XII.

Vertrek van Mantangei.—„Petak bapoeti.”—Een nieuw soort van

huwelijksgeschenk.—Borneo en Kalimantan.—Kotta Towana.—Een kop

gesneld.—La Cueille gekwetst.—Gevecht met de koppensnellers.—La

Cueille onder behandeling.—Een laatste salvo pijltjes.—Een

nachtwaak.—Verkenning in den morgenstond.—Een

begrafenisplechtigheid.

Midden in den nacht waren de vluchtelingen van soengei Mantangei op

reis gegaan en hadden zij stevig door geroeid. Zij waren nu reeds zeven

etmalen onderweg. Het landschap rondom hen begon van karakter te

veranderen en langzamerhand zijn alluviale eigendommelijkheid te

verliezen. Nog wel niet geheel en al, want soms wisselden zeer zachte

glooiingen en verhevenheden van den grond, die zich nog maar alleen

door hare veranderde flora deden onderkennen, andermaal met

uitgestrekte moerasgronden af, die eindeloos toeschenen, maar, welker

grenzen toch bereikt werden.

Hoe weinig de verheffing des bodems nog te beteekenen had, konden onze

avonturiers afleiden uit het nog steeds regelmatig intreden van eb en

vloed, die zich tot op dien aanmerkelijken afstand van de boorden der

zee toch nog met zooveel kracht deed gevoelen, dat tweemaal daags de

stroomdraad der rivier een tegenovergestelde richting aannam.

De „riwoet haroesan” (adem des vloeds) werd evenwel al lang niet meer

waargenomen; zoover dringt het zeewater landwaarts niet in. Zelfs was

het water ter hoogte waar de deserteurs zich thans bevonden, niet meer

brak en bleef ten allen tijde drinkbaar. Het zou ook niet lang meer

duren of de vloedstroom zou hen verlaten en zij slechts aan het

periodiek rijzen van den waterspiegel en aan het verminderen van de

sterkte van den ebstroom, zouden ontwaren, dat de vloed aan de kusten

doorstond. En eindelijk, naarmate het terrein zal rijzen, zal ook dat

verschijnsel gewijzigd worden, totdat de onverzwakte rivierstroom zal

overblijven, tegen wier kracht zij te kampen zullen hebben.

Het was zoo omstreeks het einde van „badjagi hai” (3 uur namiddag),

toen de reizigers een plek bereikten, die bij de inboorlingen „petak

bapoeti” (witte grond) genoemd wordt. Dit is een heuvelenrij van

ongeveer veertig voet hoog, bestaande uit verblindend wit zand, niet

ongelijk aan een duinenrij, die door den stroom zou zijn doorgebroken.

Zelfs de helm ontbrak er niet; want op de hellingen bestaan

uitgestrekte plekken met die grassoort of met een dergelijke begroeid.

Hier heeft eenmaal de oceaan zijne wateren gerold en beukten zijne

machtige golven die duinenrij. Een menigte schelpen worden in dat zand

aangetroffen, maar van een geheel andere soort dan die in den

kleiachtigen modder, die thans de zuidkust van Borneo omzoomt, gevonden

wordt. Een andere omstandigheid, die pleit voor de stelling, dat

eenmaal de zuidkust van het thans zoo groote eiland hier aangetroffen

werd, is, dat aan de oevers van de Doesson, de Kahajan en de Mantawei

rivieren, die met de Kapoeas nagenoeg evenwijdig stroomen, op dezelfde

breedte ongeveer, dergelijke duinformatiën aangetroffen worden.

Het was voor de Europeanen vooral een uitkomst, zich op dat droge duin

wat te kunnen vertreden; want voor hem, die er de gewoonte niet van

heeft, is het dagen lang zitten in een prauw met gekruiste beenen

uiterst vermoeiend. Zij stapten dan ook heen en weer met een ijver, die

bewees, dat zij de achterstallige beweging wilden inhalen en hielden

zich daarbij onledig met het plukken van donkerroode vruchten, niet

ongelijk aan onze braambeziën, die daar op die droge plek in groote

menigte voorkwamen en door hare frissche rinschheid een aangename

versnapering aan hun eentonig maal toevoegde.

Toen zij daar zoo omstreeks een uur gewandeld hadden, gaf Dalim het

sein tot vertrek. Dat viel zeer tegen; want nu het eten daar bereid was

geworden, was de hoop ontstaan, dat men het ook daar verorberd zou

hebben en men ook verder daar verbleven zoude zijn; hetgeen het

uitzicht op een aangename avondwandeling geopend had, alsook daarop dat

men, in stede van in die wiegelende prauw, eens lekkertjes op vasten

bodem zou hebben kunnen slapen. Maar Dalim had daar geen ooren naar.

„We moeten, voor dat de nacht invalt, kotta Towanan bereiken,” beweerde

hij.

