IX.

Op reis.—Een anti-muskietenmiddel.—De soengei Basarang.—De

Kapoeas.—Achter Poeloe Kanamit.—Het zinken van de „Tjipannas.”—Eene

besnijdenis.—De varkenskop.—Een echt Dajaksch maal.—La Cueille

wordt zeeziek.—Een vondst in het bosch.—Een Pangareran.—Het

uitzetten der vischhaken.

Toen de Dajaks den ingezamelden rottan in de prauw opgeborgen hadden en

de vloed eindelijk genoegzaam gestegen was, om het vaartuig uit den

modder los te kunnen werken, werd de reis hervat. Aanvankelijk hadden

de reizigers met dezelfde bezwaren te worstelen als des morgens; ten

laatste evenwel kwam de prauw in een tak van de soengei Basarang te

recht en, hoewel de moeielijkheden der vaart nog aanzienlijk moesten

heeten, zoo konden de opvarenden thans toch plaats in het vaartuig

nemen en het met roeien en door met lange bamboestaken te boomen,

voorwaarts brengen. Wel moesten zij nu en dan nog eens te water om een

moeielijke plaats te passeeren of om bladeren en struiken op te ruimen,

die zich als zoovele hinderpalen in den weg stelden, maar de soengei

werd al breeder en dieper, en begon al meer en meer de sporen te

vertoonen, bevaren te zijn geweest, waardoor die hinderpalen opgeruimd

waren. Toch was de zon al heel nabij den horizon genaderd, toen zij de

soengei Basarang zelve bereikten.

Dalim was toen van oordeel om hier te blijven, totdat de nacht

eenigszins gevorderd zoude zijn. In weinige uren zou men dan de Kapoeas

kunnen bereiken en het zou van de ontmoetingen afhangen, of alsdan de

reis zoude kunnen vervolgd worden. In den nanacht zou er veel kans

bestaan, geene vaartuigen tegen te komen; in dat geval zou een goed

eind weegs afgelegd kunnen worden. Zoo gezegd, zoo gedaan. De prauw

werd zooveel mogelijk onder overhangende struiken langs den oever

verdekt; de reizigers bereidden hun maal, en toen dat genoten was,

trachtten zij rust te genieten. Die poging gelukte geheel en al naar

wensch; allen sliepen als mormeldieren, in weerwil van de legioenen

muskieten, en wel door een bijzonder toeval.

Wienersdorf had opgemerkt, dat hunne Dajaksche vrienden, toen het eten

klaar was, een soort van kleinen theepot te vuur hadden gezet en zich,

voordat zij gingen liggen, ijverig met den inhoud het geheele lichaam

inwreven. Zelfs dronken zij een paar teugen er van. Toen Johannes hun

vroeg wat dat beteekende, vernam hij, dat het „brotoali,” een

cactusplant was, waarvan de vierkante stelen behoorlijk uitgekookt een

heerlijk middel tegen de muskieten opleverden. Wie dagelijks eenige

kopjes van dat afkooksel dronk, had van die bloeddorstige insecten geen

last; een inwrijving van die deelen des lichaams, die aan hunne

aanvallen blootstonden, verzekerde de goede uitkomst. Toen de

Europeanen klaagden, dat zij den vorigen nacht geen oog geloken hadden,

deelden de Dajaks bereidwillig hun middel mede, hetgeen tot gevolg had,

dat geen insect de slapenden naderde en deze allen een rustigen slaap

genoten.

Tegen middernacht werden allen gewekt door Dalim, die zich met de taak

van schildwacht belast had. De prauw werd nu in den stroom gebracht en

zakte voorzichtig de soengei af. Dicht bij de monding ontwaarden de

vluchtelingen een open plek in het woud, te midden waarvan eenige

verkoolde boomstammen zich verhieven, die naast elkander geplant,

vroeger blijkbaar een vierkant omzet hielden, dat zoowel de soengei als

den hoofdstroom beheerschte. Dat waren de overblijfselen van een

Dajaksche benting, aan de oevers van dat riviertje gebouwd. Het was de

eerste versterking, die na het uitbreken des opstands op de zuidkust

van Borneo verrees. Manmoedig werd zij door Pembekel Soelil verdedigd,

eerst met goeden uitslag tegen het Nederlandsche oorlogschip

„Montrado”, dat haar vruchteloos beschoot; later tegen de „Onrust”,

waarbij de Pembekel den dood vond, hetgeen den verdedigers de schrik om

het hart deed slaan. De inneming van de benting te soengei Basarang was

het laatste wapenfeit van de „Onrust”, die kort daarop zelf door Dajaks

genomen en vernield werd.

Toen de vluchtelingen de soengei Basarang uitvoeren, lieten zij het oog

over de breede watervlakte der Kapoeas weiden. In het zuid-oosten zagen

zij een paar lichten schitteren en de sombere omtrekken van het fort

aan de Kapoeas-monding zich verheffen. Overigens was niets te zien

zoover het oog kon peilen. De rivier was veilig en met krachtigen

roeislag werd nu de lange reis aanvaard. Ja, aanvaard is het ware

woord; want na twee dagen omzwervens, bevonden de vluchtelingen zich

bijna op dezelfde plek, van waar zij uitgingen en hadden zij niets

anders gedaan, dan het fort, waaruit zij ontvluchtten, om te trekken.

