X.

Een kaaiman aan den haak.—Een jacht te water.—De verrichtingen van

den Pangareran.—La Cueille en Johannes te water.—Een ex-voto.—Het

zegeteeken.—Een Dajaksche stokerij.—De soengei

Mantangei.—Onraad.—Gevecht met een boa constrictor.—Een slapend

echtpaar door den boa overvallen.—De reis vervolgd.—Jacht op twee

Dajaks.

Toen weinige uren later de dageraad met zijn gulden tooi verscheen,

werden spoedig, zoowel de bewoners van het huis, als de opvarenden van

de prauw luide gewekt. In hun ongeduld waren toch een paar kleine

jongens met een djoekoeng de soengei afgezakt en hadden de tijding

aangebracht, dat de eend, aan de monding van het riviertje geplaatst,

verdwenen was; maar dat zij heel in de verte, bovenstrooms van het

eiland, een stuk hout ontwaard hadden, dat met kracht tegen de

stroomrichting scheen opgevoerd te worden.

Iedereen haastte zich op die tijding en toen het ontbijt—wat gekookte

rijst van gisteren met gedroogde visch—verorberd was, snelden allen

naar de djoekoengs, die gereed lagen, en weldra schuimde het water van

de kleine soengei Naning onder de krachtige pagaaislagen en waren de

vaartuigen spoedig uit het oog der twee Zwitsers, die als

wachthebbenden in de prauw achterbleven, verdwenen.

Al de haken, in de soengei uitgezet, waren nog aanwezig; ook die aan de

oevers van Poeloe Kanamit gesteld, kon men ontwaren, en lagen de

spartelende en kwakende eenden nog steeds in doodsangst op hunne

vlotjes. Maar het aas aan de monding van het riviertje aangeboden, was

met haak en rottankabel verdwenen. IJverig werd uitgekeken en jawel,

geheel overeenkomstig het bericht der kleine jongens, dreef ten noorden

van het eiland een zwaar stuk hout, dat van tijd tot tijd met rukken

tegen den stroom in werd gesleurd.

Als pijlen uit een boog schoten de djoekoeng’s vooruit en weldra was

het stuk hout ingehaald en in een der vaartuigen geheschen. Aller

handen grepen den kabel om hem in te palmen en spoedig was een monster

zichtbaar van minstens twintig voet lengte. Maar zoodra het ondier, na

veel tegenspartelen, aan de oppervlakte des waters gebracht was, deed

het een vreeselijken luchtsprong, waardoor zijn geheele lichaam buiten

het water verscheen en deed vreezen, dat de haak afbreken of

uitscheuren zoude. Met den staart geeselde het monster het water tot

schuim en schoot in blinde woede met zulk een kracht vooruit, dat de

opvarenden loslaten moesten, wilden zij hunne vaartuigen niet onder

water gesleept zien. Ter nauwernood was er tijd om het houtblok,

waaraan de kabel vastzat, over boord te smijten. Maar met inspanning

van alle krachten werd dat blok gevolgd en in ’t oog gehouden. Toen die

razende wedren ongeveer een half uur geduurd had, begon de vaart van

het houtblok zichtbaar te minderen en eindelijk lag het stil aan de

oppervlakte voor den stroom te zwaaien. De djoekoeng’s naderden nu,

alle handen werden weer aan het werk geslagen, namen het blok in en

heschen den kaaiman weer van uit de diepte tot aan den waterspiegel.

Weer vertoonde het ondier zijne acrobatische toeren en maakte daarbij

sprongen, alsof het een luchtbewoner wilde worden. Soms draaide het aan

den kabel twintig à dertig malen oogverblindend snel om zijn lengteas,

terwijl het water in wilde golven omhoog werd gejaagd. Toen ook die

pogingen om zich los te scheuren mislukten, schoot het monster weer

vooruit en sloeg op de vlucht. De krachten van het gevangen dier namen

evenwel af, want nu waren het slechts weinige djoekoeng’s en dan nog

maar van de kleinste soort, die genoodzaakt waren den kabel te laten

slippen en achter te blijven. De meesten hielden vol en volvoerden,

terwijl zij met reuzenkracht gesleept werden, pijlsnel een wedloop,

waarbij het witte schuim zich voor den boeg wild en woest krulde en de

slanke en ranke vaartuigen dreigde te overstelpen.

Maar de aanhouder wint. De vaart van het monster minderde allengskens

en weldra was het weer gedwongen uit te rusten. Nu werd de vertooning

van straks herhaald. Andermaal schoot de kaaiman vooruit, toen de zon

hem onbescheiden in de oogen scheen; andermaal volgden de djoekoeng’s

in ijlende vaart. Maar de afstanden, die werden afgelegd, werden al

korter en korter en het oogenblik was nabij, dat het ondier uitgeput en

onmachtig zoude zijn verderen tegenstand te bieden. Dat was het

tijdstip voor den Pangareran en zijn akoliet om werkzaam op te treden.

De prauw, waarin beiden gezeten waren, moest den kaaiman op zijde

komen; waarna de Pangareran de verontschuldigingen van de Dajaks moest

bijbrengen dat zij een „badjai” (krokodil), een kind en dienaar van

Djata, den broeder van Mahatara het almachtige Opperwezen, moesten

dooden. Tevens moest hij betuigen, dat zij (de Dajaks) door het

ombrengen van een hunner verwanten of vrienden tot bloedwraak

genoodzaakt werden. Dit geschiedde om de Dajaksche adat te bevredigen.

