VI.

Een nachtelijk gefluister.—Lucullus voor een dier aangezien.—Het

komplot.—Plannen van Johannes.—Een dankbare

opiumsmokkelaar.—Johannes geeft bewijzen van zijn aardrijkskundige

kennis.—Een mirakuleuse vischvangst.—La Cueille’s

belofte.—Drinkwater.—Verdere maatregelen.—Het vertrek.

„Stilte in dien hoek! de tamboer heeft licht-uit geslagen. Wat hebt

jullie toch nog zoo laat te mompelen? Is de dag niet lang genoeg om te

kletsen? Thans is het tijd om te slapen.”

Zoo klonk op een avond de bevelende stem van een korporaal in de

kazerne te Kwala Kapoeas. De man had gelijk en deed zijn plicht. Het

grootste gedeelte van het detachement had dien dag een vermoeienden

marsch gemaakt en had nu rust noodig. De laatste roffel op de trom had

weerklonken; op een klein oliepitje na, waren alle lichten uitgedoofd.

De reglementen schreven voor, dat de landsverdedigers moesten slapen en

zij zouden slapen. Waartoe dienden anders de korporaals?

Oogenblikkelijk was het stil in de kazerne, zeer stil zelfs. Niets liet

zich hooren dan de regelmatige ademhalingen of het gesnurk van hen, die

reeds onder zeil waren. Buiten trippelden de schildwachten op en neer;

van tijd tot tijd liet zich de doffe weemoedige stem van den Gekko [16]

hooren.

De stilte hield lang aan, zoo lang zelfs, dat het bevel van den

meerdere opgevolgd scheen en men meenen kon, dat allen in slaap

gedompeld waren. Toch was dat het geval niet; want in den hoek,

waarheen de korporaal straks zijne stem gericht had, begon eindelijk

weer een zacht gefluister.

Het waren Wienersdorf en Schlickeisen, die het gestoorde gesprek met

gedempte stem vervolgden:

„Ik herhaal het,” sprak de eerste, „ik houd het niet meer uit. Er moet

uitkomst komen.”

„St! wind je zoo niet op,” fluisterde de andere, „geduld nog wat, we

mogen ons niet overijlen.”

„Geduld! geduld! dat woord ligt in je mond bestorven. We zijn al twee

maanden hier en zijn nog even ver als den eersten dag.”

„Wat er aan te doen? zeg. We kunnen geen ijzer met handen breken. Het

geldt een onderneming, waarbij ons leven op ’t spel staat.”

„Juist! zeer juist; want als het talmen nog lang duurt, spring ik in de

rivier.”

„Een lekker hapje voor den kaaiman, maar een vreemd middel om zijn

vrijheid te herwinnen. Tenzij je den dood als oppersten bevrijder

huldigt. Ga dan je gang.”

„Ja, liever dood dan nog langer in die ballingschap te zitten.”

„Och, dood is dood. Ik beken ronduit, dat ik liever nog wat „sambal

naar genoegen” slik, dan dat ik...”

Schlickeisen kon niet voleindigen. Eene gedaante was onmerkbaar

tusschen hunne beide bedsteden gekropen en richtte zich nu op; terwijl

zij op de schouders van de beide fluisteraars een hand legde, die hen

met eenige kracht dwong in horizontale houding te blijven. Beide

Zwitsers waren nog al verschrikt.

„St!....” fluisterde of beter siste de gedaante, „jullie praat als een

paar „beo’s” [17] en snatert maar door, zonder op te merken, dat

korporaal Dungelhof al meer dan een kwartier op zijn stroozak overeind

zit en zich den hals ontwricht, om jullie woorden op te kunnen vangen.

Heeft die de geheele hannisserij verstaan, maakt je dan maar gereed, om

morgen op ’t rapport bij den kommandant te verschijnen.”

„Voor mijn part, mag hij ons gesprek gehoord hebben,” pruttelde

Wienersdorf.

„Maak dat je zuster wijs, maar mij niet,” hernam de gedaante zoo zacht

mogelijk. „Als de luitenant maar het tiende gedeelte verneemt van ’t

geen hier afgekletst is, dan is zeker een van de twee morgen, voor dat

de zon nog heel hoog aan den hemel staat, op weg naar Kahajan. De

kommandant speelt er niet mee.”

„Och kom, dat zou zoo’n vaart niet loopen. Maar wie ben jij? misschien

nog een haartje erger dan korporaal Dungelhof. Een luistervink is

nimmer te vertrouwen,” sprak Schlickeisen hoewel zacht op dreigenden

toon.

„Maak je maar niet dik; ik zal jullie niet verraden. Mijn naam doet er

van avond niets toe. Maar kijk, kijk, die korporaal den hals eens

rekken.”

En werkelijk klonk het andermaal barsch:

„Stilte in dien hoek! ’k herhaal het niet weer. Die niet wil hooren,

zal maar moeten voelen.”

Wienersdorf en Schlickeisen hielden hun adem in. Allen hielden zich een

wijl doodstil. Plotseling boog zich de geheimzinnige gedaante, die

tusschen de kribben gedoken was, over hen heen en fluisterde zoo zacht,

dat het slechts een ademtocht geleek:

„Komt morgen na het soepeten in de hut van Johannes, dan zullen we

samen praten.”

