XIII.

Vaart op de rivier.—Toxicologie.—De „siren” en de „ipoh”.—De

soengei Moeroi.—Een vlot.—Op de Danau Ampang.—De „tanggirangs”.—Een

wasinzameling.—De aanval.—Plotseling verlicht.—Het gevecht.—Een

kamp op leven en dood.—„Blakoe ampoen”.—Een tooneel van

onderwerping.

„De drommel moge zoo’n stroom halen!” pruttelde La Cueille

binnensmonds, „je ziet niet dat we vooruit komen.”

En werkelijk het kostte inspanning en ook genoeg zweet onder de

tropische zon, om den aandrang van het water te breken en veld te

winnen. Er waren soms oogenblikken, als scherpe hoeken omgevaren

moesten worden, dat het oog zoo dadelijk niet waarnemen kon of men

vorderde ja dan neen. Het was dan of de prauw op de watervlakte heen en

weder gierde, zonder voor- of achteruit te komen. Maar dan werden de

pagaaien met verdubbelde kracht in ’t water geslagen en eerst langzaam,

daarna iets beter, ging het vooruit.

Er was een ware kennis van de vaart op de rivier noodig om hoeken af te

snijden, bochten te mijden, van stroomdraaiingen gebruik te maken,

zand- en rolsteenbanken te ontloopen, rotsblokken om te sturen, in een

woord om zonder gevaar de reis in den kortst mogelijken tijd te

volbrengen. Wat nog al tot veel omzichtigheid noopte, was de

aanwezigheid van een groot aantal doode boomen in de bedding der

rivier, die het vaarwater al zeer onveilig maakten. Door storm of

overstrooming aan den vasten wal ontrukt, worden die woudreuzen

gewoonlijk door den zwaren stroom een eindweegs medegesleept, maar

blijven eindelijk zitten, als verankerd door de wortelmassa, die door

de klei en steenen daar tusschen opgehoopt, veel zwaarder dan het

overige gedeelte van den tronk, over den rivierbodem sleurt en door de

oneffenheden daarvan weerhouden, zich eindelijk vastzet. Die

boomstammen zijn vooral voor stroom opkomende vaartuigen zeer

gevaarlijk, daar zij, met de kruinen in de richting van den stroom

liggende, en langzamerhand van bladeren en dunne takken ontdaan, als

een geduchte piketteering te beschouwen zijn, welker punten onder

zekere helling staande, zich niet altijd voor het oog vertoonen, maar

slechts door het koken en opborrelen des waters waarneembaar zijn. Een

aanvaring met zulk een „snack”, zooals de Amerikanen dat noemen, is

meestal noodlottig en heeft het spoedig zinken van het vaartuig ten

gevolge. Dalim en zijn landgenoot, als goed bekend met de rivier, keken

dan ook nauwlettend uit en verhoedden zoo onheilen, die, behalve het

levensgevaar, dat zij daarstelden, ook nog onherstelbare verliezen—b.v.

van de prauw—zouden kunnen berokkenen.

La Cueille, dien het zware roeien eenigszins pijnlijk viel, bekeek van

tijd tot tijd zijn arm. Daaraan was evenwel niet veel te bespeuren. De

snee, die Wienersdorf gemaakt had, was met een korst overdekt, maar

overigens zonder eenige ontsteking. Alleen werd rondom het pijlwondje

een zwarte kring waargenomen, die zich ter grootte van een gulden

uitstrekte. Dalim verklaarde dat dit bij pijlverwondingen steeds het

geval was, ook wanneer de gewonde overleed.

Wienersdorf kon niet nalaten te vragen, waaruit die vergiften getrokken

werden. Toen hij vernam, dat de beide voornaamste, bij de Dajaks bekend

onder de namen van „siren” en „ipoh”, plantaardige vergiften zijn, was

zijn weetgierigheid uitermate geprikkeld. Hij wilde weten van welke

gewassen zij afkomstig zijn, hoe zij bereid worden. Op de eerste vraag

kon Dalim noch zijn makker hem voldoende inlichting geven, want van het

pedante classificeeren der plantenwereld, zooals de geleerden dat doen,

hadden die eenvoudige Dajaks volstrekt geen begrip. Wat de tweede vraag

betrof, deze verkreeg een meer voldoend antwoord; Dalim althans had het

bereiden van het vergift meermalen bijgewoond. Het kostte evenwel veel

moeite hem aan het praten te krijgen. De Dajaks zijn dienaangaande zeer

geheimzinnig. Na veel gevraag kwamen zijne mededeelingen op het

navolgende neer:

In de binnenlanden van Borneo, bij voorkeur op de hellingen van bergen

en heuvels, groeit een boom, die door de inboorlingen „Batang Siren”

genoemd wordt. Deze boom bereikt, evenals onze eik, den ouderdom van

honderd jaren. Zijn stam erlangt bij volle dikte een doorsnede van 1.50

M.

