I.

Een militair rapport.—Vier deserteurs.—Baba Poetjieng.—Een

brief.—Een medelijdende dokter.—Zijne overpeinzingen.—

Luchtkasteelen.—66000 gulden ekonomiën.—Klara, du warst

das Warten müde.

„Luitenant, er mankeeren vier man op ’t avondappel.”

„Zoo, wie zijn dat?”

„Schlickeisen, Wienersdorf, La Cueille en Johannes.”

„Twee Zwitsers, een Belg en een Inlandsch kind (Sienjo)”, mompelde de

luitenant bij zich zelven; vervolgens hardop:

„En is men in den militairen kampong gaan zien, of zij zich daar soms

verlaat hebben?”

„Dat kon niet luitenant, te zes uur wordt de poort gesloten en mag die

zonder uw verlof niet geopend worden.”

„Laat dan dadelijk een patrouille van een korporaal met drie man het

noodige onderzoek doen. Middelerwijl bezet de wacht de poort, die na

het vertrek der patrouille weer gesloten wordt, evenwel zóó, dat

onmiddellijk ondersteuning naar buiten kan verleend worden.”

„Best luitenant.”

„Van den uitslag van het onderzoek in den kampong wacht ik rapport.”

„Best luitenant. Nog iets van uw orders?”

Een ontkennend gebaar was het antwoord op die laatste vraag.

De sergeant bracht de bovenvlakte zijner rechterhand aan de klep zijner

kwartiermuts, plaatste den rechtervoet achter den linker, maakte

rechtsomkeert door onberispelijk op de beide hielen te draaien en

verliet het vertrek.

Toen hij heen was, maar ook eerst toen, rees de luitenant uit zijn

achtelooze houding op, waarin hij tot nu toe op zijn luiaardstoel

uitgestrekt was gebleven. Eenige onrust was nu op zijn gelaat

zichtbaar. Zoo straks was het, of dat gelaat uit steen was gehouwen of

in brons was gegoten; geen spier had zich bewogen. Hij draaide de lamp

wat op en trad op een archiefkast toe, nam daaruit een lijvigen bundel,

legde dien op de tafel en begon daarin ijverig te bladeren. Het was een

bundel extracten uit het algemeen stamboek, die beschrijving van het

geheele Nederlandsch-Indische leger, welke bij het Departement van

Oorlog te Batavia met loffelijke nauwkeurigheid wordt aangehouden.

„Hm! Schlickeisen, Zwitser, geboren te Steinbach in het kanton Glarus,

oud 21 jaren, vader Pfarrer”, mompelde de luitenant, en verder

bladerende:

„Wienersdorf, ook Zwitser, geboren te Winterthür in het kanton Zürich,

oud 23 jaren, vader professor in de natuurkunde.”

„La Cueille, Belg, geboren te Cheratte, provincie Luik, oud 26 jaren,

vader mijnwerker in het steenkolenbekken te Jupille.”

„Johannes, geboren te Padang, eiland Sumatra, oud naar gissing 30

jaren, vader onbekend, moeder de Niassche vrouw Ma Troeni.”

De luitenant sloeg den bundel dicht. Veel meer was er niet uit te

putten.

„Een aardig consortium”, mompelde hij, „dat nog al beweging in de

brouwerij kan geven, als het ten minste geen dronkemansuitstapje is.”

Een vrij dikken foliant uit de archiefkast nemende, bladerde hij daar

een oogenblik in:

„Schlickeisen en Wienersdorf waren in het aanbevelingsregister

opgenomen om tot officier opgeleid te worden. Tengevolge van den

opstand der Zwitsers te Samarang zijn zij geroyeerd. De een was

candidaat in de rechten; de andere heeft de reaalschule doorloopen en

bezit het testimonium als docent in de natuur- en scheikunde. Beiden

hebben te Zürich gestudeerd. Van La Cueille vind ik geene

aanteekeningen; van hem schijnt geen curriculum vitae te bestaan; hij

heeft mij echter verteld, dat hij als geweermaker bij het atelier te

Meester Cornelis geplaatst is geweest, maar dat hij wegens dronkenschap

daarvan is verwijderd geworden. En Johannes, ja, dit is een van die

Indische producten van dierlijken hartstocht, voor wien het een ongeluk

moet genoemd worden geboren te zijn.”

