VII.

Dronkenmans-foefje en dronkenmans-redeneering.—In zee.—Een

begrafenis.—Johannes in een Tjemara-boom.—Een jacht.—Een

uitmuntende raad.—De Kahajan op.—Een Aeolus-harp.—De soengei

Troessan.—In de soengei Dahasan.—Een boschspook.—Een

muskieten-vestje.—Verdere plannen.—„Pas op je kop”.—Een zwart pak.

De twee Zwitsers waren woedend op La Cueille over zijn ontijdig

geschreeuw. Ook Johannes toonde zich ontstemd. Een blik evenwel op den

Waal loste het raadsel op. Gedurende den tijd, dien de ontvluchting

voorafging, had deze stipt zijn woord gehouden en geen droppel jenever

geproefd. Zelfs had hij de oorlammen niet gedronken, die den soldaat op

voet van oorlog van Gouvernementswege uitgereikt worden. Maar hij had

het toch jammer gevonden dien jenever ongebruikt te laten en daarom had

hij den kommandant verlof gevraagd, zijn ration sterken drank in een

kommetje te mogen ontvangen om er zijne voeten en beenen mee te

wasschen, die hij voorgaf dat opgezwollen waren. De algemeene regel is,

dat de soldaat zijn oorlam bij den foerier, die het hem aanreikt,

terstond uitdrinkt. Toen de officier, achterdochtig tegenover zoo’n

dranklustige, en een foefje vermoedende, om genoegzaam drank te kunnen

besparen, ten einde eens ter dege dronkenmannetje te spelen, La Cueille

de voeten deed ontblooten, vertoonde deze een paar, die zoo opgezet en

zoo rood ontstoken schenen, dat de gevraagde permissie zonder aarzeling

verleend werd. Aan die voeten mankeerde evenwel niets; de oolijkerd, de

achterdocht van den luitenant voorziende, had zich met een paar

touwtjes de beide beenen boven het kniegewricht zoodanig afgebonden,

dat de bloedsomloop gestremd was en van daar de opgezwollen en

branderige voeten. Zorgvuldig bewaarde de Waal nu dien jenever en zoo

had hij ruim anderhalven liter verzameld, die in de veldflesch van

Johannes en de zijne door Baba Poetjieng aan boord was gebracht. Toen

hij nu des avonds, na zijn ontsnapping uit het fort, in de prauw

gedoken lag, in afwachting dat het uur van vertrek zoude komen,

streelde zijn hand met innig welgevallen de beide veldflesschen en

watertandde hij bij de gedachte, dat het oogenblik nabij was, waarop

hem vergund zoude wezen, eens een hartigen teug te nemen. Wat kropen

die uren langzaam om! Wat was het mistig en kil op het water! Zou dat

wel gezond wezen? Langzamerhand begon de overtuiging zich bij hem op te

dringen, dat hij toch reeds geheel en al zijn woord gestand had gedaan.

Van het oogenblik af, dat hij dat woord verpand had, om vóór het

vertrek geen jenever te drinken, was geen droppel drank hem over de

lippen gekomen. Maar nu was het vertrek daar; hij was reeds in de

prauw, van den wal af. Een ellendig stuk rottan verbond nog maar het

vaartuig met het vlot, waaraan het vastgemeerd lag. Zou nu in waarheid

kunnen beweerd worden, dat de ontvluchting niet feitelijk begonnen was?

Jawel, dat was zij zeker! dat zou de kommandant hun wel aan het

verstand brengen, wanneer hij hen nu ontdekte. Kom! een enkele teug zal

nu toch geen kwaad meer kunnen stichten. Hij greep een der

veldflesschen in het donker, ontkurkte haar voorzichtig en onhoorbaar

en nam een flinken teug. Hé! dat smaakte en verwarmde hem; de

nachtlucht was toch zoo onaangenaam vochtig. Een tweede teug volgde en

was in volumen niets minder dan de eerste.

„Train de plaisir de ma bouche à mon estomac,” prevelde de Waal, die

zich nu in een uiterst aangename gemoedsstemming begon te gevoelen. Wat

duurde het lang, eer dat dat verwenschte lijk gebracht werd. Om den

tijd te korten, liet hij den pleiziertrein nog eens rijden. De eerste

veldflesch was bijna ledig.

Eindelijk! daar kwam men met den doode aandragen. Poeah!! wat een

stank; dat was om de cholera op het lijf te krijgen! De rijken drinken

champagne en cognac als verweermiddel tegen de ziekte; jenever zal toch

wel hetzelfde uitwerksel hebben. En zoo ging het teug op teug en zoo

was de inhoud van de tweede veldflesch op weg de eerste te volgen.

Toen de Balians met hare prauw aangekomen waren, en de lijkstaatsie

zich in beweging stelde, zat La Cueille wezenloos uit te turen, maar

hield zich doodstil. De boomen en struiken op de oevers stoven in het

nachtelijk duister voorbij, als waren het spookgestalten. Somber en

klagend weerklonk de titih over de watervlakte, terwijl de roeiers den

vloed met hunne „beseai’s” (pagaaien) kliefden. Achter de doodenprauw

gilden de Balians hunne doodengezangen. De vluchtelingen roeiden mede

en tuurden overigens stilzwijgend naar de voorbijzwevende oevers. Daar

doemden de sombere omtrekken van het fort op. De stem van een

schildwacht liet zijn „werda” hooren en kort daarop het bevel om aan te

leggen. Daaraan moest voldaan worden. Het hoofd van een sergeant boog

over de lijkprauw, maar toen die onderofficier den stank in den neus

kreeg, dien de doode verspreidde en hij vernam dat het de begrafenis

van een choleralijder betrof, trok hij zich eenigszins verschrikt terug

en liet de beide prauwen de reis voortzetten. Nog een paar roeislagen

en de vaartuigen waren de landtong voorbijgeschoten. Maar toen kon de

dronkaard zijn overmoed niet meer bedwingen:

„M....! pour les têtes de fromage! Enfoncés les Hollandais!” klonk over

het water. Wel sprong Johannes op en wilde den Waal den mond dicht

houden; maar het was reeds te laat.

„Beseai goeloeng goeloeng!” (roeit snel) vermaande hij.

Toen het bevel van het fort weerklonk om terug te keeren, brulde La

Cueille in volle dronkenmanswoede nogmaals zijn M....! en voordat

iemand het hem beletten kon, greep hij zijn geweer en vuurde het in de

richting van het fort af. Al heel spoedig daarop, zagen de opvarenden

een groote vlam flikkeren en bijna onmiddellijk daarop dreunde een

kanonschot als een vervaarlijke donderslag door de lucht.

Tegelijkertijd deinden de prauwen alsof zij beschonken waren en

knetterde een levendig geweervuur van den wal. Wat er eigenlijk

voorviel, wist niemand der opvarenden bij de algemeene ontsteltenis.

Toen het geweervuur ophield, dreven de vaartuigen door den sterken

ebstroom voortgezweept, in het midden der zeer breede rivier.

In de prauw der Balians waren van de veertien roeiers twee gedood en

een gewond. In die der deserteurs was niemand gedeerd en waren allen

met den schrik vrij gekomen. Ieder greep zijn „beseai” en roeide met

alle kracht, want iedereen begreep, dat een nachtelijke vervolging niet

onmogelijk was. Zoo, door zes paren krachtige armen voortgestuwd,

terwijl de zevende stuurde, vloog de prauw vooruit en deed het witte

schuim onder haren voorsteven opstuiven. Die vaart werd volgehouden

totdat de dag aan den hemel gloorde. Voor zich bemerkten toen de

vluchtelingen de open zee, waarvan de blauwe golfjes onder den invloed

van den zuidoosten wind zich met zilverwit schuim kroonden. Van de

Balians-prauw was sedert lang niets meer te bespeuren geweest; die was

voorzeker onder de oevers geloopen en zou bij het aanbreken van den dag

wel naar Kwala Kapoeas teruggekeerd zijn. Maar dat deerde de deserteurs

niets, want noch de priesteressen, noch de roeiers wisten iets van het

komplot af.