Om nu het vergift uit dien boom te trekken, worden in den dikken bast

schuinsche inkervingen tot op het hout gemaakt. Uit die inkervingen

druppelt een wit melkachtig vocht, dat in bamboezen cylindertjes wordt

opgevangen. Dit vocht verkleurt spoedig wanneer het met de

dampkringslucht in aanraking komt, wordt geel, daarna bruin en

eindelijk zwart bruin. De inzameling moet met de uiterste omzichtigheid

geschieden, daar de inademing van de gassen, die zich bij de

afscheiding van het vocht en zijn aanraking met de lucht ontwikkelen,

zware ziekteprocessen en niet zelden den dood veroorzaakt.

Het vocht, zooals het uit den boom gevloeid is, heeft volstrekt geen

kracht, het verkrijgt die eerst door een opvolgende uitdamping en

koking met andere gewassen.

Wanneer het vocht behoorlijk behandeld [50] en verdikt is, wordt het

nog warm in een steenen kannetje of potje gegoten, waarin het spoedig

stolt. Dit kannetje wordt door de Dajaks der bovenlanden overal

medegenomen en is bevestigd aan den buikband van zijn mandauw. Dit

potje wordt slechts even verwarmd, waarna het voldoende is de

pijlpunten in de vloeibare zelfstandigheid te doopen en deze te laten

afdroppelen. Die punten zijn dan met een dun laagje getah overdekt, dat

spoedig stolt.

Om te onderzoeken of het vergift de gewenschte kracht bezit, wordt een

orang oetan, een kip of een eend met een vergiftigd pijltje verwond.

Indien het getroffen dier niet binnen het half uur bezwijkt, wordt de

siren op nieuw uitgedampt en met andere vergiftige planten gekookt.

De eerste symptomen, die zich bij den gewonde gewoonlijk openbaren,

zijn hevige brakingen, die opgevolgd worden door een bevende verlamming

der ledematen, die ongeveer tien minuten aanhoudt en onder hevige

stuiptrekkingen met den dood eindigt.

Het ipohvergift wordt op dezelfde wijze gewonnen en toebereid. Dit is

echter het vocht uit een slingerplant, waarvan de moederstam niet

dikker dan 2½ dm. middellijn wordt. In de uitwerking van de ipoh wordt

met de siren weinig verschil aangetroffen, alleen dat zich geene

brakingen voordoen.

Alle Dajaks weten deze vergiften te bereiden; maar, daar de beide

gewassen uitsluitend in de berglanden voorkomen, zijn de bovenlanders

in die bereiding meer bedreven dan de kustbewoners.

„Het snelstwerkend vergift”—zoo eindigde Dalim zijn toelichting—„komt

uit Siang en Moeroeng, twee landstreken tusschen de boven Doesson en

boven Kapoeas gelegen. Laatstgenoemde heeft daaraan haren naam

Kapoeas-Moeroeng ontleend, ter onderscheiding van de Kapoeas-Bohong,

die op de westkust uitwatert.”

„Komen wij die landschappen Siang en Moeroeng door?” vroeg Wienersdorf

gretig.

„Ik hoop van niet,” antwoordde Johannes lachend, „ik heb met Dalim een

ander reisplan besproken. Wie kan evenwel zeggen, waar we heen zullen

dwalen? en hoe vaak we genoodzaakt zullen zijn onze plannen te

wijzigen. Wordt evenwel mijn route volvoerd, dan komen we die

landschappen wel zeer nabij, maar er niet door.”

„Zullen we die gewassen te zien krijgen, waarover Dalim zoo even

sprak?”

„Ja,” antwoordde deze, „genoeg; maar wat zoudt gij willen?”

„Dan hoop ik bladeren, bloemen, takken, wortels en vruchten mede te

kunnen nemen.”

„Tu, tu, tu! ik zou je raden daarmee voorzichtig te zijn. In sommige

tijden van het jaar is het zelfs zeer gevaarlijk onder den wind in de

nabijheid van zoo’n boom te verwijlen. Als ge daarop uitgaat, waarschuw

mij dan eerst.”

„Zijn dat de eenige giftige gewassen, die Borneo oplevert?” vroeg

Wienersdorf verder.

„Waarachtig niet,” antwoordde Johannes. „Dat zou een armoedige flora

opleveren voor een tropisch land. Integendeel, Borneo is rijk aan

planten, die den dood kunnen geven. Gelukkig dat het in den aard der

bevolking niet ligt, daarvan gebruik te maken. Dat is een

geruststelling. We kunnen ons op koppensnellerspartijen, op overvallen,

op gevechten van allerlei aard voorbereiden. Bij onze verdere tochten,

wanneer we in het hoogland zullen zijn, zullen we in iederen struik een

vijand te zien hebben; maar we zullen zonder argwaan kunnen nuttigen,

wat men ons zal voorzetten of te koop aanbieden. Er is evenwel een

gebruik in de bovenlanden, dat nog al te denken geeft en het vermoeden

doet rijzen, dat in vroegere tijden vergiftigingen aan de orde van den

dag waren. Nimmer zal daar namelijk een gast iets gebruiken, hetzij

eet- of drinkwaren, of de gastheer moet er van geproefd hebben. Het is

zelfs een beleefdheidsvorm geworden, den aanreiker van het aangebodene

te doen proeven.”

