De bezetting van Kwala Kapoeas.—Een militaire kampong.—De werving
van het Nederlandsch-Indische leger.—De zielenverkoopers.—„Die
vader en moeder vermoord heeft is nog te goed voor de Oost.”—De
opstand der Zwitsers te Samarang.—De Zwitsers over den geheelen
Archipel verspreid en Schlickeisen en Wienersdorf te Poeloe Petak
geplaatst.—Plannen tot desertie.—
Al is een fort nog zoo hecht daargesteld en met nog zooveel kanonnen
bewapend, zou het wanneer er geen verdedigers waren om de borstweringen
te bezetten en de kanonnen te bedienen, niet veel gegeven hebben. En
hoewel de Nederlanders in het eigen vaderland de actieve strijdkrachten
schromelijk verwaarloozen en bij een oorlog alles van de doode
strijdkrachten schijnen te verwachten, zoo moet toch geboekstaafd
worden, dat diezelfde Nederlanders in Indië het goedkooper vinden, de
beide stelsels te combineeren, door aan de verwaarloosde krijgsmacht
ook nog de noodige gelden voor de verdedigingsmiddelen te onthouden. De
lezer herinnere zich slechts, hetgeen in een vorig hoofdstuk verhaald
werd over de bewapening van de troepen op de buitenbezittingen, dan kan
hij er zich bij denken, hoe het er met forten en versterkingen heeft
uitgezien.
Volgens formatie, zooals de vakmannen dat noemen, zou het fort te Kwala
Kapoeas bemand worden met zestig infanteristen en een achttal
kanonniers. Van die cijfers zoude het derde gedeelte uit Europeanen,
het overige uit inlandsche soldaten bestaan. Aanvankelijk, bij de
oprichting was Europa vrij wel vertegenwoordigd bij dat detachement en
leefden Franschen, Duitschers, Belgen, Nooren vrij eendrachtig bij
elkander. Ook de inlanders vormden heterogene elementen, maar de
Javaantjes hadden toch de meerderheid boven de Sundaneezen, Madureezen
en Boegineezen, die bij het detachement aangetroffen werden.
Toen in 1861 een geest van oproer onder de Zwitsers, bij het Indische
leger dienende, op Java waargenomen werd en die geest zich te Samarang
reeds door daden van gewelddadig verzet vertolkt had, was het
meerendeel dier Zwitsers heinde en ver over den Indischen Archipel
verspreid en zoo werden ook de Europeanen te Kwala Kapoeas aanwezig,
bijna allen afgelost en vervangen door manschappen, die in meerdere of
mindere mate aan dien opstand hadden deelgenomen. Onder hen bevonden
zich toen een tiental Zwitsers, een paar Belgen, een drietal Sienjo’s,
[12] ook nog een paar Duitschers, maar geen enkele Nederlander. Alleen
bij het kader werden een paar sergeanten en drie korporaals
aangetroffen, die tot de laatstgenoemde nationaliteit behoorden.
Het waren flinke borsten, al die mannen, die den moeielijken dienst met
opgeruimdheid torschten. Zij hadden overigens een vrij woelig leven.