Toen de oostelijke hemel zich in purper hulde, nam Wienersdorf den

kijker en liet den blik langs den gezichteinder glijden. Heel in de

verte waren twee kruisprauwen zichtbaar, die scherp bij den wind

omstreeks noord-oost koersten, alsof zij de Barito-monding wilden

halen. Nog verder werd de rook van een stoomschip ontwaard; welke

richting dat volgde, kon wegens den afstand niet bepaald worden. Iets

om de zuid-west, zoo wat een paar mijlen uit den wal, stevende een

prauw, die in haar uiterlijk veel op het vaartuig onzer avonturiers

geleek en die den steven naar de kleine Dajak-monding gewend had.

Zoodra men de monding uit was, werd om de west gestuurd, waarna een der

Dajaksche opvarenden den raad gaf, den wal aan te doen, vooreerst om

zich van het lijk te ontdoen, maar voornamelijk om nipah-bladeren [31]

te snijden, ten einde het dak der prauw met versch groen te bedekken en

haar zoo aan het waakzaam oog der kruisprauwen te onttrekken. De

Europeanen waren van meening dat het eenvoudiger was, het lijk over

boord te zetten en, hoewel dat wel weerzin bij de Dajaks verwekte,

hadden zij de meerderheid en ploften de kist in zee. Overigens werd de

gegeven raad gevolgd, en weldra waren in overvloed bladeren gesneden,

waarmede de prauw zoodanig overdekt werd, dat van de lichtgele

dakbedekking niets meer te zien en het vaartuig tegen het groen van de

dicht begroeide kusten niet te ontwaren was. Men vervolgde nu de reis

en hoopte, zoo langs den wal varende, geheel onopgemerkt te blijven. De

beseai’s werden met de uiterste voorzichtigheid gehanteerd om in de

zonnestralen geene glinsteringen in de wateroppervlakte te veroorzaken.

Er werd besloten de Kahajan-monding in te loopen, zich daar in de

eerste de beste kreek te verbergen en te wachten tot dat de avond zou

zijn gevallen, om de reis westwaarts te vervolgen. Dat alles slaagde

naar wensch, hoewel de kruisbooten, na een langen slag bij den wind

afgelegd te hebben, gewend hadden en westwaarts waren gestevend,

nagenoeg evenwijdig aan de kust, evenwel op zoo’n grooten afstand, dat

zij de prauw niet opmerkten. Eindelijk kwamen zij voor de kleine

Dajak-monding ten anker. De prauw, die men in het zuid-westen ontwaard

had, scheen een handelsvaartuig te zijn, dat zwak bemand was, en in den

wind en de vrij holle zee niet veel gang maakte en zwaar werkte. Zacht

roeiende bereikten onze vluchtelingen zoo omstreeks het middaguur de

Kahajan-monding. Zij voeren die in, vonden spoedig een geschikten

inham, waarin zij de prauw onder eenige dicht voorover hangende

struiken verdekt opstelden, waarna zij eenige rust trachtten te

genieten, want zij waren zeer vermoeid en de aanstaande nacht zou hun

weer inspanning genoeg opleveren. Een hunner zou de wacht houden.

Zij konden daar zoo omstreeks een paar uren gelegen hebben, toen

eensklaps een paar geweerschoten weerklonken, die al vrij spoedig door

een kanonschot gevolgd werden. Allen sprongen op en vlug als een kat

klom Johannes in een nabijstaanden Tjemara-boom, [32] die een ruim

uitzicht naar de zeezijde opleverde. Wat hij zag, was weinig

geruststellend.

Een aantal prauwen kwamen de kleine Dajak-rivier uitschieten en deden

signalen aan de kruisbooten. Deze laatsten wonden hunne ankers op,

heschen de zeilen en maakten zich gereed de prauwen te gemoet te

stevenen. Het handelsvaartuig had den boeg gewend, zeil bijgezet en

voor den wind afhoudende en door forsche roeislagen geholpen, trachtte

het uit de voeten te komen. Toen de prauwenflotille de kruisbooten

bereikt had, scheen er raad gehouden te worden, die evenwel niet lang

duurde; want al spoedig weerklonken drie losse kanonschoten als bevel

aan het handelsvaartuig om bij te leggen. Dat stoorde er zich evenwel

niet aan; integendeel, met nog meer kracht dan mogelijk scheen,

doorkliefden de roeiers, die nu eensklaps talrijk bleken, het water.

Het scheen een flink vaartuig, dat vlug vooruitschoot en zich met gemak

op de achteraan rollende deining verhief. Nu begon eene wilde jacht. De

kruisbooten zetten zoo veel zeil bij als zij maar konden; de lange

roeiriemen geeselden het water. Ook bij de prauwenflotille werd veel

inspanning aan den dag gelegd, om te kunnen volgen. Maar het gejaagde

vaartuig scheen zijn afstand te behouden; althans Johannes kon niet

merken, dat die afstand verminderde. Een paar kanonkogels

ricochetteerden op de golvenkruinen; maar voor die ellendige

gladziels-vuurmonden van zeven c.m., waarmede de kruisbooten in

Nederlandsch-Indië bewapend zijn, was de afstand te groot.

Eindelijk kon Johannes van zijn observatiepost niets meer onderscheiden

dan een paar onduidelijke stippen in het west-zuid-westen aan den

horizon. Toen liet hij zich naar beneden glijden en met een zucht

verweet hij La Cueille:

„Daar heb je de gevolgen reeds van je dronkemansgeschreeuw. Vervloekte

sopie! Men is ons nu op ’t spoor.”

„Maar wat heb je gezien?” vroeg Wienersdorf.

Johannes vertelde nu wat hij waargenomen had en herhaalde dat verhaal

ook in het Dajaksch en besloot met de verzuchting:

„De prauw, die zij nazetten is een smokkelprauw van Baba Poetjieng; ik

had haar heden ochtend reeds herkend. Maar wat zal er gebeuren, wanneer

zij die prauw inhalen? De luitenant is zeker aan boord van de flotille

en die zal wel gelasten de geheele kust scherp te onderzoeken. Eer we

vier en twintig uren verder zijn, hebben we meer dan tweehonderd

vaartuigen zwervende langs de zuidkust,” en knarsetandende vervolgde

hij:

„Ik wou dat die dronken Waal....!”

Wienersdorf lei hem de hand op den mond:

„Schelden en verwijten baat niet op het oogenblik. Er moet gehandeld

worden; wat staat ons te doen?”

„De geheele onderneming ligt in duigen. Langs de zuidkust kunnen we

niet meer voort. Niet waar Dalim?” vervolgde hij tot een der Dajaks en

herhaalde in diens taal zijn beweren.

„Djaton mandanan augh,” was het antwoord. „Er valt zich zelf niet te

bedriegen, de weg is daar afgesloten.”

Na een oogenblik met zijne makkers geraadpleegd te hebben, voer hij

voort, terwijl hij met de hand naar het noorden wees:

„Hetèh!” (daarheen).

„De Kahajan op?” vroeg Johannes ontsteld.

„Dia” (neen) was het antwoord. „Daar zouden we niet doorkomen. Ook zal

de Kahajan wel doorzocht worden; en daarenboven weten we er den weg

niet.”

„Maar wat dan?”

„De Troessan [33] in.”

„Zou die niet doorzocht worden?” vroeg Johannes bitter.

„Wel zeker; maar we moeten voort maken. In de Troessan watert de

soengei Dahasan uit en die staat in verbinding met de soengei Basarang,

die ten noorden van het fort in de Kapoeas hare uitwatering heeft.

Niemand weet daarvan iets; ik heb dat eens ontdekt bij het

rottan-snijden. Komaan, voort! we hebben geen tijd te verliezen.

Eenmaal in de Kapoeas, zal men ons daar voorshands niet zoeken.”