Zoo mompelde de luitenant bij zich zelven, toen geklopt werd, en op

zijn „binnen” de sergeant van straks verscheen. In echt militaire

houding wachtte deze tot zijn superieur hem ondervroeg.

„Wel, zijn ze gevonden?”

„Neen luitenant, de militaire kampong is geheel en nauwkeurig

doorzocht, hij is echter leeg. In de hut van Johannes werd op de tafel

deze brief aan uw adres gevonden.”

En dien brief te voorschijn halende, reikte hij hem aan zijn officier

eerbiedig over. Deze nam hem met onverschillig gebaar aan, brak hem als

zonder er op te letten open, wierp een enkelen blik op de

onderteekening, liet hem als achteloos op tafel vallen, maar zette het

gesprek voort:

„Hebt gij ook bemerkt, sergeant, of de vier vermisten sterken drank

hebben kunnen bekomen?”

„Neen luitenant.”

„Is er ook iemand in opgewonden toestand bij het overige gedeelte der

bezetting?”

„Daar heb ik niets van bemerkt.”

„Wie is kommandant van de wacht?”

„Korporaal Grienwoud.”

„Ook al een oude dronkaard. Informeer eens bij hem en bij de

schildwachten, of Baba Poetjieng aan den batang is geweest.”

De sergeant verwijderde zich. Baba [1] Poetjieng was een sluwe Chinees,

die zich bij de bezetting onmisbaar had weten te maken, door den

verkoop van allerlei koopwaren, als: tabak, garen, naalden, bier,

groenten- en vleeschblikjes, trassie, uien, papier, pennen en inkt,

enz. enz., alles zeer goede waar, puike waar, voor bitter weinig geld.

Vergeleek men zijn prijzen met die der Europeesche handelaren te

Bandjermasin, zelfs met die op Java, dan kon het niet anders, of de

vriendelijke Kee[1] moest er geld bijleggen. En dat deed hij ook, dat

verzekerde hij bij de doodkist van zijn vader en van zijn grootvader;

maar dat deed hij met genoegen voor zijne goede vrienden de Hollanders.

Eens evenwel had de luitenant buiten het fortje een leeg

sardijntjesblik gevonden en dat wegens het hem onbekende merk

opgeraapt. Terwijl hij het bekeek, werd hij een sterke araklucht

gewaar. Een tweede blikje oprapende, rook dit zoo zoetachtig flauw, dat

onze officier de gedachte niet van zich kon zetten, dat daarin opium

geborgen was geweest. Een andere omstandigheid was onzen luitenant niet

ontsnapt, namelijk dat telkenmale, wanneer Baba Poetjieng met zijn

koopwaren aan de aanlegplaats was verschenen, een zekere

opgewondenheid, zoowel onder de Inlandsche als onder de Europeesche

soldaten van het garnizoen heerschte. Alle pogingen evenwel, om den

sluwen Chinees te betrappen, hoe listig ook aangelegd, waren steeds

mislukt. De blikjes, bij zulk een gelegenheid gekocht, bevatten telkens

de prachtigste sardijnen of wel de heerlijkste Californische vruchten

op water; en met een grijns van tevredenheid op het gele scheelziende

gelaat, vroeg onze Baba den officier bij de eerste de beste

gelegenheid, dat hij hem ontmoette, of het gekochte hem gesmaakt had?

hij had het met zorg voor den toean uitgezocht. De lezer begrijpt nu,

waarom de luitenant zoo speciaal zocht te weten te komen, of Baba

Poetjieng heden aan de aanlegplaats verschenen was.

Toen de sergeant na een korte afwezigheid terugkwam, luidde het

rapport, dat niemand den Chinees dien dag ontwaard had.

Het bevel klonk nu, dat de sergeant met een patrouille van zes man naar

den kampong zou gaan, om het districtshoofd uit te noodigen, dadelijk

bij den kommandant te komen.

„Marcheer voorzichtig,” luidde de aanbeveling van den jongen officier,

„de wacht blijft de poort bezetten, tot gij terugkomt; de schildwachten

moeten hunne waakzaamheid verdubbelen en scherp uitkijken; zelf kom ik

straks mij van een en ander overtuigen.”

Toen de sergeant vertrokken was, nam de luitenant den brief, dien hij

zoo onverschillig voor zich op tafel had laten vallen, met eenige drift

op, en las:

„Hochgeboren und geehrter Herrn Lieutenant!”