En weg was de gedaante. Als een slang was zij onhoorbaar onder de

slaapkribben doorgeschoven en in het donker verdwenen.

Een tijdlang lagen de twee Zwitsers stil en roerloos. Toen zij

vermeenden dat de korporaal ingeslapen was, richtte een hunner zich op:

„Wie was dat?” mompelde hij.

„Zeker Johannes zelf.”

„Ja, ’t was een bruine huid met naakt bovenlijf, ’k Geloof zelfs dat de

huid met klapperolie was ingesmeerd, zooals de Javanen doen als

voorbehoedmiddel tegen de muskieten.”

„Is die vent te vertrouwen?”

„Wie zal dat kunnen bevestigen? Het beste zal zijn, morgen eens in zijn

hut te gaan kijken, we zullen dan wel hooren, wat hij te vertellen

heeft. Maar voorzichtig, denk er om, we spelen grof spel. Laat ons nu

ook zwijgen, die korporaal Dungelhof is een ware luistervink.”

Beide mannen wikkelden zich in hunne sprei en waren weldra in diepen

slaap gedompeld.

Toen zij des anderen daags hunne soep uit de keuken haalden, moesten

zij de hut van Johannes voorbij en stond deze in de post van de deur.

Bij hunne nadering maakte hij, evenwel zonder een woord te spreken,

plaats, maar met een gebaar, alsof hij hen wilde uitnoodigen binnen te

treden. Zij schoven naar binnen, zetten hunne gamellen op den grond en

namen plaats op een bank aan de tafel. Die tafel was vrij goed

voorzien. Behalve de soep, die Johannes ook uit de keuken gehaald en in

een zindelijk bord overgegoten had, prijkten daar nog op een schotel

met dampende tafelrijst, helder wit en droog van korrel gekookt, een

kom „pindang ikan” en een kom „sajoran lodèh,” [18] het alles omgeven

door ettelijke schoteltjes met „sambal oelik”, „sambal goreng” en

„sambal oedang” [19]. Ook ontbraken er de vleeschspijzen niet. Eenige

borden met „dengdeng”, met „troeboek”, „telor-assin” met „sateh”

oesi-oesi, [20] waartusschen een gebraden eend in een smakelijke saus

te zwemmen lag, die onze Zwitsers watertanden deed, vulden het geheel

aan.

„Je bent een Lucullus,” begon Schlickeisen.

„Wat ’s dat voor een dier?” was de wedervraag van Johannes.

„Dat was geen dier, dat was een Romeinsche lekkerbek, die in jouw

schaduw niet kon staan.”

„Spot, maar ga zitten,” parodieerde onwetend Johannes het gezegde van

een groot man.

„Gaat zitten en tast toe,” vervolgde hij, „ge ziet, ik verwachtte

jullie. Als het op is, kunnen we praten; men redeneert nooit zuiverder,

dan wanneer de maag zich in een behaaglijke stemming bevindt.”

Dat was het woord van een wijsgeer. De Zwitsers lieten het zich geen

tweemalen zeggen. De kompagnie’s menage was schraal en vooral zeer

eentonig en daardoor zeer onsmakelijk. In gedachten merkten zij op, dat

zoo’n inlandsch kind zich er toch beter op verstond om zijn keuken

smakelijk te maken dan een Europeaan. Weldra zat ons drietal te smullen

en te kluiven, dat het een aard had. Zij spraken geen woord, daartoe

was geen tijd. Men vernam niets anders dan het gesmak der lippen, het

gemaal der tanden en het geklingel van lepels, messen en vorken, ook

van glazen; want Johannes had zich goed gehouden en ook een paar

flesschen wijn en bier op de tafel gezet.

Toen de vleeschdeelen van het laatste eendenkluifje verdwenen waren en

de smullenden zich de vette vingers met wellust afgelikt hadden, zette

Johannes zijne gasten een kistje met tabak gevuld voor en, toen het

drietal de pijpen gestopt en aangestoken hadden, begon hij het vuur:

„En nu vooruit met jullie „perkara” (zaak). Je wilt dus wegloopen?”

Schlickeisen en Wienersdorf keken elkander aan en eenigszins schuw in

de rondte.

„We zijn hier alleen; niemand kan ons hooren, de bewoners der hutten

rechts en links zijn op wacht. Kom, vooruit met de zaak! Jullie wilt

weg, maar waarheen? Misschien kan ik helpen.”

„Maar we willen niet weg. Wie zegt dat?”

„Vertel dat nu maar aan mijn modelschoenen. We zullen kort zijn en open

kaart spelen. Gisteren avond heb ik onder jullie kribben gelegen en,

heeft Dungelhof zoo ’t schijnt niets gehoord, mij is geen woord

ontsnapt. Maar je behoeft je niet ongerust te maken, ik ben geen

verrader. Vertrouwt mij, ik herhaal het, misschien kan ik helpen.”

De beide Zwitsers wisselden een langen blik van verstandhouding. Zij

begrepen, dat zij in de hand van dien man waren; zij meenden hem te

kennen als een loszinnigen snaak, wanneer het vrouwen gold, maar die

tot een verklikkerij niet in staat was. Toch aarzelden zij, om hun

geheim te openbaren. Eindelijk vatte Wienersdorf het woord:

„Nu ja, we bespraken gisteren een plan van desertie; maar tusschen

bespreken en handelen is het verschil groot.”

