Een nieuwbakken Dajak.—Een verfpartij.—De Arabier Sjech Mohamed Al
Mansoer.—Al te mooie Dajaks.—In de wildernis.—De tong dient den
blanken het meest.—De mandoor’s Dasso en Doeta.—Twee flesschen
jenever en eenige poeders murias Morphini.—De vogels geknipt.—Een
welgemeende vloek.
Met het krieken van den dag wekten de Europeanen, die geen oog
toegedaan hadden, de Dajaks, die nog wel wat hadden willen luieren.
Maar Johannes nam Dalim ter zijde en praatte een poos heel druk met
hem. De twee anderen gingen aan het rijst koken en visch poffen, zooals
dat daags te voren geschied was. De Europeanen verfrischten zich en
dreven den slaap uit de oogen, door hun lichaam in ’t riviertje te
dompelen, waarop de prauw te dobberen lag.
Nadat Dalim een wijl met Johannes gepraat had, trad hij lachende het
dichte bosch in en verdween voor een oogenblik uit aller oogen. De
andere haalde het pak kleeren te voorschijn, waarover hij des nachts
gesproken had, zocht daaruit wat hij noodig had en sprong vervolgens in
het water, het voorbeeld zijner makkers volgende en plaste en dartelde,
zooals dat alleen een Indo-Europeaan doen kan. Toen hij er genoeg van
had, greep hij zijn pakje, kroop daarmede achter een struik en, even
later trad een vreemde Dajak met den ontblooten mandauw in de hand op
de Europeanen toe, die nog aan ’t baden bezig, een schreeuw van
ontzetting slaakten. Een luide lach klonk hun in de ooren, gevolgd door
de woorden:
„Hèlo mikèh, olo bapoeti” (niet bang zijn blanke menschen).
De vermomming was volkomen. Toen zij de stem hoorden, herkenden zij
Johannes terstond, die daar met de „ewah” voor eenig kleedingstuk en
een vuilen hoofddoek om de slapen gewonden, voor hen stond. In het pak
van Baba Poetjieng waren ook eenige mandauw’s, het gebruikelijke zwaard
der Dajaks, wanneer zij ten oorlog of op „Kajau” (sneltochten)
uittrekken. Hij had er een van uitgezocht, dien omgegespt en, om de
vertooning nog aangrijpender te maken, het vreeselijke wapen uit de
scheede getrokken.
Nadat hij een wijl bekeken en bewonderd was, werd ontbeten. Gedurende
het ontbijt kwam Dalim uit het bosch terug. Deze greep een pot, deed
daarin een pak bladeren, die hij aangebracht had, goot daar water op,
voegde er vervolgens eenige droppels bij van een zwarte verfstof, uit
een klein steenen kruikje, dat hij had hangen aan de rottanlus,
waarmede hij zijn mandauw omgespt had, zette nu den pot te vuur en nam
toen plaats om ook zijn aandeel van het ontbijt te verorberen.
Toen hij daarmee klaar was, kookte zijn mengelmoes. Hij nam den pot van
het vuur en verzocht nu Schlickeisen, die zich het dichtst bij hem
bevond, de handen uit te steken. Hij had het hemd van Johannes al
gegrepen, daarvan een lap afgescheurd en dien in den pot gestoken en
zoo bevochtigd. Toen Schlickeisen zijne handen aanbood, wreef hij die
een poos met den lap, waarna zij bijna oogenblikkelijk een fraaie
bruine tint aannamen, die hem de meest fatterige inlander zoude benijd
hebben. Met de handen klaar, greep Dalim den Zwitser bij den nek,
draaide hem het hoofd onder zijn arm en waschte hem het aangezicht en
hals, zooals hij met een knaap van zes jaren zou gedaan hebben. De
omstanders lachten, dat zij het meenden te besterven. Toen de operatie
afgeloopen was, was Schlickeisen onkenbaar. Het was jammer, dat geen
spiegel in de prauw aanwezig was, om hem gelegenheid te geven zich
zelven te bewonderen. Maar Johannes was van meening dat het geheele
lijf der blanke vluchtelingen zoo moest toebereid worden, wilde men
voldoende gewaarborgd zijn, en dat beaamden allen. Dalim liep dus het
bosch weer in om nog meer bladeren te zamelen, ten einde op grootere
schaal te kunnen opereeren. Het waren de bladeren van den „Kalampoeït”
een boomsoort tot de Rododendrons behoorende, waarvan de Dajaks ook een
afkooksel gebruiken, om hun pijlvergift te versterken. Bij het kooksel,
dat thans bereid werd, dienden de bladeren slechts als bindingsmiddel.
