heeft volstrekt geen
kracht, het verkrijgt die eerst door een opvolgende uitdamping en
koking met andere gewassen.
Wanneer het vocht behoorlijk behandeld [50] en verdikt is, wordt het
nog warm in een steenen kannetje of potje gegoten, waarin het spoedig
stolt. Dit kannetje wordt door de Dajaks der bovenlanden overal
medegenomen en is bevestigd aan den buikband van zijn mandauw. Dit
potje wordt slechts even verwarmd, waarna het voldoende is de
pijlpunten in de vloeibare zelfstandigheid te doopen en deze te laten
afdroppelen. Die punten zijn dan met een dun laagje getah overdekt, dat
spoedig stolt.
Om te onderzoeken of het vergift de gewenschte kracht bezit, wordt een
orang oetan, een kip of een eend met een vergiftigd pijltje verwond.
Indien het getroffen dier niet binnen het half uur bezwijkt, wordt de
siren op nieuw uitgedampt en met andere vergiftige planten gekookt.
De eerste symptomen, die zich bij den gewonde gewoonlijk openbaren,
zijn hevige brakingen, die opgevolgd worden door een bevende verlamming
der ledematen, die ongeveer tien minuten aanhoudt en onder hevige
stuiptrekkingen met den dood eindigt.
Het ipohvergift wordt op dezelfde wijze gewonnen en toebereid. Dit is
echter het vocht uit een slingerplant, waarvan de moederstam niet
dikker dan 2½ dm. middellijn wordt. In de uitwerking van de ipoh wordt
met de siren weinig verschil aangetroffen, alleen dat zich geene
brakingen voordoen.
Alle Dajaks weten deze vergiften te bereiden; maar, daar de beide
gewassen uitsluitend in de berglanden voorkomen, zijn de bovenlanders
in die bereiding meer bedreven dan de kustbewoners.
„Het snelstwerkend vergift”—zoo eindigde Dalim zijn toelichting—„komt
uit Siang en Moeroeng, twee landstreken tusschen de boven Doesson en
boven Kapoeas gelegen. Laatstgenoemde heeft daaraan haren naam
Kapoeas-Moeroeng ontleend, ter onderscheiding van de Kapoeas-Bohong,
die op de westkust uitwatert.”
„Komen wij die landschappen Siang en Moeroeng door?” vroeg Wienersdorf
gretig.
„Ik hoop van niet,” antwoordde Johannes lachend, „ik heb met Dalim een
ander reisplan besproken. Wie kan evenwel zeggen, waar we heen zullen
dwalen? en hoe vaak we genoodzaakt zullen zijn onze plannen te
wijzigen. Wordt evenwel mijn route volvoerd, dan komen we die
landschappen wel zeer nabij, maar er niet door.”
„Zullen we die gewassen te zien krijgen, waarover Dalim zoo even
sprak?”
„Ja,” antwoordde deze, „genoeg; maar wat zoudt gij willen?”
„Dan hoop ik bladeren, bloemen, takken, wortels en vruchten mede te
kunnen nemen.”
„Tu, tu, tu! ik zou je raden daarmee voorzichtig te zijn. In sommige
tijden van het jaar is het zelfs zeer gevaarlijk onder den wind in de
nabijheid van zoo’n boom te verwijlen. Als ge daarop uitgaat, waarschuw
mij dan eerst.”
„Zijn dat de eenige giftige gewassen, die Borneo oplevert?” vroeg
Wienersdorf verder.
„Waarachtig niet,” antwoordde Johannes. „Dat zou een armoedige flora
opleveren voor een tropisch land. Integendeel, Borneo is rijk aan
planten, die den dood kunnen geven. Gelukkig dat het in den aard der
bevolking niet ligt, daarvan gebruik te maken. Dat is een
geruststelling. We kunnen ons op koppensnellerspartijen, op overvallen,
op gevechten van allerlei aard voorbereiden. Bij onze verdere tochten,
wanneer we in het hoogland zullen zijn, zullen we in iederen struik een
vijand te zien hebben; maar we zullen zonder argwaan kunnen nuttigen,
wat men ons zal voorzetten of te koop aanbieden. Er is evenwel een
gebruik in de bovenlanden, dat nog al te denken geeft en het vermoeden
doet rijzen, dat in vroegere tijden vergiftigingen aan de orde van den
dag waren. Nimmer zal daar namelijk een gast iets gebruiken, hetzij
eet- of drinkwaren, of de gastheer moet er van geproefd hebben. Het is
zelfs een beleefdheidsvorm geworden, den aanreiker van het aangebodene
te doen proeven.”