„Dat zou ik meenen. Maar laat hooren je plan.”

„Och, ’t waren nog slechts woorden. Van een plan kan eigenlijk nog geen

sprake zijn. We zijn nog te kort hier, om met de toestanden van het

land eenigszins bekend te zijn. Zonder die kennis is volgens mij iedere

poging onmogelijk.”

„Je spreekt als een geleerde, en die ben je ook, geloof ik. Als je

evenwel wilt wachten tot je de noodige kennis omtrent dit land zult

opgedaan hebben, dan heb je tijd om oud te worden. Maar, voor dat de

eerste maal door den korporaal stilte gelast werd, hoorde ik zoowat van

een wankang [21] mompelen.”

„Daarover hebben we een oogenblik gesproken. Men heeft ons verteld, dat

jaarlijks zoo’n vaartuig hier aankomt. We spraken er over den

Chineeschen kapitein over te halen ons aan boord te verbergen en ons

naar China over te brengen?”

„Mooi! hebt jullie geld?”

„We zullen zoowat een vierhonderd gulden bij elkaar hebben.”

De oogen van Johannes glinsterden. Na een oogenblik van zichtbare

ontroering hernam hij:

„Nou, spaart de moeite dan maar. Weet je wat gebeuren zou? Zoo’n

Chinees zou bedaard die vierhonderd gulden opstrijken; hij zou jullie

ook aan boord ontvangen en zorgvuldig verbergen. Maar bij het verlaten

van Kwala Kapoeas, zou hij den kommandant een briefje in handen

bezorgen, en nog vóór dat de wankang in zee zou zijn, zou haar een

kruisboot achterop komen, die haar met een kanonschot bevel zou geven

bij te draaien, waaraan zij stipt voldoen zou. Jullie zoudt dan van

boord gehaald worden, maar dan waren ook de poppen aan ’t dansen.”

„Maar waarom zou zoo’n fielt dat doen?”

„Eenvoudig om zonder veel omhaal uw vierhonderd pop op te kunnen

steken. Ook om bij de Nederlandsche autoriteiten in een goed blaadje te

staan en bij een volgende gelegenheid eenige fleschjes „minjakh poko”

of een paar potten „boeang assin” [22] meer van de hand te kunnen

zetten. Neen, aan zoo’n ontvluchting valt niet te denken. Maar

luistert. Vertrouwen voor vertrouwen. Ook ik heb het plan gevormd het

hazenpad te kiezen en heb daarover lang nagedacht. Ik kan er bijvoegen,

dat mijn plan nagenoeg tot rijpheid gekomen is. Slechts zie ik er tegen

op, de onderneming alleen op touw te zetten. Wel zal La Cueille mij

vergezellen; maar dat is niet genoeg. Eenige paren stevige armen meer,

zijn op den tocht, dien ik voor heb, niet overbodig. Wel, wat denkt

gij?”

„Maar La Cueille is een dronkaard. Is dat de man wel, om in zoo’n

onderneming te halen?”

„Op een klein beetje moet je niet kijken; hij is een flinke kerel, die

voor geen klein gerucht vervaard is. Daarbij zullen we slechts weinig

sterken drank medenemen en dien zal ik nog onder bewaring nemen.

Wanneer hij nu niets krijgen kan, is hij de goedigste kerel van de

wereld.”

„We dienen toch met je plannen bekend te worden. Maar hoe kom je er

aan, je tot ons te wenden?”

„Dat’s eenvoudig. Al lang had ik jullie afzondering in de gaten. Steeds

zit je in alle hoekjes te fluisteren, en zelfs des nachts kunt ge den

snater niet houden. Ik trachtte jullie te bespieden en dat is mij

uitstekend gelukt. Daarbij komt nog, dat ge geenerlei vertering maakt,

ter nauwernood een pijp rookt en dus een spaarpotje moet hebben. Nu is

geld de zenuw aller ondernemingen. Ik had dus gevonden wat ik zocht:

een paar stevige kerels, die even als ik weg willen en daarenboven van

splint voorzien zijn. Ik zal ook een groote honderd gulden in de mas

bijbrengen. Toen ik ulieden van deserteeren hoorde spreken, sprong mij

het hart van vreugde, want ik begreep, dat de dag van uitvoering

aanstaande was. Zijt gij met dien uitleg tevreden?”

„Jawel, maar het plan nu?”

Onze drie komplotmakers stopten nog een versche pijp en met bij

elkander gestoken hoofden luisterden de Zwitsers aandachtig, wat hun

gastheer hun voorhield en wat op het volgende neerkwam.

