IV.

Nog wat geschiedenis.—Tactiek der inlanders.—Het Bandjermasinsche

rijk met forten overdekt.—De oorsprong van het fort te Kwala

Kapoeas.—Hoe Nederland zijne nieuwe onderdanen verwelkomt.—Een

vernietigde handel.—Wrevel en wrok.—Een drama aan de boorden der

Kapoeas-rivier.—Poeloe Petak en Kwala Kapoeas.

Dat was het lot, hetwelk de steenkolenmijn Hermina onderging.

Gruwelijk, niet waar? Gruwelijk in den volsten zin des woords. Het

mijnpersoneel te Goenoeng-Djabok, de zendelingen met hunne gezinnen te

Boentooi aan de Kahajan-rivier, te Tangohan aan de Kapoeas-rivier, de

civiele gezaghebber te Tabanio werden even onbarmhartig vermoord, en,

hoewel op kleinere schaal, herhaalden zich de afgrijselijke tooneelen,

waarvan in het vorige hoofdstuk een schets werd gegeven.

Onder zulke omstandigheden, na dergelijke tooneelen, kon niet langer

geweifeld worden. Te Batavia zag men zich door de bestuurders van het

in verzet gekomen gewest misleid, en was men voor een opstand

geplaatst, welks onderdrukking veel inspanning zoude vorderen en veel

bloed en geld kosten.

Eerst werd een bataillon infanterie naar Bandjermasin overgevoerd.

Later begreep men, dat ook nu weer de zuinigheid de wijsheid bedrogen

had en bij slot van rekening geen zuinigheid was. Achtervolgens werd de

troepenmacht zoodanig uitgebreid, dat behalve de garnizoenscompagnie,

die de oorspronkelijke bezetting van het gewest uitmaakte, drie

veldbataillons, ieder van zes compagnieën, gesteund door een talrijke

artillerie en door een ontzagwekkende vloot van niet minder dan

zeventien stoomschepen en vijf gewapende kruisbooten op het

oorlogsterrein aanwezig waren.

Een hardnekkige oorlog had zich nu ontsponnen, waarbij van weerskanten

met verbittering gestreden werd. Niettegenstaande de zoo geduchte

macht, die de Nederlanders langzamerhand ontwikkeld hadden, kon maar

niet zoo spoedig, als gehoopt werd, de demping des opstands en de

bevrediging van het gewest, dat hun de gehoorzaamheid had opgezegd,

verkregen worden. Streden de inlanders niet met die eenheid van

inzichten ten opzichte van het te bereiken doel, zooals zij dat door

hunne tegenstanders zagen betrachten; liet hunne onderwerping aan de

beslissing der hoofden veel te wenschen over; was hunne bewapening

slecht en de algemeene aanvoering nog slechter, zoo moest toch

toegegeven worden, dat veel vergoed werd door den onbezweken moed, door

de taaie volharding, die zij aan den dag legden, door hunne matigheid,

die hen in staat stelde tot ontberingen, waarvan de westerlingen zich

moeielijk eene voorstelling kunnen maken, door hunne beweeglijkheid,

die toeliet zich in hunne wouden te verplaatsen met een vlugheid en

gemakkelijkheid, die meermalen de best ontworpen plannen in duigen

wierpen, waardoor zij nagenoeg het evenwicht herstelden, dat door de

betere krijgstucht, aanvoering en bewapening der blanken dreigde

noodlottig voor hen verbroken te worden. Zelfs slaagden zij er in, de

schaal somtijds in hun voordeel te doen overslaan.

Uiterst moeielijk was het toch, zoo niet geheel onmogelijk, een vijand

tot een treffen te dwingen, die besef had, dat dat treffen op zijn

ondergang moest uitloopen; die op het goede oogenblik meesterlijk wist

te verdwijnen, zich als een nevel op te lossen, wanneer de blanken, na

ongehoorde inspanningen, om hem te bereiken, hun slag meenden te kunnen

slaan, maar in het ijle sloegen. Men wane niet, dat dat lafhartigheid

was, waarachtig niet! De Banajarees toonde herhaaldelijk gedurende den

oorlog, dat hij zijnen tegenstanders onder de oogen durfde zien,

wanneer hij hunne overmacht geneutraliseerd dacht. Maar dat was zijn

tactiek, dat was zijne tegenstanders afmatten, dat was zich aan diens

overmachtige slagen onttrekken, niet uit vrees, maar om op andere

punten, soms in den rug der vijandelijke krijgsmacht weer te voorschijn

te treden, dat was, om den vijand voortdurend te verontrusten en hem

slagen toe te brengen, waar en wanneer hij er het minst op verdacht

was; in ’t kort, het was de meest rationeele wijze van oorlogvoeren, de

eenige mogelijke, met hoop op goeden uitslag tegen over Europeesche

aanvoering en bewapening.

