De gekwetsten naar Kwala Kapoeas.—De Mantangei en de Mengkatip.—Op
onze schreden terug.—De kommandant op jacht.—In zee.—De raoeng.—De
vervolging.—De schoener.—Een noodlottig schot.—De terugkeer.—De
postcorrespondentie.—Eindelijk op het spoor.—
De vluchtelingen waren nu wel onderweg, maar daarmede was het gebeurde
te soengei Mantangei niet uit. Er waren verscheidene gekwetsten
gevallen en daar de Dajaks op heelkundig gebied al heel weinig kennis
bezitten, werd al ras besloten die gekwetsten naar Kwala Kapoeas te
vervoeren en daar van de blanken hulp te erlangen.
Te midden der algemeene ontsteltenis, waren de vreemdelingen
vertrokken, zonder dat men wist waarheen en het hoofd van den kampong,
nog steeds een uitbarsting van bloedwraak bij zijne onderhoorigen
vreezende, waardoor hij in eindelooze moeielijkheden met het
Nederlandsch bestuur zou gewikkeld worden, had den kampongbewoners
verteld, dat de prauw, die onze vluchtelingen wegvoerde, de soengei
Mantangei opgestevend was om zoo de Doesson te bereiken.
De soengei Mantangei is werkelijk een afleidingskanaal van dien
laatstgenoemden hoofdstroom. Op ongeveer 2° zuiderbreedte scheidt zich
van de Doesson een arm af onder den naam van soengei Mengkatip, die
aanvankelijk naar het zuid-westen stroomt en zich op ongeveer twintig
minuten afstand van haren oorsprong in twee takken verdeelt, waarvan de
eene en voornaamste in zuidelijke richting onder denzelfden naam
voortspoedt om op ongeveer 2° 48′ z.br. in de kleine Dajakrivier uit te
monden, terwijl de tweede tak onder den naam van soengei Mantangei
haren loop in zuid-westelijke richting blijft behouden totdat zij de
Kapoeas op ongeveer 2° 32′ z.br. ontmoet.
Toen de gekwetsten te Kwala Kapoeas aankwamen, werden zij onmiddellijk
door den officier van gezondheid verbonden; evenwel baarde hunne
verwonding, door geweerschoten veroorzaakt, de grootste verwondering.
Dat gewonden hulp kwamen inroepen, was zoo heel zeldzaam niet, maar
steeds waren het verwondingen geweest, door mandauwhouwen of lanssteken
te weeg gebracht, die te behandelen geweest waren. Thans waren het
kogelwonden en dat verschijnsel deed de hoofden bij elkander steken.
Moest de geneesheer zijne oogen gelooven, dan waren die wonden
veroorzaakt door projectielen met uitgescheurde randstukken en was het
niet onmogelijk dat dit kogels waren, zooals die bij het
Nederlandsch-Indisch tirailleurgeweer in gebruik, met ogiefvormige
punt, welker hol cylindervormig achterstuk, door de uitzetting in de
trekken van den geweerloop geperst wordt, maar bij het verlaten van
dezen veelal uitscheurt. Al de wonden hadden evenwel een ingangs- en
eene uitgangsopening, zoodat het noodeloos was naar de projectielen te
zoeken, daar die de zachte deelen, na ze belangrijk gescheurd te
hebben, geheel doorboord hadden en in de ruimte verdwenen waren.
Het verhaal der gekwetsten leverde ook veel stof tot overpeinzingen.
Zij vertelden het gevecht met de boaslang; ook hoe de mannen van
kampong Mantangei de bevrijders hunner vrouwen voor koppensnellers
hadden aangezien, hoe uit die misvatting zich een noodlottig gevecht
ontsponnen had, waarbij zij door een oorverdoovend geweervuur op de
vlucht gejaagd en waardoor zij ook gekwetst waren geworden. De
mededeeling dat hunne verwonders Dajaksche kooplieden waren, die langs
de Mantangei hunne reis naar de boven-Doesson vervolgd hadden, miste
hare uitwerking niet. De kommandant schudde het hoofd en wist er niets
van te maken, dan dat men met een goedgewapende stroopende bende te
doen had gehad. Hij was daags te voren teruggekeerd van zijn tocht op
de Javazee tot opsporing der deserteurs en was nu verre van de gedachte
af, dat hij, om zoo te zeggen, den draad van hun spoor in handen had.
