3. Dat de belangrijkste poging plaats vond omstreeks den tijd toen de
heer Jones zijn werk schreef, in 1842, en dat zij eenige uitbreiding
kreeg in de Vereenigde Staten. Zij heeft vermoedelijk hare grootste
ontwikkeling gehad in den Staat Georgia, den kring van de onmiddellijke
bemoeijingen van den heer Jones, waar zeer goede resultaten verkregen
zijn en van de zijde der meesters veel loffelijk Christelijk gevoel
is aan den dag gelegd.
4. Van tijd tot tijd zijn ten dienste der slaven katechismussen,
gezangen, korte preken, enz. enz. opgesteld, bestemd om hun door
hunne meesters voorgelezen of mondeling onderrigt te worden.
5. Het zal bij het lezen van het werk van den heer Jones aan ieder
blijken, dat, ofschoon het geschreven is door een man, die het
slavernij-stelsel door God goedgekeurd acht, er een geest uit spreekt
van opregte welwillendheid en van hartelijke belangstelling in de taak,
waaraan hij zich gewijd heeft, die niet genoeg geprezen kan worden.
Het is een pijnlijke en onaangename pligt, wanneer men een oordeel of
een verschil van gevoelen moet uitdrukken, ten aanzien van pogingen,
die met een goed doel ondernomen zijn en in menig opzigt goede vruchten
gedragen hebben; doch bij het lezen van het bedoelde werk van den
heer Jones, en van zijne katechismussen en preken, die een denkbeeld
geven van het Godsdienstig onderrigt der slaven, is schrijfster dezes
smartelijk getroffen geworden door de meening, die bij haar oprees,
dat, hoeveel goeds hier ook voorkomt, het niet het ware en zuivere
stelsel van het Evangelie is, dat den slaaf gegeven wordt. Voor zoo
ver de schrijfster, hetgeen haar wordt medegedeeld, heeft kunnen
nagaan, komt het hierop neder: dat zijns meesters gezag over hem en
regt op hem, zoover de slavenwet het uitstrekt, erkend en gehandhaafd
wordt door de ontzagwekkende autoriteit van God zelf. Men zegt hem,
dat zijn meester de opzigter van wege God is; dat hij hem blinde,
onvoorwaardelijke en onbegrensde gehoorzaamheid is verschuldigd;
dat hij niet mag morren of misnoegd zijn over iets, dat deze hem
aandoet; en, in geval hij er zich toch aan overgeeft, dat hij dan
niet murmureert tegen zijn meester maar tegen God. Men leert hem,
dat het Gods wil is, dat niets dan zwoegen en armoede op deze wereld
zijn doel zal wezen; en dat, indien hij daarover ontevreden is, hij
daardoor niets zal winnen in dit leven, maar in het volgende voor
eeuwig naar de hel gezonden worden. De meest levendige schilderingen
van de hel en hare pijnen en hare wormen die nimmer sterven, worden
hem voorgehouden; en men dringt hem op, dat die eeuwige pijniging het
gevolg zal zijn van ongehoorzaamheid hier beneden. Het verwondert
mij nu gansch niet, dat een slavenhouder eenmaal aan Dr. Brisbane
van Cincinnati verklaarde, dat de Godsdienst op zijne plantage hem
van meer nut was dan eene geheele wagenvracht bullepezen.
Verder zegt men den slaaf, dat de poging om zijn meester te
ontvlugten, of het helpen en herbergen van een slaaf, die ontvlugt
is, dingen zouden zijn die hem blootstellen aan den toorn van dat
alomtegenwoordige Wezen, welks oog tot elken schuilhoek doordringt.
Daar de slaaf een roerend en verhandelbaar voorwerp is, onderhevig,
gelijk de heer Jones kalm aanmerkt, "aan al de wisselingen van
den eigendom," moet dit stelsel van onderrigt, naar men denken kan,
verwarring geven, wanneer het de Christelijke pligten van het huisgezin
in den geest van den slaaf prent.
Bij het nemen van een overzigt van het veld, dat hij bearbeiden wil,
verhaalt de heer Jones ons--hetgeen ieder verstandig mensch reeds moet
begrepen hebben--dat hij bij de negers in dit opzigt zeer berispelijke
handelwijzen opgemerkt heeft; dat de veelwijverij algemeen onder
hen in zwang is, en dat de huwelijksverbindtenis bij hen eene bloot
tijdelijke vereeniging is, gesproten uit zucht naar belang, voordeel
of genoegen, aangegaan zonder bedachtzaamheid en ontbonden zonder
het geringste spoor van schuldgevoel.