Die tactiek noodzaakte de Nederlanders, na vele vergeefsche pogingen om

de vijandelijke massa’s aan te tasten, voet voor voet voort te

schrijden, telkenmale het veroverde gedeelte te bevestigen en te

beveiligen door het oprichten van kleine veldwerken. Zoo werd het

geheele Bandjermasinsche rijk met een aanzienlijk aantal posten

overdekt en het grootste gedeelte van het expeditionaire legerkorps

vastgebonden. De duur van den oorlog regelde zich naar die

omstandigheid en uit den aard der zaak kon die niet kort wezen. Een

geheel volk moest bedwongen worden en, om dat doel te bereiken, had men

een zeer kleine legermacht met betrekking tot de uitgestrektheid van

het terrein, waarop geageerd moest worden, die gedeeltelijk in kleine

troepjes opgelost en vastgebonden en daarenboven niet altijd voltallig

te houden was.

Onder al de fortjes, die verrezen, zal den lezer voornamelijk dat

bezighouden, hetwelk aan de uitwatering van de Kapoeas Moeroeng [10] in

de kleine Dajak-rivier gebouwd was, dewijl het een voorname schakel van

dit verhaal uitmaakt, en zal het niet onbelangrijk wezen te vernemen,

waaraan het zijn ontstaan te danken had.

Al sedert geruimen tijd waren de Dajak-landen, die vroeger aan de

souvereiniteit van de Sultans van het Bandjersche rijk onderworpen

waren, met het eiland Tatas, waarop de hoofdplaats Bandjermasin gelegen

is, bij verdrag overgedaan aan de Nederl. Indische regeering. Die

nieuwe meesteres vond in de Dajaks een goedhartige, gedweeë bevolking,

die met den ruil van beheerscher zeer ingenomen scheen en dat ook in de

eerste tijden was. Hadden de blanken die streken volgens gezonde

beginselen bestuurd, waren er pogingen in ’t werk gesteld, om die

bevolking tot welvaart te brengen, dan zouden zij daarin ook een trouwe

bevolking gevonden hebben, die tot steun zoude gestrekt hebben, toen de

naburige Maleiers de oproervaan ontrolden en hunne leenplichten

opzegden. Maar wel verre van dien; het eerste wat de Nederl. Indische

regeering deed ter verwelkoming van hare nieuwe onderdanen, was,

natuurlijk ter wille van een fiskaal belang, hunne rivieren voor den

handel te sluiten en hen te noodzaken de voortbrengselen van hun grond

naar Bandjermasin te voeren. Dat was een moeielijke, inspanningsvolle

reis, die groote onkosten vereischte en daarenboven niet altijd

doenlijk was. Die fraaie regeling gaf den oorspronkelijken Dajak

gekneveld en gebonden aan den Maleischen tusschenhandelaar over, die

hem, wanneer hij na een maandenlange reis met zijne vlotten te

Bandjermasin was aangekomen, met spotprijzen voor zijne producten

afscheepte; hij moest zich daaraan dan wel onderwerpen, daar de

terugreis met die gevaarten stroomopwaarts onmogelijk te volvoeren was.

De artikelen, die hij noodig had, zooals lijnwaden, zout, tabak enz.,

moest hij schreeuwend duur betalen, zoodat hij zich van twee kanten

gevild zag. Het gevolg van die regeling was, dat de Dajaksche stammen,

die de mondingen der Lopak, der Kleine Dajak, der Kahajan, der

Sebangouw en Mentaweirivieren bevolkten, hunne zeewaardige vaartuigen,

waarmede zij tot op dat noodlottige oogenblik met het beste gevolg

handel gedreven hadden en naar Makassar, naar Java en zelfs naar

Singapore gestevend waren, en waarvan zij nu geen nut meer trokken, van

de hand gedaan en zich in de wildernis teruggetrokken hadden, waaruit

een zekere handelsvrijgevigheid hunner vroegere meesters hen voor een

wijl te voorschijn had gehaald. Een volledige teruggang in beschaving

dus, door die opvatting van bestuur teweeggebracht. De lezer kan nu

gissen, hoe de stemming jegens de blanken was en of zulk een bejegening

geschikt was, om de verfoeielijke kunstgrepen te doen vergeten, die

gedurende den Java-oorlog van 1825–1830 gebezigd waren, om Dajaksche

soldaten in de Nederlandsche gelederen te verkrijgen, tot bekamping van

den Javaan. In 1863 waren die kunstgrepen nog niet vergeten en

openhartig als het Dajaksche volk is, werd den blanke, die het oor

opende, om ook de stem der verdrukten te vernemen, menig ergerlijk feit

in den hen kenmerkenden boertigen verhaaltrant medegedeeld.

Was het te verwonderen, dat, toen bij de heerschende ontevredenheid nog

gevoegd werden de zedelooze handelingen, onder Neerland’s wapenschild

gepleegd, om pandelingen voor de Gouvernements- en partikuliere

steenkolenmijnen te werven, de gemoederen rijp waren, om de zaden van

verzet en opstand in zich op te nemen; dat de bevolking gewillig het

oor leende aan hen, die verandering in de toestanden kwamen

voorspiegelen, verandering, die echter niet zoude kunnen verkregen

worden, dan na verdrijving der withuiden?