Vervolgens zou de priester, als helper van den Pangareran eenige

hoofdstukken uit den Koran lezen; waarna beiden op het lichaam moesten

stijgen van den uitgeputten krokodil, die inmiddels bewegingloos langs

boord lag, de Pangareran om de vreeselijke kaken van het ondier met een

paar rottanglussen toe te halen en hem zoo onschadelijk te maken, de

priester om hem bij dat werk met zijne gebeden te helpen. Bij die

verrichting is in den regel hoegenaamd geen gevaar of ongeval te

vreezen, wanneer zij slechts met kalmte en vastberadenheid uitgevoerd

wordt. Maar al reeds bij den eersten wedren, door den krokodil

gehouden, had de pseudo-Arabier geheel zijn bezinning verloren en al de

„Notres Dames” zijner kennis luide aangeroepen en al de qualificatiën

van de Moedermaagd, in de litanie van Lorette vervat, in de grootste

wanhoop uitgegild. Eindelijk half suf van angst, zat hij nog maar

automatisch kruisteekens op mond en borst te maken en te prevelen:

„priez pour nous, priez pour nous.” In dien toestand moest hij

handelend optreden.

Johannes was reeds met zijne naakte voeten op den kop van het ondier

gesprongen en maakte zich gereed zijn prooi te muilbanden, toen de

Dajaks hem toeriepen, voorzichtig te zijn, daar de priester hem nog

niet gevolgd was. Driftig prevelde hij eenige woorden, waaronder een

welgemeende hollandsche vloek klonk, die evenwel gelukkig door de

omringenden niet verstaan werd. Toen evenwel La Cueille, al zijn moed

bij elkaar rapende, hem volgen wilde en met zijn sandalen de glibberige

huid des kaaimans betrad, gleed hij uit en viel schrijlings op het lijf

van het ondier, in zijn geestelijk gewaad zoo bespottelijk verwikkeld

en met zulk een koddig gelaat, dat de Dajaks, toch al een volkje, welks

lachspieren spoedig in beweging zijn, in een daverend „soerak”

(gejuich) [40] uitbarstten en hun lachen niet konden bedwingen.

Maar de kaaiman, verwoed door den ontvangen schok, half onzinnig ten

gevolge van de vermeerderde pijn door den haak in zijn keel

veroorzaakt, verzamelde zijn laatste krachten, trok en wrong aan den

noodlottigen kabel en zweepte met zijn staart vreeselijk de oppervlakte

des waters. Een oogenblik poogde de Waal in doodsangst zijn

ruiterpositie te bewaren, maar op die gladde huid met stekelige

ruggegraat en bij die dwaze sprongen ging dat niet. Al spoedig gleed

hij af en verdween in de diepte. Johannes poogde ook zijn standpunt te

behouden; hij had zijne vingeren aan beide zijden in de oogen zijner

tegenpartij gewrongen en trachtte zich in de oogkassen vast te klemmen.

Maar door de hevige smart nog woester gemaakt, deed het ondier een

vreeselijken ruk, verbrak den rottangkabel, waaraan de haak vast zat,

en schoot met den Pangareran op zijn kop vastgeklemd, in ontzettende

vaart onder water. Het was evenwel zijn laatste krachtsinspanning

geweest. Borrelend brak het water op eenigen afstand in een paar golven

omhoog, en weldra dreef het lijk van den kaaiman met den geelwitten

buik omhoog, waarop de toeschouwers de vore konden opmerken, die de

kleine „poeai”, door de vaste hand van Johannes bestuurd, zich tot in

de ingewanden des ondiers gebaand had.

De „poeai” is een klein driekant mesje met langen steel, dat met zijn

scheede aan de scheede van den mandauw is vastgehecht. Het dient

voornamelijk om bij het koppensnellen de schedels, nadat zij op een

houtvuur geroosterd zijn, verder van de vleeschdeelen, die niet

genoegzaam verkoold zijn, te ontdoen.

Iets verder dan de kaaiman kwam Johannes boven water en zijn eerste

werk was om naar den Waal uit te zien. Toen hij dezen half verdronken

nog in het water ploeterende, ontwaarde, schoot hij naar hem toe en

hielp hem in het naastbij zijnde vaartuig. Helaas! de arme priester had

zijn Koran, zijn rozenkrans en zijne sandalen verloren; maar toch

dankte hij de Heilige Maagd vurig, dat hij er zoo afgekomen was. De

sandalen werden een oogenblik later opgevischt, maar het Heilige Boek

des Profeets en het bidsnoer bleven weg.

Toen het lijk van den gevangen krokodil op Poeloe Kanamit aan den wal

gebracht en opengesneden was, vond men in de maag een vasten harden bal

van ineengedrukt haar, waarvan het grootste gedeelte aan individuën van

het menschelijk geslacht toebehoord had, een paar tibia’s, die

Wienersdorf klassificeerde, als aan een varken behoord te hebben en

eindelijk een gouden ring met fraaien steen en een rozenkrans, die

beiden erkend werden, als het eigendom te zijn geweest van den

opgepeuzelden hadji. De vreugde was nu algemeen, want men was thans

zeker den schuldige gevangen te hebben; de bloedwraak was voldaan en de

jacht kon verder gestaakt worden. De ring werd door den dankbaren Ali

Bahar aan den kloeken Pangareran toegewezen; het bidsnoer aan den

Arabier ter vervanging van het verlorene.