Onder deze en dergelijke gesprekken hadden de reizigers duchtig de
roeispaan gehanteerd en waren zoo omstreeks het middaguur de soengei
Moeroi genaderd. Toen zij die voorbij wilden varen, zagen zij een vlot
die breede soengei afzakken, terwijl drie mannen daarop alle krachten
inspanden om de vaart van dat onhandelbare ding te temperen. Een der
opvarenden riep om hulp, en daar het volgens landsgebruik niet
geoorloofd is, die te weigeren, stuurde Dalim zijn prauw naar het vlot
en lag deze spoedig daarlangs vastgemeerd. Het kwam er in de eerste
plaats op aan, het vlot, dat door den zwaren stroom gegrepen was, naar
den wal te sturen en daar vast te leggen. Spoedig hadden onze
avonturiers hunne rottankabels voor den dag gehaald, alsook de
ankerketting, uit soengei Naning medegenomen. Toen die stevig aan
elkander gevoegd waren, werd het eene eind daarvan aan een soort van
spil op het vlot vastgemaakt en het andere eind met behulp van een
djoekoeng aan den wal gebracht en daar om een zwaren boomstam geslagen.
Het vlot inmiddels voortdrijvende, kreeg, toen de kabel strak liep, een
vreeselijken schok, waardoor Schlickeisen en La Cueille, daarop minder
verdacht, voorover in de rivier tuimelden, maar door Dalim en een paar
der nieuwe Dajaksche vrienden gered werden. Niettegenstaande den zwaren
schok, hield de kabel zich goed. Zij stond gespannen als een snaar en
het vlot trilde onder den aandrang van den stroom. Toen het gevaarte
eenigszins naar den wal gezwaaid was, begonnen de mannen het spil te
winden, totdat het vlot den boom genaderd was, waaraan het met den
kabel vast lag.
Onze reizigers vernamen nu, dat de eigenaar van het vlot, een Kwala
Kapoeasser, Bapa Andong genaamd, boschproducten in de soengei Moeroi
was gaan zoeken; dat hij daarin ook geslaagd was, maar dat hij in den
voorlaatsten nacht door een troep Poenan’s overvallen was, waarbij hij
vier zijner pandelingen verloren had, die allen gesneld waren. Dat hij
en zijne twee overgebleven pandelingen nog in leven waren, hadden zij
aan hunne moedige houding te danken. Bij den eersten alarmkreet hadden
zij hunne mandauw’s gegrepen en waren de aanvallers koen te gemoet
getreden, tijdig genoeg om hun eigen leven te redden, te laat echter om
hunne ongelukkige makkers te hulp te komen, die in hun slaap afgemaakt
waren. Toen beide partijen wat gepraat hadden, kwamen zij tot de
slotsom, dat zij met dezelfde bende koppensnellers hadden te doen gehad
en dat uitermate waakzaamheid betracht moest worden; want bij de
teleurstelling den gesnelden kop te kotta Towanan te hebben moeten
achterlaten, kwam de bloedwraak nog, die de woudloopers over het
verlies van hunne beide makkers zoude bezielen.
Bapa Andong verzocht Johannes, die, zooals wij weten, als handelaar aan
het hoofd der expeditie stond, hulp te verleenen om het vlot naar Danau
Ampang te brengen. Hij had daar nog een menigte boschproducten
opgeschuurd; met de overgebleven pandelingen was het evenwel onmogelijk
het vlot, tegen den stroom derwaarts te voeren. Wel werd er besproken,
dien moeitevollen arbeid niet te ondernemen, en die producten met de
prauw onzer avonturiers te gaan halen, maar de nabijheid der Poenans
deed hen van het plan om zoo hunne krachten te splitsen, afzien. De
tien mannen, die nu op het vlot bij elkander waren, konden zich
vereenigd zeer sterk noemen; verdeeld, zouden zij afzonderlijk
aangevallen en vernietigd kunnen worden. In de Danau (het meer) was
Andong [51] de zoon des eigenaars met nog een zestal pandelingen,
omtrent wier lot na het gebeurde de vader zich thans ongerust maakte.