Met grooten tact hadden de hoofden, die in het Bandjermasinsche den

opstand voorbereidden, van de omstandigheden partij getrokken en het

vuur aangeblazen; zoodat, toen in April 1859 de Resident twee honderd

gewapende Dajaks opriep, om de hoofdplaats tegen overrompeling te

dekken, de bevolking in verzet kwam en liever dan die bevelen op te

volgen, zich in de wildernissen terugtrok. Toen Pembekel Soelil en

Goesti Assin, door de Martapoerasche rijksgrooten afgezonden, om zich

aan het hoofd der beweging in de Dajak-landen te stellen, te Poeloe

Telloe, een kampong nabij de Kapoeas-monding, verschenen, schaarde zich

het grootste gedeelte der bevolking van de afdeeling om hen en was

gereed het zwaard te trekken.

Eene bijzonderheid, die hier niet weerhouden mag worden, is dat de

neophyten of Christen-Dajaks allen, op zeer enkele uitzonderingen na,

tot de opstandspartij toetraden en bij den moord der zendelingen te

Tangohan en te Boentooi de meeste verbittering en verreweg de grootste

wreedheid aan den dag legden, terwijl het overtuigend gebleken is, dat

de Dajaks, die zich tot het omhelzen van den Islam lieten overhalen,

zich allen onzijdig gehouden, althans aan moordpartijen geen deel

genomen hebben.

Bij aankomst te Bandjermasin begreep kolonel Andresen hulp te moeten

verleenen, zoover de door hem meegebrachte militaire macht reikte. In

allerijl zond hij vijf en twintig soldaten onder bevel van een

luitenant met het stoomslepertje „Kapitein Van Os” naar Poeloe Petak

aan de kleine Dajak-rivier gelegen, om den civielen gezaghebber en de

predikers van het Rijnsch zendelinggenootschap met hunne huisgezinnen

te beschermen; met opdracht tevens, al het mogelijke te beproeven, om

de zendelingen te Tangohan, aan de Kapoeas-rivier gevestigd, te hulp te

schieten en hen met die te Poeloe Petak te vereenigen. Toen de „Van Os”

ter laatstgenoemde plaats aankwam, vond hij de zendelingen met vrouwen

en kinderen in de grootste radeloosheid. Allen vielen den luitenant te

voet en begroetten hem als hun redder. Toen deze er evenwel van sprak

naar Tangohan door te stoomen, om de andere Europeanen daar op te

nemen, barstten een geween en gejammer los, die een steen zouden

vermurwd hebben. Wanneer de boot naar de Kapoeas vertrok, zou niemand

terugkeeren, zoo beweerden de radeloozen; zoo’n klein vaartuig was niet

tegen zulk een ontzettende overmacht bestand. Een dergelijke tocht was

God verzoeken, dat was het gevaar opsporen en wee hem! die het gevaar

zoekt, want hij zal er in vergaan! Nu was terugkeer naar Bandjermasin

nog mogelijk, dat zou over een paar dagen, wellicht over een paar uren

niet meer zijn. De officier, verbijsterd door die wanhoopskreten,

geslaakt ook door op den grond wentelende vrouwen, wist niet wat te

besluiten en vroeg inlichtingen aan den civielen gezaghebber, die met

hem dat jammertooneel onthutst stond aan te staren. Deze verklaarde,

dat al de ingekomen spionberichten van een macht spraken van 10000

strijders, die onder de bevelen van Soelil gereed zoude staan om Poeloe

Petak te bespringen. Hij meende evenwel, dat die macht overdreven kon

genoemd worden en zij waarschijnlijk niet eens de helft van de

opgegeven sterkte zoude bereiken, dewijl Goesti Assin met een deel der

opstandelingen naar de Kahajan-rivier was vertrokken, om daar de

zendelingen om te brengen. De vijanden waren overvloedig van

vuurwapenen voorzien, hadden talrijke prauwen, waaronder een zestal

ijzeren laadschouwen, die over zee van Kalangan naar de kleine

Dajak-rivier gebracht waren, om er versterkingen op te bouwen, en waren

dus geducht genoeg, om een stoomscheepje als de „Van Os” met hoop op

goed gevolg te kunnen aantasten.