Johannes scheen aangedaan en mompelde zacht, terwijl hij den steen des

rings in de stralen der zon liet flonkeren:

„Dat aandenken zal mij nimmer verlaten. Verduiveld, dat was haast te

duur gekocht. Ik kan niet zeggen, dat de nabijheid van Poeloe Kanamit

mij geluk aanbrengt. Dat is de tweede maal, dat ik in deze buurt

verschijn, en beide malen had het verduiveld weinig gescheeld, of ik

was om zeep.”

Van zijn kant boog La Cueille vroom het hoofd, sloeg een kruis en

beloofde plechtig, bij terugkomst in het vaderland, ook dien rozenkrans

als ex-voto der Moedermaagd aan te bieden.

„Dien moet je bij je bamboemesje hangen,” meende Johannes. „Waarlijk je

Notre Dame zal in haar nopjes komen. Als jij je kop thuis zult brengen,

zal de verzameling curieus zijn.”

„Ja, lach er maar mee, koffiekleurige heiden! ik heb den geheelen tijd

gebeden en ik ben overtuigd, dat als ik er niet bij geweest was,

je....”

„Ik niet in het water gelegen had, dierbare stroopkleurige Arabier van

mijn hart!” lachte Johannes goedig. „Maar kom, jij met je gebeden en ik

met mijn poeai, wij hebben beiden ons best gedaan, en ook hier geldt de

spreuk: „einde goed, alles goed.”

Toen de krokodillenjagers in de soengei Naning terugkwamen, was het

middaguur reeds lang verstreken. De familieleden hielden zich onledig

met den reusachtigen kop van het gevangen ondier met hunne poeai’s van

de vleeschdeelen te ontdoen, waarna het bekkeneel bij de uitwatering

der soengei op vier paaltjes van ongeveer anderhalven voet lang

opgesteld werd op een plekje daartoe expresselijk opengekapt en van

onkruid gezuiverd. Om het voorkomen van dit zegeteeken nog meer

indrukwekkend te maken, plaatste Ali Bahar tusschen de opengesperde

kaken van den monsterachtigen kop, een menschenschedel, die daarin als

in een reuzennotenkraker gevat scheen. In de Dajaklanden vindt men vele

zulke zegeteekenen, opgericht langs de oevers der rivieren, niet alleen

van krokodillen, maar voornamelijk van wildezwijnskoppen en worden deze

laatste vooral geplaatst op begraafplaatsen, als om een gedenkteeken

daar te stellen op, of beter in de nabijheid van de laatste

verblijfplaats van hem, dien dit schadelijk gedierte vernielde. Wat ook

niet onopgemerkt mag blijven is, dat, hoewel door de Nederlanders het

koppensnellen zeer streng verboden is, toch in de benedenlanden, waar

alleen het bevel der blanken eenig gezag heeft, vele Dajaks in het

bezit van menschenschedels zijn. Vraagt men hun naar de herkomst, dan

zijn het steeds erfstukken uit den voortijd, alhoewel die bewering

veelal weersproken wordt door het versche uiterlijk van het besproken

bekkeneel.

Na nog een duchtig maal verorberd te hebben, waarbij de toeak lustig

rondging, dien La Cueille evenwel, om in zijn rol van heilige te

blijven, niet gebruiken mocht, maar waarbij de huisvrouw de attentie

had den Arabier, in stede van het verafschuwde varkensvleesch of een

schotel gesmoorde paalwormen of slangenmootjes in een eiersaus, een

flinke portie hertenpoenang [41] voor te zetten, maakten de reizigers

zich tot het vertrek gereed en verlieten zij, toen het donker geworden

was, de soengei Naning, om verder noordwaarts te stevenen.

Toen zij de Kapoeas bereikt hadden, bemerkten zij, dat de vloed met

kracht kwam doorzetten. Dit deed hen besluiten hunne krachten te

sparen. Wanneer twee pagaaien voortdurend in beweging bleven, zou de

prauw vaart genoeg loopen, om tegen het kenteren van het tij de soengei

Mantangei, hun naaste doel, te bereiken. Zouden zij zich in hunne

berekening bedriegen en de eb ingetreden zijn, voordat zij de genoemde

soengei zouden hebben gehaald, dan zou het tijd genoeg zijn, de

vereende krachten aan te wenden. Er werd dus afgesproken, dat de drie

Dajaks, als het meest daaraan gewoon, de pagaai zouden hanteeren en een

hunner, om de beurt, steeds den stuurbeseai zoude voeren. Aan Dajaksche

prauwen is zeer zelden een roer aangebracht. Een der opvarenden neemt

plaats aan den achtersteven om met zijn roeiwerktuig te sturen. Evenwel

bij spoedreizen, of bij harden stroom roeit ook deze krachtig mede.

La Cueille kon maar niet vergeten, dat hij dien dag nog al misdeeld was

geweest. Hij verweet Johannes, dat hij hem die rol van Arabier had

opgedragen.

„Een toeakje zou mij toch na dat natte pak zoo gesmaakt hebben,” meende

hij.

