Een weinig geschiedenis.—De opstand in het Bandjermasinsche
rijk.—Wanbestuur.—Pogingen tot herstel van
grieven.—Verblindheid.—Vijfentwintig rietslagen.—De moordtooneelen
te Kalangan.—
Alvorens met ons verhaal verder te gaan, moeten wij eenige
geschiedkundige bijzonderheden in herinnering brengen, die zoowel
omtrent plaats en tijd der handeling, als omtrent het verloop der
gebeurtenissen de vereischte toelichting zullen geven. Dat zal
veroorloven het verhaal voort te zetten, zonder telkens genoodzaakt te
zijn, ter verduidelijking den draad af te breken.
Een ieder herinnert zich zeker nog de rilling, die door de natie ging,
toen in Junij 1859 als een donderslag de tijding weerklonk, dat in het
rijk van Bandjermasin op het eiland Borneo een uitgebreide opstand was
uitgebroken tegen het Nederlandsche gezag en dat al de Europeanen op de
mijnetablissementen, als ook de Christenzendelingen, op verschillende
punten in de binnenlanden gevestigd, vermoord waren. De bijzonderheden,
die later van die moordpartijen opvolgend bekend werden, klonken zoo
schrikkelijk, dat met recht beweerd kan worden, dat de gruwelen te
Hermina (Kalangan), te Goenoeng Djabok, te Boentooi en te Tangohan
gepleegd, in wreedheid en afschuwelijkheid voor die, in Engelsch-Indië
te Delhi, Lucknow en Cawnpore in 1857 gebeurd, niet onderdeden.
Maar, zoo als bijna immer, was voor die moordtooneelen een grond, een
oorzaak. En hoewel gruwelen, zoo als toen gebeurd zijn, ten scherpste
afkeuring verdienen en niet genoeg gebrandmerkt kunnen worden, zoo moet
toch erkend worden, dat de bestuurshandelingen ter Zuid- en Oost-kust
van Borneo haat en wrevel hadden doen geboren worden en dat door gebrek
aan waarheidsliefde, toen het gevaarlijk oogenblik naderde, de
uitbarsting niet voorkomen, maar eerder geprovoceerd werd. En wanneer
bij een onontwikkeld volk lang verkropte woede in lichter laaie
uitslaat, wanneer jaren lange miskenning en misleiding, onder het mom
van philantropische grondbeginselen gepleegd, vergolden, en niet
vergeten euveldaden uit vroegere tijden als: ontmanning, afsnijding van
ooren en neuzen, verrekend moeten worden, dan ja.... laten wij dan den
steen niet werpen op den Bandjarees, die zulke voorbeelden van ons
ontving.
Slaan wij de geschiedrollen van die dagen op, dan vinden wij het
Bandjareesche volk als sluw, oneerlijk en hoogst bedorven
afgeschilderd. Zeker kon dat volk niet als toonbeeld van
maatschappelijke deugden gesteld worden, maar te betwijfelen valt het,
of de omgang met de blanken gediend heeft, om het uit zijne
verdorvenheid op te heffen. Wat de onontwikkelden van deze zagen, was
tot navolging niet opwekkend en, gingen zij tot navolging over, dan was
de zedelijkheid daar niet mee gebaat.
Zij zagen toch het hoogste bestuur voor geld veil, de erfopvolging van
hun vorstenhuis verkwanselen, om den bastaard, door een hunner Sultans
bij eene Chineesche bijzit verwekt, op den troon te helpen.
Zij moesten hunne dierbaarste gevoelens ten opzichte van hun
vorstenhuis op de meest vernederende wijze gekrenkt zien, door de
verdierlijking, waaraan de onwaardige, die door de blanke
overheerschers, met voorbijgang van den rechthebbende, op den troon
geplaatst was, door zijn omgang met die Christenhonden ter prooi was.
Zij toch, de fijne Mahomedanen, die zoo’n afschuw van sterken drank
hadden, zagen veelmalen hun vorst plaatsnemen aan de tafel der blanken,
daar hunne uitspattingen deelen, ja die overtreffen, daartoe op
arglistige wijze aangezet. Niet zeldzaam zagen zij den ongelukkigen
Sultan smoordronken, met zwierende haren, bevlekt en bezoedeld door de
gevolgen zijner overdaad, als een zwijn in de voorgalerij van het
residentiehuis omvertuimelen; zij zagen hem onmachtig om overeind te
krabbelen, door zijne volgelingen naar zijn prauw gedragen, om naar
zijn kraton, aan de overzijde der rivier gelegen, geroeid te worden,
begeleid van den eenen kant door de weeklachten diergenen zijner
onderdanen, die het wel met hem meenden, van den anderen kant door het
luidruchtig gejoel en gegrinnik van hen, die er een eer in stelden, hem
in dien toestand gebracht te hebben.