De brief was in het Hoogduitsch; wij zullen hem evenwel voor onze

lezers in het Nederlandsch overbrengen.

„Hooggeboren en geëerde Heer luitenant.”

„Wanneer gij dit schrijven in handen zult hebben, zijn wij reeds

ver weg. Gij zult natuurlijk volgens plicht en geweten alles in ’t

werk stellen, om ons in handen te krijgen; het zal echter te

vergeefs zijn. Onze maatregelen zijn goed genomen; levend althans

zult gij geen van ons beiden terugzien. Wij hebben genoeg van den

Nederlandschen dienst.

„Wij danken U, Heer luitenant voor de edele behandeling, die wij

van U hebben mogen ondervinden. Wanneer iemand ons ooit met onzen

toestand had kunnen verzoenen en ons had kunnen weerhouden van de

onderneming, die wij op touw gezet hebben en waarvan wij ons het

hachelijke niet ontveinzen, dan zoudt gij het geweest zijn. Wie

verzekert ons echter, dat wij U als kommandant zullen behouden? De

tijd, dien wij nog te dienen hebben, is nog zoo lang, en het

karakter der menschen is zoo verschillend.

„Wij Zwitsers zijn door de wervers, die zendelingen der

Nederlandsche regeering, gruwelijk bedrogen. Aan U behoeven wij

niet te vertellen, waarin dat bedrog bestaan heeft. Gij hebt de

ellende in al hare uitgestrektheid kunnen peilen. Met de meest

afschuwelijke arglistigheid zijn wij uit onze schoone dalen gelokt

geworden; men heeft ons beloften gedaan, de eene al schitterender

dan de andere; en geen enkele daarvan is ook maar in de verte

nagekomen geworden.

„Maar waarom U dat alles geschreven? Gij, gij zijt onschuldig aan

den toestand, waarin wij gebracht werden. Het wijzen daarop, kan U

niet als verwijt treffen. Gij toch wendet alles aan, om dien

toestand draaglijk te maken. Maar wij stellen er prijs op, in uwe

oogen niet die schuldigen te zijn, die wij voor anderen zullen

schijnen. Deserteurs zal men ons noemen en inderdaad zullen wij dat

zijn; of wij echter het gevoel van afschuw verdienen, waarmede onze

namen door velen zullen genoemd worden, waarachtig Heer luitenant,

dat ontkennen wij. Gij althans zult niet verkeerd over ons denken.

Als contractanten met het Nederlandsche bestuur zouden wij ons

kunnen gebonden achten; maar toen het ons bleek, dat wij de

slachtoffers waren van een afschuwelijk weefsel van logen en

bedrog, toen kon ons dat contract niet meer binden. Het zou toch al

te veel eenvoud aan den dag leggen zijn, te vermeenen, dat bij

dergelijke transactiën slechts eene partij verplichtingen te

vervullen had, terwijl de andere geheel vrij spel zoude hebben en

slechts een klein gedeelte hare plichten zoude kunnen nakomen,

naarmate dat in haar kraam te pas kwam.”

„Arme bliksems!” prevelde de luitenant meewarig.

„Maar,” vervolgde hij den brief, „er is omtrent die desertie wel

eenige verschooning bij te brengen en ons geweten is dienaangaande

vrij gerust; dat geweten verwijt ons toch wat anders. De

onverbiddelijke noodzakelijkheid dringt ons evenwel te handelen,

zooals wij doen. Oordeel. Gij leendet ons uw tranchemontagne en uw

kijker, uw zaksextant en uw boussole, om ons nuttig bezig te houden

en om onze vaardigheid in het terreinopnemen te onderhouden. Bij de

reis, die wij gaan ondernemen, zijn ons eenige dier instrumenten

onontbeerlijk, want zonder deze zouden wij al heel gauw geen weg of

steg meer weten. De tranchemontagne is ons evenwel van te veel

omvang en zou ons in onze vlucht slechts hinderlijk zijn; van den

zaksextant zal te midden der eilanden, die Borneo omgeven, niet

veel nut te trekken zijn; die instrumenten laten wij dus in de hut

van Johannes achter; maar de kijker en de boussole nemen wij mede.