Den morgen volgende op de desertie, was onze officier al vroeg in de
weer geweest en had zich, voordat nog de dageraad de kim kleurde, naar
de woning van het districtshoofd Tomonggong Nikodemus Djaja Nagara
begeven. Daar had hij zich na eenige voorbereidende maatregelen bij het
aanbreken van den dag aan het hoofd gesteld van een groot aantal
Dajaks, in vele prauwen ingedeeld en had daarmede, in gezelschap van
den Tomonggong koers naar de zeemonding gezet.
Even voorbij Poeloe Mangboelau, een eilandje in de kleine Dajak rivier,
tegenover de Kapoeas-monding, kwam men de Baliansprauw tegen, die des
nachts door het geweervuur van het fort zoo mishandeld was. Daar
evenwel geen der opvarenden in het geheim der deserteurs genomen waren,
kon niemand iets mededeelen. Zij konden alleen hunne dooden en
gekwetsten toonen en aanduiden, dat de prauw, met het choleralijk aan
boord stroomafwaarts in het donker verdwenen was. Die arme drommels
waren zeer benauwd geweest en nog was alle vrees niet bij hen
verdwenen. Het kostte dan ook veel moeite hen te overreden hunne
gewonden naar het fort te brengen, om daar geneeskundige hulp te
erlangen. Zij vreesden bij het naderen andermaal de volle laag te
ontvangen.
De jachtflotille onderzocht iederen inham, iedere kreek, iedere
soengei, voer de eilandjes Koepang en Brangas om, maar trof nergens
iets verdachts aan. Toen de kleine vloot de Troessan-monding genaderd
was, wilde de luitenant een gedeelte zijner macht door dat kanaal
zenden, om zich later weder met hem aan de Kahajan-monding te
vereenigen. Ware dat geschied, dan zouden de vluchtelingen, zoo als de
lezer terstond begrijpen zal, in de fuik geloopen zijn. Maar nog
voordat de indeeling der macht behoorlijk geschied was, kwam een prauw
de Troessan-monding uitgevaren waarin het districtshoofd van de
beneden-Kahajan, Radhen Singa Patti gezeten was. Deze, een volkomen
vertrouwd persoon, verzekerde, dat hij geen enkele prauw in de Troessan
ontmoet had. Bij gevolg was het zeker, dat de vluchtelingen dien weg
niet genomen hadden. De reis werd nu gezamenlijk voortgezet, tot aan de
soengei Lopak, welk riviertje door een klein gedeelte der flotille
onderzocht werd, terwijl de hoofdafdeeling de reis naar de monding der
kleine Dajak vervolgde. Dat onderzoek in kreken en inhammen was nog al
tijdroovend geweest, zoodat het middaguur al lang verstreken was, toen
de Javazee zichtbaar werd.
Nauwelijks buiten gekomen, liet de luitenant het gewapend oog over de
oppervlakte der zee glijden en zag toen de twee kruisbooten voor anker
in de zware deining wiegelen en in het zuidwesten een prauw, die in den
wind oproeide, maar afhield, zoodra zij de flotille in het oog kreeg,
de zeilen bijzette en alle krachten inspanden, om uit de voeten te
geraken. Die verdachte beweging moest er toe leiden om het geloof te
doen veld winnen, dat de deserteurs daar aan boord waren. Zelfs de
Tomonggong verklaarde, dat de prauw veel overeenkomst had met die welke
voor het choleralijk was ingericht; evenwel kon hij geen inlichting
geven op de vraag des luitenants, wie aan boord als roeiers zouden
dienen. Hij kende den angst zijner stamgenooten voor de vreeselijke
ziekte en dat vermeerderde zijn onzekerheid.