Onder deze en dergelijke gesprekken hadden de reizigers duchtig de

roeispaan gehanteerd en waren zoo omstreeks het middaguur de soengei

Moeroi genaderd. Toen zij die voorbij wilden varen, zagen zij een vlot

die breede soengei afzakken, terwijl drie mannen daarop alle krachten

inspanden om de vaart van dat onhandelbare ding te temperen. Een der

opvarenden riep om hulp, en daar het volgens landsgebruik niet

geoorloofd is, die te weigeren, stuurde Dalim zijn prauw naar het vlot

en lag deze spoedig daarlangs vastgemeerd. Het kwam er in de eerste

plaats op aan, het vlot, dat door den zwaren stroom gegrepen was, naar

den wal te sturen en daar vast te leggen. Spoedig hadden onze

avonturiers hunne rottankabels voor den dag gehaald, alsook de

ankerketting, uit soengei Naning medegenomen. Toen die stevig aan

elkander gevoegd waren, werd het eene eind daarvan aan een soort van

spil op het vlot vastgemaakt en het andere eind met behulp van een

djoekoeng aan den wal gebracht en daar om een zwaren boomstam geslagen.

Het vlot inmiddels voortdrijvende, kreeg, toen de kabel strak liep, een

vreeselijken schok, waardoor Schlickeisen en La Cueille, daarop minder

verdacht, voorover in de rivier tuimelden, maar door Dalim en een paar

der nieuwe Dajaksche vrienden gered werden. Niettegenstaande den zwaren

schok, hield de kabel zich goed. Zij stond gespannen als een snaar en

het vlot trilde onder den aandrang van den stroom. Toen het gevaarte

eenigszins naar den wal gezwaaid was, begonnen de mannen het spil te

winden, totdat het vlot den boom genaderd was, waaraan het met den

kabel vast lag.

Onze reizigers vernamen nu, dat de eigenaar van het vlot, een Kwala

Kapoeasser, Bapa Andong genaamd, boschproducten in de soengei Moeroi

was gaan zoeken; dat hij daarin ook geslaagd was, maar dat hij in den

voorlaatsten nacht door een troep Poenan’s overvallen was, waarbij hij

vier zijner pandelingen verloren had, die allen gesneld waren. Dat hij

en zijne twee overgebleven pandelingen nog in leven waren, hadden zij

aan hunne moedige houding te danken. Bij den eersten alarmkreet hadden

zij hunne mandauw’s gegrepen en waren de aanvallers koen te gemoet

getreden, tijdig genoeg om hun eigen leven te redden, te laat echter om

hunne ongelukkige makkers te hulp te komen, die in hun slaap afgemaakt

waren. Toen beide partijen wat gepraat hadden, kwamen zij tot de

slotsom, dat zij met dezelfde bende koppensnellers hadden te doen gehad

en dat uitermate waakzaamheid betracht moest worden; want bij de

teleurstelling den gesnelden kop te kotta Towanan te hebben moeten

achterlaten, kwam de bloedwraak nog, die de woudloopers over het

verlies van hunne beide makkers zoude bezielen.

Bapa Andong verzocht Johannes, die, zooals wij weten, als handelaar aan

het hoofd der expeditie stond, hulp te verleenen om het vlot naar Danau

Ampang te brengen. Hij had daar nog een menigte boschproducten

opgeschuurd; met de overgebleven pandelingen was het evenwel onmogelijk

het vlot, tegen den stroom derwaarts te voeren. Wel werd er besproken,

dien moeitevollen arbeid niet te ondernemen, en die producten met de

prauw onzer avonturiers te gaan halen, maar de nabijheid der Poenans

deed hen van het plan om zoo hunne krachten te splitsen, afzien. De

tien mannen, die nu op het vlot bij elkander waren, konden zich

vereenigd zeer sterk noemen; verdeeld, zouden zij afzonderlijk

aangevallen en vernietigd kunnen worden. In de Danau (het meer) was

Andong [51] de zoon des eigenaars met nog een zestal pandelingen,

omtrent wier lot na het gebeurde de vader zich thans ongerust maakte.