Des nachts moest steeds de uiterste waakzaamheid betracht worden; des
daags werd veelvuldig uitgerukt tot opsporing van kwaadwilligen, ook om
de goedgezinde bevolking vertrouwen in te boezemen en de weifelachtigen
te toonen, dat op ieder uur van den dag een troep gereed was, iedere
poging van verzet te onderdrukken en dat geen schuilhoek voor de
Nederlanders onbereikbaar was. Ongelooflijk inspanningsvolle marschen
door zwaar moerassig terrein, overdekt met een weelderigen
plantengroei, werden daarbij volvoerd en slechts zeer zelden gelukte
het daarbij met den vijand slaags te geraken. Met dat al heerschte er
nog al tevredenheid onder die mannen en hadde het Nederlandsch-Indische
bestuur in die dagen de gewone en ellendige tarieven niet door het
hongerlijders-tarief vervangen, waarbij alweer een keer te meer op
echte kruideniersachtige wijze: „l’économie des bouts de chandelles”,
was betracht geworden, dan zouden zij hun toestand ongaarne tegen een
anderen in Indië hebben willen verwisselen. Dat zwaar dienstdoen, dat
uitrukken, waarbij in sluwheid moest gewedijverd worden met den
listigen inlander, waren kolfjes naar de hand van die mannen, die aan
een avontuurlijk leven gewoon, zich tot dienstnemen bij het
Nederlandsch-Indische leger hadden laten verlokken, door het
vooruitzicht, dat avontuurlijk leven bestendigd te zien. Zij hadden
daarenboven permissie bekomen, een stukje grond buiten het glacis van
het fort te bewerken, waarop de blanken met goed gevolg Europeesche
groenten en de inlandsche soldaten katellapohon, kadjang en obie’s [13]
kweekten. Ook was het ieder dier miniatuur-landbouwers veroorloofd op
een kleinen afstand van het buitengrachtsboord zich een hutje op te
richten, waarbij orde en regelmaat in acht was genomen. Zoo was een
militaire kampong verrezen, die, vooral wat het inlandsche gedeelte
daarvan betreft, in sierlijkheid kon wedijveren met de Dajaksche
kampongs in den omtrek, wat trouwens niet veel zeggen wil. Het
Europeesch gedeelte van dien militairen kampong was meer doelmatig dan
wel sierlijk ingericht. Men vond daarin flinke luchtige huizen, waarin
tafels, banken en stoelen aangetroffen werden, alles van wild hout, ruw
uit de hand met het kapmes vervaardigd, waaraan de fijne
meubelwerkers-kunst geheel vreemd was, die evenwel meer gemakken
aanboden dan onze salonprullen.
In dien kampong had de man na verrichte dienstplichten een te huis,
waar hij zich ontspannen kon, waar hij, onder het genot van een pijp
tabak, zich met zijne lotgenooten onderhouden kon over het verre
vaderland, waar hij zich een oogenblik van den knellenden band der
krijgstucht ontslagen voelde.
Nogmaals, er heerschte nog al tevredenheid onder dat troepje en die was
voornamelijk bij de onontwikkelden op te merken. Die hadden afleiding,
geheel overeenkomstig hunne wenschen. Anders was het echter gesteld met
enkelen, die zich van het leven in Nederlandsch-Indië geheel iets
anders gedroomd hadden dan de werkelijkheid hun aanbood. De lezers
leerden hen reeds in het eerste hoofdstuk kennen. Het waren
Schlickeisen en Wienersdorf, twee Zwitsers, die betrekkelijk een vrij
goede opvoeding hadden genoten en zich nu misplaatst gevoelden in het
leven, waarin zij zich bevonden en wat zij zich zelven eenigermate
bereid hadden.
Aanvankelijk stond daarbij hunne positie niet ongunstig. Als mannen van
ontwikkeling hadden zij al aanstonds bij aankomst te Batavia een goeden
indruk gemaakt en de belangstelling hunner officieren verworven. In
betrekkelijk korten tijd waren zij dan ook tot sergeant bevorderd en
voorloopig in het aanbevelingsregister bij het Departement van Oorlog
opgenomen, wat hun het vooruitzicht opende den officiersrang te kunnen
verwerven, wanneer namelijk het onderzoek naar hunnen vroegeren
levensloop, dat door bemiddeling van de Zwitsersche kanselarij
ingesteld was, een gunstig resultaat zou opleveren. In afwachting
daarvan, waren zij te Samarang bij een der veldbataillons geplaatst, om
later bij de militaire school te Meester Cornelis over te gaan, alwaar
alsdan hunne militaire opleiding voltooid zoude worden.
Die plaatsing te Samarang was evenwel een poets, hun gespeeld door het
noodlot. In die plaats toch, alsook in de overige garnizoenen in de 2e
Militaire Afdeeling op Java, waarvan Samarang het hoofdkwartier
uitmaakt, waren vele Zwitsers aanwezig en onder die heerschte zeer veel
misnoegen, waartoe trouwens nog al aanleiding bestond.