Eens op een’ donkeren avond, dat Johannes bij de aanlegplaats buiten

het fort als schildwacht stond, was de Chinees Baba Poetjieng hem ter

zijde geslopen. Deze was begonnen een praatje met hem te maken, had hem

een pakje manillasigaren aangeboden en was geëindigd met hem te

vertellen, dat hij in een kreek in de benedenrivier een prauw had

liggen, waarin voor een aardige waarde aan opium was geborgen, dat hij

wenschte binnen te smokkelen. Hij was reeds geslaagd het vaartuig,

trots kruisbooten en kustwachters de rivier binnen te brengen. Maar het

moeielijkste kwam nu eerst aan. Hij moest het fort voorbij, doch hoopte

dat sobat (vriend) Johannes hem zou helpen. De sluwe Chinees verzweeg

voorzichtig, dat de eigenlijke lading der prauw, uit buskruit en zout,

de beide voornaamste benoodigdheden der Bandjermasinsche

opstandelingen, bestond. Hij stopte Johannes een paar rijksdaalders in

de hand en deze sprak af, dat hij te middernacht weer op dezelfde

plaats als schildwacht zou staan en dat hij het vaartuig dan zou laten

voorbij varen. Maar de grootste stilte zoude moeten betracht worden, er

mocht niet geroeid worden, het vaartuig moest slechts door den

opkomenden vloed voortgestuwd worden. Roeien toch zou de aandacht van

andere schildwachten kunnen wekken. Ook liet Johannes zich door den

Chinees eenig opium geven; niet dat hij dat tuig gebruikte, maar het

kon te pas komen.

Het trof bijzonder goed. De wacht werd gekommandeerd door een Javaansch

sergeant en bestond hoofdzakelijk uit soldaten van dien landaard. De

eenige Europeanen, die dien nacht waakzaam moesten zijn, waren La

Cueille en Johannes; maar dat waren boezemvrienden. Nu ging deze

laatste met den sergeant een praatje maken, liet hem het verleidelijke

opium zien en het slot der vertooning was, dat al ras een paar palita’s

[23] waren ontstoken en al de Javaantjes der wacht er omheen lagen met

de pijp in den mond, bezig den heerlijken rook in te zwelgen, door te

slikken en door de neusgaten uit te blazen. Toen Johannes tegen

middernacht op post trok, sliep de Javaansche sergeant den slaap des

rechtvaardigen en droomde van al de hoeri’s van den hemel des Profeets,

en waren de overige schildwachten zoo dommelig, dat een stoomschip had

kunnen voorbijvaren, zonder dat zij het ontwaarden. Baba Poetjieng kon

dan ook zijne prauw in veilige haven brengen.

Die smokkelpartij was zoo goed gelukt, dat onze Chinees verlekkerd,

haar nog menigmaal op touw zette en het was om het garnizoen van Kwala

Kapoeas gunstig te zijnen opzichte gestemd te houden, dat hij zoo

goedkoop was bij het venten zijner koopwaren. Waarlijk, de man verloor

bij dien handel, daarvan was de kommandant overtuigd; maar deze

bevroedde niet, dat de sluwe zoon des Hemelschen Rijks hem in de luren

legde en zijne zaakjes wonderwel bestuurde. Opmerkelijk was het, dat

Johannes nimmer een aanzienlijke belooning wilde aannemen, hoezeer Baba

Poetjieng daartoe bij hem aandrong. Nu en dan een paar rijksdaalders,

was al wat de ontrouwe schildwacht aannam, maar dat was geen betaling

in vergelijk van de enorme winsten, die de Chinees opstreek. Maar onze

vriend had zijn plan, dat hij gewis ten uitvoer zou weten te brengen.

De tijd daartoe was nu gekomen. Hij had den Chinees zijn voornemens

bekend gemaakt en deze zou hem op een gegeven oogenblik een prauw

bezorgen, van alles voorzien en bemand met drie Dajaks, booswichten van

de ergste soort, van wie bekend was, dat zij medeplichtig waren aan de

gruwelen op de steenkolenmijn te Kalangan gepleegd en die er dus alle

belang bij hadden zich buiten bereik van den Nederlandschen arm te

begeven. Al langzamerhand had Johannes zijne kleederen, die van La

Cueille, tabak enz. in kleine pakjes verdeeld, die de Chinees bij elk

bezoek dat hij met zijn koopmansprauw aan het fort bracht, zoo geheim

mogelijk naar zijn huis overvoerde. Het gunstige oogenblik behoefde

slechts afgewacht te worden en dat zou, nu de twee nieuwe bondgenooten

aangeworven waren, omstreeks nieuwe maan zijn; men had de duisternis

noodig om te slagen. Toen men die afspraak maakte, was het eenige dagen

voor volle maan, de komplotmakers hadden dus nog ruim veertien dagen

tijd om hunne laatste maatregelen te nemen.

„Wat denken de vrienden er van?” zoo besloot Johannes zijne

mededeelingen.

Een oogenblik aarzelden de Zwitsers, toen sprak een hunner:

„Wat we er van denken? Het plan tot ontkomen is uitmuntend, daar heb je

eer van. Maar me dunkt daarin ligt de grootste moeielijkheid niet. Weg

zullen we wel komen, dat fort is geen betooverd kasteel; maar eenmaal

op weg, waarheen? dat moet de hoofdvraag zijn.”