Er werd overeengekomen, dat onze reizigers het vlot in het meer zouden

helpen brengen, dat zij de behulpzame hand zouden bieden om de aldaar

opgestapelde producten te laden, dat zij vervolgens het vlot weer in

den Kapoeas-stroom zouden brengen, waarna hunne hulp overbodig werd,

daar Bapa Andong van meening was, alsdan nog voor het invallen van den

nacht den kampong Pendek-katiempoen te kunnen bereiken. Aldaar had hij

tal van verwanten en vrienden en zouden de Poenans zich daar wel niet

wagen. Voor die hulp werd toegezegd, werd bepaald, dat bij het

scheiden, twee pandelingen op de prauw onzer avonturiers zouden

overgaan. Deze zouden te kotta Baroe of te kotta Djangkan, in een woord

bij de eerste voorkomende gelegenheid vervangen worden, waarna zij wel

gelegenheid zouden vinden met den een of anderen handelaar naar hunne

haardsteden terug te keeren.

Nadat die overeenkomst getroffen was, werden de handen aan het werk

geslagen. Toen het vlot met een hulptros was vastgelegd, werd de

hoofdkabel van den boom losgemaakt en per djoekoeng den afstand harer

geheele lengte verder gebracht en daar weer om een dikken boom

geslagen. Het spil werd weer in beweging gesteld en zoo het vlot tegen

den stroom opgehaald. Zoo ging men onafgebroken voort en het is te

begrijpen, dat dit een zware arbeid was, vooral voor onze Europeanen,

die daaraan niet gewoon waren. Zij kregen daarbij evenwel een inzicht

omtrent de bedrijvigheid van het volk, in welks midden zij zich

bevonden, en dat in dien arbeid bijzonder te huis scheen.

Het vervoer der boschproducten geschiedt van uit de binnenlanden van

het zoo waterrijke Borneo bijna niet anders. Onze avonturiers hadden nu

ruimschoots gelegenheid om de samenstelling van zoo’n vlot of

„lanting”, zooals de inlanders het noemen, op te merken. Het gevaarte,

dat zij onder de oogen hadden, bestond uit een tweehonderdtal

boomstammen van uitmuntend timmerhout, die met zware rottankabels goed

aan elkander verbonden waren. Over die boomen was een vloer van

„niboeng” [52] latten aangebracht. In het midden van het vlot was een

vrij ruime hut getimmerd, terwijl aan weerszijde daarvan de producten

behoorlijk onder dak opgestapeld waren. Zoo waren daarop aanwezig ruim

vier duizend bossen rottan, een paar duizend „gantangs” [53] „njating”

(hars) een honderd pikols bijenwas, een twintig pikols „ngiatoe”

(getah-pertjah) en een klein partijtje vogelnestjes. De beide laatste

koopwaren had Bapa Andong van eenige handelaren der bovenlanden tegen

bijenwas, bij welks vergaring hij bijzonder gelukkig geweest was,

ingeruild. De overige producten waren het resultaat van eigen arbeid.

De rottan was in de omliggende soengei’s gesneden. De hars was

gedeeltelijk aan de boomen zelven gewonnen, gedeeltelijk langs de

oevers der rivier ingezameld. Ter bekoming van de edelste soorten van

dit product, maakt de Dajak inkervingen in de hem bekende harsachtige

boomen en ziet na weinige dagen zijne moeite rijkelijk beloond. De

overige soorten heeft hij slechts langs de boorden der rivier, op de

zandbanken en landtongen op te rapen. De hars namelijk druipt in

sommige tijden van het jaar van de boomen, valt op den grond en neemt

aldaar aarddeelen en andere onreinheden op. Bij den eersten den besten

watervloed wordt zij medegesleept. Door de onreinheden is zij specifiek

iets zwaarder dan het water, zoodat zij wel drijvende, doch ietwat

beneden de oppervlakte, den stroomdraad volgt. Brengt nu de wind de

breede stroomen van Borneo in beweging, dan wordt die hars door den

golfslag op de oevers geworpen of door den stroom op de uitstekende

hoeken of zandbanken afgezet. Het gebeurt ook niet zelden, dat op die

zandbanken of op de eilanden in die stroomen, in een woord overal in

alluvialen grond, weinige voeten onder de oppervlakte des bodems,

harsbeddingen van soms meer dan honderd M2. oppervlakte, bij een dikte

van 2 c.M. tot 3 d.M. aangetroffen worden.

Dat alles vernamen onze vluchtelingen met groote belangstelling uit de

gesprekken hunner nieuwe makkers. Wat het inzamelen van bijenwas

betreft, daaromtrent zouden zij zelf ondervinding opdoen en kunnen

opmaken, dat die heel wat verschilt van de bijenteelt in Europa.