De eigenlijke kleurstof nam Dalim uit het steenen kruikje en het daarin
vervatte was het sap van de „Katiting,” een boom tot de Rhisophoren
behoorende, dat door verbranding van de houtdeelen verkregen wordt en
alsdan als pik zoo zwart te voorschijn treedt.
Een uur later waren onze Europeanen prachtig gebronsd en stapten, in
hun „ewah” gehuld, zoo deftig, als waren zij geboren Dajaksche hoofden.
Alleen La Cueille werd bevonden minder juist het Dajaksche type weer te
geven. Hij, met zijn scherp besneden gelaat, fonkelende oogen, fraaien
ringbaard en krullenden haardos, vertoonde na zijn bruineering zoo
zuiver het type van den Arabier, dat men hem met algemeene stemmen tot
„Sjech” (arabisch praedikaat) verhief en hem Mohamed Al Mansoer noemde.
Daardoor verwierf hij het groote voorrecht in de tegenwoordige
omstandigheden, een chlamyde, lang hemd in den vorm van een
paletot-sac, waarover een gekleurde lange kabaai, te mogen dragen. Zijn
hoofd werd met een tulband versierd, en zijne voeten werden geschoeid
met sandalen, terwijl hij steeds de kralen van een rozenkrans tusschen
de vingeren moest laten glijden. Nu, dit laatste was hem niet vreemd.
In vroegere dagen had hij een dergelijk vroom werktuig meer gehanteerd
en aan de voeten van het Moeder-Gods-beeld geknield, menig „Ave Maria”
en „Gloria Patri” afgepreveld. Waar hij meer moeite mee had, waren de
sandalen en het kostte hem veel oefening op die platte zolen, die
slechts door een pin tusschen den grooten en eersten teen vastgehouden
werden, op eenigszins fatsoenlijke wijze voort te sloffen. Maar met
vasten wil kan men alles. Weldra schoof Richard La Cueille daar zoo
heilig heen en prevelde zijn „lā ilāha illa-llāhoe” (Er is geen God dan
Allah), zoo zalvend, alsof hij in Arabia Petrea het eerste levenslicht
had gezien. Daarbij kwam nog dat Dalim, hetzij onwillekeurig, hetzij
opzettelijk, den Waal donkerder getint had dan zijn lotgenooten,
waardoor de gelijkenis met een echten Sjech voltooid werd.
Er werd afgesproken, dat, bij ontmoetingen met inboorlingen, alleen de
ware Dajaks en Johannes, die de landstaal volkomen machtig was, zouden
mogen spreken. De beide Zwitsers zouden als „djipen” (pandelingen) een
diep stilzwijgen moeten bewaren, terwijl Sjech Mohamed Al Mansoer
slechts Maleisch behoefde te brabbelen, en dat te doorspekken met
Arabische spreuken en Koran-versetten, die Johannes hem wel leeren zou.
Een laatste bewerking, die de Zwitsers en ook Johannes nog moesten
ondergaan, om volmaakt op wezenlijke Dajaks te gelijken, was het verven
der tanden. Met behulp van den inhoud van Dalim’s kruikje, met dat
zwarte Katitingvocht, was men spoedig klaar en glom het gebit van
Johannes en der beide anderen, als ware het van ebbenhout vervaardigd.
Dalim beval hun nu nog aan, zich nog eenige dagen achter elkander ’s
morgens na het baden, de huid met zijn brouwsel in te wrijven, dan
zouden zij in de wol geverfd zijn en behoefden zij niet te vreezen, dat
zij in het eerste half jaar verkleuren zouden.
„Jèh tèh olo Ngadjoe bara bahalap haliai.”