„Allah redde hem en verdelge de Kafirs!” gromden de eersten.
„A plein verre! mes bons amis!” of „wij gaan nog niet naar huis, nog
lang niet, nog lang niet”, jubelden en huilden de anderen, terwijl zij
met de brandyflesch in de hand „een patertje langs den kant” na het
vertrek van den dronken Sultan, op den openbaren weg dansten.
Zij zagen den Christelijken godsdienst bevorderen, terwijl zij in de
uitoefening hunner godsdienstplichten zoo veel mogelijk gedwarsboomd
werden. En wanneer dan ingezien werd, dat niet altijd de gepaste
middelen werden gebruikt, om onder de naburige Dajaks de leer van den
Christus, die leer van liefde, van zelfverloochening, van
zelfopoffering, te verspreiden; wanneer daartegen over de
moeielijkheden gesteld werden, die de vrome Muzelman, wanneer hij
volgens de voorschriften zijner leer het graf des Profeets wenschte te
bezoeken, vanwege de Christenen, met het woord „verdraagzaamheid” op de
lippen, maar niet in het hart, ondervond, dan gloeide de haat en dan
zocht de hand wel eens krampachtig het gevest van de kris, dat
eigenaardig wapen der Oosterlingen met gevlamd lemmet, als zinnebeeld
van Allah’s toorn.
Voorwaar er was brandstof genoeg voorhanden; zij behoefde niet
vermeerderd te worden door de listen en lagen, die gebezigd werden, om
pandelingen, die slaven onder een modernen naam, voor de Gouvernements-
en ook voor de partikuliere steenkolenmijnen te erlangen.
Maar de bevolking der Nederlandsch-Oost-Indische bezittingen is over
het algemeen van zulk een zachte en lijdzame inborst, dat zij in den
regel niet naar het zwaard grijpt, voor en aleer alle middelen, om tot
een vergelijk te komen, aangewend te hebben.
Zoo ook hier.
Na eindelooze pogingen bij het gewestelijk bestuur, werd in 1853 een
gezantschap naar Batavia afgezonden om van den Grooten Heer herstel van
grieven te verkrijgen. Onder het armzalig voorwendsel, dat de leden van
dit gezantschap van te lage geboorte waren, werden zij niet toegelaten
het gelaat van hem, die in naam van Neerland’s Koning gezag voert, te
aanschouwen, hoewel allen van adellijke en een paar van vorstelijke
afkomst waren.
Vijf jaren later, in 1858, toog de bejaarde weduwe van Sultan Adam naar
Insulinde’s hoofdplaats, om de rechten van haren kleinzoon, den
rechtmatigen troonopvolger te bepleiten en de overige grieven van het
Bandjersche volk onder de aandacht van den Gouverneur-Generaal te
brengen. De oude Sultane onderging den smaad van ook niet ontvangen te
worden. Dat was de druppel, die den beker van ongerechtigheid deed
overvloeien. De karaktervolle weduwe keerde naar Bandjermasin terug en
van nu af was tot den heiligen oorlog besloten.
Al spoedig, in de eerste dagen van 1859, vertoonden zich in de
landschappen Benoea-lima, Moening en Allei mirakeldoeners, die
voorloopers van volksuitbarstingen bij dweepzieke rassen, en lokten tot
volksoploopen uit. De klewang’s werden gewet, de vuurwapenen gereed
gemaakt. Maar men was met blindheid geslagen te Bandjermasin, met
zoodanige blindheid, die door het doellooze rondspartelen aan waanzin
deed denken. Men oordeele!
Van Batavia werd in Februari 1859 het oorlogsstoomschip Ardjoeno naar
Bandjermasin gezonden, om te vernemen, wat toch ter Zuid- en Oostkust
van Borneo gaande was, daar van Pontianak, dus van de Westkust van dat
eiland, aan de Regeering gerapporteerd was, dat al de onderdanen van
den Sultan van het Bandjermasinsche rijk opgeroepen waren om deel te
nemen aan een uitgebreiden opstand tegen de blanken. De Ardjoeno kon
terugkeeren zoo als hij gekomen was, daar men te Bandjermasin voorgaf,
van niets te weten, en daarbij betuigde, dat in het gewest de meest
gewenschte rust heerschte.