„Dat geloof ik wel; maar je verloochening van de voorschriften des

Korans, zou voorzeker argwaan opgewekt hebben en.... soengei Naning is

nog zoo ver niet van Kwala Kapoeas,” vermaande Johannes ernstig.

„Maar,” vervolgde hij, „nu niemand ons begluren kan, thans misgun ik je

een hartigen teug niet, mits ik de administratie der flesch blijf

voeren. Je hebt van daag wel een hartsterking verdiend.”

En de daad bij het woord voegende, greep hij een vierkante flesch en

een glaasje van onder de bank, waarop hij uitgestrekt lag, schonk

boordevol in en reikte den Waal het glas over, met een „wel bekome het

je.” Deze liet zich niet noodigen, greep toe en met een teug verdween

het verleidelijke vocht en werd door zijn smakkende tong langs het

verhemelte rondgevoerd.

„Verd....! dat is lekkere toeak, zoo heb ik ze nog niet gedronken,”

zuchtte hij, bij adem komende.

„Dat’s dubbel overgehaalde,” lachte Johannes.

„Kom, nog een glaasje?” bad de Waal.

„Geduld, de anderen moeten ook hun beurt hebben. Kijk onze Dajaks eens

gluren, o! dat zijn zulke drinkebroers.”

„Waarvan wordt toeak toch gemaakt?” vroeg Wienersdorf.

„Toeak wordt uit rijst gestookt,” leerde Johannes. „’t Zijn

voornamelijk de ketansoorten [42], die daartoe het meest gebruikt

worden. Dit stoken geschiedt op de volgende wijze. Eerst wordt een

soort van zuurdeeg „ragi” genoemd, gemaakt. Dit zuurdeeg bestaat uit

een brij van wortelmeel, peper, geraspte pinangnoten en suiker.

Vervolgens wordt de ketanrijst met dit zuurdeeg in een grooten aarden

pot goed dooreen gemengd en laat men dat mengsel gedurende drie dagen

aan de zonnehitte blootgesteld staan. Alsdan wordt er water bij

gegoten, zoowat in de verhouding van een gantang water voor iedere

gantang rijst. Dit laat men gedurende twee dagen in de zon gisten,

waarna men het vocht door een doek zijgt. Dit vocht is de verlangde

toeak.”

„Hoe kan dat vocht zoo sterk zijn als de toeak, dien je ons geschonken

hebt?” vroeg Wienersdorf. „Zoo als jij ons die bereiding uitlegt, is

het meer een brouwsel, dan een gedistilleerd.”

„Luister. Om den toeak sterker te maken, laat de Dajak hem in een pot

koken en overdekt dien pot met een deksel van bladeren, waarin een

horizontale dunne bamboebuis is aangebracht. Door die buis droppelt de

verdichte damp en wordt in een aarden kom opgevangen. Nu kun je het den

naam van gedistilleerd niet meer weigeren; de Dajaks noemen het alsdan

„arak” en een flesch van die arak heb ik van Ali Bahar gekregen.”

Terwijl onze reizigers zoo onder het genot van een toeakje gezellig met

elkander zaten te kouten, deelde Johannes zijnen tochtgenooten ook

mede, dat hij hun gastheer in de soengei Naning verhaald had, op weg te

zijn naar de boven-Kapoeas, om handel te drijven met de Olo Ott; dat

Sjech Mohamed Al Mansoer hem als medehandelaar volgde om in die streken

een kijkje te nemen en dan later met een geheele lading sitsen,

madapollams en katoentjes terug te komen; dat de twee Zwitsers zijne

(Johannes) pandelingen waren en dat Dalim en de twee andere Dajaks te

Kwala Kapoeas voor de geheele reis door hem als roeiers waren

ingehuurd. Hij uitte de meening, dat men goed zoude doen, zich voortaan

aan die schikking te houden en haar te betrachten, wanneer

vreemdelingen in de nabijheid waren. Allen besloten zoo te handelen. De

goede verstandhouding zoude daardoor niet verbroken worden, want

Johannes was de man niet om van het hem verleende gezag misbruik te

maken; en wanneer de vluchtelingen geheel onder elkander zouden zijn,

dan kon de hartelijkste toon, naar de inspraak van hun gemoed,

heerschen.

De nachtelijke uren spoedden voorbij en het was omstreeks een uur na

middernacht, toen zij het gehoopte einddoel van hun reis voor heden, de

Kwala Mantangei, bereikten. Maar nog voordat die monding zichtbaar was,

hoorden zij de tonen der titih weerklinken. Dat weerhield onze

reizigers niet. Toen zij evenwel het riviertje ingevaren waren en de

eerste huizen, daar langs gebouwd, naderden, vernamen zij een groot

rumoer, dat hen aanmaande zeer op hunne hoede te zijn. Van allerwege

werden kreten gehoord van vrouwen en kinderen, die de grootste

ontsteltenis en angst kenmerkten. Wat ook de spanning onzer avonturiers

vermeerderde, was dat zij in de verte verscheidene fakkellichten zagen,

waarmede ettelijke vrouwen als in radeloosheid rondliepen en die zich

eindelijk achter een der huizen op een punt vereenigden, maar daarbij

toch het grootste misbaar bleven maken. Ras werd de prauw onder de

struiken verborgen; Dalim steeg aan wal om op kondschap uit te gaan.