„Ge zijt al te mooie Dajaks” was de meening van Dalim en werkelijk de
man had gelijk. Wel hadden de drie Europeanen de breede ruime
borstkassen, de flink ontwikkelde schouders en de stevige armen van het
type, dat zij voorstelden, maar zij misten daarentegen de kromme
verwrongen beenen, waaraan de bewoners der laaglanden van het eiland
Borneo hun naam ontleenen. Dajak is een verkorting van het woord
„dadajak” dat in de taal des lands beteekent: „wankelend loopen”. De
benaming Dajak is dus een scheldnaam, die ook zoo opgenomen en alleen
door de Europeanen gebezigd wordt. De bewoners van de benedenlanden
hebben allen, op zeer weinig uitzonderingen na, kromme onderdanen en
als gevolg daarvan een waggelenden gang. De oorzaak van dit gebrek is
daarin gelegen, dat zij het grootste gedeelte van hun leven, met
gekruiste beenen zittende, in hunne prauwen doorbrengen. Daarentegen is
door het vele en aanhoudende roeien hun bovenlijf zoodanig ontwikkeld,
dat het van de meesten wel tot model voor een beeldhouwer kan dienen.
In de taal des lands heeten de stammen, die wij Dajaks noemen „Olo
Ott”, indien het de bergbewoners geldt; „Olo Ott Danom”, indien men de
bewoners van de lagere gedeelten langs de rivieren en stroomen
aanduidt; en „Olo Ngadjoe” indien van de kust- of moerasbewoners
gesproken wordt. Ter nadere aanduiding wordt daarachter de naam van den
berg, den stroom of rivier genoemd, waarbij de bedoelden wonen. Zoo
„Olo Ngadjoe Kapoeas”. De Ngadjoe’s van de Kapoeasstreken; „Olo Ott
Danom Kahajan” de Ott Danom’s der Kahajanstreken; „Olo Ott Bohong”, de
Ott’s die bij den berg Bohong huisvesten.
Toen de herschepping onzer deserteurs afgeloopen was, bonden zij hunne
militaire kleeding in een pak te zamen, belastten dat met een goede
vracht klei en lieten het in het diepste gedeelte der soengei zinken.
Vervolgens werd aan den arbeid getogen om de prauw verderop te doen
stevenen. Maar dat was een harde arbeid. De soengei Dahasan is
eigenlijk een der vele afwateringskanalen van een uitgestrekt moeras,
dat zich in een depressie-plooi tusschen de Kapoeas, de Kahajan en de
Troessan gevormd heeft en met een dichte wildernis overdekt is. Het
zijn vooral de slingerplanten, die hier in verbazende hoeveelheid
voorkomen en den geheelen grond overdekken, de verschillende
riviertjes, poelen en kreken met een dicht lover overbruggen, tegen de
hoogste woudreuzen opklimmen, ze omstrengelen en hunne kruinen zoo
overdekken, dat zij, in vereeniging met de ontelbare woekerplanten, die
in die vochtige bosschen bij uitnemendheid tieren, hoog in de lucht op
die reuzenstammen een nieuwe plantenwereld vormen. De grootste boomen
en de kleinste struiken, stammen en takken zijn bijna met een
ondoordringbaar weefsel overtogen. Groepen van overschoone boomen, met
stammen zoo recht en glad als zuilen, dragen die parasiet-wouden, die
boven haar somber loofdak uitsteken en de eentonige omtrekken dier
bosschen schakeeren en schilderachtig verbreken. De reiziger in zulke
streken, ongeduldig den voet op den vasten bodem te kunnen zetten,
meent in die luchtwouden heuveltoppen en opgaand terrein te ontwaren en
ziet zich deerlijk teleurgesteld; want de bodem begeeft hem al meer en
meer en somtijds zou hij wegzinken, wanneer de slinger- en klimplanten
zijn voet niet tot steun strekten.