Nader verklaarde hij zich niet; evenwel vertelde hij, dat te petak

bapoeti des nachts zooveel muskieten rondzwierven, dat, al gebruikte

men nog zooveel brotoali, aan rusten niet te denken zou vallen. Het

was, volgens zijn beweren, wel de plek waar de meeste muskieten van het

geheele eiland Kalimantan bij elkander waren en zou dat aan de volgende

omstandigheid te danken zijn:

De zoon van Sultan Koening, den Djata- of krokodillenkoning van de

Batang Moeroeng [48], zou in het huwelijk treden met de dochter van

Anding Maling Goena, den krokodillenvorst van de Kapoeasrivier. Dit

huwelijk zou bij petak bapoeti voltrokken worden en de visschen,

waterslangen, garnalen, kikvorschen en andere waterbewoners, aldaar

verzameld om de plechtigheid bij te wonen en luister bij te zetten,

hadden niets beters weten uit te denken, om hunne hulde te bewijzen,

dan den jonggehuwden eenige honderden centenaars muskieten ten

huwelijksgeschenk aan te bieden. Dit was dankbaar aangenomen, en de

nakomelingen van die muskieten brengen nog steeds op indrukmakende

wijze die gewichtige gebeurtenis in het geheugen van den reiziger

terug, wiens kwaad gesternte hem hier voert om den nacht door te

brengen.

„Een raar huwelijkscadeau,” meende La Cueille, „je moet bepaald Dajak

zijn om zoo iets te verzinnen. Mijne landslui zouden met zoo’n geschenk

weinig gediend zijn.”

„Wie weet,” lachte Johannes, „als de Walinnetjes eens de ondervinding

opgedaan hadden, dat een vracht muskieten het beste middel is om zelfs

den slaperigsten echtgenoot wakker te houden, of dan ook zij niet zoo’n

geschenk zouden begeeren. Maar om het even, ik moet erkennen, dat het

niet een der aardigste legenden van het Dajakland is.”

„Ik hoorde Dalim van een eiland Kalimantan spreken. Wat is dat voor een

eiland?” vroeg Wienersdorf.

Johannes vertelde toen, dat het de inlandsche naam was van het eiland

Borneo, dat de Europeesche benaming, een verbastering van het woord

„Broenai”, slechts een heel klein gedeelte van het geheele eiland

aanduidt, namelijk van een klein rijk aan de noordwestkust gelegen.

„Heeft dat woord „Kalimantan” ook eenige beteekenis?”

„„Kalimantawa” is de Dajaksche naam van de doerian. Deze vrucht op

Borneo is evenwel niet zoo ellipsvormig als die op Java aangetroffen

wordt, maar is aan het benedeneinde eenigszins uitgezet en afgeplat. De

overeenkomst van den vorm van het eiland met dien van die vrucht, zou

aanleiding tot den naam „Kalimantan” gegeven hebben.”

„Dat is geheel onmogelijk,” meende Wienersdorf. „Borneo is een der

grootste eilanden der aarde en het nasporen van den omtrek van zulk een

groot eiland, dat toch den vorm moet bepalen, vereischt een zekere mate

van kundigheden en ontwikkeling, die bij geen volk in den Indischen

archipel verondersteld kunnen worden.”

Dalim boog zich tot Johannes en fluisterde hem iets in het oor.

„Je kunt gelijk hebben,” hernam deze. „Dalim noemt mij daar de woorden

„Kaliintan” (rivier der diamanten). Meer welluidend zal men dat vroeger

„kalimintan” uitgesproken hebben, en zal het later tot „kalimantan”,

volgens sommigen tot „kalimanten” verbasterd zijn. De uitlegging ligt

voor de hand. Op Borneo worden, zoowel ter westkust als ter zuid- en

oostkust, vele diamanten (intan) gevonden. Er zijn verscheidene

plaatsen, die naar dat edelgesteente genoemd worden: Karangintan,

Lokhintan, Djintan enz. Mij dunkt dat, vermits langs de oevers van vele

rivieren diamanten gevonden werden, die riviertjes kaliintan genoemd

werden en deze naam langzamerhand aan het geheele eiland is gegeven

geworden.”

Onder dergelijk gekout werd de tijd gekort en kwamen de reizigers in de

nabijheid van kotta Towanan aan. Dat was een Dajaksche versterking,

zooals zij in de binnenlanden van Borneo overal tot bescherming tegen

de koppensnellers te vinden zijn. Deze was evenwel in het begin van

1859 tegen de Nederlanders aangelegd. Haar vorm was die eener

langwerpige vierkante redoute zonder uitspringende gedeelten; hare

borstwering bestond uit stevige ijzerhouten palen van respektabele

dikte en was van afstand tot afstand met „hampatongs” versierd.

„Hampatongs” zijn levensgroote houten beelden, gewoonlijk Dajaksche

strijders in alle mogelijke gevechtstoestanden voorstellende en meestal

vrij goed gesneden, altijd in aanmerking genomen het volk, dat ze

vervaardigt en van kunst niet veel begrip heeft.

Verdedigd werd die sterkte nimmer. Toen het Nederlandsche stoomschip

Montrado haar met zijn dertigponders naderde, sloeg der bezetting de

schrik om het lijf en zocht zij haar heil in de vlucht.