Als daar ginds, waar die lichten schitterden, geweten werd, dat de

deserteurs zoo nabij, nog niet eens op een kanonschot afstands zich

bevonden! Maar alles daar was en bleef stil. Het fort bleef in ’t

donker gehuld en de nachtelijke stilte werd slechts verbroken door twee

slagen op een heldere metalen klok, die aanduidden, dat het twee uur in

den morgen was. Een luid veldgeschreeuw der schildwachten kwam tot de

vluchtelingen over als teeken, dat, hoe rustig alles ook scheen, de

noodige waakzaamheid niet verzuimd werd.

Nog eenige roeislagen en het fort zou achter „Tandjoeng Djoeking

Koempai”, de eerste stroombuiging in de Kapoeas, verdwenen zijn. La

Cueille, die met strakke oogen naar zijne vroegere garnizoensplaats had

zitten turen, liet nu zijn pagaai zakken en zuchtte diep. Johannes

hoorde zulks:

„Heb je berouw?” vroeg hij. „Spreek, ’t is nog niet te laat. We kunnen

je daar op dien hoek achterlaten. Jij kunt je afwezigheid aan een

dronkemansuitstapje wijten. Mits je ons niet verraadt, kan je vertellen

wat je wilt. Nu.... spreek, zullen we je afzetten?”

„Naar die kaaskoppen terugkeeren! Sacré nom de tonnerre! dat nooit!”

riep de Waal wild en woest.

„Nu, dan ook geen zuchten meer; dat is goed voor vrouwen en kinderen;

mannen moeten weten te handelen.”

„C’était plus fort que moi,” bromde La Cueille. „Voor een oogenblik

rezen al die mooie verhalen, waarop gijlieden mij gedurende de twee

laatste dagen vergast hebt, mij voor den geest en pardieu! toen ik dat

fort zag, waar we als in Abrahams schoot, ver van alle boschspoken,

koppensnellers, bloeddrinkers en vrouwenschenders, zouden zitten, dat

fort, alwaar we met weinige roeislagen konden aankomen, toen, ja ik

beken het, had ik een zwak oogenblik. Maar wees volkomen gerust, dat is

nu over.”

En zijn pagaai in het water slaande, hielp hij met kracht mede, om het

vaartuig de grootst mogelijke snelheid mede te deelen. Weldra was dan

ook het fort aan het gezicht onttogen en passeerden de vluchtelingen

een groep kleine eilandjes, „Poeloe telloe” geheeten.

Bij het gloren van den dageraad, bevonden de deserteurs zich ter hoogte

van het eiland Kanamit.

Dalim oordeelde het onraadzaam, de reis verder voort te zetten en

raadde aan een toevlucht te zoeken in soengei Naning, een riviertje,

dat op den rechter oever der Kapoeas, achter het eiland uitwatert. Toen

de prauw den smallen rivierarm ingestevend was, die Kanamit van den

vasten wal scheidt, wees Johannes met den vinger een plek aan,

zeggende:

„Daar zoo wat, zijn we eens ter nauwernood aan de mandauw’s der Dajaks

ontsnapt.”

„Och God! dacht ik het niet?” gilde La Cueille, „daar zul je weer een

mooi verhaal hebben.”

„Je kunt voor mijn part je Walenooren toestoppen; maar dit hier is een

plek op Gods aardbodem, die voor mij nog zeer levendige herinneringen

bevat.”

„Kom, laat die Waal grommen,” zei Wienersdorf, „ik geloof dat hij bang

voor heksen en spoken is. Dat heeft men meer bij menschen die in

steenkolenmijnen gewerkt hebben, niet waar Richard?”

„Jawel, maar dat de Waal mij nu het woord late. Wat ik te vertellen

heb, is alweer een bijdrage tot de kennis van het volk, waarmede we

ongetwijfeld innig in aanraking zullen komen.”

„Het was in Juli 1859. Er waren berichten ingekomen, dat de vijand zich

op Poeloe Kanamit en aangrenzende oevers geducht versterkt had. Het

oorlogsstoomschip „Montrado” was derwaarts gezonden en dat had tot

„bateau-mouche,” tot voorlichter de „Tjipannas” een klein

rivierstoomertje, dat sedert het uitbreken van den opstand in deze

streken zeer gewichtige diensten had bewezen. Maar het scheepje was

oud, zijn machine ratelend als een oudroestwinkel en zijn stoomketel

volgens deskundigen zoo dun als een velletje postpapier. ’t Was dan ook

treurig die kleine boot soms in een stroomsnelheid van 1,80 meter, die

de rivieren hier bij vol ingetreden eb kunnen erlangen, te zien

sukkelen. Zij mocht haar stoomspanning slechts op tien kilogram houden

en daarmee was niet altijd tegen den stroom in te werken. De

gezagvoerder had al menigmaal geprutteld en op het hoogst gevaarlijke

van zoo’n toestand gewezen; maar.... er was geen ander stoomscheepje om

de „Tjipannas” in die wateren te vervangen; zoodat, zoo luidde het

officieele antwoord op die dringende vertoogen, „maar met alle

omzichtigheid en wat minder angstvalligheid gehandeld moest worden.”