Die mededeeling was wel geschikt om tot nadenken te stemmen. Een tocht

naar de Kapoeas stelde het leven van de thans geredde huisgezinnen in

gevaar, zoowel door hen te Poeloe Petak achter te laten, als door hen

mede te nemen, waaraan trouwens door de geringe binnenruimte van het

vaartuig niet kon gedacht worden. Terwijl de luitenant nog in twijfel

was, welk besluit te nemen, kwam de gezagvoerder van het bootje

rapporteeren, dat hij bij het overhaast vertrek van Bandjermasin niet

zijn volle lading steenkolen had kunnen innemen, en dat op dat

oogenblik slechts zooveel brandstof aan boord was, om met overleg en

zuinigheid de hoofdplaats te kunnen bereiken. Dat rapport gaf den

doorslag. Van een tocht naar Tangohan werd afgezien en in beraad

genomen, wat er verder te doen stond. De luitenant was van meening, dat

het zoutverkooppakhuis, een planken gebouw, met stevig geraamte, zeer

goed tot verdediging in te richten was en dat er ruimte in overvloed

gevonden werd om, behalve de militairen, ook de zendelingen en hunne

huisgezinnen te bergen, tot er veilige gelegenheid zoude zijn, om naar

Bandjermasin te verhuizen. Toen evenwel die meening geopperd werd,

hieven de zendelingsfamiliën een nieuw misbaar aan; en in een vlaag van

wanhoop werden al wederom de knieën van den luitenant omhelsd. „Er was

geen verdediging mogelijk,” werd er uitgegalmd, „de vijand zou in

grooten getale opdagen, of een nachtelijke overvalling beproeven, hij

zou het houten gebouw in brand steken, enz. enz.” Wezenlijk, men maakte

den luitenant zijn taak zwaar. Golden ook al de aangevoerde argumenten

van de angstvalligen bij hem niet veel, gedachten van een hoogere orde

hielden hem bezig en deden hem den toestand zeer donker inzien.

Vooreerst was het detachement van vijf en twintig man onder zijne

orders klein, zeer klein te noemen. In Indië echter wordt in zulke

gevallen door verhoogde dapperheid te gemoet gekomen; maar dan moet men

ook valide mannen te bevelen hebben en dat was hier het geval niet.

Vele ouden van dagen en gebrekkigen van ledematen werden er onder

aangetroffen; inlandsche soldaten met sneeuwwit haar, Europeanen die

een volle kwarteeuw ter Zuid- en Oostkust van Borneo hadden

doorgebracht. Goede, brave dienaren, die in het vredesgarnizoen bij

voldoende rust en niet te karig voedsel nog een zekere figuur sloegen,

maar die totaal ongeschikt waren om de inspanningen, de ontberingen en

vermoeienissen van het oorlogsleven te gemoet te treden. Daarbij kwam

nog, dat de bewapening van het detachement geen naam mocht hebben. Ter

wille van de schatkist waren destijds de troepen op de

buitenbezittingen in Nederl. Indië gewapend met, bij de deskundigen

bekend als getransformeerde silex-geweren, model 1815, oude

uitgeschoten loopen, aan laden en kolven verbonden door uitgesleten

banden en beslag, met waggelende hanen en rondgierende bajonetten, oude

rommel in één woord, die als een oudroestwinkel rammelde, wanneer men

een geweer aanvatte en die voor eigen handen gevaarlijker was dan voor

den vijand. Ja, dat waren de overwegingen, die het hoofd des luitenants

bestormden en hem tot een spoedigen terugkeer naar Bandjermasin deden

besluiten.

Helaas! toen die beslissing genomen werd, leefden de ongelukkigen te

Tangohan nog; zelfs den volgenden dag was hun nog geen leed geschied en

hadden de opstandelingen zich nog niet vertoond. Met een weinig

geestkracht, met wat voortvarendheid waren zij voorzeker te redden

geweest. Het gebrek aan steenkolen toch was niet van zoo overwegend

bezwaar, dat men van een tocht, die de geheele reis slechts een zestal

uren zoude verlengd hebben, maar waarbij verscheidene menschenlevens te

redden waren geweest, had behoeven af te zien. Te Poeloe Petak stonden

toch vele verlaten woningen, welker ijzerhouten draagpalen, dwarsbalken

en stijlen een kostbare brandstof hadden kunnen opleveren voor een veel

grootere reis. Van die brandstof is later, gedurende den oorlog, bij

veel mindere noodzakelijkheid, veelvuldig en steeds met den meest

gewenschten uitslag gebruik gemaakt.

Kolonel Andresen was zeer ontevreden over dien terugkeer. De

handelingen van den luitenant werden aan een scherp onderzoek

onderworpen en slechts noode liet die kommandeerende officier zich

weerhouden den weifelachtige voor een krijgsraad te recht te stellen.

Hij deed echter onmiddellijk het stoomschip Tjipannas, dat beter

bewapend en geapprovisioneerd was, met een detachement infanterie onder

een ander officier, naar de Dajak-landen terugkeeren; met last, om

alles in het werk te stellen, de Europeanen daar te redden en

vervolgens post te vatten te Poeloe Petak en zich in het

zoutverkooppakhuis aldaar te versterken.