Op een korten afstand genaderd, evenwel nog door de laatste

stroombuiging gedekt, raadde Dalim aan te leggen om de kotta eerst te

verkennen, daar zij nog al eens tot schuilplaats verstrekt aan „bigal’s

en „kajau’s” (rivier-roovers en koppensnellers). Hij, met Schlickeisen

en La Cueille, steeg behoorlijk gewapend aan wal en drongen zij het

bosch in, om die verkenning te maken. Zij bleven evenwel niet lang uit,

maar brachten spoedig het bericht, dat de kotta verlaten bevonden was

en dat zij niets, wat onraad kon aanwijzen, hadden opgemerkt.

Aanvankelijk was het voornemen zich voor den nacht in de kotta in te

richten. Allen hunkerden toch eens een gerusten slaap op den vasten

bodem te genieten. Maar toen Wienersdorf den toestand van de

versterking en het omliggend terrein opgenomen had, merkte hij op, dat,

zoowel de voor- als achterflank bewaakt zoude moeten worden om tegen

een overval beveiligd te zijn, daar in beide flanken openingen gevallen

waren. Hunne prauw, die alles bevatte wat waarde voor hen had, zoude

ook bewaakt moeten worden, zoodat een zoodanige nachtdienst de krachten

van het kleine troepje te boven ging en er nog bij kwam, dat niemand

hunner den vorigen nacht ook maar een oogenblik gerust had. Er werd dan

ook besloten in de prauw te blijven, dan was het voldoende, dat een

hunner waakzaam bleef en konden de anderen een ongestoorde rust

genieten. Toen de avond gevallen was, begonnen de Dajaks den eersten

wachtdienst en zouden de Europeanen de nanachtswachturen voor hunne

rekening nemen. Dat was nu wel de aangenaamste regeling niet, maar wel

de zekerste, met de wetenschap, dat de inboorling een slecht waker is

en vooral na middernacht zittende of staande, geheel onbewust

insluimert.

Toch zou van nachtrust niet veel komen; zij zou op vreeselijke wijze

gestoord en voor de rest van den nacht geheel verijdeld worden.

Het kon omstreeks negen uur des avonds zijn. De Europeanen hadden zich

in hunne spreien gewikkeld en te slapen gelegd en de drie Dajaks zaten

met elkander te fluisteren, toen Dalim de opmerking maakte, dat de

voorraad brandhout te gering was, om het vuurtje, dat op den oever

aangelegd was, ten einde een overzicht over het terrein te hebben, te

onderhouden. Hij droeg een zijner makkers op, dien voorraad aan te

vullen, hem daartoe een hoop dorre takken aanwijzende, dien hij over

dag in de versterking opgemerkt had. Deze maakte hoegenaamd geen

bezwaren, daar hij die takken ook gezien had en hij slechts weinige

passen te doen had om ze te bereiken. De achterblijvenden zagen hem bij

het schijnsel van het vuur, met zijn mandauw in de hand aan wal stappen

en door den ingang der versterking verdwijnen, toen eensklaps een

hartverscheurende gil weerklonk, die het bloed der twee wachthebbenden

schier deed verstijven en de Europeanen onmiddellijk, als met een

tooverslag, op de been bracht. Wienersdorf en La Cueille hadden het

eerst ieder een geweer gegrepen en sprongen aan wal. Dalim volgde hen

op de hielen met den koppensneller in de vuist; de anderen tuurden

scherp uit, met het geweer in den aanslag en den vinger aan den

trekker. Behoedzaam en met gevelde bajonet drongen de beide

eerstgenoemden den ingang der versterking binnen; maar Wienersdorf

struikelde al dadelijk en viel, terwijl hij na zijn val een kreet van

afgrijzen uitstiet. Dalim volgde onmiddellijk met een brandend stuk

hout in de hand; en bij het zwakke schijnsel daarvan ontwaarden zij het

lichaam van hunnen Dajakschen makker, echter hoofdeloos. Het lijk was

volgens de regels der Dajaksche kunst behoorlijk gesneld; dat wil

zeggen, dat met één slag van den vreeselijken mandauw het hoofd van den

romp gescheiden was. In den regel geschiedt die daad zoo verbazend

snel, dat in de meeste gevallen het slachtoffer de eeuwigheid instapt,

geheel onbewust van het lot dat hem treft. Maar hier scheen de

aangevallene in de laatste seconde inzicht in zijn toestand gehad te

hebben, af te leiden uit den gil, dien hij geslaakt had. Ook scheen hij

met de linkerhand zijn aanvaller nog gegrepen te hebben; want een stuk

van een ewah bevond zich in die hand geklemd, terwijl de rechter nog

den mandauw omsloten hield.

Op weinige passen ter zijde van het lijk zag La Cueille iets in het

gras trekken en bewegen. Hij bukte zich en greep er naar; maar stiet

een kreet van afgrijzen uit en onmachtig om los te laten, wat hij

gegrepen had, hief hij het hoofd van hun makker bij de haren op, dat in

de laatste oogenblikken van den bangen doodstrijd de oogen vreeselijk

rolde en de kaken en lippen bewoog, alsof hij wat zeggen wilde. Op het

zien van dat hoofd riep Dalim verschrikt uit, terwijl hij achteruit

stoof:

„Oendoer goeloeng goeloeng!” (spoedig terug).