Wat op het terrein benoorden de Troessan het meest voorkomt tusschen de
reuzenboomen van het oorspronkelijk woud, zijn de rottansoorten, die
door de Dajaks met den algemeenen naam: „Oeai” betiteld worden. De
rottan is een slingerplant, die veelal op een afstand van vele meters
over den grond voortkruipt, zich tegen boomen en struiken naar boven
slingert en alles in den omtrek met een warnet overdekt, waarin slechts
met de bijl in de vuist een weg te banen is. De scheede, waarin de stam
der plant verscholen ligt, is met veelvuldige zeer scherpe doornen
overdekt en levert dus voor den woudlooper een geduchten hinderpaal op.
Ons zevental begaf zich in de bedding der soengei te water; en terwijl
vijf hunner, met het hakmes in de hand, de takken, struiken en
slingerplanten uit den weg ruimden en ten koste van menige pijnlijke
schram en van menigen zweet- en bloeddruppel ruim baan maakten, liepen
de beide anderen rechts en links van de prauw, soms tot aan het midden
in ’t water en stuurden en stuwden haar langzaam door het kronkelende
vaarwater, dat eigenlijk niet anders was dan een pad van een djoekoeng,
in vroegere dagen door den zachten modder gesleept. Het was een
onmenschelijke arbeid, waarbij ook de prauwvoerders menigmaal het
hakmes in den dichten doornenwand moesten hanteeren, wanneer het
dakwerk van het vaartuig, daarin verward, niet meer toeliet voor- of
achterwaarts te stevenen.
Tegen den middag hadden de vluchtelingen nog maar weinige kilometers
afgelegd; maar toen waren hunne krachten zoodanig uitgeput, dat zij
hijgend naar rust haakten. Ook was door de ingevallen eb het water
rondom zoodanig afgeloopen, dat het vaartuig in den modder eindelijk
als vastgeklonken, niet meer vooruit te brengen was, welke inspanning
men daartoe ook aanwendde. Noodwendig moest de volgende vloedstand
afgewacht worden.
Van de gedwongen rust werd gebruik gemaakt, om het middagmaal te
bereiden, waarbij de Dajaks zich zeer verdienstelijk maakten, door in
de gaten en kuilen van het drooggeloopen terrein eenige „bapoejoe’s” en
„gaboe’s” te vangen, waardoor het maal aan verscheidenheid zeer won.
De „bapoejoe” is een visch [37], die in uiterlijk en ook in grootte
veel van onze baarsjes heeft; alleen mist hij de scherpe rugvinnen,
maar is even lekker als deze. Die visch is van zeer gezelligen aard en
trekt in vrij groote scharen over het overstroomde land. Wordt hij door
de ingevallen eb verrast, en blijft hij op het droge, dan trekt hij,
door zijn instinct geleid, al springende door den modder naar de
naastbijgelegen soengei, om daar zijn element weer op te zoeken. Hij
kan zoo dagen lang buiten het water vertoeven en het is wezenlijk een
verrassend gezicht, soms honderden van die visschen, in een bepaalde
richting door den modder te zien spartelen en hunne reis vervolgen,
niettegenstaande de menigvuldige hinderpalen, die zoo’n moerassig bosch
hun oplevert.
De „gaboes” is ook een moerasvisch, die soms acht d.m. lang wordt en in
vorm veel met zeelt overeenkomt.
Toen het maal verorberd was, gingen de Dajaks rottan verzamelen; die
zou hun op de verre reis, die zij voor hadden, zeer te stade komen. Zij
sneden eenige einden, dertig à veertig meter lang, van die soort, welke
door hen „oeai ahas” genoemd wordt. Zij rolden die zorgvuldig op en
borgen ze in de prauw. Die zouden wel als kabeltouwen bij de een of
andere gelegenheid te pas komen. De soorten als „oeai irit, oeai tapa
en oeai hantoe,” die gemengd onder elkander in den handel voorkomen en
het materiaal zijn, waarvan stoelmatten en ander vlechtwerk vervaardigd
worden, werden op de gebruikelijke lengte van ruim tien rijnl. voet
gesneden, vervolgens van de doornen schacht voorzichtig ontdaan en
eindelijk in bossen van honderd stuks te zaam gebonden. Wel ware het
noodig geweest den rottan eenigen tijd in een sloot of rivier te
dompelen om uit te wateren, ten einde vroegtijdig bederf te voorkomen
en hem een fraaie witte of gele kleur te geven, maar daarmede konden
onze vluchtelingen zich niet ophouden; de gesneden rottan zou het wel
uithouden, zoolang hunne reis duren zou. Daarbij, er zou wel
gelegenheid zijn om bij noodzakelijkheid den voorraad aan te vullen of
te vernieuwen.