Zonder zich ergens op te houden stoomde de „Tjipannas” de Kapoeas in,

den vijandelijken kampong Poeloe Teloe voorbij, de ettelijke

geweerschoten, die haar daar begroetten, verachtende, met het doel de

verblijfplaats der zendelingen zoo spoedig mogelijk te bereiken. Bij

het rondstoomen van Tandjoeng Loenoek Pandjang had men reeds den

kampong Tangohan in ’t gezicht, toen eensklaps achter het stoomschip,

uit eenige soengei’s (riviertjes) en kreken een groot aantal prauwen en

djoekoeng’s te voorschijn schoten, welker talrijke opvarenden een

heftig geweervuur op de „Tjipannas” openden en door hunne uittartende

kreten en gebaren de Nederlanders tot het gevecht uitdaagden. De

gelegenheid was te schoon; de luitenant besloot dan ook de overmoedigen

een goede les toe te dienen. De „Tjipannas” wendde en, na met een paar

goed gerichte kartetsschoten verwarring onder de aanrukkende vaartuigen

te hebben doen ontstaan, stoomde zij met kracht op de saamgedrongen

prauwen in, waarvan de meeste opvarenden in radeloozen angst

ternauwernood meer wisten te sturen. Een paar djoekoengs sloegen om en

hunne bemanningen, thans te water, deden de lucht van haar noodgeschrei

weergalmen. Een wilde vlucht begon, en zij, die den aanval wilden

doorzetten, werden nu door een levendig geweervuur geteisterd en

genoodzaakt het hazenpad te kiezen. Aan boord van het stoomschip had

men geen enkelen gekwetste; van de Dajaks evenwel dreven verscheidene

lijken met den stroomdraad mede, terwijl eenige wrakke vaartuigen, die

denzelfden weg volgden, aanduidden dat de ontmoeting met het stoomschip

voor hen noodlottig geweest was. Ras naderde nu de boot den wal,

waaronder de vluchtenden in de veelvuldige riviertjes een toevlucht

gezocht hadden, deed eenige kartetsschoten door het dichte bosch gieren

als afscheidsgroet, doorzocht daarop eenige kreken, waarin prauwen, op

’t strand gehaald, gevonden werden en vervolgde, na die verbrand te

hebben, de reis naar Tangohan.

Daar was middelerwijl een roerend tooneel voorgevallen.

Van de zendelingen en hunne gezinnen, die daar gevestigd waren geweest,

was slechts eene vrouw aan het bloedbad ontkomen. Waarom die gespaard

werd, is nimmer bekend geworden. Zij was op meer dan middelbaren

leeftijd en had daarbij nimmer op lichamelijke schoonheid kunnen bogen,

waarom niet aangenomen kan worden, dat zij eenigen hartstocht zou

hebben ingeboezemd. Hoe het ook zij, door tusschenkomst van een

invloedrijken Dajak, Bapa Kotong geheeten, en diens ouderen broeder,

den lateren Tomonggong Singa Nagara, werd haar het leven geschonken.

Maar haar lot was daarom niet minder treurig en haar toestand uiterst

onzeker. Nog voor dat al hare metgezellen en gezellinnen onder hare

oogen op de meest wreedaardige wijze waren omhals gebracht, werd zij

van al de kleederen, die zij aan ’t lijf had, beroofd en lieten haar de

onverlaten slechts een gescheurd vrouwenhemd behouden, om hare

naaktheid te bedekken. Dat hemd werd daarenboven nog in het laatste

oogenblik gedrenkt door het bloed van haren echtgenoot, op wiens

vreeselijk mishandeld lichaam zij zich in haar wanhoop bij zijn

doodstrijd geworpen had. Toen alles afgeloopen was, had men haar in een

rijsthok opgesloten, van waar zij de feestvreugde kon waarnemen, die op

de moordpartij volgde en volgens Dajaksche gewoonte vele dagen moest

duren. Van tijd tot tijd werd haar een handjevol droog gekookte rijst

met een klapperdop vol water verstrekt, om haar ellendig bestaan te

rekken. Wat men met haar voorhad, is nimmer aan ’t licht gekomen; veel

goeds zeker niet; want, had men haar gespaard, om haar het leven te

redden en haar aan hare landgenooten terug te geven, dan ware zij

liefderijker behandeld geworden. [11]

Zij zat daar al zoo verscheidene dagen dof en wezenloos, der wanhoop

ter prooi, telkenmale opschrikkende en haar einde nabij achtende,

wanneer het gegil en gejuich der feestvierenden klom en met meer kracht

tot haar doordrong, toen zij eensklaps een vervaarlijk geschreeuw

vernam, dat eer schrik dan vreugde aanduidde. En door de reten der

bamboeomheining glurende, zag zij den woesten troep in overijling de

woningen verlaten en volledig gewapend, maar met helsch geschreeuw, het

nabijgelegen bosch intrekken. Zij wist niet wat daarvan te denken en

meende tennaasten bij dat men een twist gewapenderhand ging beslechten.

Zij ving echter een paar woorden op, die de aftrekkenden elkander

toeriepen en haar het hart van hoop in den boezem deden kloppen.

„Banama apoei! banama asep hai!” (een vuurschip! een groot rookschip!)

weerklonk het allerwege. De arme vrouw keek, keek, maar zag niets. Naar

de rivierzijde was haar gezichtsveld zeer beperkt. Zij durfde geen

poging te doen, om de deur te openen; het was haar op doodstraf

verboden haar rijsthok te verlaten. Zij kon niet anders doen, dan

voorloopig wachten. Het geschreeuw en gegil der Dajaks was

langzamerhand afgenomen en eindelijk in het dichte woud geheel

weggestorven, zoodat een doodelijke stilte de vroegere luidruchtigheid

verving. De arme gevangene, besluiteloos wat te doen, spitste de ooren

en luisterde aandachtig; maar in de eerste oogenblikken werd niets,

hoegenaamd niets door haar vernomen, dan in de verte een paar hanen,

die elkander al klapwiekend en kraaiend uitdaagden. Zou zij de deur

openbreken? Ja, maar als die onverlaten terugkeerden; hunne blikken

verrieden zoo veel haat, ongetwijfeld zouden zij dan hunne bedreigingen

volvoeren. Als evenwel een stoomschip in aantocht was? o! dan was daar

redding! Maar als dat stoomschip, onwetend in welke droeve

gevangenschap zij daar zat, voorbij voer? O, zij was radeloos en wrong

zich in haar wanhoop de handen.