Het Nederlandsche volk weet niet, of.... wil niet weten op wat wijze de
soldaten voor het koloniale leger worden aangeworven. In der tijd heeft
men de tuchthuizen geledigd om de gelederen van dat leger te vullen;
schurken van de ergste soort heeft men in den soldatenrok gestoken. Men
was daarmee wel voor een kortstondig oogenblik geholpen; men heeft
evenwel daardoor den Nederlanders zoo’n schrik voor hunne zoo schoone
overzeesche bezittingen ingeboezemd, dat nu nog in zeer vele gedeelten
van Nederland als machtspreuk geldt dat: „hij die vader en moeder
vermoord heeft, nog te goed is voor de Oost.” Nu is men verplicht zijn
toevlucht tot de vreemdelingen te nemen en daarbij volstrekt niet
kieskeurig te werk te gaan. Vergde men van die vreemdelingen bewijzen
van goed gedrag, zooals dat van de zonen des lands geëischt wordt, dan
zou de opbrengst der werving al heel luttel zijn. Men gaat zelfs,
wanneer de markt slap en de aanvoer van menschenvleesch schaarsch is,
een stap verder. De Nederlandsche wervers voorzien dan hen, die door
politie-antecedenten of door hunne aanraking met den rechter voor
crimineele zaken soms met den scherprechter zulks noodig hebben, van
valsche papieren. Ook hen, die die aanraking zorgvuldig om gewichtige
redenen wenschen te vermijden en derhalve hun eigen naam niet kunnen
voeren. Het getal Fransche petroleurs, Duitsche sociaal-democraten of
Waalsche grevisten en andere nog veel ergere misdadigers, die thans
onder een valschen naam bij het Nederlandsch-Indische leger dienen, is
overgroot. Is de nood evenwel aan den man, dat wil zeggen, is er een
oorlog in Indië uitgebroken, waardoor nog al menschenvleesch verslonden
wordt en dus de gewone aanvoer onvoldoende is, dan worden de
verfoeielijkste kunstgrepen te baat genomen, om in het te kort te
voorzien. De wervers—zielenverkoopers noemt hen het volk—vliegen dan
uit als een troep hongerige gieren en verspreiden zich over Europa met
het doel vleesch te huis te brengen. Zij slaan dan hun hoofdkwartier op
in de beruchtste kroegen, in de speelholen van de ergerlijkste soort,
meestal echter in huizen aan de dierlijkste ontucht gewijd en zijn er
dan op uit, om van de meest liederlijke hartstochten van de bezoekers
misbruik te maken, om hun prooi te bemachtigen. Veelal gaan ook de
wervers het land op en verspreiden zich over de dorpen. Daar nemen zij
den schijn van gemoedelijkheid aan, weten wonderveel te verhalen van
Nederland’s fraaie koloniën, spiegelen den onervarenen wonderen van het
soldatenleven in die gewesten voor oogen, vertellen hun, dat het
eigenlijk geen soldaat zijn is; dat hij daar meer gewapende landbouwer
zal zijn, die van het Indische bestuur, eerst in bruikleen, later in
eigendom, een flinken lap grond verkrijgt met een huisje, een paar
koeien, een paar buffels, en wat varkens, en dat hij slechts eens in de
week zijne wapenen heeft aan te gorden, om wat geoefend te worden of om
inspectie te maken. Altemaal niets te beduiden. En zoo worden honderden
en nog eens honderden bedrogen. Het hooge bloedgeld is al zeer spoedig
in woestheid en ongebondenheid verteerd en wanneer de rampzaligen
tusschen de keerkringen uit hunnen roes ontwaken, dan klinkt hun nog
als een wreede spotternij de humbug van den Nederlandschen
kolonel-kommandant van het koloniaal werf-depôt te Harderwijk in de
ooren, toen hij hun de geneugten van „das schöne Java” opvijzelde; hoe
zij daar „sambal naar genoegen” volgens de stereotiepe uitdrukking van
het reglement op den inwendigen dienst zouden erlangen, en welk „schön
Pension” hun te wachten stond, wanneer het hun gelukte hunne beenderen
wederom huiswaarts te brengen. Die laatste zinsnede mompelde de geachte
hoofdofficier voorzichtigheidshalve onhoorbaar; hij was te goed
Nederlandsch ambtenaar, om zich zoo maar iets, wat naar waarheid
zweemde, te laten ontvallen. Integendeel hij spiegelde zijnen
toehoorders voor, dat zij allen in het genot van „das schöne Pension”
zouden treden. Helaas! „das schöne Java” zou voor de meesten hunner een
vloekoord worden, alwaar zij, slecht en karig gevoed, als galeiboeven
gekleed, zullen leven te midden eener inlandsche bevolking, die zich
niet met hen vermengt, en alwaar zij door de Europeanen, ambtenaren en
kooplieden als paria’s met de diepste verachting zullen worden
bejegend. Slechts zeer weinigen hunner zullen het zoo opgevijzelde
„schöne Pension” deelachtig worden; en zij die dat geluk zullen hebben,
zullen in hun vaderland terugkomen met een ziekelijk lichaam, uitgeput
of verminkt, gewikkeld in een afzichtelijke grijze pij, die een
kapotjas moet heeten, om ten toonbeeld te strekken, wat het „schöne
Java” voor hen geweest is en wat het hun heeft opgeleverd.