Er werd overeengekomen, dat onze reizigers het vlot in het meer zouden
helpen brengen, dat zij de behulpzame hand zouden bieden om de aldaar
opgestapelde producten te laden, dat zij vervolgens het vlot weer in
den Kapoeas-stroom zouden brengen, waarna hunne hulp overbodig werd,
daar Bapa Andong van meening was, alsdan nog voor het invallen van den
nacht den kampong Pendek-katiempoen te kunnen bereiken. Aldaar had hij
tal van verwanten en vrienden en zouden de Poenans zich daar wel niet
wagen. Voor die hulp werd toegezegd, werd bepaald, dat bij het
scheiden, twee pandelingen op de prauw onzer avonturiers zouden
overgaan. Deze zouden te kotta Baroe of te kotta Djangkan, in een woord
bij de eerste voorkomende gelegenheid vervangen worden, waarna zij wel
gelegenheid zouden vinden met den een of anderen handelaar naar hunne
haardsteden terug te keeren.
Nadat die overeenkomst getroffen was, werden de handen aan het werk
geslagen. Toen het vlot met een hulptros was vastgelegd, werd de
hoofdkabel van den boom losgemaakt en per djoekoeng den afstand harer
geheele lengte verder gebracht en daar weer om een dikken boom
geslagen. Het spil werd weer in beweging gesteld en zoo het vlot tegen
den stroom opgehaald. Zoo ging men onafgebroken voort en het is te
begrijpen, dat dit een zware arbeid was, vooral voor onze Europeanen,
die daaraan niet gewoon waren. Zij kregen daarbij evenwel een inzicht
omtrent de bedrijvigheid van het volk, in welks midden zij zich
bevonden, en dat in dien arbeid bijzonder te huis scheen.
Het vervoer der boschproducten geschiedt van uit de binnenlanden van
het zoo waterrijke Borneo bijna niet anders. Onze avonturiers hadden nu
ruimschoots gelegenheid om de samenstelling van zoo’n vlot of
„lanting”, zooals de inlanders het noemen, op te merken. Het gevaarte,
dat zij onder de oogen hadden, bestond uit een tweehonderdtal
boomstammen van uitmuntend timmerhout, die met zware rottankabels goed
aan elkander verbonden waren. Over die boomen was een vloer van
„niboeng” [52] latten aangebracht. In het midden van het vlot was een
vrij ruime hut getimmerd, terwijl aan weerszijde daarvan de producten
behoorlijk onder dak opgestapeld waren. Zoo waren daarop aanwezig ruim
vier duizend bossen rottan, een paar duizend „gantangs” [53] „njating”
(hars) een honderd pikols bijenwas, een twintig pikols „ngiatoe”
(getah-pertjah) en een klein partijtje vogelnestjes. De beide laatste
koopwaren had Bapa Andong van eenige handelaren der bovenlanden tegen
bijenwas, bij welks vergaring hij bijzonder gelukkig geweest was,
ingeruild. De overige producten waren het resultaat van eigen arbeid.
De rottan was in de omliggende soengei’s gesneden. De hars was
gedeeltelijk aan de boomen zelven gewonnen, gedeeltelijk langs de
oevers der rivier ingezameld. Ter bekoming van de edelste soorten van
dit product, maakt de Dajak inkervingen in de hem bekende harsachtige
boomen en ziet na weinige dagen zijne moeite rijkelijk beloond. De
overige soorten heeft hij slechts langs de boorden der rivier, op de
zandbanken en landtongen op te rapen. De hars namelijk druipt in
sommige tijden van het jaar van de boomen, valt op den grond en neemt
aldaar aarddeelen en andere onreinheden op. Bij den eersten den besten
watervloed wordt zij medegesleept. Door de onreinheden is zij specifiek
iets zwaarder dan het water, zoodat zij wel drijvende, doch ietwat
beneden de oppervlakte, den stroomdraad volgt. Brengt nu de wind de
breede stroomen van Borneo in beweging, dan wordt die hars door den
golfslag op de oevers geworpen of door den stroom op de uitstekende
hoeken of zandbanken afgezet. Het gebeurt ook niet zelden, dat op die
zandbanken of op de eilanden in die stroomen, in een woord overal in
alluvialen grond, weinige voeten onder de oppervlakte des bodems,
harsbeddingen van soms meer dan honderd M2. oppervlakte, bij een dikte
van 2 c.M. tot 3 d.M. aangetroffen worden.