Een maand later kwam het stoomschip Montrado met dezelfde boodschap; de
berichten omtrent het uitbreken van een opstand in het gebied van den
Sultan van Bandjermasin, waren ter Westkust van Borneo zoo stellig, dat
niet te twijfelen viel. Ditmaal kon niet ontkend worden; de zaken des
opstands waren reeds zoo ver gevorderd, dat ze niet meer te bemantelen
waren. Had men toen nog maar den moed gehad, rond voor de zaak uit te
komen, dan waren vele gruwelen voorkomen. Maar.... ja, men stemde er in
toe, dat er eenige ontevredenheid heerschte; dat waren echter slechts
twisten van den Sultan met eenigen zijner rijksgrooten, hofkabalen, die
niets te beteekenen en hoegenaamd geene staatkundige strekking hadden.
Een geringe vermeerdering van het garnizoen zou indruk genoeg maken, om
een gewenschte ontknooping van die twisten te mogen veronderstellen en
om de algemeene veiligheid te verzekeren. En zoo vertrok in April 1859
de kolonel Andresen met ééne compagnie infanterie naar de Zuid- en
Oostkust van Borneo. Had die krijgsoverste een geheel bataillon volgens
formatie van zes compagnieën onder zijne bevelen gehad, dan ware dat
niets te veel geweest en vele menschenlevens, misschien wel allen, die
nu verloren gingen, hadden kunnen gered worden. Het onaanzienlijk
troepje; dat nu aan wal stapte, was niet eens genoeg, om de hoofdplaats
van het gewest voor alle aanranding te dekken, want daartoe moest een
vrij talrijk corps mariniers en matrozen van de oorlogschepen
medewerken. De mijnetablissementen, de zendelingsposten en de civiele
ambtenaren in het binnenland moesten aan hun lot overgelaten worden.
De aankomst van zulk een kleine troepenmacht had eerder een nadeelige
dan wel nuttige zijde; zij verhaastte de uitbarsting. Dat was het
resultaat van de onopenhartigheid.
Twee dagen nadat kolonel Andresen voet aan wal gezet had, een tijdperk
waarin hij onmogelijk zich geheel op de hoogte van den toestand had
kunnen stellen, zoo zeer noodig, om met vaste hand de teugels van het
bewind te kunnen grijpen, brak de opstand allerwege uit en werden bijna
overal de Europeanen op de meest afzichtelijke wijze vermoord.
Wil de lezer vernemen hoe ver in die dagen de verblindheid van hen
ging, die toch op de hoogte van den stand van zaken moesten wezen?
Weinige dagen voor de aankomst des kolonels, had de kapitein militaire
kommandant ter hoofdplaats, tengevolge van de vrij stellige berichten,
die bij hem ingekomen waren van voorgenomen aanvallen op het fort
Tatas, de geweren der schildwachten en de kanonnen op de bastions doen
laden en verder die voorzorgsmaatregelen doen nemen, die een
overrompeling van het hem toevertrouwde punt moesten beletten. Dat
geboden hem het gezond verstand en ook de eerste regelen der
krijgskunst, omtrent welker toepassing hij alleen te oordeelen had.
Doch hij ontving van den resident van het gewest een scherpe
afkeuring—daar zijne voorzichtigheidsmaatregelen onrust onder de
bevolking stichtten—met den last, om de kanonnen te ontladen en de
patronen der manschappen in de magazijnen in te nemen.
En hoe die verblindheid zelfs tot bij hen, die door hunne isoleering
het meest op hunne hoede moesten zijn, doorgedrongen was, kan uit het
navolgende blijken:
Den 29n April 1859 kwam een rondventende Chinees op de steenkolenmijn
Hermina te Kalangan en smeekte den directeur, om toch met alle
Europeanen, vrouwen en kinderen naar Bandjermasin te vluchten. Hij had
uit stellige bron vernomen, verzekerde hij, dat binnen kort alle
blanken zouden vermoord worden. In het midden latende, of de gegeven
raad opgevolgd of niet behoorde te worden, was men dankbaarheid
schuldig aan den man, die ter goeder trouw dien raad gaf. En welke
dankbaarheid viel hem ten deel? De directeur der mijn gaf bevel dien
man aan den paal te binden en met vijf en twintig rietslagen ten bloede
te geeselen.