Die woorden waren hem nog niet van de lippen, toen een fluitend geluid

waargenomen werd en La Cueille met een krassen Waalschen vloek

uitgilde, dat hij gekwetst was. Hij bracht zonder den kop los te laten,

het geweer in den aanslag; maar Dalim greep hem bij den arm en trok hem

naar de prauw, terwijl Wienersdorf de achterhoede dekte en met zijn

Remmingtongeweer eenige schoten in de dikke duisternis afgaf. Toen zij

in den lichtkring van het vuur bij de prauw traden, meende La Cueille

zich iets in de struiken aan den voet van de palissadeering der

versterking te zien bewegen; hij rukte zich los van Dalim, wierp den

nog bloedenden kop in de prauw en schoot zijn geweer in de richting

dier struiken af. Dat schot werd beantwoord met een uittartend:

„lēēēēh, lèlèlèlèlè ouiiiit!” en tegelijkertijd drongen eenige

gedaanten met den mandauw in de vuist uit de duisternis in den

lichtkring te voorschijn. Nu was het evenwel de beurt aan Johannes en

Schlickeisen, die kalm in de prauw gebleven waren en het gunstig

oogenblik bespiedden om handelend op te treden. Schlickeisen had het

tweede Remmingtongeweer in handen; Wienersdorf en de Waal stelden zich

in de nabijheid der prauw op, en nu weerklonk een geweervuur, dat de

aanvallende Dajaks, die over het algemeen toch al geen helden zijn

tegenover vuurwapenen, spoedig op de vlucht dreef. De twee eerste

schoten van de twee Europeanen in de prauw waren daarbij afdoende

geweest; want die, met alle bedaardheid afgegeven, hadden doel

getroffen; men had althans twee der aanvallers zien ter aarde storten.

Toen niets meer ontwaard werd aan den oever, hield het vuren op en

konden onze avonturiers tot verademing komen. La Cueille klaagde over

pijn in den linkerarm. Toen Wienersdorf dien arm onderzocht, bleek het

dat de Waal met een vergiftigd pijltje gekwetst was. Allen keken

elkander bedrukt aan, want zooveel hadden zij wel van het pijlvergif

vernomen, dat de vreeselijke uitwerking daarvan hun bekend was. Dalim

greep een handvol keukenzout en wreef daarmede zoo krachtig het

tandvleesch van den lijder in, dat zich een overvloedig bloederig

speeksel ontlastte. Hij wilde ook de gekwetste plaats inwrijven, maar

Wienersdorf stiet hem ter zijde, haalde een fleschje met ammonia

liquida te voorschijn, maakte met zijn zakmes een vrij diepe kruissnee

over het wondje en liet daarin eenige droppels van zijn alkali vallen.

De Waal brulde van pijn, schreeuwde en wrong zich, terwijl hij niet

zelden een vroom:

„Sainte Vierge, priez pour moi!” afwisselde met een krachtigen

Waalschen vloek.

Bij al den ernst, dien de omstandigheden medebrachten, kon Johannes

toch niet nalaten, La Cueille er op te wijzen, dat hij zijn rol van

Arabier al heel aardig vergat en raadde hem aan een innig:

„Lā ilāha illa—llāhoe” (Er is geen God dan Allah) te prevelen, in stede

van zich tot de Heilige Maagd te wenden. De Waal voelde een innige

minachting voor zijnen bruinen stamgenoot, maar had te veel pijn, om

die te uiten. Na veel zuchten en klagen, viel hij in een diepen slaap,

hetgeen door Dalim als een uiterst gunstig voorteeken werd aangemerkt.

Dat voor de overigen aan geen rusten te denken viel, lag voor de hand.

Zij wisten den vijand in de onmiddellijke nabijheid en zaten dan ook

met het geweer in de hand en den vinger aan den trekker, achter het

prauwboord gedoken, den oever gade te slaan, van waar zij een

vernieuwden aanval konden verwachten. Langen tijd bleef het rustig en

trok niets bijzonders hunne aandacht, toen eensklaps achter hen op de

rivier het bekende, maar toch steeds schrikkelijk:

„Lēēēh lèlèlèlèlè ouiiiiit!” weerklonk en een hagelbui pijltjes over de

prauw heen en onder de dakbedekking er van door floot. Toen de

verdedigers zich haastig omkeerden, konden zij nog even een rangkan in

den zwaren stroom te midden der rivier zien voorbijschieten, terwijl

het uitdagend gegil bleef weerklinken. Zij hadden den tijd nog eenige

schoten te lossen, die schenen hun doel niet gemist te hebben, want het

uittartend geschreeuw verstomde plotseling en werd vervangen door

kreten van smart, die nog geruimen tijd in de nachtelijke stilte

weerklonken, langzamerhand verzwakten en eindelijk door den afstand

niet meer waarneembaar waren.

Op dien Dajakschen oorlogskreet en het daarop gevolgde schieten was La

Cueille uiterst verschrikt uit zijn bedwelmenden slaap opgevlogen, had

in de dikke duisternis in de prauw rondgetast en de hand gelegd op den

bloedigen kop, dien hij zelf eenige uren te voren in de prauw geworpen

had, maar wat hem nu in zijn ontsteltenis ontgaan was. In zijn

buitensporigen angst en nog geheel onder den invloed van het zoo straks

gebeurde, vermeende hij, dat zij overvallen en de koppensnellers aan

boord waren en het bloedige werk reeds onder zijn makkers begonnen was.