Dat alles vernamen onze vluchtelingen met groote belangstelling uit de
gesprekken hunner nieuwe makkers. Wat het inzamelen van bijenwas
betreft, daaromtrent zouden zij zelf ondervinding opdoen en kunnen
opmaken, dat die heel wat verschilt van de bijenteelt in Europa.
Met inspanning van alle krachten vorderde het vlot langzaam maar toch
gestadig. Eindelijk, tegen het vallen van den avond, was het gevaarte
den laatsten hoek omgewerkt en de ingang zichtbaar van het kanaal, dat
het meer met de rivier verbindt. Maar nu waren de krachten ook uitgeput
en was rust noodzakelijk. Er was toch geen mogelijkheid om het vlot bij
nachtelijk duister door dat nauwe kanaal te voeren, en werd dus
besloten te overnachten ter plaatse waar men was. Het vlot werd aan den
wal gemeerd, waarna een gedeelte der bemanning op den oever sprong om
het terrein in de nabijheid over een uitgestrektheid van honderd passen
middellijn ongeveer van struikgewas te zuiveren, teneinde een vrij
uitzicht te hebben, de struiken en takken zooveel mogelijk als een heg
aan de grens van die open vlakte op te stapelen en dus een soort van
retranchement te hebben, waardoor niet kon heengebroken worden zonder
de aandacht te wekken. Verder werd de geheele manschap in twee ploegen
verdeeld, die om beurten wakker blijven en scherp uitzien zouden,
waarbij Johannes zorgde, dat hij met La Cueille bij de eene en de twee
Zwitsers bij de andere ingedeeld werden.
Zeer waarschijnlijk waren die voorzorgsmaatregelen oorzaak, dat de
nacht ongestoord voorbijging; want de koppensnellers schuwen over het
algemeen het gevecht en deinzen gewoonlijk af, wanneer hunne
tegenstanders waakzaam zijn en zij dus voorzien kunnen, dat hun laf
sluipmoordenaarswerk niet zonder gevaar kan geschieden.
Met den dageraad werd de arbeid hervat en na een goed uur zwoegens was
het vlot in het kanaal; en de zon had nog niet de helft van hare
geheele hoogte bereikt, toen het bij de stapelplaats vastgemeerd lag,
om de overige lading te ontvangen. Daarmede werd met zoo’n vlugheid te
werk gegaan, dat, toen de dag ten einde neigde, alles aan boord
gerangschikt, en men tot vertrek gereed was.
Intusschen viel er nog een belangrijke arbeid te verrichten. Sedert
Bapa Andong met de inzameling zijner boschproducten begonnen was,
waarmede een tijdruimte van ongeveer zes maanden gemoeid was, hadden
honderden bijenzwermen hun nest gemaakt op en in de boomen, die zich op
den westelijken oever van het meer verhieven. De boomen, die deze
kleine diertjes daartoe uitkiezen, zijn een zeer hooge soort, met
rechten, gladden stam en ver uitstekende takken. De Dajaks noemen zoo’n
woudreus: „tanggirang”; in gunstige jaren worden op zulk één boom 200 à
300 bijennesten gevonden. Zoodra Bapa Andong het begin van den arbeid
dezer nijvere diertjes opgemerkt had, begon hij zijn maatregelen te
nemen, om zich op een gegeven oogenblik hun buit te kunnen toeeigenen.