Waarlijk de praktische Hollanders hebben wel gelijk, wanneer zij
beweren: „dat hij, die vader en moeder vermoord heeft, nog te goed is
voor de Oost!”
Zoo kwamen dan Wienersdorf en Schlickeisen te midden dier ontevreden
slachtoffers terecht. Hoewel zij voor hun persoon niet te klagen hadden
en hunne vooruitzichten gunstig stonden, konden zij toch het oor niet
sluiten voor de klachten hunner landslieden, die—zij moesten het
erkennen—vreeselijk bedrogen waren. Aanvankelijk hielden zij zich op
een afstand en vergenoegden zich slechts raad te geven, die, ware hij
gevolgd geworden, veel onheil zoude voorkomen hebben. Maar te midden
dier Indische maatschappij, die hen uitstiet, geen ander toevluchtsoord
hebbende dan de kantine en de kazerne, was hunne voortdurende aanraking
met de ontevredenen onvermijdelijk. Van nabij zagen zij de ellende der
ongelukkige bedrogenen; zij zagen de slachtoffers van slechte voeding
en van slechte behandeling overslaan tot uitspattingen, om eindelijk
ten gevolge van die uitspattingen te krommen onder de rietslagen, die
met Nederlandsche vrijgevigheid toegeteld werden op dat lichaamsdeel,
waar de rug een anderen naam erlangt, zonder dat de machthebbenden ook
maar het minste verrichtten, om in den toestand der ongelukkigen
verandering te brengen of de hoofdoorzaak der uitspattingen, zijnde de
vrije verkoop van sagoeweer [14] aan alle hoeken der straten, weg te
nemen.
Bij zooveel rampzaligheid kromp hun het hart ineen en verontwaardiging
maakte zich meester van hun gemoed. Rondom hen werden ontwerpen
besproken, om uit dien radeloozen toestand te geraken, eerst van
desertie, wegloopen, dat natuurlijke middel van den zwakke, om zich
buiten het bereik van den sterkere te stellen. Toen evenwel die
ontwerpen onuitvoerbaar bleken, werden plannen tot gewelddadig verzet
ontworpen. Nog hielden Wienersdorf en Schlickeisen zich daar buiten;
hoewel zij reeds aan hun plicht als onderofficieren te kort deden, door
het stilzwijgen omtrent die plannen te bewaren, waartoe zij zich
genoopt meenden te gevoelen door eene misplaatste meewarigheid ten
opzichte hunner landslieden. Bij het bekend worden van het beraamde,
zou toch de rotting geducht huishouden. Toen evenwel de aanleggers met
groote woorden de bevrijding der Javanen van het juk der Hollanders in
hun programma opnamen en daardoor het odium van een militairen opstand
wegmoffelden, om daarvoor de bevrijding van een onderdrukt volk in de
plaats te stellen, toen begonnen die plannen een aantrekkelijkheid te
krijgen, die voor onze avonturiers onweerstaanbaar was. De hongersnood
in de districten Demak en Poerwodadi, nog zoo kort geleden, als gevolg
van het bouwen van de vesting Willem I in onbetaalde of onvoldoend
betaalde heerendiensten, werd te pas gebracht; de bladzijden uit den
„Juif errant” van Eugène Sue, waarin verhaald wordt, dat Javaansche
moeders hare kinderen ombrengen, om hen aan den hongerdood, aan de
slavernij of aan de onteering te ontrukken, werden met geestdrift
voorgelezen; Multatuli’s Max Havelaar, pas verschenen in die dagen,
waarbij de afpersingen op den Javaan, onder het schild der
Nederlandsche regeering gepleegd, zoo helder in het licht werden
gesteld, werd gretig verslonden; andere geschriften, waaronder van
Hoevell’s tijdschrift voor Nederlandsch Indië, brachten het hunne bij,
om die verdwaalden eene bevrijding van den verdrukten Javaan met
geestdrift te doen begroeten. Hoogdravende woorden weerklonken, ver
reikende plannen werden gesmeed, zelfs een verschijnen van den
vrijheidminnenden Garribaldi werd aangekondigd, wanneer slechts eenmaal
de beweging in vollen gang zoude zijn.
