VOORVALLEN UIT EEN WETTIGEN TAK VAN HANDEL, OF WAARHEID DIE VREEMDER
KLINKT DAN VERDICHTING.
Het afschuwelijke en heiligschennende gebruik om menschelijke wezens
ten verkoop aan te fokken en als vee ter markt te verkoopen, maakt
op de ziel niet dien diepen indruk dien het behoorde te maken, omdat
het zich in veel te algemeenen vorm voordoet.
't Is er mede als met het berigt van een grooten veldslag, waarvan
wij in ronde getallen vernemen, dat tien duizend man gedood en gewond
zijn, waarop wij het nieuwsblad, zonder er verder iets bij te denken,
ter zijde werpen.
Evenzoo, als wij lezen, dat zestig of tachtig duizend menschelijke
wezens jaarlijks worden aangekweekt en op de markt verkocht, gaat
ons dit door het hoofd zonder een bepaalden indruk na te laten.
Sterne zegt, dat, toen hij zich de jammeren der kerkerstraf wilde
voorstellen, hij zijne gedachten moest afwenden van de honderdduizenden
die in kerkerholen verkwijnen, en zich bepaaldelijk één verlaten
gevangene, neêrgezeten in zijne cel, moest voorstellen. Daarom
kunnen wij ook geen denkbeeld geven van de verschrikkelijke, wreede
en demoraliserende werking van dezen handel, zonder de feiten in
bijzonderheden voor te stellen, en elk feit te geven als een staaltje
van eene bepaalde klasse.
Als een proefje van het gevoel en de soort van zedelijkheid, die dit
stelsel van aanfokken en opkweeken zoo bij slaven als eigenaren te
weeg brengt, deelt schrijfster dezes de onderstaande uittreksels mede
van een brief, onlangs aan haar gerigt door eene vriendin in een der
zuidelijke Staten.
Lieve Mevrouw.
De zwarte godin, die over onze bedden en waschtafels het toezigt
houdt, is zulk een wonderlijk staaltje van haar ras, dat ik
wenschte, dat gij haar zien kondt. Haar geheele voorkomen,
als zij daar zoo schaterend en neigend rondtrippelt, is in den
hoogsten graad lachverwekkend en zou een vreemde al ligt op het
denkbeeld brengen, dat het haar aan het verstand haperde. Dit
is echter in geenen deele het geval. Gedurende de twee maanden,
dat wij met haar bekend zijn, hebben wij verscheidene blijken
van gezond verstand bij haar waargenomen, die zelfs lof zouden
verdienen bij een blanke die tienmaal meer voorregten had dan zij.
Zij is zeer spraakzaam en schijnt te gevoelen, dat zij aanspraak
heeft op onze belangstelling, alleen reeds omdat wij uit het
Noorden komen, en wij zouden ongetwijfeld geene geringe kennis van
de "fraaije instelling" opdoen, zoo wij het raadzaam oordeelden,
eenigzins lange gesprekken met haar te houden. Dit zou ons echter
een bezoek van de overheden op den hals halen en eene aanmaning
om de stad met den eerstvolgenden trein te verlaten. Wij moeten
ons dus vergenoegen met, onder den schijn van zeer onverschillig
te wezen, nu en dan iets op te vangen, en er een einde aan maken
door haar om eene of andere kleinigheid uit te zenden; wij zorgen
echter, hare eigenaardige uitdrukkingen ten papiere te brengen
zoodra zij zich verwijderd heeft. Ik heb gedacht, dat eene copie
daarvan u aangenaam zou wezen, vooral wegens de daarin voorkomende
merkwaardige bijzonderheden aangaande de instelling des huwelijks,
een noodwendig gevolg van het in zwang zijnde stelsel.
"Eene dame uit het Zuiden, welke vermeent dat het gevoel van den
neger in de Negerhut wat al te hoog opgevijzeld is, verzekert ons,
dat de gehechtheid niet zeer sterk kan zijn bij een man die twee of
drie vrouwen en gezinnen op even zoo vele plantagiën heeft (!). En
de meesteres van ons hotel berigt ons, dat hare keukenmeid met de
volmaaktste onverschilligheid de tijding van haar man ontvangen
heeft, dat hij eene andere vrouw bezit en zij een ander man mag
nemen; zij had eenvoudig het voornemen te kennen gegeven "om er
voor het oogenblik geen te nemen, daar zij in de volgende maand
aan haar eigenaar in Georgia moest teruggezonden worden en het
vertrek haar dan moeijelijker zou vallen." En toch zijn beide
die dames Godsdienstig en achten zich beleedigd door het minste
vermoeden, dat de zedelijkheid hunner slaven niet hooger zou zijn
dan die van de vrije negers in het Noorden.
Bij de geschiedenis van Violet zal ik ook die voegen van een
onzer oppassers, waarin gij zeker wel belang zult stellen.
