Eerste kennismaking met Tomonggong Nikodemus Djaja Nagara.—De beet
eener slang.—Beraadslaging.—Een zondenbok.—De „titih.”—Eene
cholerauitvaart.—Een geweerschot, gevolgd door een kanonschot en
een salvo.—De eerste maat van een begonnen liedje.—
„Neem plaats, Tomonggong,” zei de kommandant met plichtpleging, terwijl
hij een stoel naderbij schoof, „ik ga even sigaren krijgen.”
De Tomonggong trad middelerwijl op den dokter toe, boog ongedwongen het
hoofd, stak hem de hand toe en prevelde zijn groet:
„Tabeh toean, saja harap toean ada baik” (Goeden dag mijnheer, ik hoop
dat mijnheer wel is).
De dokter was uit zijn gemakkelijke houding opgesprongen; hij deed een
stap voorwaarts, greep de hem toegestoken hand en drukte haar met
warmte. Van de kortstondige afwezigheid van den luitenant gebruik
makende, fluisterde hij het districtshoofd toe, na eerst behoedzaam en
angstig rondgekeken te hebben:
„Zij moeten gered worden, zij mogen niet in handen der Hollanders
vallen!”
De Tomonggong sloeg een doordringenden blik op den dokter; zijn
goedaardig gezicht teekende verbazing. Aan verraad en valschheid
gewoon, te midden daarvan om zoo te zeggen levende, is het eerste
gevoel van den Oosterling, hoe rechtschapen hij zelf moge wezen, een
gevoel van wantrouwen. Hij denkt steeds, dat hem een strik gespannen
wordt. Zoo ook de Tomonggong, bij die voor hem zoo raadselachtige
woorden.
„Dat zal moeielijk gaan”, fluisterde hij, „de Heer kommandant zal zijn
maatregelen wel goed nemen; en ik..... ik”, vervolgde hij na een
oogenblik van weifeling, „ik moet gehoorzamen.”
„Bij Mahatara! Tomonggong, red hen, red hen. Zie, ik smeek het. Als gij
meent, mij eenige dankbaarheid verschuldigd te zijn, sla dan mijne bede
niet af. Het zijn mijne landslieden!”
Met saamgevouwen handen, in gebogen houding stond de dokter voor den
Dajak. De omstandigheid, waarop hij hier scheen te duiden, trof het
hoofd. Kambang, de oudste dochter, de lievelinge des ouden Tomonggongs,
was eens door eene „handipèh boemboeng enjoh [2],” een zeer gevaarlijke
slangensoort, gebeten geworden. De vader in zijn verbijstering liet
„obat panawar pari [3]” halen. Middelerwijl had onze dokter, die bij
het ongeval tegenwoordig was, maar geen hulpmiddelen op dat oogenblik
ten zijnen dienste had, met groot levensgevaar de wond uitgezogen en ze
daarna met een stuk hout uitgebrand. Zoodoende had hij de lieve maagd
behouden. Bij die herinnering greep nu de vader, alle wantrouwen
latende varen, aangedaan de hand van den redder zijns kinds en prevelde
iets met bewogen stem, dat de dokter niet verstaan kon, daar de
luitenant met een gevulden sigarenkoker uit het aangrenzende vertrek te
voorschijn trad, ieder der aanwezigen een geurige manilla aanbood en
zelf eene opstak; waarna hij zich op een stoel neervleide en, als
vervolgde hij een reeds aangevangen gesprek, zich tot den Tomonggong
richtte:
„En niemand in den kampong heeft van die vlucht iets bemerkt, niemand
heeft die soldaten gezien?”
„Neen Heer.”
„Dat is zonderling, hoogst zonderling. Maar hoe weet gij dat,
Tomonggong? Zij hebben toch een vaartuig moeten meester worden, want
een ontvluchting over land is onmogelijk.”
„Indien iemand een djoekoeng [4] of prauw gemist had, zou daaromtrent
zeker een klacht bij mij zijn ingekomen. De ontvluchting van blanken
uit het fort daarenboven zal opzien genoeg baren; ik zou daarvan wel
wat vernomen hebben, wanneer er reeds iets van bekend ware.”
De luitenant bedacht zich een oogenblik. Hij scheen in tweestrijd.