De raddraaiers lachten in hun vuistje, dat dat alles zoo voor goede
munt werd opgenomen. Zij waren te ontwikkeld, om niet in te zien, dat
de Javaan, te wantrouwend in zulke omstandigheden tegenover de
vreemdelingen, zich stil zoude houden, zoo hij zich niet vijandig
tegenover de blanke oproermakers zoude openbaren. In het gunstigste
geval was alleen van hem te verwachten, dat hij zich de omstandigheden
ten nutte zoude maken, om al de blanken, Nederlanders en oproerlingen
naar zee te jagen. Het plan van de belhamels was uiterst eenvoudig. Zij
wilden hun slag slaan in de eerste verwarring, onvermijdelijk bij een
militair oproer, eenige staatskassen plunderen, zich van ettelijke
schepen op de reede meester maken, om God’s wijde zee in te steken; ten
einde, zij wisten niet waar, de vruchten van hun roof te gaan genieten.
De arme onnoozelen, die bij het opstootje geholpen zouden hebben,
zouden het eenvoudig misgolden en voor de akelige grap geboet hebben.
Wat onder zulke omstandigheden met zoo’n slag van volk gebeuren moest,
gebeurde ook. De Nederlandsche autoriteiten werden door verraders bij
tijds gewaarschuwd, en toen de belhamels bij het bewustzijn van dat
verraad, het tot een overijld en onvoorbereid handelen lieten komen,
waren alle maatregelen tot beteugeling genomen.
Te Samarang had een kortstondig gevecht plaats, waarbij het de
schutterij gelukte de oproerlingen binnen hun kwartier te houden.
Eenmaal daarin opgesloten, werden zij door een paar compagnieën
Amboineezen spoedig gedwongen de wapens neer te leggen. In de vesting
Willem I werd een medeplichtig bataillon op behendige wijze ontwapend;
op andere plaatsen hadden ettelijke arrestatiën plaats en daarmee was
het uit. De beweging was, gelukkig voor alle partijen, in hare geboorte
gesmoord.
Nu vergaderden de krijgsraden, die „ultima ratio” naast het kanon van
hen, die niet volkomen gelijk hebben. Ettelijke belhamels werden tot
den strop verwezen, andere werden tot levenslange gevangenisstraf
veroordeeld, alle die eenigen graad bekleedden en in mindere of
meerdere mate in het komplot betrokken waren geweest, werden tot
soldaat gedegradeerd en het geheele Europeesche gedeelte van het leger,
dat in de 2e Militaire Afdeeling van Java gehuisvest was geweest, werd
over den geheelen Archipel verspreid. Dezen naar de Westkust van
Sumatra, genen naar de Lampongs, anderen naar Borneo’s Westkust, naar
Banka, naar Palembang, naar Riouw, naar Siak, naar Borneo’s Zuid- en
Oostkust, naar Makassar, naar de Menahassa, naar de Molukken enz. enz.
Toen het gevaar daar was, werd er flink en doortastend gehandeld.
Daaraan is te wijten, dat er geen grootere onheilen gebeurd zijn. Wat
minder te prijzen valt, is de geheimzinnige sluier, die over het
gebeurde werd geworpen. Naast den officieelen leugen, of beter om dien
officieelen leugen te bevorderen en te kunnen kweeken, moet de
geheimzinnigheid, waarmede wij Nederlanders onze handelingen bij het
besturen onzer overzeesche bezittingen omsluieren, de vloek onzer
staatkunde genoemd worden.
Waren de verhooren, door die krijgsraden afgenomen, publiek gemaakt;
ware openbaar gemaakt, wat in die verhooren op den voorgrond getreden
is, de afzichtelijke wijze, waarop het Indische leger aangevuld wordt,
dan, o!—er valt niet aan te twijfelen—zou het Nederlandsche volk, met
al de gebreken, waarvan het beticht wordt, het tot een onmogelijkheid
gemaakt hebben, dat nog niet lang geleden de Duitsche rijkskanselier
zich met de Nederlandsche wervingen moest bemoeien; ook dat, om dien
staatsman genoegdoening te geven, een hooggeplaatst Nederlandsch
ambtenaar, van zijn ambt moest ontzet worden, om daarna tot spot van
wat door een rechtschapen mensch recht en billijk genoemd wordt, op
Java weer tot eer en aanzien verheven te worden.