Die raad was in de tegenwoordige omstandigheden uitstekend; dat

gevoelden allen. Maar allen moesten zich ook bekennen dat, nu de tocht

over zee onmogelijk geworden was, men een vreeselijke toekomst tegemoet

ging. Maar er viel niet te dralen; ieder oogenblik talmens kon ook dien

uitweg onmogelijk maken en daar bleef niets over dan of door zelfmoord

een einde aan de ellende te maken, of in handen hunner vervolgers te

vallen. Het duurde dan ook niet lang of de prauw, uit haren schuilhoek

gehaald, was in volle vaart en erlangde een vrij groote snelheid, daar

de vloed begon op te loopen.

Zwaar werd er geroeid; maar toch vond men nog gelegenheid om te morren

tegen den rampzalige, die de oorzaak van dien tegenspoed was. La

Cueille erkende ten volle schuld en begreep dat, hadde hij den mond

gehouden, zij een heel eind in de goede vaart en niet meer in te halen

zouden geweest zijn, wanneer men te Kwala Kapoeas al iets van hun spoor

vernomen zoude hebben. Met gebukten hoofde hoorde hij stilzwijgend de

verwijten zijner kameraden aan en trachtte slechts zijn leedwezen te

kennen te geven, door met zijn pagaai, zoo krachtig hem maar mogelijk

was, het water te klieven.

Maar.... wat was dat? Plotseling hielden de Europeanen met roeien op en

keken uiterst verbaasd uit. De Dajaks staakten den arbeid en keken ook

uit, omdat zij hunne metgezellen zulks zagen doen. Een geluid liet zich

hooren als van een Aeolusharp, nu eens ver verwijderd, zacht en

vloeiend doch steeds duidelijk; dan weer zoo dichtbij, alsof het aan

den buitenwand der prauw ontstond. Het was een volmaakt akkoord dat

weerklonk, afwisselend zacht en smeltend, nauwelijks waarneembaar als

de adem van een lispelend windje; of vol, krachtig en forsch, alsof de

stormwind door een reusachtig snareninstrument joeg. De Europeanen

keken elkander schier beangst aan en wisten er niets van te maken. La

Cueille sloeg angstig een kruis en prevelde binnensmonds iets, waaruit:

„étoile de la mer, priez pour nous” verstaan kon worden. Daaromtrent

waren allen het eens, dat het voor hen onverklaarbaar was. Toen de

Dajaks begrepen, waaraan die angstige verbazing toe te schrijven was,

begonnen zij te lachen. Voor hen was het een gewoon verschijnsel, wat

zij „rioeng” (spektakel) ook wel „riwoet haroesan” (adem des vloeds)

noemen en waaromtrent zij de navolgende legende verhaalden.

De eerste vorst van Bandjermasin, Lamboeng Mangkoerat, van goddelijken

oorsprong, had met behulp van Djata-Soerassa, een krokodil, nauw

verwant aan Djata, den broeder van Mahatara [34], zich een rijk

gesticht langs de boorden van de Doesson en hare nevenrivieren. Bij

overeenkomst was bepaald, dat, zoodra Lamboeng den troon beklommen

zoude hebben, hij aan den kaaiman twee en veertig schoone jonge maagden

zoude overleveren, ter voldoening aan diens gruwelijken wellust. Toen

het oogenblik daar was om die schuld aan te zuiveren, begaf de nieuwe

vorst zich met het begeerde getal jonge meisjes op weg, om die te Kwala

Mengkatip af te leveren. Om de langwijligheid der reis te korten, was

op de prauw, waarop Lamboeng zich ingescheept had, ook een prachtig

gamelanspel aanwezig. Dit scheen evenwel geen genoegzame tijdkorting,

want de vorst liet de oogen gaan langs de rij schoonen, en verliefde op

eene harer. Verlangen en de lust om te bevredigen is bijna

gelijkluidend voor Indische vorsten. Maar de straf liet zich niet lang

wachten. Djata-Soerassa, verontwaardigd dat men hem zoo bedriegen

wilde, deed met een hevigen slag van zijn staart de prauw kantelen,

waardoor de meisjes en het gamelanspel in de diepte verdwenen. Met

moeite redde Lamboeng Mangkoerat het leven en had dat slechts te danken

aan zijn verheven oorsprong. Het zachte klaaggeschrei der maagden en de

wegstervende tonen der Gamelan, bleven op het water zweven en

verkondigen zoo nog voortdurend de wraak die Djata-Soerassa genomen

heeft.

Dalim voegde er echter bij, dat de Europeesche zendelingen de

navolgende verklaring van het verschijnsel gegeven hadden: Wanneer de

vloed zoo lang gestegen is, dat eerst het rivierwater, daarna het

brakke water teruggedrongen is en het onvermengde zeewater begint op te

komen, dan komt dat in aanraking met de zoetwaterdeelen, die zich nog

bevinden in de tegenstroomingen, die allerwege door de bochten, de

inhammen en kreken der rivier gevormd worden. De wrijving der

zoutdeelen van het opkomende zeewater met die zoetwaterstroomingen zou

dat harmonisch geluid te voorschijn roepen. Die meening wordt vrij

aannemelijk doordat het slechts zoo ver vernomen wordt, als het

zeewater met den vloed de rivier binnendringt. Bevindt zich een prauw,

wanneer de vloed met kracht doorkomt, juist op de grens van zulk een

tegenstrooming, zoodanig dat zij het heldere zeewater aan de eene zijde

en het gele of bruine rivierwater aan de andere zijde heeft, wat men

dikwijls kan waarnemen, dan zal het melodieuse geluid aan den

zeewaterkant vernomen worden, zacht en smeltend, wanneer de prauw

weinig vaart loopt, of slechts door den stroom voortgestuwd wordt;

daarentegen krachtig, vol en doordringend, wanneer de prauw met

inspanning voortgeroeid of zeilend door een flinke bries voortgezweept

wordt.

De „adem des vloeds” begeleidde de vluchtelingen tot aan den ingang der

Troessan, dien zij tegen het vallen van den avond bereikten. Toen zij

die soengei binnengestevend waren, was eensklaps alles stil en hoorde

men van de Aeolusharp niets meer.

„Oef!” riep La Cueille, „dat ’s een pak van m’n hart. Het was of

geesten rondom de prauw muziek maakten. Wanneer dat den geheelen nacht

had moeten duren, was ik gek geworden.”

„Narai augh hetèh” (wat is dat voor een gebabbel), bromde een der

Dajaks en zich naar Johannes buigende, fluisterde hij dien wat in het

oor.

Met gedempte stem beval deze nu stilte aan; omdat men zich in een nauw

vaarwater bevond, waarin men al heel licht een andere prauw achterop

loopen of tegemoet kon komen. Vooral het spreken eener andere taal dan

de Dajaksche zou dan allicht aanleiding kunnen geven, dat hun spoor

verraden werd.

Met inspanning van alle krachten werd nu voortgeroeid en tegen acht uur

werd de monding van soengei Dahasan bereikt. Men voer die nog een goed

eind naar binnen; maar toen verklaarde Dalim, dat de dag moest

afgewacht worden, daar men licht kon verdwalen, wijl hier vele

riviertjes elkander kruisen. Dat was waar, maar dat was toch de ware

reden niet, waarom hij de reis wenschte gestaakt te zien. Vooreerst

waren allen zeer moede; niemand had nog iets gegeten en ook van slapen

was niet veel ingekomen; daarenboven begreep Dalim, dat, waar hij bij

het rottan snijden met een uitgeholden boomstam tot vaartuig

doorgeschoven was, het veel moeite zal kosten, een prauw als die,

waarmede de vluchtelingen de reis maakten, er door te brengen. Het

daglicht was daarbij onontbeerlijk.

„Maar,” vroeg Wienersdorf, „is het hier veilig om den nacht door te

brengen? Ware het niet beter nog wat verder door te dringen?”

„Neen,” beantwoordde Dalim de laatste vraag. „Hier is volkomen

veiligheid. Geen Dajak waagt zich hier. En de „toean Koemdan” (heer

kommandant) zal van ons nog wel geen bericht hebben. Die is nog buiten

op de jacht achter de prauw van Baba Poetjieng. Als hij morgen avond

aan de kleine Dajakmonding terug is, mag hij blij zijn. We hebben

gelukkig geen enkel vaartuig, noch in de Kahajan, noch in de Troessan

ontmoet. Onmogelijk kan men gissen, dat we hier zitten; want niemand

kent dezen doorgang. We hebben dus een paar dagen voor ons om onze

maatregelen te kunnen beramen.”