Eindelijk hernam hij:
„Tomonggong, ik moet die menschen in handen hebben. Eensdeels om het
aanlokkelijke van het gegeven voorbeeld bij onze jonge soldaten tegen
te gaan, maar ook om vechtpartijen en gruwelen te voorkomen. Want
voorzeker zullen zij aangerand en misschien vermoord worden, wanneer
zij te midden der stammen in de bovenlanden geraken.”
„Ja zeker Heer, zullen zij dat. De „olo kajau” (koppensnellers) zullen
hen niet ontzien. Maar zoudt gij denken, dat zij zich naar de
binnenlanden, zouden begeven?”
„Naar zee is een vlucht zoo goed als onmogelijk,” was het antwoord van
den luitenant. „Voor de monding der rivier liggen twee kruisbooten op
brandwacht, terwijl de geheele zuidkust door stoomschepen geblokkeerd
is. Maar gesteld zelfs, dat zij door dien gordel heen komen, wat dan?
Zullen zij zich in een nietige prauw of djoekoeng—want over een
zeewaardig vaartuig zullen zij wel niet te beschikken hebben—op de open
zee wagen, vooral in dit seizoen, nu de westenwinden met kracht
doorblazen? Dat zou met zelfmoord gelijk staan. En dan nog waarheen?
Ja, waarheen? Naar Java? dat zou het eenige zijn; maar daar zouden zij
ter nauwernood geland zijn, of zij zouden zich in handen der politie
bevinden. Men is daar zeer op zijn hoede. Mijns bedunkens kunnen zij
niet anders, dan zich in de binnenlanden werpen. Zij zullen de bewoonde
oorden vermijden en trachten Sarawak op de noordkust des eilands te
bereiken.”
„Zouden zij dat niet kunnen over zee?” mengde zich de dokter in het
gesprek.
„Dan moeten zij eerst de kruisbooten voorbij, dan moeten zij de
blokkade verbreken en, is dat alles gelukt, zijn zij Tandjoeng Batoe
Titi, de zuidwestelijkste punt van Borneo, omgezeild, dan komen zij in
de koerslijn der vaartuigen van Oost-Java naar Borneo’s westkust en
naar Singapore; zij komen dan in de volle Chineesche zee, waar in dit
seizoen honderd gevaren aangrijnzen en honderd kansen bestaan, om om te
komen of opgepakt te worden, tegen niet een kans om te slagen. Ja, naar
Sarawak zullen ze trachten te komen, maar dwars door het eiland heen!”
„Maar dat is zeer ver Heer,” sprak de Tomonggong ernstig, „en de
gevaren zijn niet minder, dat weet gij.”
„Ja, dat weet ik, Tomonggong, maar dat zijn gevaren waar tegen te
strijden valt en, geloof mij, het zijn kloeke onversaagde kerels. Zij
zullen alles beproeven en ik verzeker u, zij zullen alles op het spel
zetten. Komaan! er mag niet getalmd worden. Ieder oogenblik is
kostbaar. Ga nu naar uw woning terug; roep onmiddellijk de hoofden van
de meest nabij gelegen kampongs bijeen. Laat ze een vijftigtal mannen
te zamen brengen, voorzie die van levensmiddelen voor een paar dagen.
Zij moeten hunne wapenen medevoeren. Dat alles moet over twee uren
gereed zijn om te vertrekken. Ik kom dan zelf zien en mijne bevelen
mededeelen.”
„Maar zal de gevangenneming goedschiks geschieden, Heer?”
„Daaraan twijfel ik; maar daarom zei ik de wapenen mede te nemen. Ik
stel er hoogen prijs op, de vluchtelingen levend en ongedeerd in handen
te krijgen. Mochten zij zich echter te weer stellen en van hunne
wapenen gebruik maken, dan.....”
Hier aarzelde de luitenant, hij wist hoe zwaar zijne woorden hier
golden. De dokter stond doodsbleek met krampachtig gebalde vuisten. De
kommandant vervolgde na een oogenblik peinzens met een stem, als bleef
hem iets wrangs in de keel steken:
„Mochten zij van hunne wapenen gebruik maken, dan is tegenweer
geoorloofd. Laat een uwer invloedrijkste hoofden, bij voorbeeld
Damboeng Papoendeh, den tocht aanvoeren. Stuur dien man dadelijk bij
mij, dan kan ik hem vertellen, wat hij te doen heeft.”
