Des slavenhalers schip lag daar
Voor anker op de reê;
Hij wachtte nog op 't maanlicht maar
En de avond-eb der zee.
Zijn boot lag aan den wal en 't volk
Joeg met een driesten moed,
Den alligator uit zijn kolk
Naar 't midden van den vloed.
Oranjegeur woei keer op keer
Hun tegen van het strand,
Als aâmde er een uit beter sfeer
Een wereld toe vol schand.
De planter rookte kalm en zoet
In schaaûw van 't rieten dak;
De slavenhaler maakte spoed,
De hand aan 't hek, en sprak:
"Mijn schip ligt ginder kant en klaar
Voor anker op de reê;
Ik wacht nog op het maanlicht maar
En de avond-eb der zee."
Vòòr hen, met opgeheven blik,
Maar toch door schroom geplaagd,
Zat, half nieuwsgierig, half vol schrik,
Een Quarteronne-maagd.
Haar groot schoon oog--het glansde als git,
Haar arm en hals was bloot,
Zij droeg een rok slechts, blinkend wit,
En 't hair, dat haar omvloot.
En om haar mondje speelde een lach,
Zoo als uw oog misschien
Ter kerk in 't beeld van marmer zag,
En heilgen dacht te zien.
"De grond wordt schraal, de hoeve is oud,"
Zei toen de planter weêr,
En sloeg nu eens het oog op 't goud
En dan op 't meisje neêr.
Er kampte een tweestrijd in zijn ziel
Om winst, zoo laag als snood;
Hij wist van wien ze 't leven hiel,
Wiens bloed haar borst doorvloot.
In 't eind--zijn beter ik bezweek;
Hij nam het blinkend goud.
Toen werd het meisje doodlijk bleek,
Haar hand als ijs zoo koud.
De slavenhaler greep die hand,
En bragt, bij maanlichtschijn,
Ze aan boord, om in het vreemde land
Hem ter boelin te zijn.
H. W. Longfellow.