Middelerwijl verdiepten de teruggeblevenen zich in allerlei gissingen,

wat dat spektakel in dat nachtelijke uur wel te beteekenen zou hebben.

Algemeen was het oordeel, dat hier gewichtige gebeurtenissen plaats

grepen en niet onwaarschijnlijk was het, dat het dorp door een

koppensnellersbende overvallen was. Hun ongeduld werd echter niet te

lang op de proef gesteld, want Dalim verscheen spoedig en wenkte zijne

makkers aan wal te stappen, maar raadde hun aan, hunne mandauw’s mede

te nemen. Op die aanmaning had La Cueille niet bijzonder veel trek om

mede te gaan en daar toch de prauw niet zonder bewaking mocht zijn,

bleef hij met een der Dajaks achter. De anderen vervoegden zich bij

Dalim en slopen met hem voorwaarts in de richting van het fakkellicht,

evenwel daarbij de grootste omzichtigheid inachtnemende. Het was

eigenlijk jammer dat de Waal hen niet begeleidde. Des ochtends had hij

een krokodillenjacht bijgewoond, nu zou hij getuige geweest zijn van

een geheel andere vangst.

De bespieders langzamerhand naderbij gekomen, zagen van achter de

struiken, die hen verborgen hielden, een dertigtal vrouwen en kinderen

in de grootste ontsteltenis door elkander krioelen en konden maar niet

vatten, wat de oorzaak van die zonderlinge bewegingen kon zijn.

Eindelijk nog naderbij geslopen, zagen zij een reusachtige slang van

meer dan dertig voet lang en ter dikte van een flink gebouwd man om

zijn middel, die zich in de grilligste bochten wrong, zonder evenwel

merkbaar van plaats te veranderen. Het was alsof zij binnen een kring

gekluisterd bleef. Nog naderbij gekomen, ontwaarden zij, dat de slang

aan een haak vast zat, evenals des morgens de kaaiman, en dat de

vrouwen met vereende krachten den rottankabel om een boom hadden

geslagen. Zij hadden evenwel den kabel niet strak genoeg durven

aanhalen, waardoor het beest de vrijheid gelaten was, zich in een

grooten cirkel te bewegen.

Het was een „Penganen” (boa constrictor) van ongemeene grootte, die

daar te kronkelen lag. Het dier draaide en wrong zich op ontzettende

wijze, nu eens om den kabel, alsof het poogde zich door een

achterwaarts rukken, den haak tusschen de kaken uit te scheuren; dan

weer eens om den boom, alsof het gold de sterkte van den kabel te

beproeven. Dan schoot het bliksemsnel vooruit, waarschijnlijk met het

doel, door een hevigen ruk hetzij den kabel, hetzij den haak, of ook

wel de kaken, waartusschen hij vastzat, te doen zwichten. Maar alles te

vergeefs. De wanhopige kronkelingen en bewegingen hadden slechts tot

uitslag, dat de kring van vrouwen rondom, op een eerbiedigen afstand

getrokken bleef. Geen dier wezens durfde vooruit te treden om het

ondier te dooden, hoewel allen den ontblooten mandauw in de hand

hadden.

Terwijl onze reisgenooten met ingehouden adem stonden toe te kijken,

schoot de boa andermaal plotseling vooruit. Ditmaal evenwel had hij

zijn staart om een knaapje geslagen, dat zich te dichtbij gewaagd had.

Het arme kind steende en rochelde onder die omhelzing, de vrouwen

stieten een angstgegil uit en de rampzalige moeder van het wicht viel

op den bodem, strekte de armen uit en smeekte in de lieftalligste

bewoordingen het monster haren lieveling toch geen kwaad te doen. Het

kind hoog in de lucht verheffende, trachtte de slang den boom te

bereiken, maar kon in dat voornemen niet spoedig genoeg slagen, daar

zij in hare bewegingen belemmerd werd door de weinige lenigheid van den

kabel, ook door het omkneld houden van het kind. Toch gelukte het haar

den stam te bereiken, sloeg daar een paar kronkels om; en nu had een

ontzettend tooneel plaats, dat door de snelheid, waarmee het gebeurde,

niet te verhinderen was. Wel snelde Dalim met den mandauw in de vuist

tusschen de gillende en tierende vrouwenschaar door; maar voordat hij

den boa bereikt had, hoorde men het geknars van vermorzeld wordende

beenderen, gepaard met een eenigen gil van het stuiptrekkende

slachtoffer, dat in die vreeselijke kronkels tegen den boom als in een

pletmolen tot brij gemalen werd.