Gelukkig dat hij in dien overspannen toestand geen wapen in de

nabijheid had, want bij de duisternis, die er heerschte, zou hij zeker

groote onheilen hebben aangericht. In zijne onberedeneerde zucht tot

zelfbehoud greep hij toch nog Johannes, dien hij niet herkennen kon,

bij den nek en trachtte hem te verworgen, totdat die, eindelijk driftig

geworden, hem een paar muilperen toediende, uitroepende:

„Die verduivelde Waal! hij legt het op mijn leven toe; de vent is

razend.”

Toen kwam La Cueille tot bezinning niet alleen, maar schoten ook

Wienersdorf en Schlickeisen tot ontzet toe. Allen vermeenden, dat het

een plotselinge uitbarsting van verstandsverbijstering was, door het

pijlvergif veroorzaakt. Maar zoodra had de Waal zijn ontwaken verhaald,

zijn vreeselijken angst, het grijpen van dien kop en wat daarbij in

zijn brein was omgegaan, of allen barstten in een uitbundig gelach uit

en feliciteerden den vreemdsoortigen koppensneller, die beangst

geworden was voor den kop, dien hij zelf te huis had gebracht.

„We zullen dien kop netjes voor je klaarmaken en poetsen,” zei

Johannes, „dan kun je hem mee naar Jupille nemen. Als ex-voto zou hij

onbetaalbaar prijken; toch moet ik je afraden hem daarvoor te bezigen.

Wie weet hoe lief je de Walinnetjes zullen aankijken, als je je op

Dajaksche wijze deklareert en de uitverkorene een bekkeneel aanbiedt.”

Allen schaterden het uit over den uitval, behalve La Cueille, die van

den schrik nog niet geheel bekomen was. Een flinke teug toeak hielp hem

evenwel op streek.

Na dergelijke gebeurtenissen viel aan slapen niet meer te denken;

hoewel Dalim de verzekering gaf, dat nu niets meer te vreezen was, daar

het troepje koppensnellers gevlucht was, en zij het waarschijnlijk

waren, die in dien rangkan voorbij vloden. Dat woordje „waarschijnlijk”

klonk evenwel onrustbarend in de ooren van allen; zekerheid bestond dus

niet, en daarom werd dan ook maar besloten de uiterste voorzichtigheid

te betrachten en de verschijning van Aurora met het geweer in de hand

af te wachten. Waakzaam zijn en praten kon echter zeer goed met

elkander gaan; de tongen roerden zich dan ook op een wijze die bewees,

dat de geschokte zenuwen nog lang niet in rust waren.

„Dat gaat goed,” meende Schlickeisen, „in twee dagen tijd heeft onze

kleine macht een verlies geleden van een doode en twee gekwetsten. Als

dat zoo voortgaat naar mate wij de bovenlanden naderen, dan zullen er

niet veel van ons overblijven om in het oude Europa te gaan verhalen,

wat er van ons geworden is.”

„Ah bah! dacht je dat we er zonder kleerscheuren zouden afkomen?” vroeg

Johannes; „als de helft van ons de Chineesche zee bereikt, dan mag

die—de helft bedoel ik, niet de zee—van geluk spreken. Eigenlijk is ons

aller leventje geen enkel dubbeltje waard.”

„Je bent nog al lollig met je voorstellingen,” lachte Wienersdorf.

„Hij is net zoo lollig als zijn natuurlijke huid blank is,” gromde La

Cueille. „Die nare Sienjo maakt iemand het leven nog onaangenamer dan

het is. Al die verhalen en voorspellingen doen niets ter zake af en

kunnen ook niets aan onzen toestand veranderen. Ze maken je maar

ontijdig onlekker.”

„Je moet het leven nemen zoo als het is en de toestanden onverschrokken

onder de oogen durven zien. Zich illusiën scheppen leidt tot niets dan

tot teleurstellingen. Ons steeds voorbereid houden op alle

gebeurlijkheden, dat moet ons steeds voor oogen zweven; dan komen de

rampen nimmer onverwacht. Maar zich muizenissen in ’t hoofd te halen,

is ook onverstandig. Onze toestand is nog zoo heel erg niet; ’t is te

betreuren dat we een onzer makkers verloren hebben, maar een geluk is

het, dat geen van ons vieren gevallen is. Dat zou een ware ramp zijn.

We zullen zien den ontbrekende te vervangen; ja, ik denk er zelfs aan,

onze macht uit te breiden, zoodra de gelegenheid zich daartoe zal

voordoen. Want dat valt niet te ontveinzen, hoe verder we de

binnenlanden zullen intrekken, hoe meer de gevaren zullen toenemen. Wat

nu evenwel de gekwetsten betreft, dat heeft niet veel te beduiden. De

boabeet van Wienersdorf is zoo goed als genezen en nu La Cueille nog

niet dood is, kunnen we over dien speldenprik lachen. Wat heeft die

Waal een spektakel gemaakt!” schaterde Johannes.

„Nu ik nog niet dood ben. Je spreekt er gemakkelijk over,” pruttelde de

betrokkene rillend bij de gedachte. „Was daar dan gevaar voor?”