De luitenant sprak op afdoenden toon, als gewoon bevelen te geven, als
gewoon schielijk maatregelen te beramen en beslissingen te nemen. Zijn
geestkracht werkte aanstekelijk op den Tomonggong, die reeds opstond,
om heen te ijlen. Een blik op den dokter geworpen, stemde hem tot
nadenken. Het gezicht van den medicus teekende angst en vertwijfeling.
In een oogenblik, dat de luitenant hem niet opmerkte, namen zijne oogen
zulk een smeekende uitdrukking aan, dat de Dajak hem begreep. Deze
streek met de hand over zijn sarong, alsof de plooien hem hadden
gehinderd en ging daarop weer zitten.
„Heer, met uw verlof,” sprak hij zacht maar vast, „het zal niet gaan.
Het is reeds laat. Welke opschudding zal een dergelijk bevel in de
kampongs niet geven?”
„Wel, wat zou dat?” stoof de luitenant op.
„Vrouwen en kinderen zullen zeer beangst worden. Men zal in de zaak
geheel iets anders zien, dan er in is, en gij weet Heer! dat,
niettegenstaande uwe pogingen tot bevrediging der negorij, een groot
gedeelte van de bevolking nog niet geheel te vertrouwen is. Daarenboven
loopen geruchten—ik deelde ze u gisteren reeds mede—dat Doessonsche
koppensnellers met hunne rangkan’s [5] in de buurt verschenen zijn en,
hoewel ik daar niet aan geloof, zou het niet onmogelijk te achten zijn,
dat een aantal huisgezinnen nog dezen nacht hunne woningen verlieten,
om in de wildernis een toevlucht te zoeken.”
„Maar Tomonggong!”.... wilde de luitenant hem in de rede vallen.
„Geloof mij Heer,” hernam het districtshoofd ernstig en met vaste stem,
„geloof mij, gij kent mij, ik ben een trouw onderdaan van de
Hollanders. Het doel van die nachtelijke oproeping zal niet, of zal
verkeerd begrepen worden. Allen zullen beangst worden en niet het minst
de familieleden van hen, die voor dien tocht zullen geprest worden.
Daarenboven, werwaarts zullen de uittrekkenden zich wenden? Gij zegt
wel, dat de vluchtelingen zich niet zeewaarts zullen begeven hebben.
Dat Mijnheer het mij vergeve, mij duizendmaal vergeve; maar ik kan zijn
gevoelen zoo maar niet deelen. Maar, al ware het uitgemaakt,
onbetwistbaar duidelijk, dat de vluchtelingen landwaarts ingetogen
zijn, dan nog herhaal ik mijne vraag, werwaarts zullen mijne Dajaks
zich wenden? Het eiland Kalimantan [6] is zeer groot, en wie zal hen in
de dikke duisternis op het goede spoor brengen?”
„Maar wat dan?” vroeg de luitenant ongeduldig.
„Wachten Heer, wachten,” was het bedaarde antwoord. „Morgen al heel
vroeg zal ik wel te weten komen, hoe uwe soldaten ontvlucht zijn en ik
verzeker het u, ik zal hen dan gauw op het spoor zijn. Zij hebben het
district niet ongemerkt kunnen verlaten; maar waar nu bij de duisternis
van den nacht en bij de loopende geruchten aarzeling en vrees heerschen
om mij te komen inlichten, zal ik morgen, als de dag helder schijnt,
wel spoedig op de hoogte zijn. De bevolking zal dan ook ras weten, wat
het doel van den tocht is; vergissing of opzettelijke misleiding is dan
niet meer mogelijk, en ongetwijfeld zal het mij dan hoegenaamd geen
moeite kosten het noodige getal vrijwilligers bij elkander te brengen.
En mocht Mijnheer het niet afkeuren, dan wenschte ik zelf morgen den
tocht aan te voeren; iets wat ik heden avond onmogelijk zou kunnen op
mij nemen.”
De luitenant aarzelde een oogenblik en dacht na. Het was stil in de
kamer. Alleen hoorde men de hijgende ademhaling van den dokter en
buiten weerklonken de voetstappen der op en neer wandelende
schildwachten op de bedding van het geschut, waarbij zij op post
stonden. De officier scheen eindelijk een besluit genomen te hebben,
althans hij hernam:
„Gij hebt gelijk Tomonggong, geheel en al gelijk, en ik dank u voor de
goede raadgeving. En toch wenschte ik wel, dat de vervolging nog heden
avond had kunnen beginnen; want hoe spoediger in mijne handen, hoe
minder de arme drommels te lijden zullen hebben. Zij zullen hun
uitstapje duur genoeg betalen,” vervolgde hij bitter en met een zucht:
„wie weet wellicht met hun leven!”