Terwijl de eigenlijke Dajaks zich zoo bevlijtigden, zaten de namaaksels
uit te blazen van de afmattende vermoeienis; ook ten einde weer
krachten te garen, om straks op nieuw met ijver aan den gang te kunnen
gaan. In den regel vermoeit de Europeaan in Indië zich meer dan de
inlander bij gelijken arbeid. Vooreerst door het voor hem afmattende
luchtgestel; maar vooral door de voortvarendheid en—men zou haast
kunnen zeggen—door den onbesuisden haast, waarmede hij de handen aan
het werk slaat.
Die rust van armen en beenen sloot evenwel de onbeweeglijkheid der tong
niet in zich. Aan hunnen landaard getrouw, lieten zij dat lichaamsdeel
vrij spel en pleitten ijverig voor het beweren van de inlanders, dat de
tong den blanken het meest dient. Er was trouwens nog veel te bepraten
en bij de ontwikkeling der toestanden, zouden de reizigers wel nimmer
gebrek aan stof tot gedachtenwisseling krijgen.
Ook nu trachtte Johannes zijnen lotgenooten voor oogen te houden, dat
alleen de grootste voorzichtigheid tot het beoogde einddoel kon voeren.
Hij meende daarop niet genoeg te kunnen terugkomen.
„Ik wil daarmee niet beweren,” vervolgde hij, „dat we ons als
lammelingen te gedragen hebben. Voorzichtigheid sluit volstrekt geen
lafhartigheid in zich. Komt het er op aan, met onze vuisten of met onze
wapens ruimbaan te moeten breken, dan zonder dralen er op in! Een
bedaard en berekend moedbetoon, kan dan veel ontzag inboezemen. Maar in
de omstandigheden, waarin we zijn, moeten we alles aanwenden, om de
gelegenheden te mijden, ruimbaan te moeten maken. Vooral moeten we
oppassen met iedereen, die van de benedenstreken komt. Gist de
kommandant te Kwala Kapoeas eenmaal, dat we deze buurt uit zijn,
dan....”
„Dan, dan,” viel La Cueille hem ongeduldig in de rede, „dat heb je ons
al verteld, dan worden we als wilde beesten gejaagd enz. enz.”
„Bleef het bij dat enz. maar. Buiten die jacht zou je wel eens stukjes
zien vertoonen, waarvan je nooit gedroomd hebt en die ook onmogelijk te
voorzien zijn. Als de kommandant ons op ’t spoor is en zich eenmaal in
’t hoofd gesteld heeft, ons machtig te worden, dan deinst hij voor
weinig middelen terug om zijn doel te bereiken. We kunnen dan niet
voorzichtig genoeg zijn. Wil jullie een voorbeeld van de kunsten die
hij weet uit te halen? Zeker heb je wel eens van de gevangenneming van
de mandoor’s Dasso en Doeta gehoord? Die leeft althans in de
overlevering van Kwala Kapoeas voort.”
„Ik heb er wel van hooren praten,” zei Schlickeisen, „maar het fijne
weet ik er niet van. Wie waren die lui?”
„Luistert, dat zal ik je vertellen. Dasso en Doeta zijn Dajaks van
Poeloe Petak en hebben daar en in de beneden-Kapoeas vele verwanten. ’k
Geloof zelfs dat Dalim een halve broeder van eerstgenoemden is. Beiden
en ook de drie Dajaks, die ons nu vergezellen, waren, bij het uitbreken
van den opstand in dit land, werkzaam bij de steenkolenmijn te
Kalangan. Dasso en Doeta waren „mandoor” (opzichter), de anderen
eenvoudige mijnwerkers. Alle vijf hebben zich schuldig gemaakt aan de
moordtooneelen, die daar plaats gegrepen hebben.”
„Een mooi zoodje, waarmee je ons in gezelschap gebracht hebt,” meende
Schlickeisen.