„Maar waarom zouden de Dajaks zich hier niet wagen?”

„In 1859 kwam Pembekel Soelil om het leven door het springen van een

stuk geschut, dat hij eigenhandig tegen de Hollanders afschoot, bij de

verdediging zijner benting, bij de monding van de soengei Basarang

gebouwd. Om zijn lijk aan de schendende hand der Hollanders te

onttrekken, werd het in de soengei Dahasan dicht bij de monding

begraven. We zijn straks de plek voorbij gevaren. Maar sedert wordt

deze soengei door een Pampahilep bewaakt en wee hem, die het verboden

terrein betreedt!”

„Een Pampahilep wat is dat?”

„Een vreeselijk boschspook, dat iedereen ombrengt, die onder zijn

bereik komt. De Pampahilep die hier huist, is er eene van het

vrouwelijke geslacht. Wanneer het haar gelukt, een mannelijk individu

te bemachtigen, dan noodzaakt zij hem haar echtgenoot te zijn. Na

voldoening harer hartstochten verworgt zij haar slachtoffer.”

„Brr! quelle canaille!” mompelde de Waal met afgrijzen, „ik wou thans

wel een vrouw zijn.”

„Dan zou zij een zwagerin van u maken,” zei Dalim lachende. „Zij heeft

ook broertjes.”

De Waal zuchtte diep en wijdde een vrome gedachte aan Notre Dame de

Montaigu.

„Maar zijt ge dan niet bang?” vroeg Schlickeisen den Dajak.

„Die „sansana” (fabel) bracht ik in de wereld, omdat ik een verborgen

weg noodig had om zout, kruit en lood aan de „brandals” (muitelingen)

in de Kapoeas te kunnen brengen. Die vrouwelijke Pampahilep houdt

iedereen op een afstand.”

„Maar gelooven de Dajaks dat maar zoo grif weg?”

„Ze zijn zeer bijgeloovig; er zijn vele plekken in hun land, die door

boschspoken bewoond worden en waar een Dajak voor geen schatten ter

wereld zich zal wagen. Daarenboven had de plotselinge dood van Pembekel

Soelil aller gemoederen diep getroffen. In zijn verscheiden werd de

hand van den God der blanken gezien en bij den eerbiedvollen schrik,

dien ieder inlander in de nabijheid van lijken ondervindt, zou niemand

dan met ontzettenden angst vervuld, Soelil’s graf naderen.”

„Een prettige buurt in den nacht,” pruttelde La Cueille, „ik zat liever

in een estaminet.”

„Maar,” vroeg Schlickeisen, „straks verteldet ge, dat om het lijk van

Soelil aan de Hollanders te onttrekken, het hier begraven werd.

Schenden de Hollanders dan lijken?”

„Zij verbieden het koppensnellen aan de Dajaks, maar nemen zelf de

koppen van de lijken mede.”

„Hebt ge dat gezien?”

„Neen, maar ’t is een algemeen verspreid geloof; ik heb zelfs vernomen,

dat die koppen in het zout worden gelegd.”

„Och loop heen,” hernam Johannes, „’t is eens of tweemalen geschied,

dat het hoofd van een voornaam brandal naar Bandjermasin is opgezonden,

om de identiteit van den gesneuvelde te constateeren en het volk van

diens dood te overtuigen, maar daarna zijn die koppen begraven.”

„’k Wou dat jullie met je spoken en dat koppengemaal ’k weet niet waar

zat. Ik zal er gewis van droomen heden nacht,” morde La Cueille.

Men bleef dus dien nacht waar men was; maar van rusten, waarnaar allen

haakten, en van droomen, waarvoor de Waal vreesde, kwam hoegenaamd

niets in. Eerst toch moest voor de maag gezorgd worden, die bij allen

ten ernstigste protesteerde, dat hij in de laatste vier en twintig uren

niets te verwerken had gehad. Eenige droge takken waren gauw gevonden,

lucifers hadden de Zwitsers in den zak en weldra vlamde een vroolijk

vuurtje, waarboven het maal zoude bereid worden. Door de zorg van Baba

Poetjieng waren eenige groene bamboestaken in de prauw aanwezig;

daarvan sneed een der Dajaks eenige einden boven en onder de geledingen

af, maakte in de aldus verkregen holle buizen, die aan beide uiteinden

gesloten waren, een kleine opening, liet daardoor rijstkorrels glijden

totdat de buizen bijna gevuld waren en voegde er wat water bij.

Vervolgens sloot hij de openingen met een pennetje en wierp de zoo

toebereide stukken bamboe in ’t vuur. De Zwitsers zagen verbaasd en

nieuwsgierig toe. Zij hadden al eens rondgekeken in de prauw en zich

afgevraagd, waarin toch gekookt zou worden; want buiten eenige kleine

aarden pannen en een ijzeren kwalie waren zij arm aan

keukengereedschap. Na een twintigtal minuten barstten de bamboestukken

met een geluid als van een pistoolschot en nam de Dajaksche kok ze uit

het vuur, maakte ze verder open en spreidde een smakelijk gaar gekookte

rijst uit op een groot blad, dat hij van de eene of andere waterplant

in de nabijheid geplukt had.

„Verduiveld!” zei Wienersdorf, „dat’s makkelijk, we behoeven niet bang

te zijn, potjes of pannetjes te breken; we hebben de pottebakkerswinkel

bij ons.”

„Ja,” lachte Johannes, „en die winkel is gemakkelijk aan te vullen.”

„Dat weet ik nog niet,” meende Schlickeisen, „’k heb sedert ons vertrek

geen enkele bamboestruik opgemerkt.”

„In de benedenlanden zal je dat ook niet. De bamboe heeft drogen bodem

noodig. Wacht maar, we zullen wel bamboestruiken ontmoeten.”

Onder die bedrijvigheid had een andere Dajak in een aarden pan wat

lombokh (spaansche peper) met wat zout fijn gewreven; Johannes had een

paar gedroogde visschen boven het vuur gepoft; zoodat in een ommezien

het maal klaar was. Heel veel omslag had de bereiding niet gekost, maar

het smaakte overheerlijk, want ingespannen arbeid en ontbering

gedurende een etmaal geeft grage magen.

Toen ons zevental verzadigd was, wikkelden zij zich zoo goed en zoo

kwaad zij konden, de soldaten in hunne spreien en de Dajaks in hunne

lompen, en trachtten in slaap te geraken. Met de inboorlingen was dat

spoedig het geval; maar den Europeanen werd iedere rust ontzegd, door

de zwermen muskieten, die op hen indrongen.

De zuid- en ook de westkust van Borneo is tot op een zeer grooten

afstand van zee van zulk een lage gesteldheid, dat het land bij iederen

vloed, die de wateren in de rivieren en stroomen terugdringt, allerwege

overstroomd wordt en dat slechts zelden een eenigszins uitgebreide plek

gevonden wordt, die boven den vloedstand droog blijft. Men kan de

voornaamste rivieren op de zuidkust als de Doesson, de Kapoeas, de

Kahajan een zestal dagen opstoomen en alsdan nog den invloed van eb en

vloed ondervinden, terwijl de aangrenzende oevers dagelijks onder water

gezet worden. Bij zoo’n vloedstand zijn die oevers verdwenen en worden

de grenzen der rivierbedding alleen aangeduid door de vegetatie der

oorspronkelijke bosschen, die uit het water omhoog rijzen. Een eerste

gevolg van die periodieke overstrooming is een steeds toenemende

moerasvorming in het achterwaarts gelegen terrein, waarin ontelbare

zwermen muskieten geboren worden, en daar in hun element zijn. Onze

vluchtelingen zouden er nu ter dege kennis mede maken. Wel waren zij in

het fort te Kwala Kapoeas door die venijnige insecten ook geplaagd,

maar daar hadden zij achter de hooge palissadeering van de versterking

nog eenigermate bescherming gevonden tegen de aanrukkende zwermen; ook

waren hun van bestuurswege „klamboe’s” (bedgordijnen) verstrekt

geworden, waarachter zij een ongestoorde rust hadden kunnen genieten.