„Kom, dat is gekscheren, niet waar,” viel Wienersdorf in. „Zoo’n

antwoord is onmogelijk.”

„Volkomen vrijheid om het voor gekscheren op te vatten, mijn waarde

Zwitser, en ik kan me best begrijpen dat jij, een afstammeling van een

vrijheidminnend volk, dat den beer der wouden in zijn wapen voert, geen

begrip kunt hebben van zulke fabriekmatige volzinnenmakerij. Men is op

de bureaux te Batavia daar zeer sterk in en wordt daarin slechts door

de Nederlandsche kommiezerij, welker vaderschap trouwens te eerbiedigen

valt, voorbij gestreefd.”

„Maar dat antwoord, dat met alle omzichtigheid en wat minder

angstvalligheid gehandeld moest worden, is klinkklare onzin.”

„Toch niet,” glimlachte Johannes, „toch niet. Let eens goed op de

beteekenis. Gebeurt er een ongeluk, dan is het bestuur geen schuld aan

te wrijven; want.... alle omzichtigheid was aanbevolen. Heeft nu de

gezagvoerder die omzichtigheid uit het oog verloren en gestoomd met een

ketel, die de geringste spanning niet meer verduren kon, dan moet hij

ook al de verantwoordelijkheid van het onheil dragen. Weigert evenwel

die gezagvoerder te stoomen en gebeurt er ten gevolge van die

omzichtigheid een ongeval, dan heeft men met een lafaard te doen, dien

aanbevolen was minder angstvallig te zijn. Je ziet, hoe het ook

uitvalt, de kat komt steeds op haar pootjes te recht en is de Regeering

te Batavia steeds gedekt. De rest is bijzaak. Maar laat me nu

voortgaan.”

„Den bewusten dag hadden we—want we waren met een twintigtal soldaten

aan boord van de „Tjipannas”—Poeloe Kanamit afgepatrouilleerd en daarop

niets gevonden dan veel modder. ’t Is, zooals ge zien kunt, een laag,

moerassig eiland met zwaren plantengroei overdekt, dat met iederen

vloed onder water komt; ’t is ongeveer een half uur lang en slechts een

paar honderd el breed. Toen we aan boord terug waren, zouden we naar

den vasten wal oversteken, om ook daar het terrein te onderzoeken. Maar

ten halverwegen van het vaarwater vernamen we een doffen slag, gepaard

met een vrij hevigen schok en, voor we ons eigenlijk rekenschap konden

geven, wat er gebeurde, begon het scheepje te zinken. Gelukkig dat de

sloep slechts met een eind aan de valreepstrap bevestigd was, anders

waren vele ongelukken te betreuren geweest. Nu behoefde zij slechts

bijgehaald te worden; maar er was niet meer tijd dan noodig om er in te

stormen. Nauwelijks toch was de sloep losgemaakt en eenige kabellengten

van de boot verwijderd of deze begon een golvende beweging te

vertoonen, dook eerst over den voorsteven, verhief zich weder, waarbij

de achtersteven wegzonk; daarop dook de voorsteven nogmaals maar nu

voor goed en verdween het geheele schip in de diepte.

„Nog waren we niet van den schrik bekomen en deinde de sloep nog

verschrikkelijk, toen van den wal een vrij sterk geweervuur weerklonk

en met de kogels ons ook een aantal vergiftigde pijltjes om de ooren

vlogen. Gelukkig werd niemand geraakt, maar onze toestand was toch

uiterst benard. Allen waren we in de sloep gevlogen, slechts met de

gedachte bezield het lijf te bergen; doch niemand had bij die algemeene

ontsteltenis er aan gedacht wapens mee te nemen. Er waren zelfs geen

roeiriemen of pagaaien voorhanden; we dreven op Gods genade. Wel lagen

een paar oud-model geweren in de sloep; maar patronen waren er niet en

die oude verroeste wapenen misten zelfs de bajonet. Gedurende een

korten tijd hielden we de vijanden in bedwang door die onschadelijke

geweren op hen aan te leggen, maar toen zij ondervonden, dat toch niet

geschoten werd, nam hun moed hand over hand toe, en spoedig waren

eenige hunner djoekoeng’s bemand en maakten die zich gereed onze sloep

op zijde te schieten. We zouden allen verloren geweest zijn, want we

waren volkomen weerloos tegenover hunne vreeselijke mandauw’s, doch

daar verscheen de „Montrado” aan den noorderingang van het vaarwater en

niet zoodra had deze onzen neteligen toestand bemerkt of een kanonschot

weerklonk, dat om de ooren onzer belagers een hagelbui van

kartetskogels deed fluiten, die, hoewel in haast en slecht gericht,

evenwel de goede uitwerking hadden, de Dajaks als schimmen te doen

verdwijnen. Weinige minuten later bevonden we ons aan boord van het

oorlogsschip en waren we gered.