Vijf en twintig rietslagen voor een goeden raad, die, ware hij
opgevolgd geworden, aller leven zou gered hebben!! Want toen was nog
redding mogelijk. Een der voorlieden van de mijn, een Belg van
geboorte, werd op den 30n April—dus daags na den raad van den Chinees,
om naar Bandjermasin te vluchten—naar de hoofdplaats gezonden, tot het
verrichten van eenige boodschappen. Bij zijn doortocht te Goenoeng
Lawak, een kampong op ongeveer een halfuur afstands van de
steenkolenmijn, had hij eenige moeite om zijn weg te vervolgen, daar
het pad door het plotseling rijzen van een naburig riviertje
overstroomd en nu onzichtbaar was, hetgeen nog al gevaar aanbood, daar
dat pad zich tusschen diamantputten slingerde, die nu als kolken voor
het oog verborgen waren. Verscheidene lieden hielpen onzen Waal en zijn
paard tusschen die putten door en in den kampong aangekomen, vroeg en
verkreeg de reiziger zeer bereidwillig een kopje koffie, wat hij met
graagte opslurpte. Wel ontwaarde hij veel volk op de been en daaronder
vele vreemde gezichten, maar op zijn navraag daaromtrent, kreeg hij tot
antwoord, dat het passardag (marktdag) was. Hij verliet Goenoeng Lawak,
trok vervolgens Martapoera door en kwam niet alleen ongedeerd te
Bandjermasin aan, maar hij kon ook verzekeren, dat hem overal de meest
heusche bejegening was ten deel gevallen.
Vijf en twintig rietslagen!!! o! het is ontzettend. En wat was de
beweegreden tot die onmenschelijke bestraffing? De directeur beweerde,
dat die man met zijne verhalen maar onrust kwam stoken onder het
werkvolk der mijn.
Met wat wrok in het harte moet die Chinees het etablissement verlaten
hebben? O! hij zou spoedig gewroken worden. Hij zelf zou zich wreken.
Den 1n Mei—dus twee dagen na die gruwelijke strafoefening—zaten de
heeren van het mijnpersoneel, de directeur, de ingenieur en een
aspirantingenieur, des morgens na de godsdienstoefening—het was op een
zondag—gezellig bij elkander te praten in de voorgalerij van de
directeurswoning, die op eenigen afstand van het mijnetablissement zich
bevallig op den top van een heuvel verhief. De dames hadden de heeren
onder het genot van een glaasje morgendrank alleen gelaten en zich naar
de ingenieurswoning begeven, alwaar zij, hoegenaamd geen gevaar
duchtende, ook een gezellig kransje hielden.
Het kon zoo omstreeks elf uur zijn, toen een Europeesche mijnwerker
buiten adem bij den directeur kwam aanloopen en het bericht bracht, dat
een groote bende volk met lansen en klewangs gewapend, van den kant van
Goenoeng Lawak kwam opzetten en dat zij kwaadwillige bedoelingen had,
daar zij bij de tramwaybrug reeds een der Europeesche voorlieden had
neergestooten. Nog had de mijnwerker zijn verhaal niet ten einde, toen
men den huilenden en tierenden troep in de verte reeds in aantocht zag.
In de woning van den directeur waren geene wapenen aanwezig. Men had
die naar aanleiding der loopende geruchten naar het huis van den
ingenieur overgebracht om in de nabijheid van het mijnetablissement,
zoo als het heette, op alles voorbereid te zijn.
Onder den indruk van het verhaal des directeurs omtrent de berichten,
door den rondventenden Chinees aangebracht, vlogen de aanwezigen op en
trachtten zich door de vlucht langs den tramwaydijk naar het
mijnetablissement te redden. Zij werden door den razenden troep op de
hielen gevolgd; en weerloos als zij waren, hadden zij het noodlottig
voordeel, de mijn nog te kunnen bereiken, slechts te danken aan den
ingenieur, die met een zwaren ijzerhouten wandelstok gewapend, van tijd
tot tijd zijn vlucht staakte en achterwaarts front maakte om de bende
op een afstand te houden. Hij was een stevig Engelschman en bekwaam
batonnist. Met talent en met kracht gelukte het hem een tijdlang de
vele lansen af te weren. Wanneer het oogenblik hem daarbij gunstig
voorkwam, sprong hij vooruit, liet zijn stok fluitend nederdalen,
waarbij dan telkenmale een schedel verbrijzeld of een schouder
ontwricht werd. Zoo had hij reeds een viertal zijner belagers
neergeveld, toen hij op het onverwachtst achterover tuimelde. Front
naar den vijand makende en, al schermende, langzaam achteruit tredende,
zag hij niet, dat de dijk, waarop hij zich bevond, een vrij scherpe
bocht maakte. Hij stortte langs de glooiing omlaag, en nog voor hij
zich oprichten kon, waren hem vele lansspitsen in het lichaam
gedrongen. Letterlijk was hij aan den bodem vastgestoken.