Hier in het ongerepte woud was van bescherming geen sprake. Het was te

vergeefs dat zij, op gevaar af van met hun buskruit in de lucht te

vliegen, in de prauw een vuurtje stookten, om de onzichtbare vijanden

door rook te verdrijven; de bloeddorstige insecten drongen met

duizenden en nog eens duizenden door en weldra was het gelaat der

Europeanen, als ook hun hals en hunne handen met builen overdekt,

welker onaangenaam gejeuk iedere hoop op slaap verijdelde, terwijl

bovendien de aanval bleef voortduren en het vernieuwd steken en gonzen

onverdragelijk was. Wat benijdden die blankhuiden de Dajaks, die daar

lagen te ronken, alsof er geen muskiet ter wereld bestond. Eindelijk in

arren moede rezen de wanhopigen op, kropen rondom het vuur en trachtten

nu met een bladrijken tak gewapend, zich de muskieten van het lijf te

houden.

„Die verd.... dieren,” pruttelde La Cueille, „ze zijn nog veel erger

dan de vlooien in mijn land. Als we eens een muskieten-vestje

aantrokken?”

Een muskieten-vestje aantrekken, beteekent in Nederlandsch Indië zich

zoodanig te bedrinken, dat in den daarop volgenden dronkenmansslaap

geen stoornis te vreezen is. Voor velen daar zijn de muskieten de

grondoorzaak van beginnende zucht naar sterken drank.

„Is de les al vergeten?” beet hem Wienersdorf grimmig toe. „Je krijgt

geen droppel jenever.”

„Neen,” bevestigde Johannes, „liever smijt ik onzen geheelen voorraad

in ’t water.”

La Cueille zweeg; maar een driftig gebaar met zijn tak duidde aan, dat

hij zijn muskieten-vestje toch voor een uitstekend middel hield.

„Nu het toch onmogelijk is te slapen, kunnen we onzen toestand

bespreken,” meende Schlickeisen. „Onze omstandigheden zijn geheel

veranderd; aan een vlucht over zee valt niet meer te denken, niet

waar?”

„Neen,” sprak Johannes, „daarop behoeven we niet terug te komen; de

geheele zuidkust zal nog weken, ja maanden lang op het nauwkeurigst

bewaakt worden. ’t Is wel jammer.”

„Dat is het; maar wat nu te doen?”

„Dalim wees straks naar het noorden; daar ligt nu de weg. Maar hoe het

gaan zal? zie, die vraag waag ik me haast niet te stellen. En toch....”

vervolgde Johannes na eenige aarzeling, „toch, we moeten den toestand

onverschrokken onder de oogen durven zien; we moeten het voor en tegen

goed wikken en wegen, onze maatregelen goed nemen, want de minste

onvoorzichtigheid kan ons uitermate noodlottig worden.”

„Spreek, je bent het langst van ons allen in dit land; spreek en wees

onze leidsman.”

„Gijlieden zult zeker wel gezien hebben, dat ik straks een oogenblik

met Dalim sprak. Ziet hier het uitsluitsel van dat gesprek: We zullen

trachten door de soengei Basarang in de Kapoeas te komen. Dan varen we

die rivier zoo ver op als we kunnen, trekken het Kamintinggebergte over

en trachten dan zoo de noordkust te bereiken. Maar verbeeldt jullie je

nu niet, dat dat zoo makkelijk en vlug zal gaan, als ik dat vertel.”

„Neen, dat begrijpen we,” lachte Wienersdorf, „maar we moeten een plan

hebben van ’t geen we bereiken willen.”

„Meer weet ik er ook niet van te vertellen. Alleen dat nog, dat we niet

voorzichtig genoeg kunnen zijn. In de benedenstreken hebben we alles

van de Hollanders te vreezen. Een woord, dat onze tegenwoordigheid op

de Kapoeas verraadt, zal aanleiding geven, dat we als wilde dieren

gejaagd worden. In de bovenlanden zal het nog minder pluis wezen. Als

men daar slechts gist, dat we Europeanen zijn, dan zijn we verloren.

Een Europeesche kop heeft daar tot vierduizend gulden waarde.”

„Wat je zegt” riep La Cueille verschrikt, terwijl hij zich den schedel

betastte, „heeft die bol zoo veel waarde? Jongens! dat wist ik niet.

Het is dan zaak er op te passen.”

„Maar je spot, niet waar?” vroeg Schlickeisen ongeduldig.

„Volstrekt niet. De kop van den Kolonel Georg Müller, die in 1825 op

een wetenschappelijken tocht dwars door het eiland van het oosten naar

het westen, vermoord werd, wordt nog bij den stam der Olo Ot Panganen,

aan de boven Kapoeas Bohong, die we te passeeren hebben, als een

reliquie bewaard. Die kop is voor geen schatten te erlangen. De koppen

van de Europeanen van de „Onrust”, je weet wel, dat stoomschip, dat in

1859 in de Doesson door de Dajaks is afgeloopen, zijn allen nagenoeg

tegen gezegden prijs aan de omliggende stammen verschacherd. Dien van

den kommandant der boot hebben ze, na hem van de vleeschdeelen ontdaan

te hebben, met droge katjangboonen gevuld en daarna in ’t water gelegd.

De boonen zijn gezwollen en hebben den schedel langs de naden in een

groote menigte fragmenten uit elkander doen barsten. Het kleinste

stukje is voor tweehonderd realen [35] van de hand gezet.”

„Wat doen ze toch met die koppen?”

„Och dat’s een modeartikel, dat zal je in de bovenlanden wel ontwaren.

Iedere benting (fort) daar prijkt met een aantal grijnzende schedels op

de punten der palissaden. Er is daar geen enkel huis of je vindt er

eenige doodshoofden, die als een reusachtige rozenkrans bijeengebonden,

bij wijze van sieraad soms als slingerkransen aan den wand prijken. Als

een jongeling een meisje ten huwelijk wenscht, wordt niet gevraagd

hoeveel rijksdaalders de pretendent medebrengt, wel hoeveel schedels de

vrijer kan vertoonen. Begrijp je nu?”

„Ik begrijp, dat het zal zijn: pas op je kop.”

„Ja, juist! Pas op je kop! dat moet onze grondleus zijn. Daar boven

wemelt het van koppensnellers; van die luidjes hebt jullie zeker toch

wel eens hooren spreken?”

„Voorzeker, maar ik meende, dat het maar grootendeels vertelsels

waren,” meende Wienersdorf.

„Ja vertelsels, die nog niet eens het tiende gedeelte der volle

waarheid aan ’t licht brengen,” sprak Johannes. „Je begrijpt toch dat

die koppensnellerijën voor de blanken zoo geheim mogelijk worden

gehouden. Gelooft me, het is en blijft: „pas op je kop.” En om daarop

met eenige hoop van slagen te kunnen passen, moeten we vooreerst ons

soldatenpakje uittrekken; dat zou ons al heel spoedig verraden; dat zou

het reeds gedaan hebben, wanneer we de een of andere prauw ontmoet

hadden. Baba Poetjieng, voorziende dat die Europeesche kleeding ons in

gevaar kon brengen, heeft een pak medegegeven, dat we straks bij

daglicht eens zullen bekijken. Daarin zal wel wat te vinden zijn en dan

moet de gedaanteverwisseling maar plaats hebben.”

„Wat zal ik er kostelijk uitzien, slechts gekleed in een „ewah” zei La

Cueille. „’k Zal me verbeelden in het paradijs rond te wandelen, met

het traditioneele vijgenblad getooid.”