„Oef!” riep La Cueille, „dat ’s me een pak van ’t hart. ’t Was me, of

ik de nachtmerrie had. Je komt er telkens nog al goed af; dat ’s me een

troost bij al je nare verhalen.”

„Maar,” vroeg Wienersdorf, „hoe zijn die luidjes thans hier gezind?”

„’t Is nog raar gespuis en als ze ontdekten, dat we blanken zijn, zou

ons leven geen oortje waard zijn. Maar we zijn nu Dajaks, „Hèlo mikèh”

niet bang zijn,” voer Johannes lachende voort. „In allen gevalle zijn

we met ons zevenen en kwaad zal het niet kunnen, als we de wapens onder

bereik houden.”

De prauw zwenkte de soengei Naning in en voer deze op, totdat een groot

huis bereikt werd. Dalim en een zijner landslieden, vergezeld van

Johannes, stegen aan wal en klommen langs een schuins liggenden boom,

van inkervingen voorzien, de gewone trap, die toegang tot de Dajaksche

woningen verleent, op naar boven en traden het huis binnen. Al de

achtergeblevenen in de prauw hadden een geweer gegrepen en hielden zich

tot handelen gereed. Maar na een poos, die den wachtenden zeer lang

scheen, trad Johannes naar buiten, maakte een gebaar tot geruststelling

en riep in het Dajaksch dat men bij vrienden aangeland was. En

werkelijk woonde daar een bloedverwant van een der opvarende Dajaks,

die zich, als betrokken bij de opstandszaken, daar schuil hield. Het

was een Islamsche Dajak, dat wil zeggen, dat hij zijne heidensche

gebruiken vaarwel gezegd en den Mahomedaanschen godsdienst omhelsd had.

Dat was nog eerst kort geleden geschied en sedert had hij zijn

Dajakschen naam „Mihing” voor dien van „Ali Bahar” verwisseld. Maar

waarschijnlijk waren de „Sangiangs” (halfgoden) over die bekeering

vertoornd, want de Hadji, die hem bekeerd had, was bij het baden door

een kaaiman gegrepen en verslonden.

Toen Dalim aan Ali Bahar vertelde, dat een „Sjech” onder het gezelschap

was, gaf deze luide zijn vreugde te kennen en stormde hij naar buiten

om de reizigers te begroeten en te verzoeken bij hem binnen te treden.

Vooral overlaadde hij den Arabier met eerbiedsbewijzen; hij schudde hem

de hand zoo als hij dat wel eens te Kwala Koepoeas, in navolging der

blanken gezien had, wreef het tipje van zijn neus tegen dat van den

pseudo-Sjech, om hem den Dajakschen groet toe te brengen en legde

eindelijk zijne beide handpalmen uitgestrekt op zijn voorhoofd onder

het prevelen van: „Allah akbar”, zooals hij dat zijn vorigen leeraar

had zien en hooren doen.

La Cueille kweet zich deftig van zijn rol, hij boog telkenmale onder

het uitspreken van „Bismillah”, afgewisseld met een Waalschen vloek,

dien niemand begreep, en liet met veel vroomheid de kralen van zijn

rozenkrans onverpoosd tusschen de vingers glijden. Maar toen zijn

gastheer hem mededeelde, dat hij twee zonen had, jongelingen van

omstreeks veertien en vijftien jaren, en het zijn vurigste wensch was,

dat de heilige man die jeugdige Dajaks besnijden zoude, ontsnapte hem

een gebaar van ontzetting. In zijn wanhoop sprong de Waal op, strekte

zijn handen ten hemel, als om dien tot getuige te roepen, waartoe hij

gekomen was. Gelukkig dat Johannes zijn lachlust, door dit koddig

tusschenspel opgewekt, had kunnen bedwingen; hij verklaarde thans den

verbaasden Dajak, dat de heilige met vervoering Allah dankte, voor het

voorrecht hem geschonken, weer aan twee medeschepselen het zichtbare

teeken van tot de uitverkorenen des Profeets te behooren, te mogen

mededeelen. Maar men moest wachten tot dat de zon aan den hemel

gestegen zou zijn ter plaatse door de uitgestrekte armen des Sjech’s

aangewezen. Deze zoude zich intusschen afzonderen om zich door het

gebed tot de heilige handeling voor te bereiden.

Toen de Waal in de prauw weergekeerd was, gevoelde hij zich zeer

neerslachtig. Hij had in zijn leven steenkolen gedolven, stoomketels

geklonken, geweerloopen geboord, hanen gefrischt en bajonetten

vervaardigd; maar een besnijdenis te verrichten, daartoe achtte hij

zich niet in staat. Dat werk was hem te fijn; hij begreep dat hij

daarbij fiasco moest maken. In doffe wanhoop greep hij evenwel zijn

zakmes, beproefde op zijn duim of het wel scherp genoeg was voor de

bewerking en keek uit naar een steen om het nog wat aan te zetten.