Zoodra de luitenant die inlichtingen ingewonnen had, liet hij eenige
schoten doen, om de aandacht der kruisbooten te trekken, en daarna de
nationale vlag boven den achtersteven zijner prauw hijschen. Nu zijn
aan boord van de Nederlandsche kruisbooten in de Indische wateren geen
bijzonder slimme „djoeragan’s” (gezagvoerders); men betaalt die lui met
zulk een verregaande schrielheid, dat men op geene normale
denkvermogens mag aanspraak maken. Maar was het intuïtie of iets
anders? nu schenen de kommandanten dier booten spoedig begrepen te
hebben, wat van hen verlangd werd. Zij haalden spoedig de ankers in,
heschen de zeilen en liepen bij den wind, om de flotille te bereiken.
Gelukkig dat zij geen dier vaartuigen overzeilden, hoewel het niet veel
scheelde.
Toen de luitenant aan boord van een hunner was overgestapt, liet hij
onmiddellijk voor den wind afhouden en alle zeilen bijzetten.
Tegelijkertijd liet hij met het scheepskanon drie schoten met los kruit
doen, als bevel aan de vluchtende prauw om bij te draaien. Maar deze,
in stede van te gehoorzamen, bracht, niettegenstaande zij al hare
zeilen voerde, zooveel roeispanen te water als maar mogelijk was. Er
scheen thans zeer veel volk aan boord te zijn, hoewel men des morgens
op de kruisbooten de bemanning dier prauw op een viertal koppen geschat
had.
Nu liet de luitenant met scherp vuren, als om aan de jacht meer klem
bij te zetten en te toonen dat het ernst was, maar de afstand was te
groot. De gladde driepondskogels dansten over de toppen der golven,
wierpen prachtige waterzuilen in de hoogte, maar bereikten de prauw
niet. Dat vele volk aan boord maakte den argwaan van den Tomonggong
gaande, die als zijn gevoelen te kennen gaf, dat het onmogelijk de
prauw der vluchtelingen kon zijn en dat men op een valsch spoor was.
Als die prauw te Kwala Kapoeas met zooveel roeiers bemand was, zou dat
voor hem als districtshoofd niet geheim gebleven zijn, meende hij.
Op die taal was de luitenant in het onzekere wat te doen. Waren de
deserteurs niet aan boord, dan toch had die prauw zeer waarschijnlijk
misdadige bedoelingen; want waarom vluchtte zij anders? Het was
wellicht van veel gewicht die bedoelingen te kennen. Maar jaagde men
die prauw, dan liet men de deserteurs vrij baan. Eindelijk besloot de
officier de vluchtende prauw met één der kruisbooten achterna te
zetten, terwijl de andere met de Dajaksche flotille de kust observeeren
en al de inhammen en kreken onderzoeken zou.
Maar, terwijl de noodige bevelen uitgedeeld werden, werd eenig
geschreeuw van een der rondom zwervende prauwen vernomen en brachten de
opvarenden daarvan een kist op sleeptouw naderbij, die aan boord van de
kruisboot geopend, het lijk vertoonde van den Dajakschen choleralijder,
die des avonds te voren begraven zou zijn. Ja, daar viel niet aan te
twijfelen, hij was het en niemand anders, dat werd door al de aanwezige
Dajaks erkend. Zelfs drong er een vooruit, die beweerde de maker der
kist te zijn, hij had haar, volgens den adat, van handjolotong-hout
[44] vervaardigd en daarin was de oorzaak te zoeken, dat die kist nog
drijvende gevonden was. De luitenant keek den Tomonggong en deze weer
den officier aan. Beiden schatten den afstand van de vluchtende prauw
tot de riviermonding en daar nu de kist nagenoeg in de lijn, tusschen
die beide punten getrokken, opgevischt was, verdween ieders twijfel,
zelfs bij het Dajaksche hoofd. Er viel niet te aarzelen, die kist was
door de opvarenden van die prauw daar ginds over boord gezet.
Het lijk werd nu spoedig in een djoekoeng overgeladen, om aan den wal
begraven te worden. Aan splitsing van de aanwezige zeemacht werd niet
meer gedacht. Men waande zich op het rechte spoor; de deserteurs waren
dáár en dus:
„Madjoe! madjoe!!” (vooruit, vooruit) klonk het bevel.
