Eener slavenmoeder van Virginia over hare dochters,
naar het Zuiden als slavinnen verkocht.
Ach, verkocht of 't slagtvee was,
Naar het vunzig rijstmoeras,
Waar de slavenzweep staâg prest.
Waar 't insect venijnig kwetst,
Waar de koorts haar gift in 't bloed
Met den nachtdauw vloeijen doet,
Waar het zieklijk zonlicht kampt
Met den pestwalm die er dampt!--
Ach, verkocht of 't slagtvee was,
Naar het vunzig rijstmoeras,
Weggevoerd door beulenhand
Uit Virgienje's heuv'lig land.
Wee mij! van zijn waterstroomen,
Zijn mijn kindren weggenomen!
Ach, verkocht of 't slagtvee was,
Naar het vunzig rijstmoeras!
Daar hoort 's moeders oor haar nooit,
Ziet geen moederoog haar ooit;
Nooit, wanneer de geeselriem
't Lijf haar voort met striem bij striem,
Streelt een moederhand haar teêr,
Vlijen ze aan haar borst zich neêr.
Ach, enz.
Ach, verkocht of 't slagtvee was,
Naar het vunzig rijstmoeras!
Als zij 's avonds, God weet hoe!
't Veld verlaten, loom en moê,
Flaauw van pijn, en uitgeput
Keeren naar heur sombre hut,--
Snelt geen broeder ze in 't gemoet,
Brengt geen vader haar zijn groet.
Ach, enz.
Ach, verkocht of 't slagtvee was,
Naar het vunzig rijstmoeras!
Verre van den boom waar 't paar
Speelde en stoeide met elkaâr;
Van de bronwel, aan wier rand
Zij vaak dwaalden hand aan hand;
Van de woning van 't gebed,
Waar zij hoorden van Gods wet.
Ach, enz.
Ach, verkocht of 't slagtvee was,
Naar het vunzig rijstmoeras!
Over dag geen oogwenk rust,
's Nachts ter prooi aan 's planters lust.
Och, greep nu de dood ze maar!
Rustten zij slechts naast elkaâr,
Waar geen dwing'land haar meer pijnt,
En de boei niet langer schrijnt!
Ach, enz.
Ach, verkocht of 't slagtvee was,
Naar het vunzig rijstmoeras!
Om 't gekrookte riet, dat Hij
Spaart uit Vadermedelij',
Zij Hij, die alleen maar weet
Wat mijn dierbaar kroost al leed,
Steeds haar toevlugt in de smart,
Met een meer dan moederhart!
Ach, verkocht of 't slagtvee was,
Naar het vunzig rijstmoeras,
Weggevoerd door beulenhand
Uit Virgienje's heuv'lig land.
Wee mij! van zijn waterstroomen
Zijn mijn kindren weggenomen!
John G. Whittier.
Het volgende uittreksel uit een brief van Dr. Bailey, voorkomende in
de Era van 1817, behelst een overzigt nopens deze zaak, dat sommige
Virginische familiën meer eer aandoet. Moge het getal van hen, die
weigeren om anders dan door emancipatie van hunne slaven afstand te
doen, meer en meer toenemen!
De verkoop van slaven naar het Zuiden is zeer uitgebreid. Zoo
ver ik heb kunnen vernemen, kweeken de slavenhandelaars hen niet
opzettelijk met dat doel aan. Maar er is b. v. een man, met een
twintigtal slaven, gevestigd op eene uitgeputte plantage. Deze moet
het onderhoud voor allen opleveren; maar dit neemt af naar mate
zij vermeerderen. Het gevolg is, dat hij hen moet emanciperen of
verkoopen. Maar hij is in schulden geraakt, en verkoopt hen om
zijne schuld te kwijten, als ook om zich van een aantal monden
te ontslaan. Of hij heeft geld noodig om zijne kinderen eene
opvoeding te geven; of eindelijk worden de slaven verkocht
op regterlijk gezag. Door deze en andere oorzaken verdwijnen
voortdurend aanzienlijke getallen slaven uit den Staat, zoodat
de eerstvolgende census ongetwijfeld eene groote vermindering in
de slavenbevolking zal aanwijzen.
Het saisoen voor dezen handel duurt gemeenlijk van November tot
April; en sommigen berekenen, dat het gemiddeld getal slaven, dat
gedurende zes maanden wekelijks langs den zuidelijken spoorweg
vervoerd wordt, ten minste 200 bedraagt. Een slavenhandelaar
verhaalde mij, dat hem een voorbeeld bekend was, dat er 100 op
éénen avond vervoerd waren. Doch dit is slechts één weg. Er
worden ook groote getallen westelijk gezonden, of over zee
langs de kust. De Davises, te Petersburg, zijn de groote
slavenhandelaars. Zij zijn Joden, die vele jaren geleden daar
kwamen als arme marskramers; en thans, verneem ik, zijn zij leden
van eene familie, die hare vertegenwoordigers te Philadelphia,
New-York en elders heeft. Deze lieden zijn altijd aan de markt
en geven den hoogsten prijs voor slaven. Gedurende den zomer en
het najaar echter koopen zij die allerwege op voor lage prijzen,
kleeden, scheren, wasschen hen, maken hen vet zoodat zij een goed
voorkomen hebben, en verkoopen hen met aanzienlijke winst. Het zou
niet onaardig zijn eens te weten hoeveel kapitaal en welke firma's
van sommige steden in het Noorden, in dezen verfoeijelijken handel
betrokken zijn.
Er zijn hier vele planters, die niet bewogen kunnen worden om
hunne slaven te verkoopen. Zij hebben er verreweg meer dan zij aan
het werk kunnen zetten, en zij zouden er ten allen tijde goede
prijzen voor kunnen bedingen. De verzoeking is sterk, want zij
hebben meer geld en minder onderhoorigen noodig. Maar zij bieden
er weêrstand aan en niets kan hen overhalen om afstand te doen van
een enkelen slaaf, ofschoon zij weten, dat zij eene aanmerkelijke
winst zouden maken als zij maar de helft wilden verkoopen. Zulke
lieden zijn te goedhartig om slavenhouders te wezen. Gave de hemel,
dat zij het van hun pligt begonnen te rekenen, nog één stap verder
te gaan en bevrijders hunner slaven te worden! Deze klasse van
planters bestaat meerendeels uit Godsdienstige mannen, en van
hen zijn grootendeels de emancipatiën bij testament afkomstig,
waarvan wij nu en dan hooren.