Met inspanning van alle krachten vorderde het vlot langzaam maar toch

gestadig. Eindelijk, tegen het vallen van den avond, was het gevaarte

den laatsten hoek omgewerkt en de ingang zichtbaar van het kanaal, dat

het meer met de rivier verbindt. Maar nu waren de krachten ook uitgeput

en was rust noodzakelijk. Er was toch geen mogelijkheid om het vlot bij

nachtelijk duister door dat nauwe kanaal te voeren, en werd dus

besloten te overnachten ter plaatse waar men was. Het vlot werd aan den

wal gemeerd, waarna een gedeelte der bemanning op den oever sprong om

het terrein in de nabijheid over een uitgestrektheid van honderd passen

middellijn ongeveer van struikgewas te zuiveren, teneinde een vrij

uitzicht te hebben, de struiken en takken zooveel mogelijk als een heg

aan de grens van die open vlakte op te stapelen en dus een soort van

retranchement te hebben, waardoor niet kon heengebroken worden zonder

de aandacht te wekken. Verder werd de geheele manschap in twee ploegen

verdeeld, die om beurten wakker blijven en scherp uitzien zouden,

waarbij Johannes zorgde, dat hij met La Cueille bij de eene en de twee

Zwitsers bij de andere ingedeeld werden.

Zeer waarschijnlijk waren die voorzorgsmaatregelen oorzaak, dat de

nacht ongestoord voorbijging; want de koppensnellers schuwen over het

algemeen het gevecht en deinzen gewoonlijk af, wanneer hunne

tegenstanders waakzaam zijn en zij dus voorzien kunnen, dat hun laf

sluipmoordenaarswerk niet zonder gevaar kan geschieden.

Met den dageraad werd de arbeid hervat en na een goed uur zwoegens was

het vlot in het kanaal; en de zon had nog niet de helft van hare

geheele hoogte bereikt, toen het bij de stapelplaats vastgemeerd lag,

om de overige lading te ontvangen. Daarmede werd met zoo’n vlugheid te

werk gegaan, dat, toen de dag ten einde neigde, alles aan boord

gerangschikt, en men tot vertrek gereed was.

Intusschen viel er nog een belangrijke arbeid te verrichten. Sedert

Bapa Andong met de inzameling zijner boschproducten begonnen was,

waarmede een tijdruimte van ongeveer zes maanden gemoeid was, hadden

honderden bijenzwermen hun nest gemaakt op en in de boomen, die zich op

den westelijken oever van het meer verhieven. De boomen, die deze

kleine diertjes daartoe uitkiezen, zijn een zeer hooge soort, met

rechten, gladden stam en ver uitstekende takken. De Dajaks noemen zoo’n

woudreus: „tanggirang”; in gunstige jaren worden op zulk één boom 200 à

300 bijennesten gevonden. Zoodra Bapa Andong het begin van den arbeid

dezer nijvere diertjes opgemerkt had, begon hij zijn maatregelen te

nemen, om zich op een gegeven oogenblik hun buit te kunnen toeeigenen.

Daartoe had hij in iederen „tanggirang” dagelijks een paar pennen van

hard hout op ongeveer 4 d.M. van elkander laten slaan, en was daarmee

voortgegaan, totdat de aldus gevormde ladder de benedentakken van den

woudreus bereikt had. Die arbeid had lang geduurd, maar kon niet anders

uitgevoerd worden, doordat, wilde men de ladder onafgebroken

vervaardigen, dat aanhoudende geklop op de „tanggirangs” de bijen zeker

zoude verontrusten en een aanval hunnerzijds niet zoude uitblijven. In

de laatste dagen hadden de pandelingen van Bapa Andong het terrein

rondom de boomen van struiken en onkruid gezuiverd. Men was dus tot

handelen gereed en wachtte nog slechts op het gunstige oogenblik. Dat

oogenblik scheen nu gekomen.

Het was een stormachtige nacht, die ingetreden was, een dier

kenteringsnachten in de tropische gewesten, waarin de wind huilde en

pogingen scheen aan te wenden om geheele vakken van het oorspronkelijk

woud te ontwortelen; een nacht waarin het zwerk met dichte wolken

bedekt en de duisternis zoo groot was, dat het aardrijk met een zwart

floers overtogen scheen. Met den zoon van Bapa Andong en de zes

pandelingen, aan de boorden van het meer aangetroffen, waren nu

zeventien mannen te zamen. Deze stegen in de prauw van onze avonturiers

en in twee djoekoengs en staken over de schuimende wateren van het meer

naar de overzijde, waar de tanggirangs stonden. Daar aangekomen stapten

zij aan wal en plaatsten onder iederen boom op vier stokken, een vrij

grooten linnen lap in dier voege, dat hij aan de vier punten

opgehouden, een zak vormde, die den grond evenwel niet raakte. Toen men

daarmee klaar was, werden een aantal fakkels van groen en veel

rookgevend hout, te voren vervaardigd, ontstoken. Iedere Dajak greep er

een van, en nu ging het bliksemsnel langs de vervaardigde ladders

omhoog, tegen de tanggirangs op. In iederen boom klom slechts een man,

terwijl inmiddels Bapa Andong en de vier Europeanen met het geweer in

de hand beneden in het donker bleven en de wacht hielden.