Maar achterna jagen en inhalen zijn volstrekt geen synoniemen; dat zou
onze kommandant al ras ondervinden. Gedurende den geheelen dag bleef de
gejaagd wordende prauw haren afstand bewaren. Soms scheen zij veld te
verliezen, maar wanneer men aan boord der kruisbooten reeds meende de
kanonstukken in de richting te kunnen brengen, dan hernam zij weer
vaart en bleek het, dat hare roeiers slechts een wijl rust genoten
hadden. Tegen den avond begon de zuidoost-mousson te verzwakken en te
kenteren. Het gewone verschijnsel van het intreden van den landwind in
die streken deed zich voor. Van zuidoost liep de wind door het oosten
naar het noorden en voerde toen een dikke wolkenmassa aan, die het
zwerk allerwege bedekte en bij het invallen van den nacht den
gezichtskring zeer beperkte. De beide kruisbooten voerden de
voorschriftmatige lichten en om botsing te voorkomen, was ook ieder
vaartuig der Dajaksche flotille van een lampje voorzien. Het was
wezenlijk een illuminatie op zee. Maar aan boord van het vervolgd
wordende vaartuig liet men heel verstandig geen licht zien. Het gevolg
daarvan was, dat men in den blinde den koers westzuidwest vervolgde en
men bij het aanbreken van den dag de prauw vooruit niet meer, maar wel
nog in het zuiden bij den gezichteinder een zwarte stip ontwaarde.
Eenvoudig was de prauw in den stikdonkeren nacht van koers veranderd en
had om de zuid gehouden, om met het doorkomen van den zuidoosten wind
niet door Tandjoeng Salatan [45] gedekt te zijn en dadelijk voor den
wind te kunnen houden.
Waren de Nederlandsche kruisbootvaartuigen voor hunne taak berekend,
dan ware de kans nog lang niet als verloren te beschouwen geweest, want
bij de windstilte, die in de morgenuren gewoonlijk tusschen de
keerkringen in die binnenzeeën heerscht, had men met de roeiriemen
vooruit kunnen komen. Maar zijn die booten middelmatige zeilers, het
zijn logge onhebbelijke dingen, wanneer zij geroeid moeten worden. De
poging werd evenwel niet opgegeven, men roeide wat men kon; en toen
eindelijk tegen acht uur de mousson doorkwam, werden alle zeilen
bijgezet; maar met hetzelfde gevolg als daags te voren.
Ten twee ure des namiddags daagde een groote schoener aan den horizon
op, die bij den wind kruisende was. Zoodra die de vervolgd wordende
prauw in het gezicht kreeg, heesch hij een omgekeerde Nederlandsche
vlag [46], loste een kanonschot en manoeuvreerde om de prauw op te
nemen. Zoodra dit volvoerd was en deze op sleep in zijn kielwater
danste, braste de schoener vol, hield voor den wind af en loste een
kanonschot, waarvan de kogel over de eene kruisboot heenvloog, maar van
de andere den mast trof en dien op een manshoogte boven het dek
verbrijzelde en over boord sloeg. Naar den afstand te oordeelen, moest
die schoener ongetwijfeld met getrokken geschut bewapend zijn.
Tandenknarsend dacht de luitenant er nog een oogenblik over om de
vervolging voort te zetten, maar de schoener was een goed bezeild
vaartuig; binnen den tijd van een uur was hij aan de kim verdwenen. Ja,
het was zoo; en of onze officier al door zijn kijker keek, er was niets
meer te ontwaren.
Nu moest aan den terugkeer gedacht worden. Tomonggong Djaja Nagara wees
naar den horizon, alwaar in het noorden de flauwe omtrekken van land te
zien waren, en verklaarde, dat die ver uitstekende kaap Tandjoeng
Poeding was en die daar iets verderop Westelijk Tandjoeng Kramat. De
luitenant keek op de eenige beschikbare kaart aan boord en zijn gezicht
betrok.
„De Kleine Dajakmonding ligt op 114° 5′ en deze kaap op 111° 54′
oosterlengte van Greenwich,” mompelde hij, „dat is van het standpunt
hier ruim zes en dertig geographische mijlen af te leggen in den wind.