„Net of anderen zoo maar voor ’t grijpen waren, bij zoo’n onderneming.”
„Maar zijn ze te vertrouwen?”
„Ik meen meer dan iemand anders. Ze hebben zich in ’t hoofd gezet,
Singapore te bereiken en daartoe hebben ze onze hulp noodig. Bij de
voorgenomen reis over zee, had ik hun slechts de rol van roeier
toebedacht, dus een zeer ondergeschikte. Bij de verandering van
reisplan, treden ze meer op den voorgrond, omdat ze met land en volk
zeer goed bekend zijn. Ze kunnen ons onschatbare diensten bewijzen, ja
ik durf beweren, dat zonder hen de tocht, dien we ondernemen,
onuitvoerbaar zou zijn. Daarbij komt nog, dat ze in deze streken vele
familieleden bezitten. Dat is een soort waarborg voor ons; want
menigeen zal afgeschrikt worden hen aan de blanken te verraden, uit
vrees voor weerwraak, die voorzeker volgens de Dajaksche gewoonten
uitgeoefend zou worden.
„In zoo verre juist geredeneerd; maar als zij zelven verraad plegen?”
„Dat is met hun verleden en met hunne plannen moeielijk aan te nemen.
Het is evenwel voorzichtig hen niet uit het oog te verliezen, op alles
voorbereid te blijven en bij ontdekking zich door geen dwaze en
ziekelijk menschlievende overweging te laten weerhouden, maar de
onverlaten onmiddellijk neer te steken.”
„Goed zoo besproken! Ga nu voort met je verhaal.”
„Van Dasso en Doeta was het bekend, dat ze niet alleen aan het moorden
hadden deelgenomen, maar ze waren aangewezen als de eersten, die de
Europeesche vrouwen onteerden en vermoordden. Na die schandalen waren
de twee snuiters na veel omzwervens in de Dajaklanden teruggekeerd en
hadden zich metterwoon in de soengei Kajoe, die wij morgen, hoop ik,
voorbijvaren zullen, gevestigd. De luitenant had er al gauw kennis van
en was er te eer op uit die kerels op te pakken, daar sedert hun
aankomst in het gewest, een geest van lijdelijk verzet zich onder de
bevolking openbaarde, die tot nadenken moest stemmen en ook andere
gebeurlijkheden moest doen vreezen. Wat we toen gemarcheerd hebben,
daarvan is geen begrip te geven. Soms twee ja drie malen per dag rukten
patrouilles uit; later werden nachtelijke tochten beproefd; maar jawel!
kijk eens Piet of ze komen! Bekaf van vermoeidheid, uitgeput van honger
en dorst, nat en modderig van je hielen tot op de kruin van je hoofd,
door het baggeren te midden van dat kostelijk terrein en door
soengei’s, die we soms uren lang volgen moesten, keerden we in het fort
terug. En alles was te vergeefs; als we aankwamen, waren de vogels
gevlogen. Meestal stond de rijst nog op het vuur of was hun legerplaats
nog warm.”
„Maar me dunkt dat het gevangen nemen van die schoeljes toch zoo
moeielijk niet kon zijn,” meende Schlickeisen alweer, „met behulp der
bevolking moesten ze geknipt worden.”
„Ja, daar zat het hem juist. De bevolking hielp volstrekt niet mede;
het tegendeel was waar. Bijna al de bewoners van het district waren
familieleden van die twee mandoor’s. Als er een patrouille uittrok, dan
werden van uit hooge boomen, die aan ons gezicht onttrokken waren,
signalen gegeven en dan kon je loopen zooveel je maar wilde. ’t Gaf
toch niets. De luitenant heeft het ook, onder toezegging van hooge
premiën, met bevolkingspatrouilles geprobeerd; maar dat gaf nog
minder.”
„Maar je vertelde zoo even, dat de aankomst van die onverlaten in de
negorij verraden was. Kon de luitenant die verraders niet bezigen? Me
dunkt met geld...?”