Vergeef ons die oneerlijke daad. Mocht het ons gegeven zijn te

ontkomen en weer onder beschaafde menschen terug te keeren, dan,

wees er zeker van, zullen wij alle pogingen aanwenden, om U het

verlies, dat wij U berokkenen, te vergoeden.

„En nu, Heer luitenant, God loone U voor de menschlievende

behandeling ons aangedaan. Wij gevoelen het, de menschenjacht gaat

beginnen. God zij ons genadig! Vaarwel.

(w.g.) Schlickeisen.

Wienersdorf.

„P.S. Mochten wij bij onze poging om de vrijheid te herwinnen,

omkomen, dan zal die afloop niet lang voor U verborgen blijven. O!

bij alles wat U dierbaar is, bij de heilige gedachtenis uwer

moeder, geef onze ouders dan kennis van ons uiteinde. Ons militair

zakboekje zal U omtrent hun adres voldoende inlichtingen

geven.—Nogmaals vaarwel!”

„Arme bliksems!” herhaalde de luitenant, terwijl hij schuchter een

traan wegveegde, als schaamde hij zich die verteedering.

„Wat een leven gaan die mannen te gemoet!” riep hij uit, terwijl hij

den brief met een zucht op tafel liet vallen.

Bijna terzelfder tijd werd hij in zijne overpeinzingen gestoord door

den dokter van het garnizoen, die met een gramstorig gezicht en

opgewonden gebaren het vertrek instormde. Het was een lange opgeschoten

slungel, met borstelig rood haar en een paar goudkleurige knevels, die

met behulp van veel cosmetiek opgestreken en opgekruld waren, alsof zij

tot bestemming hadden eenmaal met de punten eene schuilplaats te vinden

achter de ooren, welker boorden zij reeds raakten. Ook hij scheen een

brief ontvangen te hebben, althans hij hield er een in handen.

„Himmelskreuz! der Bube ist durchgegangen!” schreeuwde hij bij zijn

binnenstormen. De man was blijkbaar een Duitscher en nog wel een

Zuid-Duitscher.

„Wat? Wie?” vroeg de luitenant.

„Der Wallon! das Vieh! en hai heeft maine instrumenten en revolvers

mitgenommen!”

Ook La Cueille had een brief achtergelaten, om het meenemen te

verontschuldigen van ’s dokters trousse en pistolen, die hij als

geweer- en instrumentmaker ter reiniging in ontvangst genomen had. Maar

hij had den dokter ook nog de aanbeveling gedaan, den kommandant zijne

(La Cueille’s) verontschuldigingen aan te bieden, dat hij tevens de

twee Remmington-geweren, die hij van den luitenant ter reparatie had,

medegenomen had. „Men kan zich toch niet weerloos op zoo’n reis wagen”,

was de redeneering van den Waal, „de luitenant zou wel weten, welke

gevaren daarbij te loopen waren.”

De luitenant gaf den brief, dien hij ontvangen had, aan den dokter

over.

„Dan zain zai zuzammen ausgeknepen”, zei de dokter, nadat hij gelezen

had, in zijne koeterwaalsche poging om Hollandsch te spreken.

„Waarschijnlijk.”

„Arme Kerle! aber wat zult gai nu thoen?”

„Ik heb het districtshoofd laten roepen. Wellicht heeft die eenig

bericht. Zijne mededeelingen zullen den aard mijner handelingen

bepalen.”

„Gai zijt toch van meening, ze hinternach te zetten.”

„Ja zeker.”

„Aber de Sicherheit van den post, die u zuvertraut ist?”

„O, mijn waardste mof, die zal ik niet in gevaar brengen.”

„Wie so? De Besatzung is niet stark. Gai kunt er niets von abnemen ohne

Gefahr.”

„Ja maar, ik neem niets van de bezetting af. Ik zal ze door een

bevolkingspatrouille laten nazetten.”

„Das ware grausam! Aufgehetzt von Dajacken!”

„Teer zijn die luidjes niet, dat is zoo; maar wat blijft mij over te

doen? Zoo als gij zegt, van de bezetting is niets af te nemen. En

werkeloos kan ik onmogelijk blijven. Maar voor dat het districtshoofd

hier is, valt niet te oordeelen, wat er gedaan moet worden. Wellicht

loopt alles met een sisser af; wellicht ook zijn onze grappenmakers

reeds door de kampongwacht ingerekend en zijn onze beslommeringen

voorbarig. Kom, ik ga intusschen eens rondkijken, of de schildwachten

hun plicht nakomen. Gaat gij mede?”