Een beroerde geschiedenis! Verd.... kerels!”
Maar van den nood een deugd makende, regelde hij het zoo, dat de beide
kruisbooten bij elkander zouden blijven. De vleugellam geschotene zou
evenwel door een zestal Dajaksche prauwen geboegseerd worden tot binnen
de kleine Dajakrivier. Eenmaal daar, zou zij met behulp van den vloed
en hare roeiriemen zich wel zelve kunnen redden. Toen dat geregeld was,
stapte de officier met den Tomonggong op het snelst varende vaartuig
der flotille over, na dat met een zestigtal uitgelezen roeiers van de
overige prauwen bemand te hebben en spoedde vooruit, om in den kortst
mogelijken tijd zijn post te bereiken.
Maar welke spoed ook gemaakt werd en tot welke inspanningen de roeiers
ook aangezet werden, toch waren volle twee dagen en nachten voor den
overtocht noodig. En daarbij moest men zich nog gelukkig achten, dat de
mousson slechts flauw doorkwam en het des nachts bladstil was. Het was
dus eerst laat in den namiddag van den vierden dag na zijn vertrek, dat
de kommandant te Kwala Kapoeas terug was.
Bij zijn terugkomst heette hem de dokter welkom, die evenwel verwonderd
uitkeek, dat de vluchtelingen niet in de prauw waren. Op zijn vragenden
blik, antwoordde de luitenant:
„Weg! en voor goed. Ik heb ze aan boord van een gewapenden schoener
zien verdwijnen. Maar hoe hebben die kerels daarmee connexiën kunnen
aanknoopen? Hoe meer ik er over nadenk, hoe minder begrijpelijk komt
het me voor.”
Toen hij gezeten was, vertelde hij zijn wedervaren, het bespeuren der
prauw, het vinden van het lijk, de jacht, het noodlottige schot van den
schoener met omgekeerde Nederlandsche vlag, in een woord alles en
besloot zijn verhaal met de verzuchting:
„’t Is me een raadsel!”
„Wat was die schoener voor een vaartuig?” vroeg de dokter.
„Weet ik het? ’t Was een Europeesch getuigde bodem. En dat hij
getrokken geschut voerde, daarvan houd ik mij overtuigd. Wellicht een
van die Engelsche smokkelaars, die in straat Malakka thuis hooren, en
soms op zeer brutale wijze smokkelhandel in opium en oorlogsbehoeften
drijven. Komaan, ik ga mijn verslag opmaken. Maar a propos, hebt ge na
mijn vertrek het u overhandigde rapport verzonden?”
„Ge waart met uw flotille nog in ’t gezicht, toen de postprauw
vertrok.”
„Goed zoo, dan kunnen we heden nog antwoord hebben.”
De dokter was in zijn hart verblijd over het ontkomen der
vluchtelingen. Och! als hij eens had kunnen weten, waar zij zich op dat
oogenblik bevonden, zijn blijdschap zou aanmerkelijk getemperd zijn
geweest.
Daags na de terugkomst van den kommandant, verbreidde zich het gerucht
in den kampong te Kwala Kapoeas, dat Dalim en de beide andere Dajaks,
die met hem onder opzicht der politie stonden, te soengei Naning gezien
waren. Dat die gediend hadden tot roeiers van de begrafenisprauw was
geheel onbekend. Toen de luitenant het districtshoofd over die
afwezigheid sprak, bevestigde die, dat de drie Dajaks uit den kampong
verdwenen waren; hij verhaalde ook de geheele kaaimansjacht bij Poeloe
Kanamit en betuigde, dat hij reeds vertrouwelingen uitgezonden had, om
de weerspannigen terug te halen. Op de vraag van den luitenant, of er
eenig verband kon bestaan tusschen het verdwijnen van die schavuiten en
het deserteeren der vier Europeanen, lachte de Tomonggong goedig:
„Hoe zou dat kunnen, Heer! Gij hebt uwe blanken om zoo te zeggen met
eigen oogen aan boord van dien schoener zien stappen. Hoe zou nu eenig
verband te vinden zijn tusschen hen en die Dajaks, die slechts een
uitstapje zijn maken naar soengei Naning. Gij weet immers dat Dalim
daar een broeder heeft?”