„Ja, dat weet Hatallah [7] alleen,” zei de Tomonggong met vromen
eerbied in zijn stem, „het gevaar dat zij te gemoet treden is groot.”
„Welnu dan,” hernam de luitenant, „tot morgen! al heel vroeg wacht ik
eenig bericht. Maar wacht, ik weet nog beter. Om geen tijd te
verliezen, kom ik nog vóór zonsopgang bij u, Tomonggong. Wij kunnen dan
alles te zamen verder beschikken. Ik ga nu bevelen geven om u uit te
laten.”
En daarop verliet hij het vertrek.
Een oogenblik alleen met het districtshoofd, sprong de dokter op en
drukte hem met warmte de hand.
„Zij hebben nu een voorsprong van ruim zes uur,” zeide hij met
verrukking.
„Dat is niet veel”, meende onze Dajak.
„Toch genoeg voorshands; o! wat dank ik u!”
De luitenant kwam binnen; zij konden het gesprek niet voortzetten.
Nadat de Tomonggong afscheid genomen en het fort verlaten had, zaten de
kommandant en de dokter nog een poos bij elkander, om de flesch te
ledigen, die zoo even ter eere van het districtshoofd ontkurkt was.
„Een beroerde geschiedenis!” ontsnapte den luitenant met een stopwoord,
dat zijn gemoedsaandoening moest te kennen geven.
„Ja zeker, een beroerde geschiedenis, maar vooral voor die arme
drommels.”
„Maar voor mij niet minder. Behalve de inspanningen en vermoeienissen,
behalve de gevaren van allerlei aard, die mij te wachten staan, zullen
ook wel de noodige standjes afgeschoven worden. Gij weet, bij ons legt
men zoo gaarne de zaken ten nadeele uit en zoekt men daaraan een
hatelijken zelfkant. Het zoeken van een zondebok, wanneer iets
onaangenaams voorvalt, is eene inheemsche Nederlandsche ziekte.”
„Maar de overste Afdeelings-Kommandant is toch daar de man niet toe!”
„O, die zal het ook niet doen. Het zal wel van hooger komen. O! zij
zijn te Batavia zoo snugger! Als het er op aankomt naar het
hoofdbestuur in den Haag te kunnen rapporteeren, dat door het geringe
doorzicht en de weinig menschkundige handelingen van een luitenant,
vier Europeesche soldaten in vollen oorlogstijd gedrost zijn; en als
men er dan bijvoegen kan, dat de schuldige ernstig is te recht gewezen,
dan is het genot zonder weerga. Men is dan tevreden in den Haag en
vraagt naar meer niet. Zelf heeft men immers geen schuld?”
„Geen schuld!!” stoof de dokter woedend op. „Geen schuld!! de geheele
schuld ligt in den Haag; want....”
„Tu tu tu, mijn waarde mof, geen politiek, wat ik je bidden mag,”
stopte de luitenant bij tijds. „Al heb je gelijk, dan heb je toch
ongelijk, zooveel ervaring heb je toch reeds in het leven opgedaan.
Kom, het is al laat geworden, laten wij ons mandje gaan opzoeken, het
is morgen vroeg dag, althans voor mij.”
De beide mannen reikten elkander de hand; de dokter verliet het vertrek
om naar zijn mandje te gaan, zooals de uitdrukking luidde. Alvorens
evenwel in het zijne te kruipen, ging de luitenant nog eens de ronde
doen om zich te overtuigen, dat de noodige waakzaamheid werd betracht.
Een oogenblik stond hij op het zuidelijk bastion te turen. Die
geschutstelling beheerschte de geheele watervlakte, gevormd door de
samenvloeiing van de Poeloe-Petak rivier met de Kapoeas-Moeroeng,
aldaar ruim twaalf honderd ellen breed. De nacht was in zijne volle
pracht; de sterren schitterden aan den donkerblauwen hemel en
weerkaatsten met liefelijken glans in den vloed; de bosschen, die de
oevers omzoomden, staken scherp en als een zwarte massa tegen den niet
geheel donkeren gezichteinder af. Op den oostelijken oever van de
Poeloe-Petak rivier ontwaarde men de omtrekken van de Dajaksche
woningen tusschen het groen, en hier en daar flikkerde de vlam eener
lamp tusschen de boomen en struiken.