„Waarheen! waarheen! wel je doet me lachen. Daar kan geen twijfel over

zijn. Stroomaf naar zee; daar ligt de weg. Eenmaal daar, zetten we

koers westwaarts; we houden vooreerst het walletje en verbergen wegens

de kruisers over dag de prauw in een der kreken die op de zuidkust zoo

menigvuldig zijn. ’s Nachts roeien we er lustig op los. Hebben we

eenmaal Tandjoeng Batoe Titi, Borneo’s zuid-westelijke punt bereikt,

dan zal het veel van het weer afhangen, welken koers we zullen

vervolgen. Hebben we goed weer en gestadigen wind, wat in dezen mousson

wel te verwachten is, dan blijven we westwaarts sturen en loopen dan

vrij spoedig het eiland Biliton in ’t gezicht. Dat varen we om, steken

de Gaspar-straten over, loopen langs den noord-oost- en noordwal van

het eiland Banka en zoeken weer onze toevlucht onder den Sumatra-wal.

Eenmaal daar, is het zwaarste werk verricht. We blijven onder het

dichte bosch tot dat we Tandjong Basso bereikt hebben; dan kunnen we

ons tusschen de eilanden van den Riouw-archipel wagen en met een beetje

voorspoed, komen we spoedig te Singapore aan.”

„Je bent goed op de hoogte, dat moet ik je zeggen. Waar heb je die

bijzonderheden vandaan gehaald? Toch niet van Baba Poetjieng?”

„Neen..... die vent is toch slimmer dan jullie wel denkt. Maar het

geographisch en topographisch onderwijs aan de pupilleninrichting te

Kedong-Kebo, alwaar ik gedrild ben, is niet slecht. Ik heb daarenboven

een paar vrij goede zeekaarten, die dienst kunnen doen.”

„Maar hoe lang zal die reis duren, voor wij Singapore bereiken?”

„Op zijn minst drie of vier weken; komt er echter tegenspoed bij in het

spel, dan is er geen rekening te maken.”

Den Zwitsers voer eene huivering langs de ruggegraat.

„Vier weken in een notendop op den Oceaan!” barstten zij beiden uit.

„Met je permissie! op de Javazee en een stukje op de Chineesche zee,

heeft in dit seizoen niets te beteekenen. Maar als jullie bang zijt,

heb ik me in je vergist. ’t Is voor het laten of voor het nemen,” was

het flegmatieke antwoord.

„Neen, neen!” meenden de beide Zwitsers en staken hem de hand toe.

„Neen! we gaan mee, al voerde de weg naar de hel.”

De saamgezworenen staakten nu het gesprek en begaven zich naar het

fort, om door een langer samenzijn geen achterdocht op te wekken. Zij

spraken evenwel alvorens af, niet dan uiterst zeldzaam bij elkander te

zijn, op alles acht te geven, wat voor hun plan belangrijk zou kunnen

zijn en langzamerhand, zonder opzien te baren, alles in de hut van

Johannes bij elkander te brengen, wat zij voor den tocht dienstig

oordeelden. Zoo verzamelden zij zooveel mogelijk levensmiddelen, ook

buskruit, ofschoon Baba Poetjieng hen daaraan wel helpen kon, maar

vooral kogels door bij het schijfschieten het projectiel behendig weg

te moffelen en hun schot met los buskruit af te geven. Wanneer dan een

misschot aangewezen werd door den schijfwachter, lachten hen de

kameraden dapper uit en zetten de onhandigen een onnoozel gezicht.