De luitenant schudde het hoofd; maar antwoordde niet.
Toen evenwel twee dagen later die gekwetsten uit soengei Mantangei
aangebracht werden, die met Oostersche beeldspraak veel te vertellen
hadden van een aanhoudend geweervuur, alsof wel honderd man aan het
schieten waren geweest; toen ook de dokter zich onvoorzichtig had laten
ontvallen, niet met zekerheid te kunnen bepalen, dat de wonden slechts
door ronde kogels veroorzaakt waren, en zelfs de meening uitsprak, dat
zij door puntkogels uitgescheurd waren, toen werd de kommandant tot
nadenken gestemd. Hij liet dan ook het districtshoofd ontbieden,
overlegde met dien en gelastte hem een dertigtal Dajaks zich gereed te
doen houden en het kamponghoofd Damboeng Papoendeh naar het fort te
zenden, ten einde zijne instructiën te ontvangen.
Toen de oude Tomonggong het fort verliet, ontmoette hij den dokter.
„Thans gaat het er op los”, zuchtte hij, „thans is hun spoor
duidelijk.”
„Maar Tomonggong, hoe is het mogelijk, dat die Europeanen daar in
soengei Mantangei dat gevecht geleverd hebben?”
„Hoe het mogelijk is, weet ik niet te verklaren Heer; maar dat het zoo
is, daar kan ik een eed op doen.”
„Pas op,” lachte de dokter, „de blanken straffen een valschen eed zeer
zwaar.”
„Ik heb die straf niet te duchten. In de geheele Dajaklanden bestaan
zulke halve duivels niet. Eerst die kaaimansjacht, toen dat gevecht met
den boa, later dat hevige geweervuur op de aankomende kampongbewoners.
Niemand hier heeft zulke wapenen. Ik durf alles verwedden wat mijnheer
maar wil, dat de „bedil banjakh pelor” (repeteergeweren) van den toean
kommandant daar een woordje medegesproken hebben.”
„Hebt ge dat den kommandant gezegd?”
„Nog niet; die is nog te veel vervuld met de meening, dat de blanken
aan boord van dien schoener zijn terecht gekomen. Het vinden van die
doodkist is voor hem een onomstootelijk bewijs, dat zij dien weg
gekozen hebben.”
„En hebt gij die overtuiging niet, Tomonggong?”
„Ik heb die gehad, Heer, maar ik heb ze opgegeven. De vluchtelingen
zijn volgens mij naar boven. Als de kommandant naar mij hoorde, dan
waren we reeds op weg.”
„Wat wil hij dan?”
„Eerst door Damboeng Papoendeh laten uitvorschen, wat die bende daar in
soengei Mantangei te beduiden heeft gehad. Dat is alles mooi en wel;
maar wanneer hij stellige berichten zal hebben, zullen die kerels te
veel vooruit zijn.”
„Laat ze gaan, Tomonggong! laat ze gaan.”
„Mijnheer heeft goed praten; maar als we hen niet op den voet volgen,
zullen zij òf door de koppensnellers in de bovenlanden geveld worden,
òf zij zullen zich daar te midden der Ot Danoms trachten te nestelen en
dan zal de taak voor mijn bevolking moeielijk worden. In beide gevallen
zal noodeloos bloed vergoten worden. Ik kom heden avond nog terug, en
hoop dan den Heer kommandant in een meer gunstige stemming aan te
treffen, om naar mijne redenen te luisteren.”
„Maar zoudt gij daarmee nog niet een dag of wat kunnen wachten? Bij
voorbeeld tot er nadere tijdingen zullen zijn ingekomen?”
„Heer! mijn dankbaarheid jegens u begint me zwaar te wegen. Ik ben u
het leven van mijn kind verschuldigd; nu echter gaan vele
menschenlevens op het spel staan.”
„Heb nog slechts wat geduld, ik bid er u om.”
„Het zij zoo! maar ge kunt er op rekenen, dat dit de laatste maal is,
dat ik mij vinden laat, om iets voor de vluchtelingen te doen. Ik voel
dat ik verkeerd handel. Had ik den eersten keer niet aan uwe beden
gehoor gegeven, dan hadden we nu al die moeielijkheden niet.”