Johannes keek hem glimlachend aan, maar toen hij begreep, wat dat mes

te beduiden had, schaterde hij het uit.

„Steek dat ding toch in je zak,” zei hij, toen zijn lachbui wat bedaard

was, „daar komt geen ijzer of staal bij te pas. Dat je dat als Arabier

niet weet! je bent nog weinig in je rol. Wacht, ik zal je het werktuig

fabriceeren, dat je noodig hebt.”

En een stuk bamboe grijpende, fatsoeneerde hij dat in de gedaante van

een mesje met uiterst scherpe snee, waartoe de glasharde bast van de

bamboe zich bij uitnemendheid leende.

„Zie zoo,” zei hij, „je hebt nu niets anders te doen, dan de huid

tusschen den voorsten vinger en duim te nemen en die met dat mesje een

weinig af te schaven, evenwel zoo, dat een paar droppels bloed

zichtbaar worden. Kom, kom, je zet een gezicht of je een moord moet

begaan; ’k zeg je, alleen de huid maar wat schaven.”

„O!” riep de Waal in wanhoop, terwijl hij het bamboelemmet hemelwaarts

ophief, „o! ’k doe de plechtige gelofte, als ik in mijn land terugkom,

dit mes bij het altaar van Notre Dame op te hangen!”

„Waarmee je een paar Mahomedaantjes gefabriceerd zult hebben! Ja, daar

zal ze nog al op gesteld zijn, daar zal je haar pleizier mee doen. Het

idée is prachtig. Maar, om bij de zaak te blijven, vergeet nu maar niet

gedurende de bewerking een aantal „Allah’s” en „Bismillah’s” te

mompelen; ook niet om na de bewerking de afwassching der handen door

den Koran voorgeschreven, te volvoeren.”

La Cueille, zoo door die raadgevingen gesteund, hield zich nog al goed.

Op het aangegeven uur volvoerde hij, niettegenstaande het gillen en

tegenspartelen der patiënten, de operatie met een handigheid en ook met

een zachtzinnigheid, die men niet verwacht zoude hebben, van een hand,

die gewoon geweest was, den voorhamer te hanteeren. Maar toen de

besnijdenis afgeloopen was, wachtte hem een nieuwe beproeving.

De Dajaks zijn groote liefhebbers van feestvieren; iedere gelegenheid

is hun daartoe welkom, en nu was niets natuurlijker dan dat die

besnijdenis, waardoor twee heidenen tot kinderen Gods gemaakt en bij de

uitverkorenen des Profeets ingelijfd waren, met een goed middagmaal en

een flinken teug zoude bezegeld worden. Allen, maar voornamelijk Sjech

Mohammed Al Mansoer, gaven hunne ingenomenheid daarmede te kennen en de

laatstgenoemde gaf zelfs een spreuk ten beste, waarbij hij meende dat

„Allah het best in zijne gaven verheerlijkt wordt.” Maar toen tegen het

middaguur allen met de huisgenooten huns gastheers met gekruiste

beenen, in een kring geschaard, op het matje zaten, dat tot feestdisch

zoude dienen en als eerste schotel een vervaarlijk groote varkenskop,

ter nauwernood van zijn grofste borstels ontdaan en even boven het vuur

gepoft, op een groot blad opgedragen werd en daarnaast een pot met

„toeak” verscheen, boog Johannes zich tot den Waal en fluisterde hem

eenige woorden toe. Met zichtbare drift voer deze laatste op:

„Que la peste t’étouffe, vilain animal!!” schreeuwde hij.

Het geheele Dajaksche huisgezin stoof verschrikt op bij die uitbarsting

van gramschap, maar Johannes stelde hen gerust door de verklaring, dat

de heilige naneef des Profeets zijn verontwaardiging te kennen gaf over

de stoutheid om in een pas bekeerd huisgezin en bij zoo’n feest zulke

spijzen en dranken op te dragen en vooral hem die voor te zetten.

„Ziet hoe de heilige rilt,” voer hij voort, „hij rilt van afschuw bij

het zien van het onreine voedsel, door Ngabehi Mohamed zoo streng

veroordeeld.”

En werkelijk de Arabier schoof heen en weder als een bezetene en

mompelde binnensmonds een mengelmoes van Waalsche, Fransche en

Hollandsche vloeken. Hij begreep, dat hij te wille van zijn kleed van

een lekker gerecht, den zoo smakelijk uitzienden varkenskop, waarvan

hij zijn deel reeds in gedachte met citroensap en lombokh toebereid

had, afzien moest, en dat hij een hartigen teug van den zoo lekker

ruikenden „toeak” zou moeten derven.