Met dat al moesten zij nog volle veertien dagen wachten, alvorens hun

voornemen ten uitvoer te brengen. Binnen weinige dagen zou het volle

maan zijn en het trof juist toevallig, dat twee dagen later de vloed

omstreeks middernacht zijn hoogste punt zou bereiken. [24] Wanneer dat

zoo samenviel, dat de waterstand gedurende die heldere nachten zijn

hoogste punt verkreeg, dan waren het steeds dagen van pret voor het

garnizoen van Kwala Kapoeas. De soldaten toch hadden al gauw van de

Dajaks afgekeken, dat dezen tegen dien tijd bij eb, die dan ook haar

laagsten stand bereikt, alle bochten en kreken zoowel langs de rivier

als langs de zee met „kabiendai hempang” een vlechtwerk van

bamboelatjes, zoodanig afsluiten, dat bij vloed het water zoo omstreeks

een voet over dat staketsel heenstroomt, maar bij eb eene strook van

den oever daarachter droog valt. De visschen schijnen nu bij maanlicht

in groote scharen te trekken en op en langs de overstroomde oevers hun

voedsel te zoeken, waardoor er een groote menigte achter die

bamboelatjes gevangen worden. De grachten rondom het fort, waarin

eenige spruitjes uitwaterden, en die zoowel in de Kleine Dajak rivier

als in de Kapoeas Moeroeng uitmonden, boden voor zulk een vischvangst

een uitmuntende gelegenheid aan. Bij vloed stond gewoonlijk zes à zeven

voet water in de grachten; maar bij eb vielen zij gedeeltelijk droog of

bleef er maar een halve voet water op den zachten modder staan. De

beide mondingen werden dan met kabiendai hempang naar eisch afgesloten

en bij het aanbreken van den dag sprongen de soldaten, ook hunne

vrouwen, zelfs hunne kinderen, met platte manden gewapend, in die

grachten en hadden het maar voor het opscheppen. Verbazend groot was

dan het getal visschen en groote garnalen [25] en krabben die daar

gevangen werden. Het was een koddig gezicht, die mannen, vrouwen en

kinderen, slechts half gekleed, in dien zachten modder te zien door

elkander loopen, springen, zich bukken, om den buit te bemachtigen,

soms vallen en in ’t slijk wentelen. Gegil, geschreeuw en gekibbel was

daarbij aan de orde en vreugdekreten verhieven zich, wanneer een groote

„baoeng” [26] te voorschijn werd gehaald. Soms gebeurde het wel, dat

een groote schildpad of een jonge kaaiman in de dikke brij verrast

werden, waarbij vooral de laatste zich door ontzagwekkende sprongen

ruim baan trachtte te maken. Dan stoof de menschendrom met een gegil

van angst uit elkander voor een oogenblik; maar spoedig waren eenige

lansen gegrepen en dan begon een andere soort van jacht, die, niet

altijd zonder gevaar, met den dood van het monster eindigde. De

vischvangst werd vervolgens hervat, waarbij zelfs de kleinste „ikan

soloang” niet werd versmaad. [27] De buit werd eindelijk verdeeld,

waarna de vrouwen zich aan het sissen, poffen en braden zetten, en den

belusten ontijdig het water in den mond brachten.

Zoo was ook op den bewusten dag de vangst belangrijk geweest, men had

korven vol visch opgeschept. Maar in plaats dat er gepoft en gebraden

werd, had er een andere vertooning plaats. Johannes namelijk kocht

zooveel mogelijk al de gevangen visschen op, zelfs tegen zoo hooge

prijzen, dat het de opmerkzaamheid van den kommandant trok. Op diens

vraag, wat dat te beduiden had, antwoordde de opkooper beleefd, dat hij

die visschen in de zon drogen wilde en hij er reeds een goeden prijs

bij Baba Poetjieng voor bedongen had. De zoo gedroogde visch maakt ter

zuidkust van Borneo een belangrijken tak van uitvoer uit en is in den

handel zoo gewild, dat niet altijd ten volle aan de navraag kan worden

voldaan. Het gegeven antwoord kon dus geen argwaan wekken. De slimmerd

had echter andere oogmerken. De gedroogde visch moest den voorraad

levensmiddelen der vluchtelingen aanvullen. Een ander nut der

voorgegeven speculatie was, dat onder het voorwendsel van de gedroogde

visch voor en na, zooals zij gereed kwam, te komen afhalen, Baba

Poetjieng, zoo dikwijls hij verkoos, in de hut van Johannes kon

verschijnen en van daar met zakken beladen kon vertrekken, zonder

iemands achterdocht gaande te maken.

Johannes en La Cueille waren dan ook spoedig druk in de weer, die

visschen van hunne ingewanden te ontdoen, ze te spouwen en tusschen

gespleten bamboelatjes te bevestigen, om ze gemakkelijker aan

droogrekken in de zon te kunnen ophangen. Schlickeisen en Wienersdorf

deden aan dat werkje niet mede; zij bleven voortgaan met hunne

opmetingen in den omtrek. Alleen wanneer zij des avonds thuis kwamen,

gingen zij wel eens ongezocht naar den arbeid kijken. Was dan eenig

ander militair in de buurt, dan bespotten zij de vischhandelaars

dapper, die hun het antwoord niet schuldig bleven. Was het terrein

vrij, dan had er al spoedig een ander gesprek plaats. De kennis met La

Cueille, als bondgenoot in het desertiekomplot, was spoedig gemaakt.

Zijne lotgenooten waarschuwden hem tegen het gebruik van sterken drank

en noopten hem een belofte af te leggen, geen jenever te proeven,

zoolang de reis niet aanvaard was.

„Dat wil ik wel beloven,” verzekerde de Waal, „ik zal geen droppel

sterken drank over de lippen nemen, anders straffe mij God en de

heilige Moeder Gods!”

„Amen,” zei Johannes met een glimlach.

„Je zult je belofte, om voor ons vertrek geen sterken drank meer te

gebruiken, nakomen, niet waar?” vroeg Wienersdorf nog met nadruk,

terwijl hij La Cueille de hand toestak.

„Dat zal ik, zoo waarlijk helpe mij Onze Lieve Vrouw van

Scherpenheuvel!” sprak de Waal met ontroerde stem.

„Welkom dan in ons midden! De taak van ieder onzer moet nu zijn, alles

bij te brengen om de onderneming te doen slagen. Ieder voor allen, moet

onze leus voortaan zijn. Zeg Johannes, hoe staan we nu met onze

toebereidselen?”

Deze antwoordde, dat hij reeds een vijftal zakken rijst bij Baba

Poetjieng had, elk van een pikol of 62½ kilogram. Er was dus van dat

hoofdvoedingsmiddel nagenoeg voor drie maanden aanwezig.

„Hoe maakt ge die rekening?” vroeg Schlickeisen, die Jantje sekuur van

den troep was, „we mogen ons niet misrekenen.”

„Zes pikols maken 600 katie’s. [28] Een gezond mensch heeft minstens

daags ⅞ katie noodig, dat een dagelijksch verbruik van 6⅛ katie maakt.