Maar stil!... wat hoorde zij daar?... Kukuluku!! Och, die verwenschte

haan! wat een wreede bespotting! Zij luisterde; zij hield haar adem in,

meenende dat het geluid daarvan haar belette te hooren. Zij had haar

hart het stilzwijgen willen opleggen; dat gebons daar in die borstkas

overvleugelde, volgens haar, ieder ander geluid. Zoo stond zij een

oogenblik, met licht voorover gebogen bovenlijf en gestrekten hals, de

eene hand als een schelp aan het oor, gereed om iederen toon op te

vangen, de andere hand krampachtig op de borst gekneld, als wilde zij

de bewegingen daarvan onderdrukken, met starenden blik en verwrongen

doch strakke en wezenlooze gelaatstrekken, ademloos zonder eenige

beweging of trilling, aan een standbeeld der wanhoop gelijk. Eindelijk

voer een waas van verrukking haar over het gelaat; ja, thans had zij

goed gehoord. Poeh poeh poeh, poeh poeh poeh! klonk of dreunde het in

de verte, zeer zacht, als op de vleugelen van een briesje overgebracht.

Zij luisterde. Haar geheele levenskracht scheen in de gehoorzenuwen te

zijn overgegaan. Poeh poeh poeh, poeh poeh poeh! klonk het thans iets

duidelijker, thans iets meer nabij. O! verrukking! nu viel niet meer te

twijfelen, een stoomschip naderde; dat geluid was het geklepper der

schepraderen op de oppervlakte des waters. Poeh poeh poeh! poeh poeh

poeh! klonk het al nader. Nu ontwaakte zij uit haar verrukking; zij

vloog naar de deur, maar die was gesloten. Wat zou echter die vrouw

kunnen weerstaan, plotseling door zulk een hoop bezield? Toch geen

Dajaksche afsluiting, die in den regel slechts uit rottan-lussen, door

een houten pen bevestigd, bestaat. Zij trok, zij wrong en met de kracht

der wanhoop verbrak zij de sluiting en was buiten. Zij vloog het pad

af, dat naar de rivier leidde en was in een oogwenk op den „batang”

(vlot), dat aan den oever op den stroom lag en tot aanlegplaats diende.

Zij keek, zij keek nogmaals, maar zag niets. Was haar gehoor straks

ingespannen geweest, thans scheen haar geheele wezen in haren blik te

zijn saamgevat. Nog altijd klonk het geklepper der raderen haar nu

reeds veel duidelijker in de ooren; en eindelijk werd daar bij

gindschen hoek een lichte rook, die zich voortbewoog, boven het

geboomte zichtbaar en kwam een boot te voorschijn. O! nu was zij gered!

daar waren blanken; daaraan was niet te twijfelen. Zij kon reeds den

schoorsteen, den mast onderscheiden, iets later ook de Nederlandsche

vlag, die vroolijk in de bries wapperde. Nog een half uur, dan was zij

te midden der haren. Och! dat die boot toch ettelijke dagen vroeger

ware gekomen, dan waren haar echtgenoot en de andere Europeanen ook

gered geweest.

Terwijl zij daar zoo stond te mijmeren, half in verrukking, half

weemoedig gestemd, wendde eensklaps de stoomboot den boeg, wendde

nogmaals en stoomde met volle kracht terug. Door den stroom geholpen,

was zij in weinige oogenblikken verdwenen achter den hoek, van waar zij

straks te voorschijn was getreden. Dat gezicht was voor de ongelukkige

vrouw, daar eenzaam op dat vlot staande, verschrikkelijk. Zij

schreeuwde, zij bad, zij wuifde met de hand, zij bewoog krampachtig het

bloedige vod, dat hare naaktheid dekte, zij sprong aan den wal,

scheurde met de kracht der wanhoop een grooten tak van een

nabijstaanden boom en wuifde en wenkte, alsof haar arm uit het lid

moest. Alles te vergeefs. De boot wendde, bleef wenden en verdween

weldra achter dien hoek voor hare radelooze blikken. Nog een oogenblik

bleef zij staren; toen evenwel niet meer te twijfelen viel, toen zij

van dat schip, hetwelk zich een poos te voren als een bode der hoop

vertoonde, niets meer zag en zij nog slechts flauw den raderslag en het

gestamp der machine kon waarnemen, toen zonk zij op de knieën en zocht

haar toevlucht bij Hem, die aller adem in Zijne machtige hand heeft.

Hoe lang zij daar op dat vlot geknield gelegen heeft? ach, zij heeft

het zich nimmer kunnen herinneren. Zij lag daar wezenloos en vernietigd

en had slechts eene gedachte, een klank, een grondtoon: God!