Violet's vader en moeder stierven beiden, zoo als zij zegt,
"vóór ik eenig begrip had,""--elf kinderen nalatende, die
overal verstrooid waren. "Al kon ik er schatten meê winnen,
Missis, zou ik niet kunnen zeggen waar een van allen is. Massa
woont te Charleston. Mijn eerste echtgenoot was een knap man;
hij had zeven kinderen; toen werd hij verkocht naar Florida;
ik heb nooit meer van hem gehoord. De ouders sterven; o, dat is
het verschrikkelijkste; als die dood zijn worden wij overal heen
verstrooid. Ik werd in deze streken verkocht; nu heb ik een ander
man en vier kinderen. Ik leefde heel genoegelijk met mijn eersten
man en wij kregen vele kinderen. Maar hier is het schraal. Massa
wil niet toelaten, dat wij iets hebben, geen varken, geen geit,
geen hond; ja hij geeft ons zelfs geen weinigje koorn. Wij moeten
maar rondkomen zoo als wij kunnen. Het eenige wat wij krijgen,
zijn twee eigengeweven kleedjes.
"Ik kan niet naar de meeting gaan, omdat Missis te veel werk
te doen heeft. 's Zomers ga ik elken Zondagavond; maar bij
deze korte dagen is de dag te snel om. Ik ga meestal naar de
Doopsgezinde kerk."
"Gaan de uwen daar gewoonlijk?"
"Zij zijn van drie soorten: Methodisten, Doopsgezinden en
Episcopalen. Verleden zomer hebben wij Zondags avonds heel
dikwijls meetings in onzen "yard" gehad. Massa Johnson preêkte
voor ons. Maar toen zeî hij, dat hij niet tweemaal preken kon:
wij moesten maar naar de kerk komen."
"Waarom?"
"Dat weet de hemel. Ik ga gaarne naar de meeting, vooral als er
mooi gepreêkt wordt. Ik hoor het gaarne, als de menschen goed
tot mij spreken. Ook ben ik blij als men mij voorleest. Waarom
zou dat ook niet, al behoor ik niet tot de Kerk?"
"Laat uw meester toe, dat anderen u voorlezen?"
"Hij zal het mij niet beletten; ik behoef hem niet te vertellen,
dat een ander mij voorleest. Ik moet mijne ziel, hij de zijne
trachten te behouden. Onze eigenaars willen niet een paar minuten
besteden om ons voor te lezen; dat zou eene te groote eer voor ons
zijn; zij behandelen ons zeer hard. Sommige predikanten spreken
ons wel eens vriendelijk toe en bidden met ons, en voor zichzelven
heel wat er bij."
"Ik heb zoo even een groot geschil gehad met Dinah in de keuken en
haar gezegd: "Dinah, de weg dien gij opgaat, bederft den goeden
naam van de vrouwen." Zij antwoordde, dat zij er zich niet om
bekreunde en dat zij zou doen wat haar goeddacht. Dinah is van
haar eersten man weggeloopen en heeft een kind gehad bij Sambo
(die aan Massa D. behoort), zoodat zij en haar eerste man van
elkander afgeraakt zijn. De mannen, Missis, zien zulke dingen
nooit met een goed oog aan.
"Gij weet, Missis, als wij van iets houden, willen wij niet dat een
ander het hebben zal. Zoo iets, Missis, al laat men 't niet merken,
foltert iemand dood. Als mijn man mij op die wijze wilde ontloopen,
Missis, 'k zou er bij zijn. Ik zou ook zoo niet handelen met mijn
man. Al kan ik het hier verbergen, voor God zal het geopenbaard
worden en de heele wereld zal het vernemen.
"Dinah's tweede man zeî, dat het hem niets aanging, hoe zij
met haar eersten man gehandeld had. Zoo denkt mijn man er niet
over. Hij zegt, dat hij niet doen zou wat Daniel doet; hij zou
geen speelgoed koopen voor de andere kinderen; wiens ze waren,
mogt dat doen. Nu, hoe het zij, Dinah's eerste man komt, zoo
dikwijls hij kan, over, om zijne kinderen te zien, en Sambo komt
ook om zijn kind te zien, en geeft daarvoor aan Dinah snuisterijen.
"Massa had geene slaven dan een geel meisje, toen hij mij en mijne
vier kinderen kocht. Nu wilde Massa kinderen van mij hebben; dus
zeî hij: "Violet, gij moet een of anderen neger hier te G. nemen."