Behalve eenige blaffende honden in de verte, was alles doodstil en liet
zich het geruisch en gekabbel van den snelvlietenden stroom zacht, maar
duidelijk waarnemen.
Terwijl de luitenant daar stond, tegen de borstwering geleund, dat
schouwspel aan te staren, en hij in gedachten verzonken scheen, lieten
zich plotseling de tonen der „titih” hooren.
De „titih” is bij de Dajaks de doodenklok. Zij bestaat uit vier
„garantong’s” (metalen bekkens van verschillende grootte) en weerklinkt
de eerste maal, zoodra iemand gestorven is; de tweede maal, wanneer het
lijk in de kist gelegd wordt; de derde maal, wanneer het lijk naar
zijne laatste woning gevoerd wordt, en eindelijk de laatste maal,
wanneer die woning gesloten wordt. Alleen bij de overvoering van het
lijk klinkt de doodenklok aanhoudend, zoolang de vaart duurt; de andere
keeren weerklinkt zij slechts telkenmale gedurende vijf minuten. Men
luidt haar, door met regelmatige tusschenpoozen van ongeveer twee
seconden een slag te doen hooren op de drie garantong’s met lichten
toon en die te doen volgen door een zwaren toon. Uiterst weemoedig
weerklinkt dat ting, ting, ting, toong over Borneo’s breede stroomen en
stemt wel tot droefgeestigheid.
Bij de eerste tonen, die weerklonken, had de luitenant het oor gespitst
en zich de vraag gedaan, wie er wel overleden kon zijn in den kampong.
Maar weldra waren zijne gedachten weer op de desertie, die plaats gehad
had, gevestigd. Toen evenwel de „titih” na een poos niet ophield en
bleef weerklinken, begreep hij, dat een uitvaart plaats had en dat
wekte wel ietwat zijne verwondering. Met dat het zeldzaam zoude zijn,
dat de Dajaks hunne dooden bij nacht bijzetten; hoewel nu niet
algemeen, gebeurde dat wel meer, vooral wanneer de overledene aan een
besmettelijke ziekte bezweken was; maar in den laatsten tijd had de
luitenant verzocht geen uitvaarten meer te houden gedurende den nacht
wegens den oorlogstijd, en dat alleen te doen bij volstrekte
noodzakelijkheid. Sedert lang was op dat verzoek, eer een bevel, geen
inbreuk gemaakt en nu, nu, dat was wel toevallig....
„Ha! ik ben er,” zei de luitenant als gerustgesteld, „ik ben er,
gisteren heeft mij de Tomonggong verteld, dat er twee gevallen van
cholera in kampong Soengei Antassan Barimba waren. Een daarvan zal
overleden zijn. De kerels hebben gelijk den doode maar weg te
moffelen.”
En werkelijk, heel in de verte, van den kant des genoemden kampongs,
verschenen twee prauwen, overvloedig met vlaggen en fakkels versierd,
welke laatsten haar rood licht over de watervlakte weerkaatsten. Akelig
klonken de tonen der „titih” in de nachtelijke stilte. Toen de prauwen
langzamerhand nader bij kwamen, weerklonken nog andere geluiden en kon
men duidelijk de gezangen der „balians” (priesteressen), die zij met
een dof getrommel op hare „katambong’s” (kleine trommen) begeleidden,
waarnemen. Toen de vaartuigen nog dichter bij kwamen, klonk het
treurgezang:
„Dadari liau olo matäi, tandjoeng dari liau balongkang,
tandjoeng-danoem...” enz. [8] over de watervlakte en bereikte des
luitenants gehoor. Alles scheen dan ook in orde; uit de voorste prauw
klonken de gezangen en het getrommel der balians; achter dat vaartuig
volgde onmiddellijk de prauw, waarin de „raoeng” (doodkist met
beeldhouwwerk versierd) geplaatst was, en waarin de „titih” geslagen
werd. Om evenwel op alles voorbereid te zijn in een tijd van listen en
lagen, teneinde onze posten te overrompelen, deed de luitenant de
manschappen der wacht onder de wapens komen en postvatten op het
bastion, waarop hij zich bevond. Ook gelastte hij een onderofficier, de
naderende prauwen te verkennen en op alles nauwkeurig acht te geven.