Ieder zal bevroeden, dat deze stand van zaken het noodwendig gevolg
moet wezen van het wetten-stelsel, dat die Christelijke menschen
gemaakt hebben en nog voor hunne slaven in kracht houden; en ieder
zou het, om met eenige vrucht het Godsdienstig onderrigt te kunnen
toedienen, voor onvermijdelijk houden, dat de neger verplaatst wierde
in een toestand, waarin hij een wettig huwelijk kan aangaan en hieraan
trouw kan blijven nadat het gesloten is.
Doch de heer Jones en zijne medestanders begonnen met de verklaring,
dat zij niet voornemens waren zich in het geringste met den wettelijken
toestand van den slaaf te bemoeijen.
Wij zouden daarom niet gedacht hebben, dat, indien de meesters
besloten hunne slaven te houden in den toestand van roerend goed,
onderworpen aan eene herhaalde verbreking van de familie-banden,
zij hen zouden hebben durven doen onderrigten van de strenge zedeleer
van het Evangelie met opzigt tot de huwelijksbetrekking.
Evenwel is dit het geval. Zoo wij den Katechismus van den heer Jones
doorloopen, zullen wij bevinden, dat men den slaaf mondeling laat
opzeggen, dat één man de echtgenoot van slechts ééne vrouw kan zijn
en dat, indien hij gedurende haar leven eene andere huwt, God hem
daarvoor eeuwigdurende straf in de hel zal doen lijden.
Stel dat eene Godsdienstige vrouw, onderwezen uit dien Katechismus, ten
gevolge van den dood haars meesters wegens boedelscheiding aan de markt
gebragt wordt,--gelijk in vele gevallen plaats vindt, waarvan wij de
advertentiën elke week in de nieuwsbladen van Georgia lezen. Zij wordt
ontrukt aan man en kinderen en naar het andere einde der Vereenigde
Staten verkocht, waar zij hem nimmermeer zal ontmoeten, en haar meester
beveelt haar een ander echtgenoot te nemen. Wat moet die vrouw nu
doen? Zoo zij er een neemt, begaat zij, volgens haar Katechismus,
overspel, en stelt zich bloot aan de straffe des eeuwigen vuurs;
neemt zij hem niet, dan is zij haar meester ongehoorzaam, die, gelijk
men haar geleerd heeft, haar opzigter van wege God is, en stelt zij
zich ook om die reden aan het eeuwige vuur bloot;--zooveel is zeker,
dat zij in allen gevalle hier beneden met vreeselijke martelingen
bedreigd wordt.
Nu vragen wij of een onderrigt, hetwelk dit arme schepsel in zulk
een doolhof van afgrijselijkheden verwart, het Evangelie kan genoemd
worden?
Is dit het Evangelie, de Blijde Boodschap, in eenigerhande beteekenis
van het woord?
Op dezelfde wijze beveelt die Katechismus den ouders, hunne kinderen
op te voeden volgens de voorschriften en in den geest des Heeren,
en ze te leiden, te raden, te tuchtigen en te besturen.
Nog leeren die onderwijzers hen, dat zij de Schrift naarstig en
onophoudelijk moeten onderzoeken, doch verklaren te gelijkertijd,
dat het hun voornemen niet is, zich te bemoeijen met de wetten,
die verbieden dat den slaven het lezen geleerd worde. De Schrift
onderzoeken, zegt men den slaven, beteekent, zich te wenden tot
menschen, die genegen zijn hen daaruit voor te lezen. Ja, maar indien
niemand hiertoe genegen is, wat dan? Iemand, dien de Katechismus dus
onderwezen is, wordt bijv. verkocht naar eene plantaadje aan de Roode
Rivier, gelijk die, waar Northrop vertoefde; geen Bijbel vergezelt hem
derwaarts; zijne Christelijke onderwijzers hebben hem, in hunne zorg
om zich met zijn burgerlijken toestand niet te bemoeijen, verstoken
van het vermogen om te lezen; en in dat land der duisternis is het
mondeling onderrigt slechts eene hersenschim. Laat iemand ons eens
vragen, voor welken prijs wij verstoken zouden willen zijn van het
vermogen, om ooit den Bijbel zelven te lezen en geheel afhankelijk
te moeten zijn van het voorlezen van anderen,--vooral wanneer wij
gevaar liepen van in zulke handen te vallen als met de slaven het
geval is,--en dan kunnen wij nagaan of een stelsel van Godsdienstig
onderrigt, hetwelk begint met te verklaren, dat het geen voornemen
heeft zich met die wreede wettelijke berooving te bemoeijen, het
Evangelie is!