Waren ook destijds de stukken, tusschen de Nederlandsche regeering en
den Heer von Bismarck gewisseld, waarop het ontslag van dien
staatsbeambte en de gerechtelijke vervolging van een Nederlandsch
hoofdofficier door de Duitsche autoriteiten volgde, openbaar gemaakt,
dan ware de kitteloorige waarschuwing van den drieharigen staatsman in
het jaar 1880 niet noodig geweest. Het Nederlandsche volk zou dan van
zijne bestuurders geëischt hebben, dat aan alle verfoeielijke
kunstgrepen bij de werving een einde gemaakt werd.
Had men het Nederlandsche volk de waarheid over de aanleiding van
zoovele oorlogen in Nederlandsch Indië niet onthouden, de Atjeh-oorlog
ware onmogelijk geweest. En nu nog, nu die oorlog nog voortduurt en
goed en bloed blijft verslinden, wanneer daaromtrent de geheele
onvervalschte waarheid verkondigd werd, dan zou niet alleen een andere
annexatie-oorlog in de toekomst onmogelijk worden, maar dan zou het
geheele Nederlandsche volk opstaan, om zich tot zijn Koning te wenden
met den nadrukkelijken eisch, een einde te maken aan dien
onrechtvaardigen oorlog, die met ongeëvenaarde hondschheid begonnen en
met Fransche luchthartigheid voortgezet is; maar waarbij behalve de
Nederlandsche financiën ook het laatste sprankje van Nederlandsche
eerlijkheid en waarheidsliefde dreigen te gronde te gaan onder een
aanhoudend weefsel van logen en bedrog, met het doel om den toestand te
verbloemen en met het resultaat, dat het volk aan zedeloosheid en
leugentaal gewoon gemaakt wordt.
Geheimhouding is de draaispil van de diplomatische bedrevenheid in
Indische zaken der Nederlandsche staatslieden; is die niet houdbaar,
dan wordt waarheidsverminking aangewend en, is die soms niet genoeg om
den toestand te redden, dan wordt niet teruggedeinsd voor het
verspreiden van de meest ergerlijke leugen. Bewijs bij voorbeeld voor
dit laatste beweren, de zoo hoog opgevijzelde vreemde interventie in de
Atjehzaken, waarvan nimmer een jota waar is geweest.
Maar, om tot ons verhaal terug te keeren. De Zwitsers waren dus over
den geheelen Archipel verspreid en zoo waren Schlickeisen en
Wienersdorf te Kwala Kapoeas verzeild geraakt, alwaar zij zich bij
hunne teleurgestelde verwachtingen uitermate verveelden.
Al zeer spoedig waren zij met denkbeelden vervuld, om zich aan dien
toestand te onttrekken. Zij ontveinsden zich er de moeielijkheid niet
van.
Wel was hun geen slecht lot beschoren; zij hadden het veel erger kunnen
treffen. Hun kommandant was een humaan mensch, die aan een gepaste
strengheid veel menschlievendheid paarde en innig medelijden had met de
arme verdwaalden. Alles deed hij, om hun toestand te verzachten; nu
eens kortte hij de verveling op den een of anderen tocht door een
gesprek met hen te houden, waarbij zij hunne gaven als ontwikkelde
mannen konden ten toon spreiden; zijn bibliotheek stond te hunnen
dienste en daar de luitenant lid van een der vele leesgezelschappen
was, die destijds ter Zuid- en Oostkust van Borneo bestonden, was dit
te meer onwaardeerbaar, wijl zij daardoor de meeste en de beste der
nieuwere tijdschriften in handen kregen en zoo op de hoogte van den
tijd bleven.
Een andere bezigheid, waarmede de luitenant hun leegen tijd in beslag
nam, was het opnemen van het terrein rondom en in niet al te
onmiddellijke nabijheid van het fort. Wanneer de officier tijd had, dan
leidde hij de werkzaamheden: maar veelal waren onze twee Zwitsers aan
zich zelven overgelaten. Toch kweten zij zich uitmuntend van de hun
opgedragen taak. Met vaardigheid hanteerden zij de boussole, het
planchet en de tranche-montagne, allen instrumenten den luitenant
toebehoorende, en waren de schetsen, die zij ontwierpen, zeer
verdienstelijk te noemen. Vooral was de tranche-montagne hun
lievelingsinstrument; daarmede werden de horizontale hoeken zoo
gemakkelijk en toch zoo nauwkeurig gemeten, de terreingolvingen gaf het
met een oogopslag aan; terwijl het bij opstelling en vervoer tot zoo
weinig omslag mogelijk aanleiding gaf. Een zwerven door de maagdelijke
bosschen van Borneo was daarenboven onzen avonturiers niet onwelkom, en
zij rekenden tot de heerlijkste oogenblikken huns levens de uren, die
zij daar te midden van den meest prachtvollen plantengroei doorgebracht
hadden.