We zouden dus een voorraad voor 98 dagen hebben, maar zoolang zullen we

wel niet onder weg blijven. We dienen echter met spillage en bederf

rekening te houden, zoodat we aan die vijf zakken niet te veel zullen

hebben.”

„Maar we zullen toch wel wat anders te eten krijgen dan droge rijst?”

vroeg Schlickeisen verder.

„Stel je gerust,” glimlachte Johannes, „je ziet, ik zorg al voor

gedroogde visch. De Chinees zal ook voor dengdeng, voor zout, peper,

gedroogde lombokh en kerriekruiden zorgen. We zullen ook wel een vaatje

gezouten vleesch in de prauw vinden. Je moet er je echter op

voorbereiden, dat je ’t niet altijd zult hebben, als bij je moeder

thuis; maar bepaald gebrek zullen we niet lijden. Wat me ’t meeste

hoofdbrekens kost, is het drinkwater. Rekenen wij, dat met alles voor

ieder man slechts twee liter per dag noodig is, dan geeft dat voor een

maand reis ruim 400 liter of acht vaatjes van 50 kan. Die zullen

ontzaglijk veel ruimte wegnemen en onze gemakken veel verminderen.”

„Maar we zullen toch geen water voor de geheele reis moeten innemen?”

„Voorzichtigheidshalve ware dat het beste; we zouden dan steeds

voorzien zijn en geen moeite en tijd te verliezen hebben. Maar

waarlijk, ’t zal onmogelijk zijn; we zouden ons in de prauw niet kunnen

roeren. Daarin zal toch al zooveel gestopt moeten worden. We zullen dus

maar twee vaatjes of honderd liter meenemen. Met overleg zal dat wel

voldoende zijn om ons voor ergen dorst te bewaren.”

„Maar is dat nu weer niet veel te min? nog niet eens het kwart van wat

we noodig hebben,” vroeg de voorzichtige Schlickeisen, „dat brengt ons

rantsoen op een halven liter.”

„Luister. Zoolang we in de kleine Dajakrivier zullen zijn, hebben we

onzen voorraad niet aan te spreken. Ook zullen we geen gebrek hebben,

zoolang we ons op de kusten van Borneo zullen bevinden. Over dag moeten

we ons schuil houden van wege de kruisers in den een of anderen inham

of kreek. Er is misschien geen land ter wereld, dat op gelijke

uitgestrektheid zooveel rivieren en beekjes naar zee zendt, als op de

zuidkust van Borneo geschiedt. Daar heb je, de Kleine Dajak uitkomende

en rechts omslaande, eerstens de Kahajan, een prachtige stroom, die bij

volle eb op twee mijlen van zijn monding nog drinkbaar water aanbiedt,

dan de Sebangouw, die wel zoo groot niet is, toch een aanzienlijke

rivier genoemd mag worden. Verder de Mentawei, de Sampit, de Kotta

Waringin en de Djelei, voorname waterstroomen, die benevens een menigte

kleinere riviertjes en beekjes zich tusschen 114° 5′, waarop de monding

der Kleine Dajak en 110° 15′ O.L. van Greenwich, waarop de

zuidwestelijkste punt Tandjoeng Batoe Titi liggen, in de Javazee

storten en ons rijkelijk gelegenheid zullen aanbieden, onze provisie

zoet water aan te vullen. Maar van den Borneowal overstekende naar

Biliton, zullen we zuinig moeten zijn; want dan zijn we nagenoeg in

volle zee. Daarbij komt nog dat we op Biliton’s noordkust niet veel te

verwachten hebben; de weinige riviertjes, die daar aangetroffen worden,

bevatten allen brak water. Op de noordoost- en noordkust van Banka is

het weer eenigszins beter; maar daar moeten we door de aanwezigheid van

talrijke Nederlandsche nederzettingen zeer op onze hoede zijn en mogen

op geen aanvulling rekenen. Maar op de oostkust van Sumatra zullen we

weer overvloed hebben. Daar zijn stroomen als de Reteh en de Indragiri

met hunne tallooze armen en vele andere kleinere rivieren, die zich in

de Chineesche zee werpen, meer dan voldoende om onzen dorst te

lesschen.”

„Je bent voor aardrijkskundige in de wieg gelegd, en ik neem mijn hoed

af voor het onderwijs te Kedong Kebo,” complimenteerde Wienersdorf.

„Laat kijken je hoed,” lachte Johannes, „’k zie niets anders dan een

smerige politiemuts. Laat kijken den hoed dien je wilt afnemen; ’k heb

in geen jaren een vijfkop gezien.”

„Nou, dan nemen we onze ouwe politiemutsen af voor je prachtige

uiteenzetting; maar....” ging de weetgierige Schlickeisen voort, „’k

wou die verhandeling nog wel wat aangevuld zien.”

„Ja, ’k weet het wel, je bent zoo nieuwsgierig als een neusaap. [29]

Maar ga je gang, wat wou je weten?”

„Hoe lang zal de overtocht van Borneo naar Sumatra duren?”

