V. Naar welke plaats gaan de regtvaardigen na het oordeel?--A. Naar
den hemel.
V. Welke soort van plaats is de hemel?--A. Eene allerheerlijkste
en gelukzalige plaats.
V. Zullen de regtvaardigen in den hemel hongeren, of dorsten,
of naakt, of heet, of koud zijn? Zullen zij daar zonde, of smart,
of geween, of pijn, of dood kennen?--A. Neen.
V. Zeg op: "En God zal alle tranen van hunne oogen
wisschen."--A. "En God zal alle tranen van hunne oogen wisschen,
en daar zal geen dood, noch smart, noch geween meer zijn; ook
zal daar geene pijn meer wezen; want de vroegere dingen zijn te
niet gedaan."