Maar dat alles gold slechts het heden, dat zij beleefden en, hoe
draaglijk dat heden zich ook voordeed, en hoe verrukkelijk sommige
oogenblikken te genieten waren, zoo waren zij toch verplicht een blik
in de toekomst te werpen. Wanneer zij hun toestand bespraken, dan was
steeds de slotsom hunner redeneering, dat ieder uur, iedere minuut,
iedere seconde, die zij nog in Nederlandsch Indischen dienst
doorbrachten, voor hunne verdere vorming geheel nul en dus voor een nog
mogelijke toekomst verloren was.
Tot die slotsom gekomen, stond het weldra vast, dat zij deserteeren
moesten. Dat besluit was echter gemakkelijker genomen dan uitgevoerd.
Zij zaten nog al ver in het binnenland van Borneo, dat grootste aller
eilanden, omringd door woeste wilde stammen, die een menschenleven net
zooveel tellen, als dat van een der duizenden muskieten, die in hunne
moerassige wouden gonzen, die allen koppensnellers in hun hart zijn en
aan het bezit van een Europeeschen schedel zeer groote waarde hechten
en waarvan velen nog van meening zijn, dat menschenhersens als
hoofdschotel op iedere feesttafel tegenwoordig moeten zijn. Zij zaten
op dat Borneo, waarvan het grootste gedeelte der kustlijnen in de macht
was der Nederlanders, die ongetwijfeld wel alle krachten zouden
inspannen om de vluchtelingen te achterhalen, al ware het maar om het
verleidelijke van het voorbeeld te fnuiken. De naastbijzijnde kust,
zijnde de zuidkust, grensde aan de Java-zee. Bij den bestaanden
oorlogstoestand was die geblokkeerd en zwierven daar stoomschepen,
kruisbooten en gewapende barkassen overal rond. Hetzelfde kon gezegd
worden van de oostkust, die aan straat Makasser, en van de westkust,
die aan de Chineesche zee paalt. Overal ontwikkelden de Hollanders de
grootste waakzaamheid om den invoer van oorlogscontrabande tegen te
gaan. Alleen de noordkust stond open, om de goede reden dat langs die
kust, die zich nagenoeg 200 geographische mijlen ver van kaap Datoe in
noordwestelijke richting uitstrekt, de Nederlanders niets te zeggen
hebben. Langs die kust wonen altemaal onafhankelijke stammen, waarvan
een zich een Engelschman tot radja gekozen heeft en alzoo onder Britsch
protektoraat staat. Maar om die noordkust te bereiken, moest geheel
Borneo van het zuiden naar het noorden doorgetrokken worden; de weg zou
onvermijdelijk door streken leiden, nimmer door een Europeeschen voet
betreden, waarbij de vluchtelingen noodwendig in aanraking zouden komen
met volkstammen, die alleen door een vrij onvolmaakte gelijkenis met
den mensch van het dier verschillen, in leelijkheid bij den Waw-waw en
den Orang-oetan [15] ten achteren staan en door dat alles zooveel
levende bewijzen voor de stelling van Darwin opleveren. Daarbij zou het
er op aankomen die noordkust in de onmiddellijke nabijheid van Sarawak,
het gebied van James Brooke, den bovenbedoelden Engelschman, te
bereiken; daar zij, op ieder ander punt aankomende, het vreeselijkste
lot zouden te gemoet gaan, dewijl de daar wonende stammen niet in
gebreke zouden blijven, hen gevangen te nemen en hen aan de Solorsche
zeeroovers te verkoopen. Harde slavernij zou dan hun lot zijn.
Waarlijk de uitvoering der voorgenomen desertie was moeielijk.
Het was al dadelijk niet gemakkelijk tot een beslissing te geraken,
welken weg de deserteurs in spe in te slaan hadden. Maar dienaangaande
zou een toeval hen helpen en hunne voornemens tot rijpheid brengen, ja,
hen eenigszins overijld doen handelen.