„Tandjoeng Batoe Titi ligt op 2° 55′ zuiderbreedte en op 110° 15′

oosterlengte, Tandjoeng Basso de oostelijkste kaap van het eiland

Basso, een aanslibbing van de Indragiri-rivier, ligt op 0° 20′ Z.B. en

103° 44′ O.L. van Greenwich. Die afstand zal dus zoo wat in rechte lijn

105 geographische mijlen bedragen. Houden we tot in het gezicht van

Banka den zuid-oost mousson, dan kunnen we op een vaart van twintig

mijlen per etmaal rekenen. Maar dat zou te veel geluk zijn. Tot bij

Biliton zal die mousson ons vrij constant bijblijven; maar dan zullen

we waarschijnlijk stilte of wel noorden- of noord-oostenwind krijgen.

Die winden zijn ook verre van ongunstig; maar zij zijn in dit seizoen

gewoonlijk uiterst zwak. We moeten rekenen, dat we gemiddeld niet meer

dan vijftien mijlen zullen maken en zal dus die overtocht zonder

wederwaardigheden zeven dagen duren.”

„Dus 7 × 7 × 2 of 98 liter water, die op dat traject noodig zijn.”

„Dat is volgens Bartjens, juist 98 liter.”

„Jongens, dat ’s krapjes, dan is er niets over voor de

wederwaardigheden.”

„En ook niet voor het morsen, dat is waar. Maar in Gods naam! we zullen

ook misschien wel eens ergens kunnen aanleggen; is het niet op Banka,

dan op het eiland Singkep, daar is water in overvloed. In de eerste

plaats evenwel moeten we zuinig zijn. Twee kan per man zijn ook voor de

omstandigheden ruim berekend en het zal voor een korten tijd ook wel

met minder kunnen.”

Zoodanig waren de gesprekken, die ons viertal hield, wanneer zij de

ongezochte gelegenheid hadden bij elkander te zijn. Een andermaal

deelde Johannes mede, dat Baba Poetjieng een vaatje buskruit van

vijftig pond toegezegd had. Dit bracht het gesprek op de bewapening en

de munitie, en werd er afgesproken dat, wanneer de dag der ontvluchting

aangebroken zou zijn, de saamgezworenen hunne geweren in de hut van

Johannes zouden brengen, onder voorwendsel die met zorg te willen

poetsen. Men zou ook trachten zooveel patronen mogelijk machtig te

worden; maar vooral moest men kogels zien te verkrijgen. Door bij het

schijfschieten te smokkelen, hadden zij al een kleine honderd bij

elkander en onder voorwendsel van een „djala” [30] te willen maken, had

Johannes van den knecht bij het oorlogsmagazijn nog een twee honderd

kogels gekregen. La Cueille deelde mede, dat hij van den kommandant

twee Remmington-geweren ontvangen had om te poetsen en van den dokter

twee revolverpistolen. De bij die vuurwapens behoorende patronen,

verzekerde hij, zou hij ook wel machtig worden. Verder werd besloten,

dat de Zwitsers de boussole en den veldkijker van den kommandant zouden

medenemen.

Zoo verliep de tijd, dien zij nog wachten moesten, om hun plan te

volvoeren. Den tweeden dag na nieuwe maan kwam Baba Poetjieng als

gewoonlijk zijne waren aan de aanlegplaats bij het fort te koop

aanbieden. Hij verkocht dien dag aan den dokter een schaakspel, in

ivoor prachtig à jour gewerkt, voor een spotprijs en scheen overigens

goede zaken te doen. Hij had onder anderen een factuur doelmatige

Duitsche pijpen, die door de soldaten zeer gewild waren. Hij maakte van

zijn aanwezen bij het fort gebruik, om nog een paar zakken gedroogde

visch af te halen, waarmede die vischhandel afgesloten was, en waarvoor

hij Johannes in tegenwoordigheid van verscheidene andere militairen een

tiental rijksdaalders afbetaalde. In werkelijkheid gold het geheele

bezoek van den Chinees slechts de laatste afspraken, die nog te maken

en de laatste goederen, die nog over te brengen waren. Het oogenblik

was gunstig. Er was een choleralijder in den kampong gestorven en

niemand had zich opgedaan om het lijk te begraven, dan de drie Dajaks,

die van de ontvluchtingspartij zouden zijn. Tot 10½ uur zou de vloed

loopen, dan zou omstreeks een half uur stilstaand water zijn, waarna de

eb met kracht zou intreden. Alle kansen waren dus gunstig. Bij het

vallen van den avond slopen de vier verbondenen in de hut van Johannes,

en hielden zich daar verborgen totdat de duisternis volkomen was. Toen

slopen zij een voor een met hunne geweren gewapend, achter de struiken

bukkende langs den rivieroever en bereikten ongezien den kampong, waar

zij plaats namen in de prauw, die den overledene naar zijn laatste

rustplaats moest overvoeren. Dat alles ging zonder eenige stoornis; de

vrees voor de ziekte hield ieder nieuwsgierige op een afstand. Tegen 10

uur omstreeks werd de „Raoeng,” die den overledene bevatte in de prauw

gebracht; omstreeks 11 uur kwam de prauw met de priesteressen, die

achter het lijk hare gezangen moesten uitgillen. Bij die aankomst was

de eb reeds ingetreden; beide prauwen staken dus van wal en weldra

waren zij het fort gepasseerd, de lezer weet met welk gevolg.

Borneo van Zuid naar Noord · 第 44 / 77 题