Met den „toeak”, een uit rijst gegisten, peper, betèlnoten en suiker

vervaardigden drank, had hij reeds vroeger kennis gemaakt en hem toen

zoo lekker gevonden, dat, nu hij den pot met het verleidelijk vocht had

zien verschijnen, hij zich de belofte gedaan had, den inhoud geducht

aan te spreken. Maar nu, die verduivelde Johannes! dat die zijn mond

niet kon houden. Hij draaide zijn tulband heen en weer op zijn hoofd en

had veel trek dat hoofdtooisel door de geopende deur in de soengei te

werpen. Maar Indoe Soemping, de gastvrouw haastte zich den wanhopigen

Arabier een geduchte portie „tambilok” degelijk gekruid en gepeperd en

goed gebraden, en ook eenige stukken „liendoeng”, die in een zure

eiersaus dreven, voor te zetten. Nadat de heilige man er een gebed over

uitgesproken had, liet hij zich die gerechten bij gebrek aan wat

anders, met een flinke portie schijfjes gebakken „Koedjang” goed

smaken. Hij verklaarde zelfs later, dat hij die Dajaksche keuken

uitermate fijn en lekker gevonden had.

„Dat geloof ik wel,” meende Johannes, die het verkorvene goed had te

maken, „’t was het fijnste, wat ze je voorzetten konden. Dàt heb je

toch met je besnijdenisbaantje op ons voor gehad. Ons heeft men van die

lekkernijen niet gepresenteerd.”

„Maar wat is het, wat ik eigenlijk gegeten heb?”

„Weet je dat niet, orang bodokh? (domkop) Welnu, de Koedjang is een

knolgewas, dat in de lage Dajaklanden overal in het wild groeit en de

aardappelen vervangt.”

„Die ken ik wel; die heb ik te Kwala Kapoeas genoeg gezien en gegeten.

Zoo aan schijfjes gebakken, zijn ze bepaald lekker; maar ik bedoel meer

de vleeschgerechten. Hoe hoorde ik ze ook weer noemen?”

„Tambilok” en „liendoeng?”

„Juist, wat zijn dat?”

„Heb je te Kwala Kapoeas, wel eens een ouden boomstam, die lang in de

rivier gelegen had, zien opensplijten?”

„Wel zeker; dat is nog zoo lang niet geleden, bij gelegenheid dat het

vlot vernieuwd werd, waarop de badinrichting stond.”

„Welnu, wat heb je toen gezien?”

„Wat ik toen gezien heb? Ik begrijp je niet. Wat ik toen gezien heb?

Wel, die boomstammen met wiggen opensplijten en naar de keuken dragen,

om ze als brandhout te bezigen. Daaraan heb ik mee gecorveed.”

„Ze hebben oogen en zien niet, die Europeanen”, mompelde Johannes. „Heb

je niet opgemerkt, dat het hout, van binnen geheel en al in de lengte

doorboord was met ontelbare gangen van ongeveer een pink dikte;

ofschoon de stam van buiten geheel gaaf was?”

„Wel zeker en die gangen waren van binnen met een harde en witte

schelplaag gevoerd.”

„En in die gangen werden lange, vette, witte wormen aangetroffen.

Welnu?”

„Welnu....? Wel dat is de paalworm.... dat weet ik wel,” sprak La

Cueille aarzelend.

„En het is die paalworm, die de Dajaks „tambilok” noemen, en waarvan ze

zulk een lekkeren schotel bereiden.”

„O! Notre Dame de bon secours!” gilde de Waal walgend en kokhalzend.

„En de „liendoeng”,” vervolgde Johannes als in één adem zijn

lekkerbekstoelichting, „en de „liendoeng” is een zoo wat drie voet

lange waterslang, ter dikte van een mansarm, rood van kleur, met zwarte

strepen op den rug, die een zeer gladde huid heeft, maar niet giftig

is. Die is de lievelingskost der Dajaks.” [38]

„O! en ik heb die voor paling gegeten!” riep La Cueille met wanhoop

uit, terwijl hij het hoofd buiten boord der prauw stak en met het

bovenrif bewegingen volbracht, zoo als stumperds bij zeeziekte plegen

te verrichten, wanneer zij hun offer aan Neptunus plengen.

„Zie je, dat ’s dwaas van je wat je daar doet,” zei Johannes lachend.

Zoo’n aterling lachte om alles, het was om helsch te worden.

„Nu zal je straks honger hebben,” vervolgde hij half medelijdend, „maar

laat je dat niet ongerust maken; ’k heb op Dajaksche wijze een groot

stuk van dien varkenskop in een blad gewikkeld, als je je straks wat

minder kinderachtig gevoelt, kan je je hart ophalen. Maar wat een

poppetjes maken ze toch van jullie in die Walenkwartieren? Kerels, die

bleek om hun neus worden, wanneer ze van een paalworm of een slang

proeven. Je zult nog wel eens wat anders achter je knoopsgaten moeten

steken voor dat je thuis zult zijn.”

La Cueille zuchtte, maar antwoordde niet. Hij legde zich te rusten

en.... was het het zalige bewustzijn twee heidenen aan den Vorst der

duisternis ontrukt te hebben? Of was het de invloed der aandoeningen,

dien dag bij de besnijdenis en na het verorberen der slangen en

paalwormen, ondervonden? Wie zal dat ooit uitmaken? Genoeg zij het, dat

hij spoedig in een diepen slaap gedompeld werd en dat, zooals hij daar

in ’t heilige gewaad uitgestrekt lag met een glimlach op de lippen, hij

een fraai beeld vertoonde van den slaap des rechtvaardigen.