„Toen ik dat pijltje zag, gaf ik geen oortje voor je leven. Die dingen

werken verbazend snel. Eerst wat beven, dan wat tandenknarsen,

eindelijk wat verwarde taal en spektakel als van een lastigen

dronkaard; daarmee is alles uit en dat nog wel binnen het half uur. Nu

er al veel langer tijd verstreken is, behoef je je niet meer ongerust

te maken.”

De Waal deed een zucht van verlichting hooren.

„Maar Wienersdorf,” vervolgde Johannes, „moet dat fleschje met dat

stinkend goed zorgvuldig bewaren. Hij heeft daarmee wonderen verricht.”

„Dalim beweert dat het keukenzout La Cueille gered heeft.”

„Het mocht wat,” lachte Johannes, „ik heb den kommandant te Kwala

Kapoeas veel proeven zien nemen met het pijlvergif, op honden, apen en

kippen. De zoutproef mislukte altijd. Steeds stierven de gekwetste

dieren. Werd daarentegen dat stinkende vocht gebezigd, dan genazen zij

bijna allen.”

Wienersdorf zat in gedachten verzonken met het hoofd in de hand.

„Het is me toch iets raadselachtigs,” sprak hij eindelijk, „hoe die

kerels in die versterking gekomen zijn. We hadden haar en het omliggend

terrein toch zoo goed verkend.”

„Dat hadden we ook,” antwoordde Johannes, „maar je zult wel opgemerkt

hebben, dat in de achterflank van de kotta een paar gaten in de

palissadeering bestaan. Nu bevonden zich die kerels binnen de enceinte

en hebben, waakzaam als ze zijn, ons zien aankomen. Niet wetende wie we

waren en ook onbekend met onze getalsterkte, namen zij door die gaten

onbemerkt de wijk naar de wildernis. Van toen af hebben ze ons geen

oogenblik onbespied gelaten en toen we geloofden alleen ter plaatse te

zijn, gluurden een aantal vurige oogen van achter struiken en

boomstammen ons achterna. ’t Is zeer waarschijnlijk een geluk voor ons

allen geweest, dat onze Dajaksche makker dat brandhout ging halen. Voor

een echten koppensneller was die gelegenheid te schoon, om onbenut

voorbij te laten gaan. Ware die daad uitgebleven, wie weet of zich dan

niet de gelegenheid voorgedaan had, ons in den laten nacht te komen

overvallen. Een geeuwerig oogenblik van een schildwacht, het

onwillekeurig sluiten der oogen, al was het ook maar gedurende weinige

seconden, zou de gewenschte gelegenheid hebben aangeboden en weest

verzekerd, dat die speurhonden haar niet onbenut voorbij zouden hebben

laten gaan.”

„Waarom schreeuwde je toch zoo bij het binnentreden der kotta?” vroeg

La Cueille aan Wienersdorf.

„Wel, ik struikelde en viel zoo lang ik was op het onthoofde lijk, dat

nog te stuiptrekken lag. Ik stak mijn rechterhand uit om me op te

richten en sloeg die op den romp, waaruit het warme bloed met stralen

sprong. Verduiveld! wat rilling me toen langs de ruggewervels voer!

Maar jij moet ook zoo iets gevoeld hebben, van wat ik ondervond, toen

je dien grijnzenden kop te pakken kreegt. Maar,” wendde Wienersdorf

zich tot Dalim, „waarom deedt ge ons teruggaan, toen La Cueille dien

kop opstak?”

„Omdat die kop mij het bewijs leverde, dat de kajau’s nog in de

nabijheid waren. Niet dan hoogst zelden verlaat de koppensneller het

terrein, zonder den gesnelden kop mede te nemen. Dan ook wist ik niet

hoe sterk die troep was.”

„Ik meende dat de kajau steeds zijn slachtoffer bij het haar grijpt en

dan den noodlottigen slag toebragt. Hoe is het nu mogelijk geweest, dat

die kop op den grond gerold is?”

„Dat begrijp ik ook niet goed,” verzekerde de Dajak. „In den regel gaat

dat grijpen bij het haar en het toebrengen van den slag zoo snel in

zijn werk, dat het slachtoffer gewoonlijk niet weet wat met hem

voorvalt en den tijd niet heeft, een gil te slaken. Ge moet niet

vergeten, dat de koppensneller, zorgvuldig achter struik of boomstam

verscholen, zijn prooi onverwachts bespringt. En de behendigheid dier

menschen is zóó groot, dat uiterst zelden een tweede slag noodig is, om

het hoofd van den romp te scheiden. Er hebben zich gevallen van

vlugheid voorgedaan, waar het slachtoffer nog eenige passen met

zwaaiende armen voortliep, nadat de bloedige scheiding had plaats

gegrepen en dan eerst nederstortte. Bij mijn makker schijnt het niet

zoo snel toegegaan te zijn; hij heeft nog den tijd gehad te schreeuwen;

bij een laatste poging tot zelfbehoud heeft hij nog getracht zijn

bespringer te grijpen en hem waarschijnlijk een slag met zijn mandauw

toegebracht. Bij die kortstondige worsteling heeft deze laatste den kop

laten glippen op het oogenblik, dat wij door de deur drongen. Dat de

kajau’s in onze nabijheid waren, bewezen de pijltjes, die op ons

afgezonden werden. Onze Sjech weet daar meer van te vertellen, niet

waar?”