Maar wat was dat?... daar klonk een kanonschot... nog een... nog een.

Geweervuur knetterde daartusschen, liet zich eerst krachtig hooren,

verflauwde dan alsof het zou wegsterven om evenwel een seconde later

met vernieuwde hevigheid los te barsten. Daarbij voegden zich kreten

van woede, gillen van smart en angst, gejubel van overwinning.

Gespannen luisterde de arme vrouw. Dat vuren hield een poos aan, nam

af, nam weer in kracht toe, om eindelijk geheel op te houden. Wie zou

overwinnaar zijn? O! de Nederlanders waren dapper, dat wist zij; maar

de Dajaks waren talrijk en hun haat scheen onverzoenbaar. Zij wachtte,

niet wetende wat te denken van dat plotselinge zwijgen van ieder

krijgsgeluid. De minuten schenen haar jaren toe. Eensklaps weerklonk

opnieuw een salvo kanonschoten en niet lang daarna zag zij de boot weer

te voorschijn komen en fullspeed koers zetten naar het vlot, waarop zij

stond. In de nabijheid werd gestopt, het anker plompte in ’t water, de

ketting ratelde door de kluisgaten en weldra was een sloep te water

gelaten, die behoorlijk bemand en bewapend, het vlot op zijde schoot,

de rampzalige vrouw opnam en naar boord voerde.

Wie zal het wagen de gevoelens dier vrouw te schetsen, toen zij zich te

midden harer stamgenooten bevond? Wie zal de gewaarwordingen kunnen

wedergeven van die mannen, die daar in dat oogenblik geschaard stonden

om de ongelukkige, die alles verloren had, wat haar dierbaar op aarde

was, maar zich toch zoo hoogst gelukkig gevoelde dat bloedbad, wellicht

erger, ontkomen te zijn?

Toen de kommandeerende officier vernam, dat niemand meer te redden

viel, stak hij de wrekende fakkel in het verraderlijke Tangohan en

keerde terug om te Poeloe Petak post te vatten.

Daar werd het zoutverkooppakhuis met grachten en palissaden omgeven,

banketten en bastions werden opgeworpen, de bermen, de taluds en het

glacis werden beplant met randjoe’s, dat geduchte verdedigingsmiddel

tegen den ongeschoeiden inlander; in een woord, die maatregelen werden

getroffen, welke het verrezene veldwerk tegen een coup de main moesten

verzekeren. Maar vóór nog dat het werk behoorlijk gesloten was,

beproefden de Dajaks onder aanvoering van Djoeragan Kaout, een hunner

dapperste hoofden, gedurende een stikdonkeren nacht, dat de geheele

bezetting, afgemat door den arbeid overdag aan de verdedigingswerken,

te rusten lag, en de schildwachten minder waakzaam waren, een aanval,

die hun aanvankelijk goed gelukte. Als slangen over den grond kruipende

en zich langs het riviertalud bewegende, hadden zij zich achter de

struiken, die bij het fort vrij dicht in elkander langs den oever

groeiden, verzameld. De schildwacht, die daar de nog ongesloten zijde

bewaakte, en op den weg, die tusschen de rivier en het fort doorliep,

op en neer wandelde, had in opdracht, aan beide uiteinden van de ruim

zestig meter lange face groote houtvuren te onderhouden, waardoor zijn

aandacht te veel afgeleid werd. Nadat hij zich bij een dier vuren van

zijne taak gekweten had, meende hij, half verblind door het turen in de

vlammen, een gedaante over den weg te zien sluipen en het fort binnen

ijlen. Hij loste zijn schot, maar het was reeds te laat. Een twintigtal

Dajaks met de lans en den gevreesden „mandauw” (koppensneller) in de

vuist, vlogen den weg over, het fort binnen en begon daar het bloedbad.

In een oogwenk lag de geheele wacht in haar bloed te baden. Bij den

eersten alarmkreet was de kommandant van zijn legerstede opgevlogen,

had zijn pistolen en sabel gegrepen en stortte naar buiten. Maar in den

stikdonkeren nacht was niets te ontwaren. Nog voor hij den drempel van

zijn vertrek had overschreden, was hij door een lanssteek doodelijk in

den buik gewond. Hij vloog zijn aanvaller niettemin achterna, loste

twee schoten op hem en kloofde hem met een flinken sabelhouw den

schedel. Daarop begaven hem de krachten en zonk hij met uithangende

ingewanden ter aarde. Des anderen daags overleed hij aan de bekomen

verwonding.

Intusschen was ook de bezetting te wapen gevlogen; weldra klonk een

goed onderhouden geweervuur den aanvallers in de ooren en deed

verwarring onder hen ontstaan. Nu traden de verdedigers naar buiten en

een flinke bajonetaanval deed de Dajaks voor goed het hazenpad kiezen.

Zij namen echter nog den tijd, om hunne gekwetsten en gesneuvelden mede

te voeren.