Middelerwijl Sjech Mohamed Al Mansoer sliep, waren Johannes,

Wienersdorf, Schlickeisen en Dalim onder geleide van hun gastheer Ali

Bahar, na eenige ruggespraak met dezen, behoorlijk gewapend het bosch

ingetreden. De beide overblijvende Dajaks van het reisgezelschap

bewaakten de prauw en hadden daartoe ieder een geweer ter hand genomen.

Niets verdachts liet zich evenwel ontwaren en zoo omstreeks een uur

voor het vallen van den avond kwamen de anderen terug en brachten een

groot pak gereedschap, waaronder schoppen en pikhouweelen mede, als ook

twee kleine bronzen één pond kanons, die zij dachten dat hun te pas

zouden kunnen komen. Die gereedschappen en die wapens hadden zij,

zooals zij beweerden, in een ledige hut gevonden en waren afkomstig van

de gezonken „Tjipannas”, die door de Dajaks opgevischt waren. Er moest

nog een wandeling gemaakt worden, want daar lag nog een koperen

kruitkist, zooals die aan boord der oorlogschepen gebruikt wordt,

waarin nog eenig buskruit aanwezig was. Dicht daarbij lagen een

vijftigtal kartetsen voor de kanonstukjes; die mochten niet te loor

gaan. Verder was er nog een lichte ankerketting van een dertig vadem

lengte, die van onschatbaren dienst zoude kunnen zijn.

Tegen acht uur omstreeks was alles aan boord, en toen meende La

Cueille, die intusschen wakker was geworden, dat de reis zoude vervolgd

worden; maar in stede daarvan zetten zijne makkers zich nog eenigen

tijd met den gastheer te praten. Eindelijk, toen die zijn huis

ingetreden was en de anderen de prauw instapten en zich gereed maakten

om rust te genieten, vertelde Johannes den Waal, dat zij dezen nacht en

ook nog den volgenden dag in soengei Naning zouden verwijlen.

„Maar,” vroeg La Cueille, „is het niet gewaagd, hier zoo nabij het

Hollandsche fort, langer dan noodig te verblijven?”

„Langer dan noodig, zou zeker gewaagd zijn. Maar we mogen niet te veel

haast aan den dag leggen, dat is zoo strijdig met den aard en de

gewoonten der Dajaks, dat wij groote achterdocht zouden opwekken. Je

hebt onzen gastheer hooren vertellen, dat je voorganger, zijn vroegere

godsdienstleeraar, door een kaaiman gegrepen is. Nu heeft hij ons

verzocht, hem morgen te helpen dat beest te vangen. Dat is een

uitnoodiging, die geen Dajak mag afslaan. Dat zou de bloedigste

tooneelen veroorzaken.”

„Een kostelijk mooi baantje. Goddank! ik heb van zoo’n jacht geen

verstand, zoodat ik stilletjes hier zal kunnen blijven!”

„Mis; je hebt er integendeel een rol bij, die niemand anders vervullen

kan.”

„Ga dan je gang, als ’t maar weer niet geldt slangen of paalwormen te

eten. Dan pas ik.”

„Vertel nu geen domheid. Luister. Ik heb mij uitgegeven voor

Pangareran....”

„Ik voor een afstammeling van den Profeet; jij nu voor een Pangerang;

ik zie den dag nog aanbreken, dat de twee Zwitsers Radja zullen worden.

Nu, als ons dat naar de noordkust zal kunnen tooveren, mij wel.”

„Nogmaals, verkoop geen onzin. ’k Heb me niet voor Pangerang (vorst)

maar voor Pangareran uitgegeven.”

„Zoo, is daar onderscheid in? Zeg me dan eerst wat een Pangareran is.”

„Dat is iemand die er werk van maakt, krokodillen te vangen.”

„Zoo, zoo; maar als jij je daarvoor uitgegeven hebt, dan ben ik bij dat

werkje niet noodig.”

„Wel zeker; een Pangareran gaat nimmer uit, om zijn vak uit te oefenen,

zonder een priester bij zich te hebben, die gebeden prevelt. En,

waardste Arabier, in onze associatie komt jou het biddersbaantje van

rechtswege toe.”

De Waal verschoof zijn’ tulband eens, bedacht zich een oogenblik en

sprak toen:

„Maar ’k dacht dat de Dajaks heidenen waren? Een Mahomedaansch gebed is

dus zeker te onpas.”

„De meeste Pangareran’s zijn Maleiers, dus Mohamedanen. Je weet toch

ook wel, dat de Dajaks geen kaaiman durven vangen.”

„Waarom niet?”