Een „ewah” is een strook grof veelkleurig goed, soms van linnen maar

ook van boomschors vervaardigd, die eenige malen zoodanig om het midden

gewonden wordt, dat het eene einde achter tusschen de beenen

doorgeslagen kan worden en het andere einde, met een franje versierd,

voor tot op de knieën afhangt. Dit is bij veld- en bosch-arbeid het

eenige kleedingstuk van den Dajak en de lezer begrijpt dat het hem, zoo

gekleed, onmogelijk is zijn pantalon-collant te scheuren. La Cueille’s

metgezellen lachten over den inval; maar Johannes hernam:

„Je zult er zot genoeg uitzien met je witte huid, dat is zeker.”

„En jij dan met je koffiekleurigen bast?” vroeg de Waal gebelgd.

„Ik...? ik; dat brengt me op een inval. Jullie kunt zoo niet met die

blanke bakkessen blijven. Die zouden je dadelijk verraden. Hadt jullie

nu maar zoo’n koffiekleurigen bast, maar daarover zal ik straks Dalim

eens spreken, daarop zal wel wat te vinden zijn.”

„Je zult zien, dat we allen nog een zwart pak aangemeten krijgen,”

lachte de Waal.

„Zeer waarschijnlijk,” zei Johannes droog, „en dat zal je wat deftig

staan.”

„Vooral met mijn pantalon-collant.”

Allen lachten met uitzondering van Schlickeisen, die te mijmeren zat.

Eindelijk vroeg hij Johannes:

„Hoe heeft zich die overrompeling van de „Onrust” toch toegedragen?”

„Wat zal ik je daarvan zeggen? ’k Zal je vertellen wat ik er van weet.”

Het vuur werd wat opgepookt, een goede hoeveelheid brandhout werd er

opgeworpen en toen de vlammen helder opdwarrelden en de aangezichten

fantastisch verlichtten van onze avonturiers, neergehurkt in die prauw,

die te midden van het sombere woud als buiten haar element verloren

scheen, begon Johannes het verhaal van het drama.

„In het begin van November 1859 kwam de „Onrust” te Poeloe Petak aan,

waar toenmaals het fort bestond, dat later naar Kwala Kapoeas verlegd

is. De luitenant Bangert, die civiel gezaghebber der Afdeeling Doesson

en Bekoempai was, bevond zich aan boord en verzocht en verkreeg van den

kommandant te Poeloe Petak een peloton van twintig infanteristen, om

den tocht mede naar de Boven-Dousson te maken. Ik ben toen mee geweest.

Alles was toen heel rustig en we werden goed ontvangen. ’k Hoorde

praten dat het doel van de reis naar de Boven-Doesson was, om te

trachten Pangerang Antassari, een der hoofdopstandelingen in den

Bandjermasinschen oorlog in handen te krijgen. Maar welke aanbiedingen

ook Tomonggong Soerapatti, hoofd der Dajaks van de boven Doesson,

gedaan werden, tot het schenden der gastvrijheid, die hij den

voortvluchtigen vorst verleende, daartoe was de oorspronkelijke Dajak

niet in staat. We zijn toen teruggekeerd, uiterst voldaan over de

ontvangst, hoewel niet geslaagd in de zending. In plaats van toen naar

Poeloe Petak terug te stoomen om de daar opgenomen militaire macht weer

af te zetten, stevende de Onrust recht door naar Bandjermasin, alwaar

dat kleine detachement, bij het gebrek aan troepen, al spoedig bij

verschillende mobiele kolonnes ingelijfd was. Ik vroeg en verkreeg

verlof om naar Poeloe Petak terug te keeren, alwaar ik met een vivres

prauw zoo wat tegen den 10n December aankwam. Weinige dagen later, ik

meen den 16n, kwam de „Onrust” weer voor Poeloe Petak ten anker en

bracht voor de bezetting een grooten voorraad vivres en geld mede. De

kommandant van de benting ging bij aankomst van het stoomschip aan

boord. Als roeier ben ik toen mee geweest en heb bij die gelegenheid

een groot gedeelte van het gesprek gehoord, dat tusschen mijn officier

en den luitenant Bangert, die andermaal aan boord was, gevoerd werd.

Deze laatste vroeg weer om militairen, dat de andere pertinent

weigerde. De beide officieren wandelden het niet lange achterdek op en

neder en zoo kon ik verscheidene brokstukken opvangen. Zoo hoorde ik

mijn kommandant antwoorden:

„Het kan niet. Hadt ge mij de twintig man terug bezorgd, die ge de

vorige reis medegenomen hebt, dan kondt gij ze weer medenemen. Nu zit

ik in een benting groot genoeg voor een half bataillon met hare

vuurlijn van ruim vierhonderd meters met zes en twintig geweerdragende

manschappen.”

„O! ik heb in die reis zoo’n zwaar hoofd,” hernam de ander, „geef me

dan maar vijf of zes man mede.”

„Geen enkel man”, was het met drift gegeven antwoord, „ik mag die

verantwoordelijkheid niet op me nemen. Ge kent den toestand van het

gewest zoo goed als ik; de berichten van voorgenomen aanvallen op mijn

post zijn zoo stellig, dat het opdagen van den vijand ieder oogenblik

kan te gemoet gezien worden. Mag ik bij zoo’n toestand, mijn reeds zoo

luttele bezetting nog verzwakken? de gevolgen zouden onberekenbaar

kunnen wezen. Maar waarom hebt ge uwe bezwaren te Bandjermasin niet

ingebracht? daar had men u versterking kunnen geven, zooveel men

wilde.”

„Ik heb er over gesproken, maar de rapporten van den kommandant van het

stoomschip luidden zoo gunstig over de gezindheid van Soerapatti jegens

de blanken, dat versterking overbodig werd geacht. Je weet ook dat de

marine er een hekel aan heeft troepen van de landmacht aan boord te

hebben. Maar ik herhaal het, ’k heb een zwaar hoofd in dien tocht.”

„Kom! je stelt je de zaken te zwart voor. Een stoomschip met een

bemanning van twee en vijftig koppen, waarvan verreweg de grootste

helft flinke Hollandsche jongens zijn, bewapend met flink en

ontzagwekkend geschut, midden op stroom liggend of stoomend, is

waarachtig geen kat om zonder handschoenen aan te tasten. En tasten de

Heeren Dajaks het aan, dan wou ik wel van de partij zijn.”

„God geve dat je gelijk hebt!” sprak Bangert met een zucht.

Den volgenden dag vervolgde de „Onrust” haar reis, maar is nimmer

teruggekomen. In de laatste dagen van December dreef er een zeer groote

kardoeskoker en een luik dicht bij het fort aan den wal. Eenige dagen

later werd bij den kampong Palingkey een hoofdeloos lijk opgevischt dat

in vergevorderden staat van ontbinding verkeerde, en niet meer te

herkennen was. Hemd en gestreepte slaapbroek duidden evenwel aan, dat

het het lijk van een Europeaan was. Langen tijd vernam ik weinig

geloofwaardigs van het gebeurde. Wel liepen een menigte geruchten, maar

die waren zoo uiteenwijkend, dat er geen mouw aan te passen was.

Bij een der veelvuldige tochten, die de kommandant van Kwala Kapoeas in

de bovenlanden gemaakt heeft, kreeg hij eens een Dajak te pakken. Deze

had over het afloopen der „Onrust” veel te verhalen. Of het echter de

volle, de geheele waarheid is, dat weet God alleen. Hij was er niet bij

geweest, betuigde hij, maar een broeder van zijn vrouw had wel niet

meegedaan, maar was in de nabijheid geweest, zoodat hem van het geheele

drama niets ontgaan was.

„Toen de „Onrust” bij den kampong, waar Soerapatti verblijf hield, ten

anker was gekomen....”

„Heette die kampong niet Loentoentoir?” vroeg Schlickeisen.

„Neen, ik heb den naam van dien kampong niet vernomen. Maar

Loentoentoir is het niet.”

„Ik meen dat toch gelezen te hebben.”