In een ondeelbaar oogenblik waren de klouteraars boven en klopten nu op

de talrijke nesten. Met een geluid als wilden zij den storm

overtreffen, kwamen de bijen brommend naar buiten, om zich op de

aanvallers te werpen, maar, verblind door het licht der fakkels, die

hevig heen en weer werden gezwaaid, en verstikt door den rook, die in

dikke wolken door de kruinen voer, werden zij door den stormwind ver

weggedreven en vielen met honderdduizenden en nog eens honderdduizenden

aan de overzij van het meer ter aarde. Zoodra de zwermen verdreven

waren, beijverden zich de aanvallers de nesten met een bamboelemmer van

de takken los te maken en in de daaronder opengesperde linnen zakken te

laten vallen. In een oogwenk om zoo te zeggen was alles geschied en de

klouteraars waren reeds beneden, toen de Europeanen nog vol ontzetting

naar boven tuurden.

Het was dan ook een aangrijpend schouwspel voor hen geweest.

Die naakte bruine gedaanten met fladderende haren in dien stormachtigen

nacht, bij het onzekere schijnsel der fakkels, pijlsnel naar boven te

zien klimmen; die gedaanten zich daar boven hoog in de lucht over de

takken te zien buigen, de fakkels heen en weder te zien zwaaien en zich

in een dikken rook hullen; die dwaallichten daar hoog boven tusschen de

slingerende takken, de weerkaatsing in de wateren van het fel bewogen

meer; het gehuil van den storm en het gegons van millioenen bijen,

terwijl met tusschenpoozen een weemoedige stem van bovenaf weerklonk en

een droevig eentonig gezang tusschen de stormvlagen deed hooren, dat

alles kwam hun zoo verrassend, zoo spookachtig voor, dat zij het,

vooral bij den korten duur, voor een droom, voor een zinsbedrog hadden

kunnen houden, lagen de tallooze nesten, druipende van honig, niet aan

hunne voeten om hen van de werkelijkheid te overtuigen.

„Sacré matin! dat zijn flinke kerels!” brak La Cueille los.

„Wat een behendigheid, vlugheid en bedaard overleg daar bij,”

bevestigde Schlickeisen; „kijk, geen enkel ongeval is bij die

verbazende onderneming gebeurd.”

De bijennesten waren spoedig in de prauw en de djoekoengs geladen en

het was nog geen middernacht toen de expeditie aan boord van de lanting

terug was.

Het wekte de verwondering der Zwitsers, dat Bapa Andong zijn vlot,

waarop toch voor een groote waarde aan koopmansgoederen opgestapeld

lag, gedurende de helft van den nacht alleen had durven laten. Hij wist

toch, meenden zij, dat slecht volk in den omtrek rondzwierf. Maar Dalim

verklaarde hun, dat diefstal in de Dajaklanden bijna nimmer voorkomt,

dat dat vlot daar maanden zou kunnen liggen, zonder dat iemand er een

vinger naar zou uitsteken. Alleen wanneer het afdoende gebleken was,

dat het onbeheerd bleef, zou het weggehaald zijn. Het slechte volk,

waarvan zij spraken, beoogde slechts één buit, namelijk

menschenschedels. Al het overige was hun onverschillig en zouden zij

niet aanraken.

„En daarom,” zoo besloot de Dajak zijn toelichting, die niet van

nationaliteitsgevoel ontbloot was, „en daarom, het is en blijft steeds

ons wachtwoord: „pas op je kop, breng je kop thuis.””

De bijennesten werden op een stellage, daarvoor expresselijk

vervaardigd, geplaatst om uit te druipen. De Zwitsers, die, als de

tenant in hun wapenschild [54], echte honiglikkers waren en dus nog al

belang in die geheele verrichting stelden, vernamen gedurende die

bedrijvigheid dat die nesten den naam van „idang” in de Dajaksche taal

dragen; dat iedere idang gewoonlijk een K.G. was en 12 K.G. zuiveren

honig oplevert. Men had een tiental tanggirangs van hunne idangs

ontdaan. Deze, berekend op 200 idangs per boom, lagen daar dus 2000

nesten, die een zelfde aantal K.G. was en 24,000 K.G. honig zouden

opleveren. De eerst verkregen honig, die van zelf uitdruipt, is de

zuiverste en wordt door de liefhebbers voor den fijnsten gehouden.

Later worden de idangs in een zak, van ruwe plantaardige vezels

vervaardigd, gewrongen en geperst, waarna de was, ter verdere zuivering

herhaalde malen in water wordt gekookt en eindelijk in groote schijven

of koeken gegoten, die een middellijn van ongeveer 0,5 M. hebben, ± 15

K.G. zwaar zijn, en zoo in den handel gebracht worden.

Toen de bijennesten op hunne stellage gestapeld waren, werd de

wachtdienst weer ingedeeld als den vorigen nacht en kon de helft der

opvarenden trachten rust te genieten.