Dat was wel de grootste ramp, die den ongelukkigen Europeanen daar in
dat verloren hoekje kon overkomen. Die ingenieur was een energiek man,
die, ware hij nu niet gevallen, ongetwijfeld de verdediging met
uitstekend gevolg zoude geleid hebben.
Na zijn val verhief zich een kannibalisch gejuich. Dat was de eerste
blanke van eenig gezag, die omgebracht werd. Dat gaf moed. Aller armen
daalden neer om deel te nemen aan de slachting. Zelfs de meest
vreesachtigen drongen vooruit en wroetten met hunne lansspitsen of
hunne klewang’s in het lillende vleesch en smeerden hunne wapenen met
het stroomend bloed in. De Hadji’s hadden hun toch verzekerd, dat zulk
een wapen, door het bloed van een „kafir” (Christenhond) geheiligd,
onverschrokken en onkwetsbaar maakt. In een oogenblik tijds was dan ook
de rampzalige ingenieur met ontelbare wonden overdekt. Met
ongeloofelijke verbittering werd op den ongelukkige ingehakt. Gelukkig
nog, dat die verwoedheid der moordenaars zoo groot was, dat zij maar
blind weg hun wapen hanteerden en hem al heel spoedig doodelijk
verwondden, zoodat zijn lijden kort was.
Die val en de daarop gevolgde moordpartij gaf den overigen ongelukkigen
een voorsprong, waardoor zij het mijnetablissement konden bereiken.
Helaas! daar was alles in rep en roer, in de grootst mogelijke
verwarring. Men had den vijandelijken troep zien naderen en het geheele
treurspel op den tramwaydijk kunnen waarnemen. Het was als besefte men,
dat daar de ware verdediger, de man, die de zwakken ondersteund, de
angstvalligen opgebeurd zoude hebben, omgekomen was. In radeloozen
angst dwarrelden de vrouwen en kinderen door elkander, handenwringende
en wanhoopskreten slakende. Het ondergeschikte mannelijke personeel der
mijn was, bij het verschijnen der opstandelingen, dadelijk in twee
kampen verdeeld, waarvan het grootste gedeelte helaas! zich voor den
naderenden muitenden troep verklaarde. Dat waren de Bandjersche
prauwenvoerders en de Dajaksche pandelingen. Slechts enkele mandoor’s
(opzichters) en de Javaansche bedienden sloten zich bij hunne meesters
aan en nog niet eens allen met goede bedoelingen, zooals straks blijken
zal.
Bij aankomst van den directeur in dit benard oogenblik, werd op zijn
last de alarmklok geluid en verzamelden zich de Europeesche voorlieden
der mijn in het huis van den reeds vermoorden ingenieur, alwaar de
vrouwen om diens wanhopige weduwe geschaard zaten.
Er bevonden zich toen een achttal mannen, vier gehuwde dames, drie
huwbare meisjes en zes kinderen—allen Europeanen of van Europeesche
afkomst—in dat huis bij elkander. Hierbij hadden zich een drietal
inlandsche mandoor’s, een zestal bedienden en eenige baboe’s
(kindermeiden) aangesloten.
Men sloot en grendelde in allerijl de vensters en deuren, voor welke
laatsten in alle haast wat meubelstukken gesleept werden, om ze te
barricadeeren. Men was nog niet geheel gereed, toen de moordzieke
bende, schreeuwende en tierende, op het terrein der mijn verscheen.
Sidin, de Javaansche bediende van den directeur, had van het wapenrek
de geweren—een achttal—genomen en had ze geladen, voor welke zorglijke
handeling hij door zijn heer met een goedkeurenden knik beloond werd.
Toen deuren en vensters gesloten waren, nam ieder Europeaan een
vuurwapen en plaatste zich achter de gesloten jalouzieramen. Er was
geen tijd tot beraad of tot het nemen van verdere beschikkingen. Och,
al had de tijd er ook toe bestaan, de karaktervolle man, die het geheel
had kunnen leiden, was niet meer. Er heerschte nu slechts ongedurigheid
en weifelachtigheid in die woning, waar in die oogenblikken slechts
geest- en wilskracht zich hadden moeten vertoonen. Er heerschte
ordeloosheid, waar ieders plaats en handeling scherp afgebakend had
moeten wezen. In een woord, er was niemand die bevelen gaf, die
ordende; ieder deed wat hem goed dacht.
De bloeddronken bende naderde niet heel spoedig; zij had nog de
gelegenheid te baat genomen, om een ouden grijzen mijnwerker, die
weigerde zich bij haar aan te sluiten, neer te houwen en haar
bloeddorst op eene gruwzame wijze op hem te koelen.