Daartoe had hij in iederen „tanggirang” dagelijks een paar pennen van
hard hout op ongeveer 4 d.M. van elkander laten slaan, en was daarmee
voortgegaan, totdat de aldus gevormde ladder de benedentakken van den
woudreus bereikt had. Die arbeid had lang geduurd, maar kon niet anders
uitgevoerd worden, doordat, wilde men de ladder onafgebroken
vervaardigen, dat aanhoudende geklop op de „tanggirangs” de bijen zeker
zoude verontrusten en een aanval hunnerzijds niet zoude uitblijven. In
de laatste dagen hadden de pandelingen van Bapa Andong het terrein
rondom de boomen van struiken en onkruid gezuiverd. Men was dus tot
handelen gereed en wachtte nog slechts op het gunstige oogenblik. Dat
oogenblik scheen nu gekomen.
Het was een stormachtige nacht, die ingetreden was, een dier
kenteringsnachten in de tropische gewesten, waarin de wind huilde en
pogingen scheen aan te wenden om geheele vakken van het oorspronkelijk
woud te ontwortelen; een nacht waarin het zwerk met dichte wolken
bedekt en de duisternis zoo groot was, dat het aardrijk met een zwart
floers overtogen scheen. Met den zoon van Bapa Andong en de zes
pandelingen, aan de boorden van het meer aangetroffen, waren nu
zeventien mannen te zamen. Deze stegen in de prauw van onze avonturiers
en in twee djoekoengs en staken over de schuimende wateren van het meer
naar de overzijde, waar de tanggirangs stonden. Daar aangekomen stapten
zij aan wal en plaatsten onder iederen boom op vier stokken, een vrij
grooten linnen lap in dier voege, dat hij aan de vier punten
opgehouden, een zak vormde, die den grond evenwel niet raakte. Toen men
daarmee klaar was, werden een aantal fakkels van groen en veel
rookgevend hout, te voren vervaardigd, ontstoken. Iedere Dajak greep er
een van, en nu ging het bliksemsnel langs de vervaardigde ladders
omhoog, tegen de tanggirangs op. In iederen boom klom slechts een man,
terwijl inmiddels Bapa Andong en de vier Europeanen met het geweer in
de hand beneden in het donker bleven en de wacht hielden.
In een ondeelbaar oogenblik waren de klouteraars boven en klopten nu op
de talrijke nesten. Met een geluid als wilden zij den storm
overtreffen, kwamen de bijen brommend naar buiten, om zich op de
aanvallers te werpen, maar, verblind door het licht der fakkels, die
hevig heen en weer werden gezwaaid, en verstikt door den rook, die in
dikke wolken door de kruinen voer, werden zij door den stormwind ver
weggedreven en vielen met honderdduizenden en nog eens honderdduizenden
aan de overzij van het meer ter aarde. Zoodra de zwermen verdreven
waren, beijverden zich de aanvallers de nesten met een bamboelemmer van
de takken los te maken en in de daaronder opengesperde linnen zakken te
laten vallen. In een oogwenk om zoo te zeggen was alles geschied en de
klouteraars waren reeds beneden, toen de Europeanen nog vol ontzetting
naar boven tuurden.
Het was dan ook een aangrijpend schouwspel voor hen geweest.
Die naakte bruine gedaanten met fladderende haren in dien stormachtigen
nacht, bij het onzekere schijnsel der fakkels, pijlsnel naar boven te
zien klimmen; die gedaanten zich daar boven hoog in de lucht over de
takken te zien buigen, de fakkels heen en weder te zien zwaaien en zich
in een dikken rook hullen; die dwaallichten daar hoog boven tusschen de
slingerende takken, de weerkaatsing in de wateren van het fel bewogen
meer; het gehuil van den storm en het gegons van millioenen bijen,
terwijl met tusschenpoozen een weemoedige stem van bovenaf weerklonk en
een droevig eentonig gezang tusschen de stormvlagen deed hooren, dat
alles kwam hun zoo verrassend, zoo spookachtig voor, dat zij het,
vooral bij den korten duur, voor een droom, voor een zinsbedrog hadden
kunnen houden, lagen de tallooze nesten, druipende van honig, niet aan
hunne voeten om hen van de werkelijkheid te overtuigen.
„Sacré matin! dat zijn flinke kerels!” brak La Cueille los.
„Wat een behendigheid, vlugheid en bedaard overleg daar bij,”
bevestigde Schlickeisen; „kijk, geen enkel ongeval is bij die
verbazende onderneming gebeurd.”