Maar in de Dajaklanden op rust rekenen, is veelal de rekening buiten

den waard maken. De eerste uren gingen wel is waar zonder stoornis

voorbij; maar nauwelijks had de „takakak” [55] zijn ochtendgeschreeuw

doen hooren en kon het diensvolgens drie uur in den morgenstond zijn,

toen de jeugdige Andong iets meende te hooren aan de boschzijde. Als

een bronzen standbeeld vatte hij post, luisterde, ja luisterde scherp

toe. Daarop wenkte hij zijn makkers, evenwel zonder gedruisch te maken.

Allen spitsten de ooren, al hunne zintuigen waren in de gehoorzenuwen

overgegaan en jawel, er werd een beweging vernomen als van zacht

schuifelende lichamen, die zich met de meeste voorzichtigheid een

doortocht trachtten te banen door de beschermende borstwering van

afgekapte takken en struiken, die ook hier aangelegd was. Gelukkig was

de stormwind gaan liggen, anders ware dat zachte gedruisch niet

waarneembaar geweest. In de grootste stilte werden de slapenden gewekt

en de gevechtsdispositiën genomen. De Europeanen sloten zich bij

elkander aan en hielden de vuurwapenen onder hun bereik. Bij de

volslagen duisternis, die er heerschte, schenen die evenwel van weinig

nut en daarom hadden zij dan ook als Dajaks, die zij voorstellen

moesten, ieder een flinken mandauw ter hand genomen en beloofden zij

zich er lustig mee rond te hakken, hoewel La Cueille, terwijl hij zijn

wapen trillend omhoog stak, zuchtend het schietgebed prevelde:

„Sainte Vierge de Jupille! secourez nous.”

Bapa Andong kwam evenwel Johannes iets in het oor fluisteren, wat deze

met een glimlach en een goedkeurenden knik beaamde. Toen hij het

gesprokene medegedeeld had, namen de Zwitsers de Remmingtongeweren; La

Cueille en Johannes wapenden zich met een tirailleurgeweer, maar

bovendien met een revolver, terwijl de twee overblijvende geweren

geladen gereedstonden om gegrepen te worden.

Na die beschikkingen wachtten de verdedigers nog een poos met kloppend

hart. Zij keken uit, maar te vergeefs, in het stikdonker was niets te

onderscheiden. Bij de stilte, die evenwel ingetreden was, hoorde men

zacht schuifelen, soms ook wel een twijgje knappen; anders niets.

Plotseling verhieven zich een twintigtal gestalten aan den oever van

het meer en sprongen met een wip op het vlot.

„Lēēēēh, lèlèlèlè ouiiiit!” weerklonk het luid en deed dit gegil de

aanwezigen op het vlot de haren te berge rijzen. Zij begrepen dat zij

tegen een overmacht stonden, dat, indien hun krijgslist mislukte, een

gevecht op leven en dood onvermijdelijk, de ondergang van allen zeer

waarschijnlijk was. De vijandelijke strijders sprongen, vlogen over de

beschikbare ruimte van dat gedeelte van het vlot, waar zij aan boord

getreden waren. Het was een demonisch schouwspel, die wilden, achter

hunne schilden gedoken, met den gevreesden mandauw in de hand, heen en

weer te zien springen, de bewoners van het vlot tot den strijd

uitdagende. Geen geluid van deze laatsten liet zich hooren en die

stilte scheen de aanvallers eenigszins te onthutsen.

Eensklaps lieten zich aan het andere einde van het vlot, door de

verdedigers bezet, in het donker een paar gedaanten waarnemen, die op

de aanvallers toesprongen, hun een paar houwen toebrachten, maar even

snel weer verdwenen als zij gekomen waren. Nu brulden de aanvallers hun

oorlogskreet andermaal, sloten zich vast aan elkander en, door hunne

schilden gedekt, stoven zij den loopgang door, die de voorplecht van

het vlot met de achterplecht verbond. Aan het einde trachtten een paar

gedaanten hun nog den doorgang te betwisten; maar ook die verdwenen

weer even spoedig, toen eensklaps boven op den berg rottanbossen, die

het middenvak van het vlot vulden, een helder brandend licht ontstoken

werd en te gelijkertijd een hevig geweervuur de aanvallers, die nu ten

volle zichtbaar waren, tegenknetterde. Wienersdorf en Schlickeisen

schoten hunne repeteergeweren naar hartelust af op den vijandelijken

drom, die tot tegen de bajonetten schier opgedrongen was. La Cueille en

Johannes in het tweede gelid, schoten eerst hunne geweren af en

vervolgden daarna het vuur met hunne revolvers, terwijl het van boven

den hoop rottanbossen mandauwhouwen begon te regenen. De verwarring te

beschrijven, die onder de aanvallers ontstond, bij het schitteren van

dat plotselinge licht en het daarop gevolgde schieten, waarvan in den

dicht opeengedrongen hoop in dien doorgang weinig kogels misten, is

onmogelijk. Een golvende beweging begon zich te openbaren; eerst

vooruit, dan achteruit. Kreten van woede, angstgegil en kermen kruisten

zich allerwege. Het was of alle duivels der hel losgebroken waren.