Zoodra de slang Dalim ontwaarde, die een slag naar haar deed zonder

haar ernstig te kwetsen, wond zij zich bliksemsnel los van het kind,

dat levenloos op den grond plofte, en wierp zich op den Dajak, die al

spoedig door een paar van die gevreesde levende ringen omklemd, met

uitpuilende oogen en uithangende tong naar lucht snakte. Het was of hem

de borstkas onder de drukking van een onweerstaanbaar werktuig

dichtgeschroefd werd. In zijne wanhopige behoudszucht deed hij nog

verscheidene slagen naar de slang, maar had daarbij het ongeluk den

kabel door te hakken, waardoor het beest geheel en al vrij werd in

zijne bewegingen. Het knoopte dan ook dadelijk zijne kronkels zooveel

te vaster en sloeg den staart reeds om den boomstam, ten einde den

Dajak een gelijk lot als het kind te doen ondergaan. Dat alles gebeurde

in weinige seconden, in niet genoegzaam tijdsverloop om de aanwezenden

tot beraad te laten komen. Het zou dan ook met Dalim gedaan geweest

zijn, maar daar snelden Wienersdorf en Johannes vooruit, wierpen zich

op den boa en, hoewel zij bij de snelle en tallooze bewegingen en het

heen en weder wringen en kronkelen van het woedende ondier, dat zijn

slachtoffer thans geheel omwonden had, voorzichtig moesten te werk gaan

en geene afdoende houwen konden toebrengen ten einde hun metgezel ook

niet te treffen, trokken zij toch de aandacht van de slang en bereikten

zoo de beoogde afleiding. Het ondier wond zich van Dalim los en

besprong Wienersdorf, dien zij een hevigen beet tusschen den hals en

den schouder toebracht. Maar Johannes kapte en kerfde haar in weinige

oogenblikken zoodanig, dat zij den Zwitser loslaten moest en haar heil

nu in de vlucht trachtte te zoeken. Dat zou haar ook gelukt zijn, want

toen zij vooruit schoot, stoven de angstige vrouwen op zijde, en lieten

in hare ontsteltenis de fakkels vallen, zoodat plotseling alles in

duisternis gehuld was. Maar nu was het de beurt aan Schlickeisen, om

aan de worsteling deel te nemen. Hij was mede vooruit gestoven, toen de

anderen Dalim ter hulp snelden; evenwel, bij de onmogelijkheid aan het

gevecht deel te nemen, had hij zich beijverd het verpletterde kind op

te rapen, in de hoop daarin de levensvonk te kunnen opwekken. Maar toen

hij zag dat alle moeite te vergeefs was, maar vooral toen hij het

ondier, achterna gezet door Johannes, in het duister zag verdwijnen,

legde hij ijlings het lijkje in de armen der moeder, greep van den

grond een fakkel, die gelukkig nog niet gebluscht was en was in een

ondeelbaar oogenblik bij Johannes en met dezen den boa ter zijde. Wel

poogde deze zich nog te verzetten, maar een paar flinke slagen met den

mandauw in den nek, door de krachtvolle hand der Zwitsers toegebracht,

besliste het pleit. De kop van het monster hing nog slechts door een

stuk der huid aan den romp verbonden, en nu uitte zich de wegstervende

levenskracht in een doelloos gekronkel en gewriemel van het lange

lichaam, totdat ook dat ophield en de geheele massa bewegingloos daar

neer lag.

Over het nog stuiptrekkende lichaam van den boa hadden de drie

Europeanen elkander de hand toegestoken en elkander geluk gewenscht met

den uitslag van dit lang niet alledaagsche gevecht. Dalim trad ook

nader, greep de handen der blanken, drukte die innig en betuigde zijn

dankbaarheid in een onverstaanbaar gebrabbel, waarmede hij evenwel

wenschte te kennen te geven, dat hij het leven aan zijne metgezellen te

danken had en dat zij nu geheel en al op hem rekenen konden; dat hij

hen tot Singapore begeleiden en niet verlaten zoude voor dat zij vrij

en frank weer in het leven konden terugtreden.

Toen de „Penganen” afgemaakt was, vertelden de vrouwen van den kampong,

dat hunne mannen allen afwezig waren, om „njating” (hars) te zamelen en

dat den vorigen nacht een oude vrouw, die naast haren nog ouderen

echtgenoot, te slapen lag, plotseling was wakker geworden met een

gevoel van drukking op de maagstreek. Zij had daarop de handen in het

donker uitgestoken, om te betasten, wat dat was, maar had toen een

kilkoud voorwerp gevoeld, dat haar op het lichaam drukte en onder haren

greep zich kromde. Daarop was zij onder een vreeselijk gegil opgevlogen

en had om hulp geschreeuwd. De haastig toegeschoten huisgenooten hadden

bij het schijnsel van een gebrekkig lampje, niets anders ontwaard dan

een zwarte gedaante, die over den grond voortschoof en in het duister

verdween. Toen men evenwel in het vertrek trad, waarin het oudje

geslapen had, vond men haren echtgenoot dood en had deze een wond onder

de korte ribben, waarin een menschenhoofd geborgen kon worden. Het

raadsel was nu snel opgelost. De kampong had een bezoek gehad van een

„Penganen”, iets dat in die moerasstreken nu wel niet dagelijks

geschiedt, maar toch niet tot de ongebeurlijkheden kan gerekend worden

[43]. De vrouwtjes, verstoken van de hulp en de raadgevingen van het

sterkere geslacht, waren op de gedachte gekomen, een haak uit te

zetten, waaraan zij een levenden aap gebonden hadden en hun pogen had

tot gevolg, dat de boa reeds den volgenden nacht aan den haak vastzat.

Hij was den vorigen nacht in zijn maaltijd gestoord en scheen honger

gehad te hebben.