„Donnerwetter! het is wat schöns, so im Dunkel herum zu kriechen.”

„Nu laat het dan. Maar blijft nog een poosje wachten; het

districtshoofd zal aanstonds komen; gaarne zag ik, dat gij bij ons

gesprek tegenwoordig waart. Ik ben dadelijk terug.”

En onze luitenant trad naar buiten. Het was slechts een korte

wandeling, die hij te maken had. Het fortje was niet groot, zelfs zeer

klein, en had dus slechts een beperkte vuurlijn. De schildwachten

stonden op de vier bastions en keken scherp in het nachtelijk grauw

uit. De brug over de gracht was neergelaten, de poort stond op een

kier. Maar buiten aan de overzijde der brug stond een piket van zes man

het voorgelegen terrein gade te slaan en achter de poort stond de

geheele wacht aangetreden met het geweer bij den voet. De luitenant was

tevreden en reeds wilde hij, gedachtig aan zijn gast, naar zijn woning

terugkeeren, toen hem een korporaal tegentrad, met de hand aan de klep

van zijn kepi:

„Wat is er?”

„De geweren van Johannes, La Cueille, Schlickeisen en Wienersdorf

ontbreken in de kazerne op het geweerrak en de meeste patroontasschen

der overige manschappen zijn leeggeplunderd.”

„Zoo, neem dadelijk op, hoeveel patronen ontbreken, en zeg aan den

sergeant der artillerie de ontbrekende onmiddellijk uit het

oorlogsmagazijn aan te vullen. Ik verwacht zoo spoedig mogelijk van die

aanvulling rapport.”

Nog voordat de officier evenwel uitgesproken had, trad de korporaal

plantonkeuken te voorschijn en rapporteerde, dat in de dispens vier

zakken rijst en een zak koffie ontbraken. Er moest op nieuw

gefourageerd worden, al was het ook laat; anders zou de bezetting den

volgenden morgen niets te eten hebben. De luitenant gaf de noodige

bevelen. Hij kwam zoo langzamerhand tot bewustzijn, dat de aard der

desertie zich vrij wel afbakende. De deserteurs hadden levensmiddelen

wel niet in groote verscheidenheid, maar het waren stoute mannen en die

zouden wel de kampongs, die zij voorbij kwamen, het woud, dat zij

doortrokken, de rivieren, die zij zouden oversteken, weten

schatplichtig te maken. Zij hadden wapens en munitie, zij zouden dus

het gevaar onder de oogen kunnen zien; zij hadden instrumenten,

waarmede zij de richting van hun tocht konden bepalen; van verdwalen in

de maagdelijke bosschen van Borneo was dus geen sprake.

„Ja”, sprak de luitenant bij zich zelven, „er daagt een karrewei op,

die beenen en pennen in beweging zal brengen. Laatstgenoemde zullen bij

de inktziekte, die in Indië heerscht, nog meer dienst doen dan de

beenen. Maar die arme, arme kerels!”