De bijennesten waren spoedig in de prauw en de djoekoengs geladen en
het was nog geen middernacht toen de expeditie aan boord van de lanting
terug was.
Het wekte de verwondering der Zwitsers, dat Bapa Andong zijn vlot,
waarop toch voor een groote waarde aan koopmansgoederen opgestapeld
lag, gedurende de helft van den nacht alleen had durven laten. Hij wist
toch, meenden zij, dat slecht volk in den omtrek rondzwierf. Maar Dalim
verklaarde hun, dat diefstal in de Dajaklanden bijna nimmer voorkomt,
dat dat vlot daar maanden zou kunnen liggen, zonder dat iemand er een
vinger naar zou uitsteken. Alleen wanneer het afdoende gebleken was,
dat het onbeheerd bleef, zou het weggehaald zijn. Het slechte volk,
waarvan zij spraken, beoogde slechts één buit, namelijk
menschenschedels. Al het overige was hun onverschillig en zouden zij
niet aanraken.
„En daarom,” zoo besloot de Dajak zijn toelichting, die niet van
nationaliteitsgevoel ontbloot was, „en daarom, het is en blijft steeds
ons wachtwoord: „pas op je kop, breng je kop thuis.””
De bijennesten werden op een stellage, daarvoor expresselijk
vervaardigd, geplaatst om uit te druipen. De Zwitsers, die, als de
tenant in hun wapenschild [54], echte honiglikkers waren en dus nog al
belang in die geheele verrichting stelden, vernamen gedurende die
bedrijvigheid dat die nesten den naam van „idang” in de Dajaksche taal
dragen; dat iedere idang gewoonlijk een K.G. was en 12 K.G. zuiveren
honig oplevert. Men had een tiental tanggirangs van hunne idangs
ontdaan. Deze, berekend op 200 idangs per boom, lagen daar dus 2000
nesten, die een zelfde aantal K.G. was en 24,000 K.G. honig zouden
opleveren. De eerst verkregen honig, die van zelf uitdruipt, is de
zuiverste en wordt door de liefhebbers voor den fijnsten gehouden.
Later worden de idangs in een zak, van ruwe plantaardige vezels
vervaardigd, gewrongen en geperst, waarna de was, ter verdere zuivering
herhaalde malen in water wordt gekookt en eindelijk in groote schijven
of koeken gegoten, die een middellijn van ongeveer 0,5 M. hebben, ± 15
K.G. zwaar zijn, en zoo in den handel gebracht worden.
Toen de bijennesten op hunne stellage gestapeld waren, werd de
wachtdienst weer ingedeeld als den vorigen nacht en kon de helft der
opvarenden trachten rust te genieten.
Maar in de Dajaklanden op rust rekenen, is veelal de rekening buiten
den waard maken. De eerste uren gingen wel is waar zonder stoornis
voorbij; maar nauwelijks had de „takakak” [55] zijn ochtendgeschreeuw
doen hooren en kon het diensvolgens drie uur in den morgenstond zijn,
toen de jeugdige Andong iets meende te hooren aan de boschzijde. Als
een bronzen standbeeld vatte hij post, luisterde, ja luisterde scherp
toe. Daarop wenkte hij zijn makkers, evenwel zonder gedruisch te maken.
Allen spitsten de ooren, al hunne zintuigen waren in de gehoorzenuwen
overgegaan en jawel, er werd een beweging vernomen als van zacht
schuifelende lichamen, die zich met de meeste voorzichtigheid een
doortocht trachtten te banen door de beschermende borstwering van
afgekapte takken en struiken, die ook hier aangelegd was. Gelukkig was
de stormwind gaan liggen, anders ware dat zachte gedruisch niet
waarneembaar geweest. In de grootste stilte werden de slapenden gewekt
en de gevechtsdispositiën genomen. De Europeanen sloten zich bij
elkander aan en hielden de vuurwapenen onder hun bereik. Bij de
volslagen duisternis, die er heerschte, schenen die evenwel van weinig
nut en daarom hadden zij dan ook als Dajaks, die zij voorstellen
moesten, ieder een flinken mandauw ter hand genomen en beloofden zij
zich er lustig mee rond te hakken, hoewel La Cueille, terwijl hij zijn
wapen trillend omhoog stak, zuchtend het schietgebed prevelde:
„Sainte Vierge de Jupille! secourez nous.”