Maar eindelijk aangekomen voor het huis, waarin de blanken zich
gebarrikadeerd hadden, hield de bende halt en heerschte er een
oogenblik van diepe stilte. Ofschoon reeds twee withuiden dien morgen
gevallen waren en hun bloed de klingen der wapens geverfd had, was de
menigte nog niet over het prestige heen, dat de blanken gewoonlijk
uitoefenen. Men begreep dat hier ernstig tegenstand zou kunnen geboden
worden, dat veler leven hier gevaar liep; men dacht na en aarzelde. Had
in dit oogenblik een flink salvo weerklonken, dat de voorste
raddraaiers in het zand had doen bijten, dan zou die geheele troep
dapperen, als een vlucht musschen, door een schot hagel geteisterd, uit
elkaar gestoven zijn. Maar niets, niets! de Europeanen hielden zich
stil; het was of het huis leeg was.
Daar verhief zich te midden dier stilte plotseling een stem. Het was
Hadji Gana, een der meest dweepzieke priesters van het Bandjersche
rijk.
„Lā ilāha illa-llāhoe wa-Moēhammadoen rasōeloe-l-lāhie,” (er is geen
God dan Allah, en Mahomed is Gods profeet) gilde hij met krijschende
stem, terwijl hij de handen, waarin hij een koran en een rozenkrans
hield, boven zijn tulband verhief.
„Madjoe! madjoe! sabieloe-l-lāhi!” (Vooruit, vooruit, ten heiligen
strijd.)
„Weg met de blankhuiden!”
„Dood aan de Kafirs!” schreeuwde de menigte hem na, joeg als met een
sprong vooruit en beklom de trappen, die tot de voorgalerij van de
woning toegang verleenden. Maar toen knalden vier schoten van tusschen
de zonneblinden der ramen en deden den heldhaftigen troep uit elkander
stuiven met een vaart, dat de meesten niet wisten, hoe zij beneden
gekomen waren.
Doch.... rondziende, bespeurden de helden geen enkelen gedoode, geen
enkelen gekwetste. Een wezenlijk wonder! hoewel die vier geweerschoten
te midden van den dichten drom, om zoo te zeggen à bout portant gelost
waren, niemand was gedeerd. Er was er een, wiens buisje door de
buskruidvlam verzengd was, zonder gewond te zijn. Hoe was dat mogelijk?
De Hadji’s maakten er behendig gebruik van, en wezen op de
onfeilbaarheid van de uitgedeelde „djimat’s” (talisman) en verklaarden
iederen strijder tegen de kafir’s voor „tagab” (onkwetsbaar). Hadji Isa
haalde van onder zijn buisje een platgeslagen stuk lood te voorschijn
en verklaarde dat dit een kogel der blanken was, die, zonder hem te
deren op zijn huid afgestuit was. Dit bewijs van almacht voerde de
dweepzucht ten top.
Zoo werd de bende weer moed ingesproken en tegen de trappen opgevoerd.
Toen zij boven gekomen was, barstte andermaal een viertal schoten in
den dichten drom los, met hetzelfde gevolg dat geheele gespuis weer met
bliksemsnelheid naar beneden te doen tuimelen. Maar, ook andermaal was
niemand gekwetst. De Hadji’s hadden gelijk, de djimat’s waren
onfeilbaar en de zegen des Profeets rustte op het Gode welgevallig
werk.
Nu ging er een woest geschreeuw op, en andermaal drongen de dapperen
vooruit, om evenwel met al dien heldenmoed bij iedere losbarsting van
schoten weer naar beneden te stormen.
Binnen in het huis was men niet op de hoogte van hetgeen buiten
gebeurde. Bij iedere losbranding zagen de verdedigers tusschen de
beperkte ruimte der zonneblindlatten de aanvallers vallen, wegduiken en
vluchten, zoodat er niet aan getwijfeld werd, of de schoten waren raak.
Helaas! het verraad speelde zijn treurig spel. De geweren werden
slechts met los kruid geladen en met zorg werden de kogels weggemoffeld
door de bedienden, die in schijn, om de verdedigers te helpen, de
afgeschoten wapens aannamen, om ze dadelijk weder te laden.