Weinige uren later stevenden drie goed gewapende prauwen de Kapoeas op
onder aanvoering van Damboeng Papoendeh, een jeugdig Dajaksch hoofd,
die volijverig was, om onder de plooien van de Nederlandsche vlag zijn
eerste sporen te verdienen. Toen de kommandant hem medegedeeld had, dat
die prauw, welke met de bevolking te soengei Mantangei slaags was
geweest, naar de Doesson gestevend was, lachte hij fijntjes en
verklaarde wel te zullen weten hoe te handelen. Een oogenblik had de
dokter getracht hem alleen te spreken, maar bij de eerste woorden had
de Dajak zich volijverig afgewend, zijn verleider toegeworpen, dat hij
met Tomonggong Djaja Nagara ernstig gesproken had en wijders verzekerd
dat, wanneer de blanke deserteurs in de Dajaklanden aanwezig waren, hij
ze, zoo niet levend, dan toch hunne koppen zou aanbrengen. En hij was
er de man wel naar om, als het niet te zeer tegenliep, die belofte te
volbrengen.
Maar behalve zijn dienstijver had Damboeng Papoendeh nog een ander
motief om den dokter niet ten gevalle te zijn. Ons jeugdig Dajaksch
hoofd had eens het oog geslagen op de dochter van een Nagaraasch
handelaar, die haren vader op zijne omzwervingen vergezelde. Met geld
is op Borneo veel te verkrijgen, en zoo had hij den koopman al ras
ingepalmd en was de koop gesloten, die de gunsten der dochter golden.
Maar deze, een fiere Mahomedaansche maagd, zag met verachting op haren
heidenschen aanbidder neder en was door geen liefdesgekweel te
verlokken. Welke gelegenheden de Maleier den verliefden en al stouter
wordenden Dajak ook schonk, het hielp niets, het meisje hield hem op
een afstand en wist steeds aan zijne omhelzingen te ontkomen. Ten einde
raad had de smoorlijk verliefde zich tot den dokter gewend. Hij had zoo
veel gehoord van de voortreffelijkheid der Europeesche medicijnen, hij
twijfelde er niet aan of de Heer dokter zou hem wel helpen. Toen onze
aesculaap eindelijk begreep, wat van hem verlangd werd, voelde hij zich
eerst verontwaardigd; maar spoedig besefte hij, dat al zijn
redeneeringen om het ongepaste van dat verzoek te doen uitkomen
doelloos zouden zijn, omdat zij niet begrepen zouden worden. Hij gaf
dan ook die poging op, maar stelde den verliefde een fleschje met oleum
Ricini ter hand, met aanbeveling, dat beide partijen de helft er van
moesten drinken. Zoo gezegd, zoo gedaan. Door bemiddeling van den vader
dronk het meisje hare portie; ook Damboeng dronk vol vertrouwen en ik
laat het aan de verbeelding der lezers over, zich het tooneel voor den
geest te halen, welke de gevolgen van dat middel waren. De les had doel
getroffen, nimmer heeft later eenige Dajak des dokters bijstand weer
verzocht bij zijne liefdesgeschiedenissen. [47]
Daags daarna kwam des avonds de post van Bandjermasin te Kwala Kapoeas
aan en bracht voor den kommandant de aanbeveling in algemeene trekken
mede, om geen middel onbeproefd te laten, ten doel hebbende, de
deserteurs in handen te krijgen, zonder evenwel eenige aanleiding te
geven tot verwikkelingen, waaraan bij het hoofdbestuur hooge afkeuring
ten deel zoude vallen. Toen de luitenant die opdracht gelezen had,
barstte hij in een luid gelach uit:
„Zie zoo!” riep hij, „nu weet ik precies, hoe ik te handelen heb. Dat
noem ik eerst slag hebben om instructies te geven. Worden mijne
pogingen met goeden uitslag bekroond, dan zal ik slechts volgens de mij
gegeven voorschriften gehandeld hebben. Komt er integendeel een kink in
den kabel, sta dan vast, want dan heeft het mij aan de noodige
waarschuwingen voor verwikkelingen niet ontbroken en te zwaarder zal de
afkeuring uit den hooge op mij nederdalen, daar men mij ernstig met die
afkeuring bedreigd heeft. ’t Is echte Hollandsche zelfdekkerij, geënt
op Indische lorrendraaierij!”