Bapa Andong kwam evenwel Johannes iets in het oor fluisteren, wat deze
met een glimlach en een goedkeurenden knik beaamde. Toen hij het
gesprokene medegedeeld had, namen de Zwitsers de Remmingtongeweren; La
Cueille en Johannes wapenden zich met een tirailleurgeweer, maar
bovendien met een revolver, terwijl de twee overblijvende geweren
geladen gereedstonden om gegrepen te worden.
Na die beschikkingen wachtten de verdedigers nog een poos met kloppend
hart. Zij keken uit, maar te vergeefs, in het stikdonker was niets te
onderscheiden. Bij de stilte, die evenwel ingetreden was, hoorde men
zacht schuifelen, soms ook wel een twijgje knappen; anders niets.
Plotseling verhieven zich een twintigtal gestalten aan den oever van
het meer en sprongen met een wip op het vlot.
„Lēēēēh, lèlèlèlè ouiiiit!” weerklonk het luid en deed dit gegil de
aanwezigen op het vlot de haren te berge rijzen. Zij begrepen dat zij
tegen een overmacht stonden, dat, indien hun krijgslist mislukte, een
gevecht op leven en dood onvermijdelijk, de ondergang van allen zeer
waarschijnlijk was. De vijandelijke strijders sprongen, vlogen over de
beschikbare ruimte van dat gedeelte van het vlot, waar zij aan boord
getreden waren. Het was een demonisch schouwspel, die wilden, achter
hunne schilden gedoken, met den gevreesden mandauw in de hand, heen en
weer te zien springen, de bewoners van het vlot tot den strijd
uitdagende. Geen geluid van deze laatsten liet zich hooren en die
stilte scheen de aanvallers eenigszins te onthutsen.
Eensklaps lieten zich aan het andere einde van het vlot, door de
verdedigers bezet, in het donker een paar gedaanten waarnemen, die op
de aanvallers toesprongen, hun een paar houwen toebrachten, maar even
snel weer verdwenen als zij gekomen waren. Nu brulden de aanvallers hun
oorlogskreet andermaal, sloten zich vast aan elkander en, door hunne
schilden gedekt, stoven zij den loopgang door, die de voorplecht van
het vlot met de achterplecht verbond. Aan het einde trachtten een paar
gedaanten hun nog den doorgang te betwisten; maar ook die verdwenen
weer even spoedig, toen eensklaps boven op den berg rottanbossen, die
het middenvak van het vlot vulden, een helder brandend licht ontstoken
werd en te gelijkertijd een hevig geweervuur de aanvallers, die nu ten
volle zichtbaar waren, tegenknetterde. Wienersdorf en Schlickeisen
schoten hunne repeteergeweren naar hartelust af op den vijandelijken
drom, die tot tegen de bajonetten schier opgedrongen was. La Cueille en
Johannes in het tweede gelid, schoten eerst hunne geweren af en
vervolgden daarna het vuur met hunne revolvers, terwijl het van boven
den hoop rottanbossen mandauwhouwen begon te regenen. De verwarring te
beschrijven, die onder de aanvallers ontstond, bij het schitteren van
dat plotselinge licht en het daarop gevolgde schieten, waarvan in den
dicht opeengedrongen hoop in dien doorgang weinig kogels misten, is
onmogelijk. Een golvende beweging begon zich te openbaren; eerst
vooruit, dan achteruit. Kreten van woede, angstgegil en kermen kruisten
zich allerwege. Het was of alle duivels der hel losgebroken waren.