Toen dat verhaal geëindigd was, beantwoordde Johannes de vragen der

vrouwen, vanwaar de vreemdelingen kwamen, die zoo ter rechter tijd

verschenen waren om hulp te bieden, met de mededeeling, dat hij op weg

naar de bovenlanden was om handel te drijven en was met dien uitleg nog

niet geheel klaar, toen eensklaps in de richting van de prauw onzer

reizigers een paar geweerschoten knalden, gevolgd door een

doordringend: lēēēēh lèlèlèlèlè—oeiiiit, welk laatste niet veel goeds

voorspelde. In allerijl spoedden zij zich derwaarts en vonden La

Cueille en zijn metgezel, den anderen Dajak, in een gevecht gewikkeld

met de opvarenden van een aantal djoekoengs. Wie deze laatsten waren,

was nu het oogenblik niet om op te helderen; want de aanvallers waren

reeds dichtbij genaderd en er was geen tijd te verliezen. Onze

verbondenen sprongen in de prauw, grepen hunne vuurwapens en weldra

knetterde een geweervuur, alsof het gold een geheele legermacht te

verdrijven. Het waren vooral de twee Remmingtongeweren van den

luitenant, die zulk een leven maakten.

Toen de djoekoengs den aftocht geblazen hadden en in het duister

verdwenen waren, vroegen zich de avonturiers af, van welken kant die

aanval wel zou gekomen zijn? Zou men hen van Kwala Kapoeas op het spoor

zijn? of wel waren het koppensnellers van de bovenlanden?

„Ik vrees dat hier een groot misverstand plaats heeft,” sprak Dalim.

„Van Kwala Kapoeas is, dunkt mij, nog niets te vreezen, en

koppensnellers durven, zoo als hier geschied is, geen aanval

doorzetten. Daarbij zoo talrijk trekken zij niet uit.”

Een paar vrouwen tot zich roepende, die hen angstig gevolgd waren,

vroeg hij die, wat zij er van dachten?

„Olo hatoeèh manjating, jèh tèh paham kadjeleng boeli.” (de mannen zijn

hars zoeken, zij zijn het, die spoedig terugkeerden).

En hare stem verheffende riep zij:

„Oōōōh Mihing!!” waarop Mihing, waarschijnlijk haar echtgenoot, uit het

bosch met een dergelijken kreet antwoordde.

Spoedig was nu opgelost, wat tot de botsing aanleiding had gegeven. Een

paar djoekoengs waren de terugkeerenden van het harszoeken

vooruitgesneld en hadden bij het naderen van den kampong dat vreeselijk

gegil der vrouwen vernomen. Onraad vreezende, waren de dapperen op de

vlucht gegaan om de overige mannelijke kamponggenooten te gaan halen en

zoo waren een twintigtal djoekoengs de soengei opgestoven. Dicht bij

den kampong hadden zij een vreemde prauw opgemerkt, die onder de

struiken verborgen was, en nu bestond er geen twijfel meer bij wien

ook, dat een bende koppensnellers van de Doesson de Mantangei waren

afgezakt en nu bezig waren onder hunne vrouwen en kinderen op een

vreeselijke wijze huis te houden.

De ontstelde mannen trachtten nu die prauw te naderen, maar werden

toegeroepen door La Cueille, die het alles met wantrouwende blikken had

gadegeslagen. Toen zijn westersch „werda” met een uittartenden kreet

beantwoord werd, schoot hij op den opdringenden hoop, terwijl zijn

makker, de achtergebleven Dajak dit insgelijks deed. De Mantangeiërs

stoven nu verschrikt achteruit, maar verzamelden zich weer met het

doel, om andermaal aanvallend te werk te gaan. Zij gilden hun „lahap”

(oorlogskreet) en drongen met hunne djoekoengs vooruit, toen zij

andermaal, thans echter met een goed onderhouden geweervuur ontvangen

werden. Eenigen hunner werden vrij ernstig gekwetst en nu was de vlucht

algemeen. In een oogwenk was geen djoekoeng meer te ontwaren. Dat de

opvarenden evenwel niet ver af waren, bewees het antwoord van Mihing op

het geroep zijner vrouw.

De Mantangeiërs waren dankbaar voor de hulp door onze vluchtelingen aan

hunne vrouwen verleend bij haren strijd tegen de reuzenslang. Maar toch

schudde Demang Soerah, de chef van dat district, bedenkelijk het hoofd

en meende, dat onze reizigers maar zoo spoedig mogelijk een goed

heenkomen moesten zoeken, want met dat noodlottige schieten was er

bloed gevloeid en, zoo als hij dat uitdrukte: „bloed roept bloed”. Het

voorzichtigste was te vertrekken, ten einde de gevolgen der zucht tot

bloedwraak te ontgaan. Dat zagen onze vluchtelingen ook zeer goed in,

en nog voor dat de dag aan den hemel zichtbaar was, hadden zij de

soengei Mantangei verlaten en op de Kapoeas den steven weer noordwaarts

gewend.

De beet, dien Wienersdorf van de „Penganen” in den schouder ontvangen

had, was meer pijnlijk dan wel gevaarlijk. De boa behoort niet tot de

giftige slangen; alleen het krachtvol inslaan der achterwaarts

geplaatste haaktanden van het ondier had smartvolle wonden veroorzaakt,

die den Zwitser nog wel eens op de lippen deden bijten. Toen evenwel

Dalim een papje van gekauwde bladeren van een struikgewas „boentoet

kakoembang” gemaakt en dat op den gewonden schouder gelegd had, was de

pijn spoedig over en, reeds den volgenden dag, kon de Zwitser weer de

pagaai hanteeren.