„Jawel, in de rapporten en couranten is dat ook medegedeeld, maar het

zal straks blijken dat dat onmogelijk is. Luister slechts. Toen dus de

„Onrust” bij den kampong, waar Soerapatti verblijf hield, ten anker was

gekomen, was het omstreeks donker. Toch kwamen nog een paar schoonzoons

van het Dajaksche hoofd aan boord en berichtten dat de Tomonggong den

volgenden morgen zijne opwachting bij den „toean koemdan” (heer

kommandant) zou komen maken. Werkelijk kwam het oude opperhoofd,

vergezeld van zes zijner zonen al heel vroeg—zoo omstreeks 8 uur—aan

boord. Allen waren slechts gekleed met een „ewah”, alleen de Tomonggong

had nog over het naakte bovenlijf een rood lakensch buisje met

vergulden kraag. Ook hadden allen volgens nationaal gebruik den

„mandauw” (koppensneller) op zijde en een mutsje, een soort van kalotje

van apenvel op het hoofd.

„De ontmoeting met de officieren aan boord was allerhartelijkst. Er

werden handdrukken gewisseld om er aandoenlijk van te worden. De zeven

Dajaksche hoofden begaven zich op uitnoodiging van den kommandant van

het stoomschip omlaag in diens kajuit en waren weldra in een diep

gesprek gewikkeld over de belangen des lands, maar vooral over de

oplichting van Pangerang Antassari, die weer ter tafel gebracht werd.

Aan het dek waren twee der roeiers, die de hoofden aan boord gebracht

hadden, gekomen en hadden een schuilplaats voor de zonnestralen onder

de zonnetent gezocht en zich ergens tegen de verschansing neergehurkt.

De schildwachten aan de valreep lieten hen ongemoeid en niemand scheen

acht op die beide mannen te slaan, die evenwel even als de hoofden met

den mandauw gewapend waren. De vier overige roeiers waren in de

djoekoeng gebleven, die zij aan boord geroeid hadden en nu aan de trap

aan stuurboordszijde vastgemaakt lag. In het eerste oogenblik

verzamelde zich de geheele equipage nagenoeg om de beide Dajaks, die

tegen de verschansing zaten, om de fraaie arabesken te bewonderen, die

bij beide mannen op het bovenlijf zoowel op den rug als op de borst

getatouëerd waren. Met echt Oostersche onverschilligheid lieten zij

zich door Janmaat bekijken en keerden zich gewillig om, om alle zijden

van het wezenlijk fraai tatoueerwerk te vertoonen.

„Beneden was het gesprek druk aan den gang. Dat gesprek scheen dorstig

te maken; althans de kommandant bood zijn bezoekers een glas bier aan,

dat dankbaar aangenomen en gulzig in een teug leeggedronken werd. Later

werden om die oorspronkelijke gemoederen te winnen en op hunne

snoepachtigheid te speculeeren, likeuren aangeboden, waarvan de

anisette van Wijnand Focking hun bij uitstek scheen te smaken. Zij

likten zich de vingers af, ja brachten de enorme lange tongen in de

glaasjes om den laatsten droppel van het verleidelijk vocht op te

vangen. Een duplikaatje, zelfs een triplikaatje was niet voldoende om

het vrijmoedig maar koddig aandringen andermaal ingeschonken te worden,

te bevredigen. Er is geen vroolijker mensch in de wereld dan een

beschonken Dajak; hij is dan vol lachlust, uiterst levendig en

spraakzaam en legt klaarblijkelijk aanleg tot geestigheid aan den dag.

Hij is dan onvermoeid in het bezigen van kwinkslagen, die menigmaal, en

met recht, een onbedwingbaar gelach opwekken. Het is opmerkelijk, dat

een Dajak in dien toestand nimmer twistziek is; hoevelen er ook van die

drinkebroers bij elkander zijn, nimmer zullen zij ruzie krijgen met

elkander.

„De kommandant en de officieren vermaakten zich ter dege met den

lustigen troep en wellicht onder den indruk van die vroolijkheid hebben

zij hunne gasten niet binnen de grenzen eener betamelijke matigheid

gehouden.

„Tegen een uur ’s namiddags kwamen de kommandant en de luitenant

Bangert met de zeven Dajaks aan het dek om dezen den dertigponder,

waarmede het stoomschip gewapend was, te toonen en hun het gebruik uit

te leggen. Het was toen ontzettend warm. De zon stond nagenoeg

loodrecht boven het schip en geen zuchtje liet zich gevoelen. De

bemanning van het schip was beneden, waarschijnlijk in diepe rust bij

die aamechtige warmte; alleen de twee schildwachten, die op hun post

aan de valreep stonden, en de scheepsdokter waren aan het dek. Deze

laatste stond, op zijn elleboog rustende, op de koekoek van de longroom

geleund en keek naar voren, waar de uitleg van het gebruik van het

kanon aan de Dajaks aan den gang was. Plotseling stiet een der Dajaks,

die tegen de verschansing neergehurkt was geweest, zijn „lahap”

(oorlogskreet) uit en tegelijkertijd kreeg de geneesheer van achteren

een houw tusschen de schouders, zoodat de punt van den mandauw,

waarmede de slag was toegebracht, voor tusschen de ribben te voorschijn

trad. Zonder een kik te geven stortte de dokter of beter zijn lijk door

de koekoek en kwam terecht op de daaronder staande tafel in de

longroom. De naastbijzijnde schildwacht doorstak dien aanvaller met

zijn bajonet; maar voordat hij zijn wapen nog had kunnen terugtrekken

uit het lichaam, viel hij zelf doodelijk getroffen ter neder. Op den

uitgestooten oorlogskreet, waren de vier roeiers uit den djoekoeng naar

boven gesneld, en hadden zich met den mandauw in de hand onverschrokken

op de schildwachten geworpen, die dan ook in een ommezien in hun bloed

lagen te baden. Tegelijkertijd met dien „lahap” begon ook de

moordpartij voor bij het kanon. De beide officieren stonden geheel

ongewapend tegenover de zeven Dajaksche hoofden, die hunne mandauws

getrokken hadden. Den kommandant van het stoomschip was het hoofd van

den romp gesneld, voordat hij recht begreep wat er gaande was. Met

Bangert werd een ondeelbaar oogenblik gedraald. Deze had zeer kort

geknipt haar; toen zijn aanvaller hem daarbij wilde grijpen om hem op

de gebruikelijke wijze den doodelijken slag toe te brengen, lukte dat

niet dadelijk, maar greep de Dajak hem bij den sik. Het slachtoffer had

daardoor nog den tijd om zich tot Soerapatti te wenden en hem toe te

roepen: Of dat nu de dank was, voor het vele goede, dat hij voor de

Dajaks had tot stand gebracht? Waarop Soerapatti hem antwoordde, dat er

beraadslaagd was des avonds te voren, om hem, Bangert het leven te

sparen; maar dat men er van had moeten afzien, wegens de verregaande

kwade trouw der blanken op wier woord geen staat te maken was. Dat het

daardoor onmogelijk was, hem naar Bandjermasin terug te zenden; en hem

te midden der Dajaks te laten leven, een marteling zou zijn erger dan

de dood. Het was dus beter dat ook hij maar gesneld werd. En een teeken

gevende, viel de noodlottige slag en hield de gillende Dajak het hoofd

boven zijn mond en zwelgde met wellust het fel stroomende bloed op.

„Wat gebeurde inmiddels in het benedenschip? Op het leven door den val

van den dokter veroorzaakt, waren de officieren in de longroom hevig

verschrikt van hun legerstede opgevlogen, maar zij hadden niet eens den

tijd naar een kleedingstuk of een wapen te grijpen; voor dat zij tot

bezinning gekomen waren, lagen zij in hun bloed te wentelen. De roeiers

waren namelijk dadelijk naar beneden gestormd en hadden er maar op

ingehouwen, zoolang zich iemand in de longroom geroerd had. In weinige

seconden dus, in veel minder tijd dan noodig is geweest om het te

verhalen, was het schip van zijn bevelhebbers beroofd. Inmiddels waren

ettelijke honderden prauwen van achter een nabij gelegen landtong het

schip op zijde geschoten, en nu wemelde het op het dek van uitgelaten

bloeddronken vijanden, die van blijdschap allerlei luchtsprongen

uitvoerden en kreten uitstieten, die niets menschelijks hadden. Wat in

dien tusschentijd in het vooronder voorviel, daarvan zal wel nimmer

eenig nauwkeurig bericht te geven zijn. Een aantal Dajaks waren naar

beneden gestormd en vonden daar een van angst waanzinnige

menschenmassa, waar zij de moeite maar te doen hadden van in te hakken.