Eindelijk splitste zich het kleine hoopje van den overgebleven troep
der aanvallers in twee deelen, waarvan het eene, wel het grootste, het
hazenpad koos, aan den wal sprong en in het duister verdween; terwijl
het andere, over de gesneuvelden heenspringende, een wanhopige poging
aanwendde, om de tegenpartij toch nog te lijf te gaan. De schoten
knetterden onafgebroken, het kleine manmoedige troepje slonk, slonk
nogmaals, maar met een ongeëvenaarde doodsverachting drongen de laatste
twee overblijvenden onder de bajonetten der twee Zwitsers in, door zich
op den grond te werpen en zoo hunne tegenstanders met het blanke wapen
aan de huid te komen. De eene werd door Schlickeisen met de bajonet aan
den vloer van het vlot vastgestoken en zoo onschadelijk gemaakt. De
andere naderde schuifelende, stond plotseling op, en hief zijn mandauw
omhoog om Wienersdorf den doodelijken slag toe te brengen. Deze, geen
kans ziende dien slag te pareeren, waartoe ook de strijders te dicht op
elkander gedrongen waren, liet zijn geweer eensklaps vallen en greep
zijn tegenpartij met zulk een krachtvolle vuist bij de polsen, dat deze
zijn mandauw moest laten vallen. Nu begon in die enge ruimte een
ontzettende worsteling tusschen de twee mannen, die beiden begrepen,
dat het leven van den uitslag afhing. Slechts weinige handbreedten
scheidden hen van het meer, welks water donker tegen het vlot kabbelde.
Voor de anderen was er niet aan te denken, Wienersdorf te hulp te
springen. Vooreerst stond Schlickeisen daartoe in den weg, die zijn
tegenpartij nog steeds zich wringend en gillend aan den vloer
vastgestoken hield. Maar ook de beide worstelenden sprongen en wrongen
zich in hun strijd, borst tegen borst geklemd, zoo vlug dat er zeer
groot gevaar zou bestaan hebben, bij het toebrengen van een slag, den
Zwitser te treffen in stede van zijn tegenpartij. De kamp duurde zoo
nog een kort oogenblik voort, dat evenwel een eeuwigheid toescheen.
Eindelijk begonnen de krachten den minder gespierden Dajak te begeven.
Toen Wienersdorf dat voelde, schopte hij den gevallen mandauw met een
beweging van zijn voet in het meer, deed een laatste maar geweldige
inspanning, verhief de beide armen zijns vijands, die hij als in bussen
omklemd hield, boog die met reuzenkracht achterover en noodzaakte zoo
den hijgenden Dajak voor hem op de knieën te vallen. Kreunend zonk hij
in elkander en smeekte:
„Blako ampoen!” (ik vraag genade).
Op die woorden, die met zacht vloeiende stem en met zulk een innige
bede uitgesproken werden, liet de Zwitser den overwonnen vijand los en
reikte hem de hand. Op de knieën liggende, aarzelde deze die aan te
nemen. Zijn borst hijgde stormachtig, zijne oogen fonkelden als
vuurballen. Maar die aarzeling duurde slechts een seconde; toen sprong
hij op, greep de hem toegestoken hand, legde zich die op de kruin van
zijn hoofd, terwijl hij daarbij den fieren onafhankelijken nek, ten
teeken van onderwerping boog. Wat hij met diep bewogen stem mompelde,
kon niemand verstaan. Zoo stond de zoon des wouds een kort oogenblik.
Eensklaps richtte hij het hoofd op, greep zijn „poeai” [56] aan de
mandauwscheede bevestigd, bracht zich een lichte verwonding aan den arm
toe, ving het uitdroppelende bloed in de holte zijner hand en bestreek
daarmede het voorhoofd en de lippen van Wienersdorf, die beteuterd
stond te kijken en niet wist wat met hem gebeurde. Daarop verwondde hij
den Zwitser lichtelijk, ving ook diens bloed op, bestreek zich ook
daarmede voorhoofd en lippen, waarna hij de overblijvende druppels in
zijn mond liet vallen en zoo opdronk. Nogmaals reikte hij zijn
overwinnaar de hand, drukte die, bracht haar aan den mond en wierp
vervolgens een trotschen blik op de omstanders, terwijl hij duidelijk
verstaanbaar de woorden Harimaoung Boekit [57] uitsprak, waarna hij,
vóór dat iemand er ook maar aan denken kon, om het te beletten, in het
meer sprong, welks donkere wateren zich boven zijn hoofd sloten.
En alsof het op een afgesproken teeken geschiedde en de natuur den
woudzoon bij zijne ontsnapping behulpzaam wilde zijn, bluschte een
hevige windvlaag het ontstoken licht plotseling uit, zoodat de
opvarenden van het vlot in diepe duisternis gehuld waren.