„Omdat Djata—een broeder van Mahatara, de God der Dajaks—de vader van

alle krokodillen is en zelf onder de gedaante van een kolossalen

kaaiman in den hemel vertoeft. Voor geen schatten der aarde zullen

daarom de Dajaks een dier monsters dooden en worden zij door de

bloedwraak daartoe gedwongen, dat wil zeggen, wanneer een hunner

bloedverwanten, vrienden, gasten of buren verslonden is, dan: je weet

„il y a des accommodements avec le ciel”, wordt een Maleier betaald, om

den misdadiger te dooden.”

„Met je permissie, hoe weten ze, wie de misdadiger is? Hier in deze

wateren zwemt nog al wat van dat ontuig.”

„Dat er bij zulk eene wraakpartij een enkel onschuldig zoontje van

Djata omkomt, is zeker, maar dat schijnt de Dajaks niet te deren. De

jacht wordt niet opgegeven, voor dat een kaaiman gevangen is, in welks

ingewanden overblijfselen van het slachtoffer zijner vraatzucht

gevonden worden. Je herinnert je toch nog wel, toen dat lieve Dajaksche

meisje, de kleine Biengies, bij het fort te Kwala Kapoeas door een

kaaiman weggehaald was. Toen zijn zeker een vijftigtal van die ondieren

aangebracht, totdat eindelijk ruim zes weken na het ongeval een zeer

groote gevangen werd, in wiens maag een dicht ineengewerkte bos

menschenhaar en de koperen braceletten, die de deern gedragen had,

gevonden werden. Toen was de jacht uit.”

„Of ik mij dat nog herinner? Wel zeker; ’k heb toen de Javaansche

soldaatjes geholpen om het vet uit al die krengen te koken; zij

brandden dat ’s avonds in hunne lampjes. Wat een zacht vet was dat, nog

zachter dan de fijnste reuzel. Ik wilde toen een voorraad bewaren; ik

ben overtuigd dat kaaimannenvet een uitmuntend middel moet zijn tegen

winterhanden en wintervoeten.”

„Verduiveld, daar zul je hier last van hebben, geloof dat vrij; maar

let nu op. Straks tegen middernacht ga ik de haken uitzetten en daarbij

moet je tegenwoordig zijn. Je hebt immers flink geslapen?”

„Ja dat heb ik; maar.... de haken uitzetten? wat is dat en wat heb ik

er bij te doen?”

„Wat dat is, dat zul je wel zien; wat je er bij te doen hebt, och, niet

veel; alleen maar gebeden prevelen; en daar we waarschijnlijk in het

holle van den nacht met ons beiden alleen zullen zijn, kun je ook dat

bidden achterwege laten. Maar denk er om, dat je morgen, wanneer een

kaaiman mocht gevangen zijn, deftig en zalvend bidt. Je moet zelfs het

ondier overlezen, anders krijg ik een ongeluk. Zie hier een beduimelde

Maleische bloemlezing van Roorda van Eysinga, die kan best dienst doen

voor Koran; ze is er smerig genoeg toe.”

Na die bespreking volgden de beide mannen weldra het voorbeeld hunner

makkers. Zij wikkelden zich in hunne spreien, maar bleven voorzichtig

waakzaam en uitkijken.

Toen de „Taloetoek”—een kleine uilensoort met zwarte donsachtige veeren

op het lijf, maar met roodachtige vleugel- en staartpennen—te

middernacht zijn droefgeestig: „khoekh, khoekh” deed hooren, wenkte

Johannes den Waal en maakte een der Zwitsers wakker, om voor de

algemeene veiligheid te waken. Beiden bestegen vervolgens een

djoekoeng, waarin lange rottan-einden aan elkander gebonden lagen,

zoodat zij kabels van dertig tot veertig meter lengte vormden, aan

welker uiteinden stevige ijzeren haken van anderhalven voet lang en

nagenoeg een vinger dik bevestigd waren. Na een lampje aangestoken te

hebben, beijverden zich beide mannen de haken van aas te voorzien,

waartoe zij hoofdzakelijk levende eenden gebruikten. Haak en eend

werden op een vlotje van pisangstammen zoodanig bevestigd, dat bij het

te water laten de eend drijvende en levend bleef. Toen zij daarmee

klaar waren, blies Johannes het lampje uit; beiden grepen de beseai’s

en zakten zachtkens en zonder gedruisch te maken de soengei af, op hun

weg slechts voorgelicht door de millioenen en millioenen vuurvliegjes,

die op de bladeren van de Rambei-boomen [39] langs de oevers van het

smalle riviertje als zoo vele heldere vonkjes schitterden.

In de soengei werden een paar haken uitgezet; maar de uiteinden van de

rottankabels, aan een zwaar stuk hout gebonden en dit laatste zoodanig

aan eenige takjes aan den oever bevestigd, dat deze bij een eenigszins

heftigen ruk moesten breken om het stuk hout drijvende te laten. In de

monding der Naning werd ook zulk een vischtoestel geplaatst, alsook nog

een paar daar tegenover, aan den westelijken oever van het eiland

Kanamit.

Toen dat alles goed besteld was, roeiden onze beide Europeanen

zachtkens naar hunne prauw terug en legden zich ter ruste.

Borneo van Zuid naar Noord · 第 47 / 77 题