Middelerwijl had de dokter zich in een luiaardstoel uitgestrekt. Weldra

was hij in diep nadenken verzonken. Hij betreurde den wanhopigen stap

van de arme duivels, maar kon hun geen ongelijk geven. Integendeel. Hij

vreesde voor den afloop der onderneming; maar ware hij niet door een

eed gebonden, dan zou hij zich bij hen voegen, om hun raadsman, hun

gids te zijn. Maar.... hij was in het Nederlandsch-Indische

officierscorps opgenomen, hij had gezworen trouw aan Neerland’s Koning,

gehoorzaamheid aan de Nederlandsche wetten, onderwerping aan de

krijgstucht van het Nederlandsche leger. De brave kerel achtte zich

gebonden, met onverbreekbare banden gebonden. Maar, wat een wreed spel

was ook met hem gedreven! Men had hem een goede plaatsing

voorgespiegeld, alwaar hij door de uitoefening van de civiele praktijk

al zeer spoedig 5 à 600 gulden ’s maands boven zijn traktement zou

verdienen. O! de stem des verleiders klonk hem nog zoo duidelijk in de

ooren. Behoorde hij niet tot de ongelukkigen, sprak deze overtuigend,

dan kon dat spoedig tot duizend gulden klimmen. Tot de ongelukkigen had

hij zich toenmaals nimmer gerekend; en.... was zijne redeneering

destijds zoo geweest: van mijn traktement zal ik kunnen leven, dat is

klaar. Er zijn zoo vele officieren bij het Indische leger, die daarmede

rondkomen. Ik leg dan ieder jaar 12000 gulden op zijde; dat maakt dan

in vijf jaren tijd met een matigen interest, bijna 66000 gulden. Vijf

jaren zijn gauw om. Ik keer dan naar Wurtemberg terug, huw „meine

niedliche Klara” en vestig mij als arts te Gmünd.

Te Gmünd! in de „Rauhe Alp”, als een roos in een ruiker gelegen, aan de

spoorbaan van Stuttgart naar München.

„En nu?”... Hij zuchtte diep bij die beelden, die rondom hem opdoemden.

„En nu?”

Het was reeds vier jaren geleden, dat hij te Batavia aangekomen was. Al

spoedig na zijn aankomst in het prachtige Insulinde, in het land zijner

hope, was hij naar Bandjermasin in de Zuid- en Ooster-Afdeeling van

Borneo gezonden en in die buitenbezitting naar Pengaron geplaatst

geworden. Daar, bij de Gouvernements-steenkolenmijnen Oranje Nassau,

had hij vele zieken te behandelen gehad; maar zijne inkomsten, alles

bij elkander gerekend, hadden nimmer meer dan 250 gulden ’s maands

bedragen. Om daarmede fatsoenlijk rond te komen, was al een vrij

ingewikkeld financiëel vraagstuk geweest. Het overleggen van 66000

gulden, was geheel en al in het rijk der mythen overgegaan.

Later, toen hij zijne zieken, de arme mijnwerkers, had beginnen lief te

krijgen en hij zich met zijn toestand verzoend had, was hij naar de

hoofdplaats der afdeeling overgeplaatst, om zijn chef aldaar in zijne

drukten bij te staan. Hij kon toen de ervaring opdoen, dat het

geldverdienen voor geneeskundigen in Indië niet geheel en al een ijdele

klank is. Zijn chef bekeek tongen van Chineezen, trok den rijken

Arabieren werkelijk en ook in figuurlijken zin kiezen, voelde den pols

aan Bandjareesche rijksgrooten en spekte zoo niet onaardig zijn eigen

zak; maar hij liet geen brokstukje over voor den jeugdigen arts, die op

de hoofdplaats nog meer moeite had, om rond te komen. Dezen was de

militaire praktijk, ook die der behoeftige burgers overgelaten. Hij had

het daarbij zeer druk gehad en, hoeveel liefde onze jonge esculaap voor

zijne lijders ook gevoelde, toch had hij soms met een bangen zucht zijn

schoenzolen bekeken en opgemerkt, dat dat onverpoosd heen en weer

draven, zich verwoestend deed gelden.

Toen in 1859 de opstand tegen de Nederlanders was uitgebroken, was hij

aan een mobiel kolonne toegevoegd, had heen en weer moeten marcheeren

van het noorden naar het zuiden, van het oosten naar het westen, tot

dat het lichaam, door al die inspanningen uitgeput, zijne eischen deed

gelden. Toen werd hij tot verhaal op een klein fortje in de

binnenlanden geplaatst, met goedgunstige toezegging dat, zoodra zijn

gezondheidstoestand het wederom zoude toelaten, het nomadenleven door

woud en dal weer voor hem zoude aanbreken.

„En nu?”...

Die vraag herhaalde hij zich bij al die overpeinzingen. Plotseling

haalde hij een portefeuille te voorschijn, nam daaruit een portret en

bekeek het lang, terwijl een traan in zijn oog parelde. Het was het

portret zijner Klara.

„Du warst das Warten müde!” zuchtte hij, en met een wrevelig gebaar

borg hij portret en portefeuille weg, toen hij buiten naderende

voetstappen hoorde weerklinken. De luitenant trad binnen. Hij was

vergezeld van het districtshoofd Tomonggong Nikodemus Djaja Nagara, een

Dajakker van een goedig uiterlijk, waarover later meer te vertellen zal

vallen.

Borneo van Zuid naar Noord · 第 39 / 77 题