Bij zoo’n stand van zaken kon het niet anders, dan dat de aangeboren
lafhartigheid der aanvallers tot overmoed oversloeg. Het gros der bende
was uit de voorgalerij niet meer te verdrijven en op verschillende
plaatsen waren reeds breekijzers tusschen de jalouzielatten der ramen
en deuren gebracht, om ze met geweld te openen. Tusschen die latten
door, kruisten zich hier en daar reeds klewang’s met sabels en waren de
djimat’s krachtvol tegen de geweerschoten gebleken; tegen sabelhouwen
schenen zij niet bestand. Althans al heel spoedig lagen eenige
gekwetsten met afgehouwen vingers op den grond der voorgalerij, die de
handen aan de ramen geslagen hadden om ze open te breken.
Bij dezen zoo noodlottigen stand van zaken liet zich plotseling een
brandlucht waarnemen en konden de belegerden bevroeden, dat een
gedeelte der bende het gebouw omgetrokken en, daar het van hout was, in
brand gestoken had. In dien uitersten nood trad Sidin, de bediende van
den directeur, op hem toe, beweerde dat er een misverstand bestond, dat
het volk geen kwaad wilde, maar dat het bevreesd voor de geweren was.
Wanneer mijnheer hem zijn geweer overgaf, zou hij zien, dat alles op
vreedzame wijze opgelost zoude worden en dat niemand eenig leed zou
geschieden. Wat moest de directeur doen? De voorgalerij stond stikvol
aanvallers, die niet meer te verdrijven waren; in de achtergalerij
dreigde brand; een deur en een raam waren reeds opengebroken en
vertoonden zich daar woeste aangezichten. Met een zucht gaf hij zijn
wapen over aan den bediende, aan wiens trouw hij nimmer getwijfeld had.
Deze, met een afschuwelijken grijns op het gelaat, nam het geweer met
de linkerhand aan en met de rechter stak hij zijn kris in zijns
meesters lijf en haalde hem den buik van onder tot boven open, onder
het uiten der spotachtige woorden:
„Djangan mara toean!” (Niet kwaad worden, mijnheer!)
En als ware dat het sein, stormde de bloeddronken bende naar binnen en
begon het bloedbad. Al zeer spoedig lagen de mannen vreeselijk verwond
in hun bloed te baden. De directeur was met opengereten buik in een
hoek van het vertrek gekropen, waar men hem voorloopig ongedeerd liet.
Helaas! zijn lijden was nog niet ten einde; schrikkelijker martelingen
stonden hem te wachten.
Toen het bloedige werk met de mannen afgehandeld was, kwam de beurt aan
de vrouwen. Geen van haar was nog gedeerd. Als een troep schapen bij
een onweder zaten zij bij elkander gedoken en deden de lucht weergalmen
van haar angstgeschrei en haar gesteun. Langzamerhand verzamelde zich
een menigte met woest zwierende haren, met bebloede handen en
aangezichten, rondom haar, en daar werden gruwelijke woorden gehoord en
van verlangen glinsterende blikken ontwaard. Maar niemand nog vermat
zich een vinger naar de ongelukkigen uit te steken. Alles bepaalde zich
nog tot onkiesche woorden en tot wulpsche blikken, tot schandelijke
verlangens, die zich als het ware door de hijgende ademhalingen lucht
gaven. Daar verscheen Radhen Ardjie Kesoema, [9] het vorstelijk hoofd,
die de bende ten aanval geleid, maar zich gedurende het gevecht
voorzichtiglijk achteraf gehouden had. Hij trad nu in trotsche houding
en met gebiedend gebaar voor en eischte de maagden voor zijn deel.
Zonder een woord te spreken, met een enkele vingerwijzing duidde hij de
drie jonge meisjes aan. Zijne volgelingen, zonder zich aan het gegil en
het geweeklaag van de slachtoffers te storen, trokken de aangewezenen
bij den arm voort en voerden ze naar Martapoera. Op de dringende bede
der meisjes werd ook nog kort daarop hare moeder, eene forsche, flinke,
nog goed uitziende vrouw, uit het noodlottige huis gehaald en ook naar
de vorstelijke residentie overgebracht.
Nu bevonden zich nog slechts de getrouwde dames in het vertrek, en nog
altijd, ofschoon reeds veel verminderd door het ontvoeren der meisjes,
stond een hunkerende troep om haar heen, niet wetende wat te doen, tot
dat Hadji Gana met zijn onafscheidelijken koran en rozenkrans in de
uitgestrekte handen uitriep:
„God is groot! Luistert wat de Almachtige gebiedt: „Oog om oog, tand om
tand”! De blanken hebben zoo velen onzer vrouwen en onzer dochteren tot
ontucht verleid. Het goud, dat zij den bruinen mensch afstalen of
afpersten, hebben zij veelal gebruikt om onze maagden te koopen. Soms
zijn deze met geweld uit de armen hunner ouders weggehaald. „Oog om
oog, tand om tand”, herhaalde hij met schril krijschende stem. „Oog om
oog, tand om tand!” de ure der wraak is gekomen! die vrouwen zijn uw
deel!!”