Verder wordt de arme slaaf, die reeds aan alle kanten verblind,
verward en in duisternis gehuld is door de strikken, die de wet voor
zijne voeten legt, stiptelijk onderwezen in een volkomen zamenstel
van zedeleer. Hij mag niets begeeren wat zijnen meester behoort; hij
mag niet morren of ontevreden zijn; hij moet zijns meesters belangen
behartigen als zijne eigene en gereed zijn, zich er voor op te offeren;
en zoo moet hij, gelijk men hem leert, zich niet alleen gedragen
jegens den vriendelijken en den welwillenden, maar ook jegens den
barschen meester. Hij moet alle beleedigingen vergeven en onder alle
beproevingen naar regt handelen. Zoodanigerwijze worden hem zijne
verpligtingen voorgehouden, terwijl de wederkeerige verpligtingen
van den meester slechts bestaan in het verschaffen van goed huisdak,
kleeding, voeding, enz., terwijl daarbij aan de willekeur van elken
meester wordt overgelaten, te bepalen wat met opzigt tot deze zaken
goed is.
Het kan geene verwondering baren, dat, wanneer men zulk een stelsel van
de verregaandste ongeregtigheid voor den neger wil regtvaardigen door
het gezag der Godsdienst, nu en dan een sterke geest zich daartegen
verzet. Onder eene zwarte huid hebben wij scherpzinnige hoofden,
onmisleidbare gemoederen gevonden, wier geprikkeld gevoel van regt
door zulke voorstellingen in het geheel niet van het spoor gebragt
kon worden.
Dat de heer Jones dezulken ook ontmoet heeft, is blijkbaar; want,
sprekende van de bezwarenissen, waaraan een zendeling in hun midden
onderworpen is, zegt hij op blz. 127:
Hij treft deïsmus, scepticismus, universalismus onder
hen aan, alsmede verschillende verbasteringen van het
Evangelie en alle mogelijke tegenwerpingen tegen de Goddelijke
waarheid,--tegenwerpingen, die hij misschien alleen gezocht zou
hebben bij beschaafde lieden, ervaren geleerden of scherpzinnige
critici en wijsgeeren! Die uitersten ontmoet men hier op het
gemeenschappelijk terrein van een beneveld verstand en een
verstokt hart.
Verder zegt hij in het tiende jaarlijksche verslag van de "Vereeniging
voor het Godsdienstig onderrigt der negers in Liberty County,
in Georgia:"
Veroorlooft mij, een voorval mede te deelen, dat in de lente van
dit jaar gebeurde en strekken kan om een inzigt te geven in het
karakter en de gevoelens der negers. Ik predikte voor eene groote
vergadering uit den Brief van Philemon; en toen ik uitweidde over
de trouw en gehoorzaamheid als Christelijke deugden bij dienaren,
en op gezag van Paulus het ontvlugten sterk veroordeelde,
vertrok de helft mijner toehoorders zonder bedenken, en de
overgeblevenen schenen gansch niet ingenomen met den predikant
of zijne leer. Na den afloop heerschte er eene groote beweging
onder hen; sommigen beweerden stellig, dat zulk een brief niet
in den Bijbel stond; anderen "dat dit het Evangelie niet was;"
nog anderen "dat ik predikte om hunnen meesters te behagen,"
weder anderen "dat het hun onverschillig was of zij mij immer
weder hoorden prediken."--Blz. 24 en 25.
Lundy Lane, een verstandig vlugteling, die ook Gedenkschriften heeft
uitgegeven, zegt dat de slaven bij zekere gelegenheid bijzonder
ingenomen waren met een predikant, totdat hij hun begon te betoogen,
dat zij door God opzettelijk tot slaven bestemd en geschapen
waren. Allen, zegt hij, lieten hem alleen staan, omdat zij met de
Joden dachten: "Dit is een hard woord; wie kan het aanhooren?"