Dat alles was in minder tijd voorgevallen, dan noodig is geweest, om

het te verhalen. Men zou het voor een droomgezicht, een zinsbedrog

hebben kunnen houden, wanneer men de dooden en gekwetsten niet voor

oogen had gehad. Bijna alle Europeanen (een twaalftal) waren door

mandauw-houwen of door vergiftigde pijlen gekwetst; een hunner, een

kanonnier, was in de chambrée op de plaats doodgestoken. De kommandant

was doodelijk getroffen en van de inlandsche soldaten waren velen

gewond en stierven enkelen hunner reeds in de eerste dagen.

Hoeveel het verlies des vijands geweest is bij dien stoutmoedigen

aanval, is men nimmer te weten gekomen.

Weldra kwam een nieuwe kommandant met eenige versterking van

manschappen aan en werd nu met kracht de hand er aan geslagen, om het

veldwerk tegen dergelijke overrompelingen te beveiligen.

Onder de eerste maatregelen daartoe, behoorde het afsluiten van de

Kapoeas-monding. Want het was uit die rivier, dat de vijandig gezinden

opdaagden om het Nederlandsche etablissement te bedreigen en de

goedgezinde bevolking, die zich om dat etablissement gevestigd had, te

verontrusten. Eerst werd daar in die breede monding een kruisboot op

brandwacht gelegd; maar behalve dat haar bewaking bij donkere nachten

onmogelijk veel kon geven, werd zij al heel spoedig door de Dajaks

afgeloopen en werden haar kanon, hare geweren, hare blanke wapenen,

haar kruid en lood en hare levensmiddelen buit gemaakt.

Daarna werd het stoomsleepertje „Kapitein Van Os,” den lezer reeds

bekend, met een detachement infanterie aan boord, in die

Kapoeas-monding gestationneerd. Maar dat bleek evenmin afdoende, want

de vijand legde het er bepaald aan ook dat scheepje te bemachtigen of

te vernielen. Zoo gebeurde het eens, dat de Dajaks een groote

hoeveelheid hout geveld hadden en dat bij een stikdonkeren nacht aan

den stroomdraad hadden overgegeven. De list gelukte volkomen en zou het

scheepje in het grootste gevaar brengen. Bij hare evolutiën om tusschen

de beide oevers op en neer te stoomen, stootte de boot op die vlottende

houtmassa, die krakend langs haren boeg afweek, maar nu tusschen de

raderen geraakte. Weldra was dat hout zoodanig tusschen de staven en

schoepen gewrongen, dat de machine geen slag meer vooruit of

achterwaarts kon doen. Fluks sprongen de matrozen, met bijl en hakmes

gewapend, in de raderkasten, om de boot uit dien hachelijken toestand

te redden. Maar nog had men zich slechts van een klein gedeelte van dat

hout ontdaan, daar kwam een tweede houtberg regelrecht op de boot

aandrijven. Hij was nog slechts weinige ellen verwijderd; met angst

staarden de opvarenden de onbestemde gedaante aan. Een Javaansch

sergeant, op de verschansing gezeten, meende eenige beweging achter dat

drijvende bosch te bespeuren. Hij greep zijn geweer; op zijn bevel

openden zijne manschappen een goed onderhouden geweervuur. De matrozen

verlieten in allerijl de raderkasten, sprongen aan boord, vlogen naar

de kanonstukjes; kogels en kartetsen floten door dat drijvende eiland

en weldra ontwaarde men een aantal djoekoeng’s, die door vlugge

roeispanen in beweging gebracht, van achter dat hakhout te voorschijn

schoten en onder een akelig gehuil in de duisternis verdwenen.

Toen die vlucht plaatsgreep, was de vijand nog maar op weinige passen

afstand van de boot. Ware hij weinige oogenblikken later ontdekt, dan

zoude het pleit met het blanke wapen hebben moeten beslecht worden, en

zoude het kleine manmoedige troepje aan boord van den sleeper, door een

overmachtigen vijand besprongen, die zoo vreeselijk behendig zijn

mandauw weet te voeren, als in een dwarlwind verdwenen zijn.

Men kwam nu op de gedachte, om het fort van Poeloe Petak, alwaar het

geene strategische waarde had en slechts diende om de trouw gebleven

bevolking gerust te stellen, naar de Kapoeas-monding te verplaatsen.

Dat was een beter denkbeeld en zoo verrees op de landtong, gevormd door

de samenvloeiing van de Kleine Dajak-rivier met de Kapoeas Moeroeng een

versterking, die met vier bastions geflankeerd en met de noodige

kanonnen gewapend, en door een gewapende kruisboot gesteund, geheel aan

hare bestemming voldeed, namelijk een steun voor de goedgezinden en

eene volkomene afsluiting der Kapoeas-rivier; welke afsluiting er veel

toe bijbracht, om eindelijk die streken tot bevrediging te brengen.

De geheele bevolking van Poeloe Petak en van het hoogerop gelegen

Palingkey verhuisde nu naar de Kapoeas-monding en vestigde zich daar,

van het eiland Mangboelau af in een onafzienbaren kampong, die wel twee

uren lang was, langs de oevers van de Kleine Dajak-rivier.

Borneo van Zuid naar Noord · 第 42 / 77 题