„Ge zegt, dat uiterst zelden een tweede slag noodig is, om den kop van

den romp te scheiden,” sprak Wienersdorf, „die behendigheid is toch

merkwaardig. Hoe vaak toch is het in Europa niet in vroegere eeuwen

gebeurd, dat bij terechtstellingen de beul herhaaldelijk moest

toeslaan. Wanneer de executie met het zwaard plaats had, kwam dat zelfs

dikwijls voor; toen de bijl en het blok gebezigd werden, vond het nog

plaats, en er zijn zelfs gevallen bij het guillotineeren voorgekomen,

dat de valbijl voor de tweede maal omhoog moest gehaald worden, om het

slachtoffer af te maken.”

„De Dajaksche jongelingen in de bovenlanden oefenen zich geregeld in

het koppensnellen,” verklaarde Dalim. „Eerst plaatsen zij een

klapperdop op een dunnen staak en is het voor het kind een behendig

stuk dien staak vlak onder de noot, zonder deze te beschadigen, door te

houwen; later, als zij meer kracht bekomen hebben, wordt de staak

vervangen door een pop ter grootte van een veertienjarigen knaap, met

een nekstuk van zacht maar toch veerkrachtig handjolotong [49] hout, en

om de illusie te volmaken, wordt de klappernoot met een pruik versierd,

vervaardigd van de vezels van den arengpalm, die, wanneer zij goed

toebereid zijn, wel wat overeenkomst hebben met het sluike haar van de

menschen van dit land. Van daar die groote bedrevenheid. Op lateren

leeftijd onderhouden zij die, door ijverig aan sneltochten deel te

nemen.”

„Ik moet er nog bijvoegen,” vervolgde Johannes de toelichting, „dat de

Dajaks, zelfs die van de benedenlanden, zonder die oefening een

buitengewone behendigheid bezitten in het hanteeren van den mandauw. Ik

heb het te Kwala Kapoeas bijgewoond, dat in tegenwoordigheid van den

kommandant iedere Dajak, hoe zwak zijn voorkomen ook was, een rijpe,

doch nog groene klappernoot telkenmale en zonder eenige inspanning over

dwars in tweeën sloeg, zoodanig, dat beide helften behoorlijk

gescheiden waren. Geen Europeaan, hoe stevig ook, en welke kracht hij

ook aanwendde, kon het verder brengen dan tot op de houtschaal der

noot. De vezelige bast had den slag gebroken.”

„Het blijft het oude liedje: „pas op je kop”,” mompelde La Cueille; „ik

wou dat ik in mijn België gebleven was. O Belgique! o Belgique! mes

amours, tu auras toujours,” neuriede hij.

„Een rare instelling toch,” vervolgde Schlickeisen, „zijn meisje

menschenkoppen aan te bieden.”

„Zeker heel raar, maar toch een, waarvan de grond wel te raden is,”

antwoordde Johannes. „Aanvankelijk zal het wel geweest zijn, dat de

aanstaande een bewijs zijner dapperheid moest geven als waarborg, dat

hij zijn vrouw en kroost zou weten te beschermen. En het beste bewijs,

dat hij in die oorspronkelijke maatschappij van die dapperheid kon

leveren, was wel het hoofd van een door hem gevelden vijand. Later is

dat verbasterd en zijn de schedels tot weeldeartikelen geworden, die

tot afschuwelijke sluipmoorden, somtijds van vrouwen en kinderen, en

tot een afzichtelijken handel aanleiding geven. Zoodat een instelling,

die met goede bedoelingen in het leven werd geroepen, tot een vloek van

de geheele bevolking van een der grootste eilanden der aarde geworden

is.”

„Maar in de benedenstreken, kan toch die gruwel niet meer plaats

hebben, niet waar?” vroeg Wienersdorf aan Dalim.

„We durven niet,” antwoordde deze, „de Hollanders willen het niet

hebben.”

„Dus alleen omdat die het verbieden, laat men het. Vindt ge dan het

koppensnellen niet een afschuwelijk bedrijf?”

„Tawèh! angat, kamaangkoe hirah,” (Wie zal dat uitmaken! volgens mijne

opvatting wel mogelijk), was het flegmatieke antwoord, hetwelk bewees,

dat de overtuiging van die afschuwelijkheid hier nog geen ingang

gevonden had.

Onder dergelijke gesprekken kropen de nachtelijke uren om, en verscheen

eindelijk de dageraad, die door onze vrienden met een zucht van

verlichting begroet werd. Toen het geheel dag was geworden, werd de

kotta met alle behoedzaamheid verkend en vonden de veldontdekkers

daarin niets dan het onthoofde lijk huns makkers. Op een geringen

afstand daarvan lag een kleine plas bloed; maar die kon even goed van

het afgehouwen hoofd als van een der koppensnellers afkomstig zijn. Bij

de palissadeering evenwel werden ook bloeddroppels waargenomen, terwijl

bij een der openingen op het paalwerk bloedige vingers afgedrukt

stonden. Het was dus niet te gewaagd aan te nemen, dat de bespringers

ook verliezen hadden, maar toch was er eenige teleurstelling op de

gezichten der Zwitsers te lezen, omdat zij geene lijken van gevallen

vijanden vonden.