Ook Dalim ondervond niet veel hinder van de omstrengeling, die hij te

verduren had. Hij was alleen zeer benauwd geweest gedurende de

omklemming; nu voelde hij slechts eenige stramheid in de gewrichten der

ledematen. Hij rekte zich armen en beenen uit, boog de ruggegraat

herhaalde malen voor en achterover, vroeg een hartigen teug uit de

toeakflesch, en verklaarde na dien verorberd te hebben, dat hem niets

meer deerde.

Onder het roeien verhaalde een der Dajaks, dat eenige maanden geleden

twee bewoners van Kwala Kapoeas dicht bij de monding der Mantangéi door

een „Penganen” waren aangevallen. Die twee hadden aan den oever op een

droog plekje hun nachtverblijf opgeslagen en wilden, na hun avondmaal

te hebben gebruikt, zich onbezorgd ter ruste begeven. Zij waren evenwel

nog niet in slaap geraakt, toen zij een vreemdsoortig geschuifel

vernamen en, bij het schijnsel van het kleine vuurtje, dat zij gestookt

hadden, zagen, dat een vreeselijk groote boa op hen afkwam. Als de

bliksem waren zij overeind en vluchtten zij in hunne prauw, waarna zij

met inspanning van alle krachten de rivier voor den stroom afroeiden.

Maar tot beider groote ontzetting, was ook de slang te water gegaan en

konden zij in het water de golvingen van haar lichaam, door het zwemmen

veroorzaakt, behoorlijk waarnemen. Hoe zij zich ook inspanden, het

hielp niets, het beest won zichtbaar op hen en weldra was het in de

onmiddellijke nabijheid en poogde reeds de prauw te bespringen. Toen

vermande zich een der Dajaks; hij greep zijn mandauw en bracht den boa

een zoo duchtigen houw toe, dat de angel van het wapen in de greep

lossprong en het lemmer in het taaie lichaam der slang zitten bleef.

Daar het ondier niet doodelijk getroffen was, steeg zijn woede ten top

en bleef den vervolgden niets over dan, bij het voorbijschieten van een

hoek der rivier, aan wal te springen en ijlings in een hoogen boom te

klimmen, die zich aan den kant van het water verhief. Maar ook daarin

waren zij niet veilig, want het monster volgde hen op de hielen en

opende reeds de afgrijselijke kaken, om toe te happen. Zij klommen al

hooger en hooger; de slang volgde steeds. Eindelijk op de uiterste

grens van een ver voorover hangenden tak gekomen, lieten zij zich in

hunne vertwijfeling van boven naar beneden in de rivier rollen. Dit was

den boa te kras. In stede van ook den sprong te wagen, liet hij zich

naar beneden glijden; maar hoe vlug ook die beweging geschiedde, toen

hij beneden was en rondkeek, waren de beide mannen verdwenen. Door den

snellen stroom geholpen, hadden zij zich gehaast voort te zwemmen en

achter den hoek, dien de rivier daar vormde, waren zij spoedig uit het

gezicht van het ondier geraakt. Het gelukte hun hunne drijvende prauw

in te halen en nu ging het uren lang vooruit alsof hen de „Penganen”

nog achterna zat.

„Is het verhaal uit?” vroeg La Cueille knorrig.

„Ja”, was het antwoord.

„Goddank! ik begin van die mooie vertelsels meer dan genoeg te krijgen.

Is voor den duivel de werkelijkheid nog niet erg genoeg, dat er nog

altijd nagebreeuwd moet worden?”

„Kom, zoo’n verhaal is in ’t leven als het zout bij de aardappelen”,

lachte Schlickeisen. „Ik hoop nog eens zoo’n boa te ontmoeten.”

„Een mooie wensch! waartoe zou dat moeten dienen?”

„Ik heb het land, dat we bij ons overhaast vertrek, dien dooden boa

achtergelaten hebben.”

„Nu nog mooier! wat wou je daarmee? We hebben toch al geen ruimte te

over in de prauw.”

„Ja, maar hij zou gauw gevild zijn. De huid zou niet veel plaats

innemen.”

„Maar wat wou je met die huid in hemels naam?” vroeg La Cueille

ongeduldig.

„Worststoppen,” grinnikte Wienersdorf.

„Neen, porte-monnaies of sigarenkokers maken”, antwoordde Schlickeisen

ernstig. „Dat zou niet onaardig zijn, een sigarenkoker van die glanzige

huid met hare zwarte ruiten op gelen grond.”

„Als ik die huid had,” mompelde La Cueille, „zou ik wel weten, wat ik

er mee deed.”

„Zeker weer naar Notre Dame,” meende Wienersdorf.

„Bij den rozenkrans en het besnijdenismesje”, grinnikte Johannes,

„sakkerloot, die huid zou me een rare ophangerij aan het altaar

vertoonen. De goe gemeente zou niet weten, wat ze er van maken moest.”

„Zwijg, gemeene heiden! spot met geen heilige zaken”, brulde de Waal.

„We hebben nog veel hulp noodig, voor wij de reis ten einde hebben. Vol

vertrouwen bid ik, dat de Moeder des Zaligmakers ons in hare

bescherming neme!”

„Amen.”

Borneo van Zuid naar Noord · 第 48 / 77 题