Eindelijk splitste zich het kleine hoopje van den overgebleven troep

der aanvallers in twee deelen, waarvan het eene, wel het grootste, het

hazenpad koos, aan den wal sprong en in het duister verdween; terwijl

het andere, over de gesneuvelden heenspringende, een wanhopige poging

aanwendde, om de tegenpartij toch nog te lijf te gaan. De schoten

knetterden onafgebroken, het kleine manmoedige troepje slonk, slonk

nogmaals, maar met een ongeëvenaarde doodsverachting drongen de laatste

twee overblijvenden onder de bajonetten der twee Zwitsers in, door zich

op den grond te werpen en zoo hunne tegenstanders met het blanke wapen

aan de huid te komen. De eene werd door Schlickeisen met de bajonet aan

den vloer van het vlot vastgestoken en zoo onschadelijk gemaakt. De

andere naderde schuifelende, stond plotseling op, en hief zijn mandauw

omhoog om Wienersdorf den doodelijken slag toe te brengen. Deze, geen

kans ziende dien slag te pareeren, waartoe ook de strijders te dicht op

elkander gedrongen waren, liet zijn geweer eensklaps vallen en greep

zijn tegenpartij met zulk een krachtvolle vuist bij de polsen, dat deze

zijn mandauw moest laten vallen. Nu begon in die enge ruimte een

ontzettende worsteling tusschen de twee mannen, die beiden begrepen,

dat het leven van den uitslag afhing. Slechts weinige handbreedten

scheidden hen van het meer, welks water donker tegen het vlot kabbelde.

Voor de anderen was er niet aan te denken, Wienersdorf te hulp te

springen. Vooreerst stond Schlickeisen daartoe in den weg, die zijn

tegenpartij nog steeds zich wringend en gillend aan den vloer

vastgestoken hield. Maar ook de beide worstelenden sprongen en wrongen

zich in hun strijd, borst tegen borst geklemd, zoo vlug dat er zeer

groot gevaar zou bestaan hebben, bij het toebrengen van een slag, den

Zwitser te treffen in stede van zijn tegenpartij. De kamp duurde zoo

nog een kort oogenblik voort, dat evenwel een eeuwigheid toescheen.

Eindelijk begonnen de krachten den minder gespierden Dajak te begeven.

Toen Wienersdorf dat voelde, schopte hij den gevallen mandauw met een

beweging van zijn voet in het meer, deed een laatste maar geweldige

inspanning, verhief de beide armen zijns vijands, die hij als in bussen

omklemd hield, boog die met reuzenkracht achterover en noodzaakte zoo

den hijgenden Dajak voor hem op de knieën te vallen. Kreunend zonk hij

in elkander en smeekte:

„Blako ampoen!” (ik vraag genade).

Op die woorden, die met zacht vloeiende stem en met zulk een innige

bede uitgesproken werden, liet de Zwitser den overwonnen vijand los en

reikte hem de hand. Op de knieën liggende, aarzelde deze die aan te

nemen. Zijn borst hijgde stormachtig, zijne oogen fonkelden als

vuurballen. Maar die aarzeling duurde slechts een seconde; toen sprong

hij op, greep de hem toegestoken hand, legde zich die op de kruin van

zijn hoofd, terwijl hij daarbij den fieren onafhankelijken nek, ten

teeken van onderwerping boog. Wat hij met diep bewogen stem mompelde,

kon niemand verstaan. Zoo stond de zoon des wouds een kort oogenblik.

Eensklaps richtte hij het hoofd op, greep zijn „poeai” [56] aan de

mandauwscheede bevestigd, bracht zich een lichte verwonding aan den arm

toe, ving het uitdroppelende bloed in de holte zijner hand en bestreek

daarmede het voorhoofd en de lippen van Wienersdorf, die beteuterd

stond te kijken en niet wist wat met hem gebeurde. Daarop verwondde hij

den Zwitser lichtelijk, ving ook diens bloed op, bestreek zich ook

daarmede voorhoofd en lippen, waarna hij de overblijvende druppels in

zijn mond liet vallen en zoo opdronk. Nogmaals reikte hij zijn

overwinnaar de hand, drukte die, bracht haar aan den mond en wierp

vervolgens een trotschen blik op de omstanders, terwijl hij duidelijk

verstaanbaar de woorden Harimaoung Boekit [57] uitsprak, waarna hij,

vóór dat iemand er ook maar aan denken kon, om het te beletten, in het

meer sprong, welks donkere wateren zich boven zijn hoofd sloten.

En alsof het op een afgesproken teeken geschiedde en de natuur den

woudzoon bij zijne ontsnapping behulpzaam wilde zijn, bluschte een

hevige windvlaag het ontstoken licht plotseling uit, zoodat de

opvarenden van het vlot in diepe duisternis gehuld waren.

Borneo van Zuid naar Noord · 第 51 / 77 题