„Slim ben je niet, dat moet gezegd worden, al heb je meer geleerd dan
ik. Begrijp je dan niet, dat zoo’n vent die wel het hart heeft om
tusschen licht en donker den luitenant zoo wat in ’t geniep te komen
vertellen, bij dag een paar pootige kerels niet aandurft, voornamelijk
ook alweer uit vrees voor de bloedwraak van wege de
familiebetrekkingen? Neen, daar viel al heel weinig aan te vangen. Maar
wat gebeurt? Luistert nu goed toe. Op een namiddag zie ik den
kommandant, uitgestrekt op zijn luiaardstoel, onder de voorgalerij
zijner woning zitten. Hij had een kop thee bij zich staan; maar ik
merkte op dat hij aan ’t „pikeren” (peinzen) was. Strak keek hij voor
zich uit en beet daarbij op zijn nagels en op zijn schralen knevel,
alsof die het er bij inschieten moesten. Duivels! ik kende hem, en
begreep, dat er wat aan ’t handje was. Plotseling roept hij een der
politie-oppassers, die, zooals je weet, ter zijner beschikking zijn, en
gelastte hem een der matrozen van de stroomop liggende kruisboot te
halen. Die vent verscheen spoedig genoeg, maar wat de luitenant met hem
besprak, heb ik niet gehoord; dat zal evenwel straks blijken. Toen hij
weer weg was, werd ik geroepen; ’k was destijds magazijnsknecht en
moest twee kelderflesschen jenever bij den kommandant brengen, hem
helpen daarvan de papieren stempels, die het lak dekten, voorzichtig af
te nemen, en de flesschen openen. Ik dacht eerst dat de luitenant een
hartigen teug wilde nemen, misschien was hem de thee te flauw. Maar
neen, hij nam uit de medicijnkist die doos met poeders, je weet wel van
die, welke hij hun geeft die bloeddiarrhee hebben.”
„Jawel, murias Morphini,” zei Wienersdorf.
„Juist, hooggeachte geleerde. Hij wierp zoo ongeveer een zestal van die
poeders in iedere flesch, schudde ze daarna duchtig, liet ze mij weer
dichtmaken en plakte zelf de stempels er weer op. Een apotheker had het
hem niet kunnen verbeteren. Toen liet hij mij die flesschen in een hoek
zijner kamer gereed zetten, waarna ik mocht heengaan.
„Tegen het vallen van den avond kwam de matroos nog een praatje met den
kommandant maken en verliet het fort met de twee flesschen jenever
onder den arm. Hij steeg in een djoekoeng, die aan de aanlegplaats
gereed lag, greep de beseai en roeide de Kapoeas op. Eenige uren later
scheepten de sergeant Greefkes met een achttal soldaten zich in een
prauw in en kozen ook dien weg. De geheele bezetting verdiepte zich in
gissingen; maar ik dacht er het mijne van. Des nachts om twee uur stond
ik op post op het westerbastion, toen ik in de verte op de Kapoeas een
prauw ontwaarde, die ik aanriep. Op mijn „werda” antwoordde de
sergeant, die zoo luid hij kon: „goed volk” schreeuwde, terwijl tevens
een rood licht in de prauw ontbloot werd en ons tegenschitterde. Dat
was een signaal. De luitenant werd gewekt, en toen de prauw aangelegd
had, werden daaruit drie kerels gedragen, die zoo slaapdronken waren,
dat ze niet wakker te krijgen waren en waarvan er twee met de voeten in
het blok, dat bij de politiewacht stond, gesloten werden. Jullie had
die gezichten des morgens bij het ontwaken eens moeten zien! ’t Waren
de mandoor’s Dasso en Doeta, die geknipt waren en nu in ’t blok wakker
werden.”
„Sacré nom de tonnerre!” brulde de Waal, „’k Heb een haat aan de
Hollanders, maar dat doet me toch pleizier, dat die smerige kerels
gepakt zijn. Maar... ik begrijp het niet goed, hoe zich de zaak
toegedragen heeft. Kon die matroos dan tooveren?”