Tegenweer werd niet geboden, het waren slechts gillende en snikkende

waanzinnigen, die slechts kermen en klagen konden en niets deden dan

onschadelijk voor de aanvallers de handen te wringen. Was de sleutel

der wapenkamer in dat noodlottig oogenblik zoek, of hadden de Dajaks

door de koenheid van hun overval, de blanken daarvan afgesneden? Wie

zal dat ooit uitmaken? genoeg zij het, dat allen weerloos afgemaakt

werden en dat van al de Dajaks, die ten aanval stormden, slechts hij

omkwam, die den dokter had neergelegd, en van de overigen niemand zelfs

maar een schram bekwam. Toen de laatste der opvarenden in het vooronder

in zijn bloed lag te rochelen, stegen de overwinnaars naar het dek en

nu begon een feest, dat zijn weerga niet in de Dajaksche geschiedenis

gehad heeft en ook waarschijnlijk niet hebben zal. Wel werd het een

oogenblik gestoord door een viertal Europeanen,—waarschijnlijk

machinisten—die uit de diepte der machinekamer opdoken, hunne pistolen

wild en verward afschoten, daarna in allerijl op de raderkasten der

boot klommen en in de rivier sprongen. Maar toen het bleek dat niemand

gekwetst was, verhoogde die episode nog de feestvreugde. Ras waren

eenige djoekoengs bemand om de „badjai bapoeti” (witte krokodillen) te

vervolgen, en nu begon een vreeselijke jacht, die niet eindigde dan met

den meest smadelijken dood van de rampzaligen, die een laatste

redmiddel in een overhaaste vlucht meenden gevonden te hebben.”

„Dagen lang duurde het feest, waartoe de dranken, aan boord gevonden,

aan de algemeene vreugde het hunne bijdroegen. Zwangere vrouwen moesten

aan boord komen, opdat de aanraking van zulk een overwinningsteeken,

der vrucht, die zij droegen, voorspoed en geluk zoude aanbrengen. Alle

mannelijke kinderen moesten van heinde en ver komen, om het vaartuig

met de hand aan te raken, opdat de geestkracht en de moed hunner

vaderen in hen zouden varen.”

„Toen het feest afgeloopen was, gingen de Dajaks aan den arbeid. Zij

begrepen, dat de blanken alles zouden in ’t werk stellen, om het

veroverde schip te hernemen, en ook om consequent met hunne wijze van

oorlogvoeren te blijven, die wel toelaat zelf den tegenstander afbreuk

te doen, maar dien tegenstander buiten de wet plaatst, wanneer hij

eenig succes behaalt, die verovering ten bloedigste te wreken. De

Dajaks bouwden dus een fort en kozen daartoe een goed gelegen punt uit

aan de uitwatering van de Soengei Lahey, en bewapenden dat met den

dertigponder van de „Onrust.” Ik kom nu tot mijn beweren van straks,

dat het afloopen van het stoomschip te Loentoentoir niet heeft kunnen

plaats hebben, maar hoogerop heeft moeten geschieden. Lahey ligt

nagenoeg drie uur stoomens bovenstrooms van Loentoentoir; de stroom in

den Doesson aldaar is zeer sterk en nu is het als geheel onmogelijk te

achten, dat de Dajaks een zoo zwaar voorwerp als dat stuk geschut met

hunne oorspronkelijke middelen zulk een verren afstand zouden hebben

kunnen vervoeren.”

„Zouden ze dat niet met behulp van een vlot hebben kunnen verrichten?

Ik heb gehoord dat ze verbazend knap in het behandelen daarvan zijn,”

vroeg Wienersdorf.

„Een vlot tegen dien stroom! onmogelijk! heb je wel eens een vlot zien

hanteeren? Neen? nu daartoe zal je nog wel in de gelegenheid komen, en

dan zul je mij gelijk geven.”

„Maar zouden ze het schip niet naar Lahey kunnen gebracht hebben?”

„Kom, wees nu niet mal. Vooreerst van een hanteeren der machine hadden

ze geen verstand; ze waren er zelfs in den beginne bang voor, en om nu

dat vaartuig tegen dien zwaren stroom op te boegseeren, was even

ondoenlijk als dat van een vlot zou zijn geweest. Daarenboven, waarom

zouden de Dajaks zooveel omslag gemaakt hebben om het schip van

Loentoentoir naar Lahey te brengen en het daarna weer naar

eerstgenoemde plaats te voeren en het daar te laten zinken. Neen, het

schip is òf te Lahey òf iets hoogerop afgeloopen. Een andere meening is

onaannemelijk.”

„Maar ik heb gelezen, dat de kommandant het schip heeft laten zinken en

dat het reeds bij het eindigen van het gevecht onder water verdween.”

„Ja, dat heb ik ook gelezen; maar daar is niets van waar. De kommandant

is een der eersten gevallen. Welke heldenziel men hem nu ook toedicht,

dat feit heeft hij niet kunnen verrichten. Maar er is nog wat. Bij de

veelvuldige patrouilles, die later in den omtrek gedaan zijn, hebben de

soldaten allerlei voorwerpen gevonden, als zakboekjes der matrozen,

papieren en kleedingstukken der officieren, zelfs sieraden, als

epauletten en steken, waarop geen spoor te ontdekken was, dat zij in

het water gelegen hadden. Is dat niet afdoend? Gelooft me, het schip is

dagen, ja wellicht weken lang boven water gebleven en het is niet dan

nadat het geheel en al leeg geplunderd was, dat de Dajaks de

ankerkettingen hebben laten slippen, na alvorens een gat in den romp

gekapt te hebben. Door den zwaren stroom medegesleept, is de Onrust nog

eenigen tijd drijvende geweest en is eindelijk te Loentoentoir

gezonken. En nu nog, nadat verscheidene jaren over het gebeurde

heengegaan zijn, nu ligt de djatiehouten romp van de „Onrust” nog

steeds tot schande van de Nederlanders bij Loentoentoir in den Doesson

en bij iederen oostmousson, wanneer door het vallen van het water die

romp zichtbaar wordt, stroomen de jongelingen en knapen toe, om de

„banama assep” (het vuurschip) door hunne vaderen veroverd en aan de

Hollanders ontwrongen, te bezien, om dien romp aan te raken en daardoor

in de toekomst den moed en den wil deelachtig te worden, eenmaal ook

zoo’n heldenfeit te kunnen uitvoeren [36]. Zij keeren dan naar huis

terug om de bekkeneelen te beschouwen van hen, die onder den

vreeselijken mandauw vielen.”

„Zietdaar,” eindigde Johannes zijn verhaal, „wat ik weet van het

afloopen der „Onrust”.”

„Oef!” riep La Cueille, „jullie bent lollige jongens; ’t is om de

nachtmerrie te krijgen. Eerst van dat boschspook en van dien doojen

pembekel; toen dat verdraaide koppensnellen en nu tot slot die

uitmoordingsgeschiedenis. ’k Ben blij dat de dag aan den hemel komt. ’k

Ben benieuwd wat mooie geschiedenissen morgen op het tapijt zullen

komen? En dan dat bloeddrinken! brr! brr!!”

„Je zult nog wel meer hooren en ook zien, dat beloof ik je,” zei

Johannes lachende, „’t Zal steeds zijn: „pas op je kop,” en breng je

dien knikker in het Walenland terug, dan mag je wel naar Kevelaar of

Scherpenheuvel trekken om daar een schietgebedje te doen.”

„Ik beloof,” prevelde de Waal vroom, terwijl hij aandachtig de handen

vouwde, „aan Notre Dame de Montaigu een dubbele waskaars, ieder van

twee pond, wanneer ik in mijn land terugkom.”

„Met je kop natuurlijk?”

De Waal rilde, maar antwoordde niet.

Borneo van Zuid naar Noord · 第 45 / 77 题