Een vreeselijk gejuich beantwoordde die woeste toespraak. En in minder
tijd dan het mogelijk is te vertellen, waren de arme ellendigen
overeind gesleurd en haar de kleederen, die hunne tengere ledematen
bedekten, van het lijf gescheurd zoodat zij weldra met hun loshangenden
blonden haardos naakt voor hunne bruine beulen stonden. Geen gejammer,
geen geween, geen klaaggeschrei mochten baten. Zij hadden even goed
kunnen pogen rotsgesteenten te vermurwen.
Nu begon een tooneel zoo walglijk, zoo ijselijk wreed, dat—hoe
wenschelijk het ook ware, het in zijn algeheele afschuwelijkheid te
boekstaven, om aan te toonen, welke vreeselijke gevolgen een slecht
bestuur na zich sleepen kan—de pen hare diensten weigert en het brein
zich onmachtig toont, die gruwelen te schetsen.
Te midden dier onmenschelijke mishandelingen, die niet dan met den dood
der arme teedere wezens eindigden, sprong een klein zesjarig knaapje
vooruit om zijne rampzalige moeder te verdedigen. Het was het oudste
zoontje van den directeur. Met in den nek fladderende blonde lokken,
met fonkelende oogen, hijgende borst en op elkander geknepen lipjes,
beukte de brave jongen met zijne vuistjes op de beulen zijner moeder,
totdat een slag met een „parang” (kapmes) hem het jeugdige hoofdje
kloofde en hij, ruggelings achterover stortende, naast zijn zwaar
gewonden vader kwam te vallen.
Waar de gedachten van dien vader in dat oogenblik verwijlden? Dat is
den Alwetende alleen bekend. Hij was geheel bij kennis en geen der
tafereelen, die zich voor zijne oogen ontrolden, waren hem ontglipt.
Misschien omgaven zij met angstige zorg zijne andere kinderen, die in
de handen der beulen achterbleven en gewis ook niet zouden gespaard
worden. Maar zie, daar boog zich een gedaante over den stervende en
fluisterde hem iets in het oor. Ontzet en half radeloos van angst zocht
het gebroken oog den spreker te herkennen. God! het was de Chinees, die
twee dagen vroeger zoo gruwelijk gekastijd was geworden en die nu, om
zijn leven te redden, met afgesneden hoofdstaart, in maleische
kleederdracht verscheen. Nogmaals prevelde hij tot den gewonde eenige
woorden, richtte zich daarna op en begaf zich naar een hoek des
vertreks, waar eene oude baboe twee aanvallige Europeesche kinderen
achter haren sarong en slindang trachtte te verbergen. De Chinees sprak
haar aan, greep een der kinderen en gevolgd door de baboe met het
andere, maakte hij behendig gebruik van de verwarring, die heerschte
tengevolge der plaatshebbende vreeselijke tooneelen, en der daarop
gevolgde plundering, om ongemerkt naar buiten te sluipen. Eenmaal
buiten het gedrang, was het bosch weldra bereikt. Daar gaf de Chinees
het kind, dat hij droeg, aan de baboe over, duidde haar de te volgen
richting aan, om Bandjermasin te bereiken, ried haar aan om met die
twee blanke kinderen alle bewoonde oorden te vermijden en toen hij haar
met haar vracht binnen den beschermenden rand der wildernis verdwenen
zag, spoedde hij zich terug naar het tooneel van zooveel ontzetting.
Toen hij daar aankwam, was een klein gedeelte der bende bezig de lijken
der vrouwen bij de haren naar buiten te sleepen, terwijl het gros zich
onledig hield met koffers, kisten en kasten open te breken en den buit
te verdeelen. Hij vond nog gelegenheid den directeur te kunnen naderen
en hem als in het voorbijgaan toe te fluisteren: „in veiligheid.” En,
als wachtte de rampzalige op die tijding, om te kunnen sterven, toen
hij die woorden vernam, opende hij wijd de oogen, vestigde een blik van
onuitsprekelijke dankbaarheid op den Chinees, zuchtte nog eens diep,
en... was aan ieder lijden onttogen.
Laat mij, om dit hoofdstuk te besluiten, gauw mededeelen, dat na een
omzwerving van ruim vijf weken in de bosschen, die baboe met de twee
kinderen gezond en wel te Martapoera te recht kwam, toen die plaats
door de Nederlandsche troepen bezet was.