Door deze opmerkingen omtrent de verdraaijing van het Evangelie,
zoo als men het den slaven leert, willen wij niet beweren, dat hun
niet veel nuttigs en prijselijks onderwezen wordt. Wij willen alleen
betoogen, dat, voor zoo verre hetgeen men hen onderwijst de slavernij
regtvaardigt, het noodwendig de gronddenkbeelden van geregtigheid
en zedelijkheid schendt. Het is, gelijk wij reeds vroeger zeiden,
eene poging, om de duisternis met het licht en Christus met Belial te
verzoenen. Zulk eene poging kan niet geregtvaardigd of geduld worden
op grond dat zij in een welwillenden geest door welwillende menschen
wordt ondernomen. Wij koesteren hooge bewondering voor sommige der
arbeiders, die dit stelsel ingang hebben doen vinden, even als voor
vele der zendelingen uit de Jezuïten, die het Roomsch-Catholijke
geloof onder de inheemsche stammen van dit land gebragt hebben. De
opoffering en onbaatzuchtigheid kan niet verder gedreven worden dan
door sommigen uit deze beide klassen van menschen geschied is.
Doch, terwijl onze eerbied voor deze lofwaardige mannen ons als
Protestanten niet moet verleiden tot het bewonderen van het stelsel,
dat zij onderwezen hebben, zoo moet onze achting voor onze zuidelijke
broeders ons ook niet verlokken om te erkennen, dat een stelsel,
hetwelk de slechtste soort van geestelijke en wereldlijke dwingelandij
regtvaardigt, in overeenstemming is met het Evangelie van Hem, die
den gevangene verlossing kwam aankondigen.
Ten bewijze dat wij den geest van het onderrigt niet verkeerdelijk
hebben voorgesteld, zullen wij eenige uittreksels uit onderscheidene
predikatiën en redevoeringen mededeelen.
Om te weten hoe onbewimpeld de Godsdienst-onderwijzers iedere bedoeling
om zich met de wettelijke betrekking te bemoeijen, van zich afwerpen,
zie men het werk van den heer Jones op blz. 157:
Door wetten en gebruiken zijn zij uitgesloten van de voordeelen
der opvoeding en gevolgelijk van het lezen van Gods woord; en
dit ontelbare aantal onsterfelijke wezens is voor Godsdienstig
onderrigt geheel afhankelijk van mondelinge mededeelingen. En van
wie? Van hunne meesters. En hunne meesters beweren, voornamelijk in
de laatste jaren, de uitsluitende bestierders van hun Godsdienstig
onderrigt te zijn en de uitdeelers van de Goddelijke barmhartigheid
ten hunnen aanzien, zoodat zij de verantwoordelijkheid van hunne
geheele bekeering op zich nemen!
Er wordt streng gewaakt tegen alle toenadering van buiten, en geene
Evangelie-dienaren mogen hun het brood des levens toereiken dan
die, welke zich in het vertrouwen hunner meesters hebben weten
te dringen. Ik veroordeel dezen maatregel van zelfbehoud van de
zijde onzer medeburgers niet; ik maak er slechts gewag van om
hunne geheele afhankelijkheid van ons-zelven aan te toonen.
Bij het beantwoorden van de bedenkingen der meesters tegen het
Godsdienstig onderrigt der negers, stelt hij de navolgende tegenwerping
en beantwoordt die volgenderwijze:
Indien wij onze negers laten onderrigten zal er een streven naar
eene verandering in de burgerlijke betrekkingen der maatschappij
uit voortvloeijen.
Wij antwoorden daarop: dat wij hun Godsdienstigen en hun
maatschappelijken toestand geheel van elkander afscheiden,
en beweren dat voor den eenen kan gezorgd worden zonder zich
met den anderen te bemoeijen. Ons beginsel is dat, hetwelk
gesteld is door den Heilige en Regtvaardige: "Geef den keizer
wat des keizers, en Gode wat Godes is." En Christus en Zijne
Apostelen zijn onze voorbeelden. Achtten zij het bestaanbaar met
de goede maatschappelijke orde, den dienaren het Evangelie te
prediken? Ja. Bemoeiden zij zich daarbij met hun maatschappelijken
toestand? Neen.
De volgende beschrijving van de gelukzaligheid in den hemel en van
de pijnigingen in de hel, is ontleend aan den Katechismus van den
heer Jones, blz. 83, 91 en 92:
Vraag. Wordt er in den Bijbel slechts van twee plaatsen
gesproken werwaarts de zielen der menschen na den dood
heengaan?--Antwoord. Slechts van twee.