„Zouden die canailles er zonder kleerscheuren afgekomen zijn?” vroeg

Schlickeisen niet zonder ergernis.

„Neen zeker niet,” antwoordde Johannes eenigszins met drift, „dat

bewijzen de bloedsporen die, ik zag het zoo even, tot aan den

rivierkant, waar de kajau’s in hun rangkan gestegen zijn, gevolgd

kunnen worden. We moeten het terrein nog wat nader onderzoeken. Er valt

evenwel te bedenken, dat het bij alle inboorlingen van Nederlandsch

Indië tot een groote schande gerekend wordt, de lijken hunner gevallen

wapenbroeders in de handen der vijanden achter te laten. Zoo het maar

eenigszins mogelijk is, worden die steeds meegevoerd.”

Toen de kotta onderzocht was, traden de deserteurs door een der

openingen naar buiten, maar zochten lang te vergeefs in den omtrek.

Eindelijk evenwel bij een zeer dichten struik, werd een plek

waargenomen, waar het spichtige gras over eenige uitgestrektheid plat

gedrukt was, alsof daar een menschelijk wezen gerust had. Toen

Schlickeisen zich met het hakmes een doortocht tusschen de slinger- en

doorngewassen tot het dichtste gedeelte van den struik gebaand had, zag

hij daar twee lijken liggen, gekleed in vollen oorlogstooi, met den

„karoenkoeng”, een maliënkolder van rottanschakels aan, met het mutsje

van apenvel op het hoofd, in de linkerhand het beschermend schild, en

in de andere den ontblooten mandauw geklemd. Volgens Dalim waren het

Poenan’s, een Dajaksche stam, die in de binnenlanden van Borneo bij de

bronnen van de Kahajan-Doesson- en Koetei-rivieren te huis hoort. Die

stam is berucht door de stoutheid zijner tochten tot het verwerven van

koppen. Beide mannen, die door geweerkogels geveld waren, hadden reeds

verscheidene levensdraden afgesneden, te oordeelen naar de vlokken

menschenhaar, die de grepen en scheeden hunner mandauws versierden. Het

waren nog jonge kerels; maar Dalim verzekerde toch, dat de eene reeds

vier en de andere zeven koppen had gesneld. Dit bleek uit het aantal

bandjes van rooden rottan die de mandauwscheeden omwoelden.

De beide Dajaksche tochtgenooten eigenden zich de wapenen en de

maliënkolders van de verslagenen toe en ploften daarna hunne lijken in

de rivier, als een offer aan Djata, den opperkoning der krokodillen.

Hun gesneuvelden makker waschten zij behoorlijk, beschilderden hem het

voorhoofd en de nagels met sirihspuug, bij gebrek aan eenige andere

verfstof, waarna zij met behulp der Europeanen een graf dolven en hem

daarin legden. Zij plaatsten het hoofd op den romp, gaven het lijk den

mandauw in de hand en legden zijn lans naast hem in den kuil. Toen zij

daarmede klaar waren, nam ieder hunner een handvol rauwe rijst,

strooiden die op het lichaam onder het uitspreken der woorden:

„Djetoh akam” (dat is voor u).

Vervolgens strooiden zij een tweede handvol, zeggende:

„Djetoh impahitkoe” (dat zend ik aan mijne voorvaderen).

En eindelijk nog een derde, waarbij zij prevelden:

„Djetoh akau X X” (dit is voor X X), waarbij zij de namen noemden

hunner bloedverwanten, die het laatst gestorven waren.

Dat rijststrooien heet „mambowor” en mag bij begrafenissen nimmer

achterwege gelaten worden. Na die plechtigheid hieven de beide makkers

van den overledene een doordringend gegil aan, dat „tatoem” (de dooden

beweenen) genoemd wordt, waarna zij het graf vulden. Om lijkschennis te

voorkomen, hadden zij tot grafplaats een kleine plek tusschen dicht

ineen gegroeide struiken uitgekozen, en eerst de graszoden daarvan

zorgvuldig uitgestoken en zonder ze te beschadigen behoedzaam op zijde

gelegd. Vervolgens hadden zij de uitgedolven aarde op een sprei

verzameld, daarbij zorg dragende, dat geen kluitje daarnaast viel. Bij

het vullen van den grafkuil trapten zij de aarde vast aan, plantten

vervolgens een paar struikjes er op en herplaatsten toen de zoden zoo

nauwkeurig, dat het meest scherpziend oog niet kon ontwaren, waar de

schop hare groeve ingesneden had. De overtollige aarde, op de sprei

achtergebleven, werd met angstvalligheid in de rivier geworpen en het

geheele graf rijkelijk met water besproeid, om verwelking der graszoden

en der geplante struiken te voorkomen.

Toen dat alles afgeloopen was, bestegen de vluchtelingen hunne prauw,

sloegen de pagaaien met kracht in het water en verlieten die plek, die

hun zoo noodlottig had kunnen worden.

Borneo van Zuid naar Noord · 第 50 / 77 题