Toen een der schildwachten zijn „werda” deed weerklinken, werd die roep
naar behooren beantwoord en aan het bevel, om aan te leggen,
onmiddellijk voldaan. De sergeant doorzocht de eerste prauw, wisselde
een kwinkslag met de priesteressen, maar ontwaarde niets verdachts. In
de tweede was ook niets te bespeuren. Een akelige stank, eigen aan de
lijken van hen, die aan cholera bezweken zijn, steeg uit de raoeng op
en noodzaakte het onderzoek te verkorten. De vaartuigen staken van wal
en onder den krachtigen roeislag van een twintigtal roeiers, geholpen
door den zwaren stroom, schoten zij spoedig het fort voorbij. De
luitenant tuurde hen nog na en scheen als in gedachten verzonken, toen
plotseling een hoofd zich als een zwarte schim boven de dakbedekking
van de tweede prauw vertoonde en een stem zich verhief, die uitriep:
„M....! pour les têtes de fromage! Enfoncés les Hollandais!”
Het met M.... aangeduide woord was het woord van Cambronne in den slag
van Waterloo, en is bij onze zuidelijke broeders zeer in zwang; zoo ook
het „tête de fromage” als scheldwoord tegen de Hollanders.
Onze luitenant was dan ook dadelijk op de hoogte en begreep, dat de
vluchtelingen zich in de doodenprauw bevonden. Hij riep den roeiers
toe:
„Gagoelong kantoh ikau, mambalik goelongoeloeng!” (Halt! hierkomen,
dadelijk omkeeren.)
Tot antwoord klonk nogmaals het M....!, gevolgd door een geweerschot,
dat een Javaansch soldaat, naast den luitenant staande, lichtelijk
schrampte. Toen draaide de luitenant met behulp van een paar soldaten
het kanon, dat op het bastion stond—een 7 Cm. op cirkelaffuit—en steeds
geladen was, snel in de richting der prauwen, boog zich over het stuk,
gaf het met behulp der stelschroef de noodige inclinatie, greep den
vuurstok, waarop de zunder, ontstak dezen aan de steeds brandende lont
en.... boum! daar dreunde het schot. Het was echter nacht en het
richten vrij onzeker geweest. Daarenboven dreef de snelle stroom de
prauwen overhaast voort en repten ook de roeiers zich met inspanning om
uit die gevaarlijke buurt te geraken. De kogel sloeg vlak achter de
achterste prauw in het water, ricochetteerde, sprong over dat vaartuig
en sloeg door de dakbedekking van het voorste en bracht zoo, door de
wieling van het water en door den schok tegen het dak, de beide prauwen
in groot gevaar van om te slaan en te zinken. Dadelijk daarop en nog
vóór dat de algemeene ontsteltenis maar eenigszins bedaard was,
weerklonk van het bastion een salvo geweerschoten, dat een hagelbui van
kogels door de prauwen joeg, waardoor twee roeiers gedood en een gewond
werden. Maar de stroom sleepte de vaartuigen met kracht mede; nog voor
dat herladen kon zijn, waren zij aan het gezicht onttrokken en in het
nachtelijk duister verdwenen.
„Dat salvo was raak,” zei de dokter, die zijn bed uitgevlogen was, en
nu naast den kommandant op het bastion stond, „dat salvo was raak, wat
een gegil ging er uit de prauwen op!”
„Ja het was raak,” antwoordde de luitenant ernstig, „maar.... dat is de
eerste maat van het liedje, dat gezongen wordt. Ik had mij door den
Tomonggong niet moeten laten overhalen, om den tocht tot morgen uit te
stellen, wellicht ware dan het nu gebeurde voorkomen geworden. Hebt gij
Troenosmito verbonden?”
„Niet noodig geweest, een onbeduidende schramp, die ik met jenever met
water heb doen afwasschen.”
„Kom, laten wij dan gaan slapen; ik weet nu waarheen de deserteurs
getogen zijn; morgen al heel vroeg kan de vervolging beginnen.”
Beide mannen reikten elkaar nogmaals de hand en weldra verving een
diepe stilte het rumoer van straks, een stilte, die slechts afgebroken
werd door den rustigen stap der schildwachten.