„Maar wat valt nu te doen?” vroeg de dokter, die zijn avondje bij den
kommandant naar gewoonte was komen doorbrengen en van de opening der
postpakketten getuige was.
„Wat er nu te doen valt? Zij kunnen voor mijn part ophoepelen! Er valt
niets meer te doen. Ik heb gedaan wat ik kon. Ik heb de kerels
nagezeten, veel verder buiten de grenzen, dan mij als militaire
kommandant veroorloofd was. Zij zijn ontsnapt, daarmee is het uit. ’t
Is mijn schuld niet, dat die kruisbooten zulke ellendige lompe en logge
dingen zijn, waarmee niet vooruit te komen is. Enfin, ’k heb niets
anders meer te doen dan te rapporteeren, dat ze weg zijn; gelukkig dat
ik er bij kan voegen, dat ik geen verwikkelingen heb in ’t leven
geroepen. Ah! als een officier in Nederland maar de helft deed, van wat
ik uitgevoerd heb, dan werd hij behangen met Nederlandsche en
Nassausche leeuwen, met eiken- en oranje kronen, de vent zou een
stevige ruggegraat moeten hebben, om met die onderscheidingen ongebukt
rond te loopen. Ik zal al heel blij zijn, wanneer die geschiedenis
zonder standjes zal afloopen. Maar.... wat is dat?”
Gedurende dien uitval, die niet van misanthropie was vrij te pleiten,
maar die toch den precairen toestand der meeste officieren op de
buitenbezittingen in Indië vrij wel schetste, had de luitenant de
overige correspondentie als werktuigelijk verder opengemaakt en
vluchtig ingezien. De meesten dier stukken waren slechts van
administratieven aard en konden door het langdradige en vezelachtige
van dien diensttak in Indië, niet anders dan een nauwelijks te
onderdrukken geeuwlust opwekken. Maar het stuk, dat de luitenant thans
in de hand hield en zijn laatsten uitroep ontlokt had, scheen zijn
geheele aandacht te boeien. Het was een mededeeling van den Resident,
dat op de hoogte van Poeloe Mangkop, ten zuiden van Tandjoeng Batoe
Titi, de zuidwestelijkste punt van Borneo, door het oorlogsstoomschip
Montrado na een scherp gevecht genomen was een schoener, die een
omgekeerde Nederlandsche vlag vertoonde en grootendeels beladen was met
opium, zout, buskruit en looden en ijzeren kogels. Bij het gevecht
waren de meesten der opvarenden gesneuveld. Er scheen evenwel slechts
één Europeaan, waarschijnlijk een Engelschman, aan boord te zijn
geweest. De gezaghebbers der kustposten werden bij dat officieele
schrijven aangemaand zeer op hunne hoede te zijn, daar verondersteld
kon worden, dat het niet bij die poging om oorlogscontrabande in te
voeren, blijven zoude.
Die aanmaning was waarachtig mosterd na den maaltijd.
„Sakkerloot! dat is die verwenschte schoener!” barstte de luitenant
los. „En mijn deserteurs zijn niet aan boord!.... waar zijn ze dan?....
We zijn dus op een valsch spoor geweest! Maar.... die doodkist dan in
de Javazee?.... ’t Gaat mijn verstand te boven... Zou dan toch de oude
Tomonggong gelijk hebben, dat zij het waren, die dat opstootje in
soengei Mantangei te weeg gebracht hebben?.... Er valt bijna niet meer
aan te twijfelen? Hoe zijn ze evenwel daar gekomen?”
Onze officier was zeer opgewonden. Hij liet onmiddellijk het
districtshoofd ontbieden, en gaf hem den last den volgenden morgen met
vijftig roeiers bij het fort tegenwoordig te zijn om hem naar soengei
Mantangei te vergezellen.