„Voor een likkebroer is die vraag vrij onnoozel. Die matroos, een
Bandjarees van geboorte, was vroeger mijnwerker te Kalangan geweest,
maar daar wegens wangedrag ontslagen. Hij kende dus die mandoor’s zeer
goed. Voor eenige blanke rijksdaalders ging hij naar de soengei Kajoe,
vertelde daar aan zijn vroegere makkers, dat hij van de kruisboot
gedrost was en zich bij hen kwam voegen. Hij legde daarbij een innigen
haat tegen de Hollanders aan den dag en besprak menig plan met de
mandoor’s om dien haat bot te vieren. Evenals onze Waal, zijn de Dajaks
hartstochtelijke liefhebbers van sterken drank. De jenever, dien de
matroos meebracht, werd met gejuich ontvangen en zoo hartelijk door het
drietal aangesproken, dat, toen sergeant Greefkes op het tooneel
verscheen, hij niets te doen had, dan bevel te geven de moordenaars aan
handen en voeten te binden en hen in de prauw te dragen.”
Na dat verhaal heerschte een oogenblik stilte. Toen vroeg Schlickeisen
aan La Cueille of hij de strekking van het verhaal begreep? Deze boog
het hoofd en keek voor zich.
„Niet alleen voor onzen Arabier heb ik die gebeurtenis verhaald,” sprak
Johannes, „voor ons allen moet zij een waarschuwing zijn. We kunnen
niet achterdochtig genoeg zijn. Het verraad zal onder allerlei vormen
ons naderen. En laten we niet vergeten, dat van alle zijden ons leven
bedreigd zal zijn. We zijn in tijd van oorlog met medeneming van onze
wapenen gedeserteerd, een feit dat met den strop gestraft wordt. Van
den anderen kant begeven we ons naar het land der koppensnellers en
kannibalen. Het is en moet steeds blijven onze leuze, waarheen we ons
ook zullen wenden: pas op je kop.”
„De geachte spreker wordt voor zijn boeiend verhaal met eigenaardige
toepassing, bedankt,” betuigde Wienersdorf deftig. „Hij zou evenwel de
kroon op zijn verhaal zetten, wanneer hij ons mededeelde, hoedanig de
misdaad gestraft werd. Bij elk flink opgezet drama moet het vijfde of
eindbedrijf daaromtrent uitsluitsel geven.”
Johannes lachte, maar die lach getuigde van bitterheid.
„Luistert,” sprak hij, „luistert nog een oogenblik, ik zal kort zijn.
Die kerels werden opgezonden om voor den krijgsraad te Martapoera
terecht te staan. Onderwijl hunne zaak geïnstruëerd werd, zag een
amnestiebesluit het licht en de zoo ziekelijk menschlievende
Nederlanders sloten van dat genadebewijs uit: Pangerang Antassari en
zijne familieleden, Tomonggong Soerapatti en zijne zonen, alsook nog
eenige Goestie’s (vorstentelgen), mannen, die niets anders gedaan
hadden, dan zich tegen roof en verdrukking met het zwaard in de vuist
verdedigd en daarbij den inlandschen oorlog met nadruk in al zijne
gevolgen gevoerd te hebben; terwijl schobbejakken van de ergste soort,
kerels die zich aan het gemeene recht vergrepen en de gelegenheid te
baat genomen hadden om hunne vuige lusten aan de onschuldige
echtgenooten en dochters hunner slachtoffers bot te vieren, waarna zij
de onteerde schepsels op de meest gruwzame wijze vermoord hebben, op
vrije voeten gesteld werden, met opdracht dat zij, als onder het
opzicht der politie gesteld, wekelijks eenmaal hunne gemeene gezichten
moesten komen vertoonen aan den officier, die niets onbeproefd had
gelaten om hen aan den wrekenden arm der gerechtigheid over te leveren.
Nimmer heb ik hartiger vloek in mijn leven gehoord, dan die van de
lippen van onzen gewezen kommandant ontsnapte, toen de beide mandoor’s
voor de eerste maal na hunne invrijheidstelling hem hunne gemeene
tronies kwamen vertoonen.
„O!” brulde hij, toen zij den rug gekeerd hadden, „O! had ik die
ellendige komedie kunnen voorzien, dan hadden zij nooit het fort
betreden.”
Ieder weldenkende zal dien kreet voorzeker begrijpen.