Daarop antwoordde ik: "Neen, Massa, ik kan er hier geen
nemen."--"Gij moet, Violet," hernam hij. Gij ziet, hij verlangde
dat ik ook slaven zou opkweeken, en daarom zei hij, dat hier een
overvloed van jonge kerels was, maar ik hervatte, dat ik geen van
allen kon nemen. Nu dan, Missis, toen ging hij naar Virginia en
bragt twee negers mede, reeds vrij oude lieden, en Missis zeî:
"Een daarvan is voor u, Violet;" maar ik zeî: "Neen, Missis, ik
kan geen van beiden nemen, omdat ik niet van hen houd, en ik kan
niemand nemen, dien ik niet bemin." Toen riep Massa: "Gij moet
een van dezen nemen,--of, zoo gij hem niet lief kunt hebben, dan
moet gij iemand anders vinden dien gij bemint." Ik zeî: "O neen,
Massa, dat kan ik niet doen,--ik kan niet elken dag een anderen
nemen." Na eenigen tijd kocht Massa er nog drie bij en toen zei
Missis: "Nu, Violet, een daarvan is voor u." Ik herhaalde: "Ik kan
niet; misschien bemin ik van hen ook geen;" maar zij antwoordde:
"Gij moet een van dezen nemen." Zoo dan leefden Sam en ik twee
jaren; hij ging mijne gangen na en ik de zijne.
"Eindelijk, op een avond, stonden wij zamen bij den houtstapel, en
de maan scheen zeer helder, en hoe het kwam weet ik niet, Missis,
maar hij zeî mij, dat hij eene vrouw wenschte te hebben, doch niet
wist waar eene te krijgen. Ik antwoordde, dat er knappe meisjes
genoeg in G. waren. "Ja," zeî hij, "maar ik vind er misschien
niet ééne, die mij zoo wel bevalt als gij." Ik zei hem toen dat
ik hem misschien zou tegenvallen, want dat ik reeds oud begon te
worden, en dat ik vier kinderen van mijn eersten man had; en dat
iemand, die mij trouwde, zoo goed voor de kinderen moest wezen
als voor mij; dat ik hem anders niet kon lief hebben. Toen zei
hij: "al ware het ook dat eene vrouw kinderen had (let op, dat
hij mij niet noemde) zoo zou hij toch zoo vriendelijk zijn voor
de kinderen als voor de moeder, en dat zou er veel van afhangen
hoe zij hem behandelde." Zoo kwamen wij van het eene ding op het
andere, tot wij eindelijk verklaarden dat wij elkander namen, en
zoo hebben wij sedert geleefd, en ik heb vier kinderen bij hem,
en hij ontloopt mij nooit noch ik hem."
"Hoe trouwt gij in uw "yard"?"
"Wel, wij vragen de blanken verlof en dan nemen wij
elkander. Sommigen worden met het boek getrouwd, maar waar
dient het toe? Daar hebt ge mijn eersten man: wij zijn met het
boek getrouwd, en toch werd hij naar Florida verkocht en ik ben
hier. Men doet met ons wat men wil, en zoo bevalt het hun niet
dat wij voor vast getrouwd zijn. Het kan hun niet schelen wat
wij doen, als wij maar geld voor hen verdienen.
"Mijn eerste man was jong en zeer vriendelijk voor mij, o Missis,
inderdaad zeer vriendelijk. Hij werkte nacht en dag om mij gemakken
te bezorgen. o Het ging ons zeer goed zoo lang ik hem had; maar
hij werd naar Florida verkocht, en sedert, Missis, ben ik dezelfde
niet meer. Deze blanken hier vergunnen ons niets, in het geheel
niets; zij geven ons eten en twee kleedjes in een jaar, een breede
streep en een smalle streep; ik zal ze u eens laten zien, Missis."
En wij hebben ze gezien; want Violet bragt mij de "breede streep"
met verzoek dat ik het voor haar maken zou. Er was juist genoeg
om haar te bedekken, maar geene haken of oogen, geen garen, geene
voering, dat moest zij zelve maar zien te krijgen; en toch ontvangt
haar meester van onzen kastelein acht dollars 's maands voor hare
diensten. Wij vroegen hoe zij dan hare kleedjes gemaakt kreeg.
"o Missis, mijn man werkt nu buiten de hoeve, zoodat hij vier pond
spek en eene hoeveelheid meel iedere week krijgt; hij zuinigt het
zoo uit, dat hij mij de vier pond spek geeft om de onkosten voor
mijn kleedje uit te vinden. (Eene vraag: Zijn er ook echtgenooten
in de beschaafde kringen die meer zouden doen dan deze man?)
Toen Violet ons eens alle drie druk aan het schrijven vond, stond
zij eenige oogenblikken in stilte de geheimzinnige bewegingen
onzer pennen aan te staren, en zeide toen op den toon der diepste
droefheid:
"o Wat is dat toch een groote troost, Missis. Gij kunt aan uwe
vrienden alles schrijven en ook aan u laten schrijven. Ons volk kan
dit niet. Of zij levend of dood zijn, kunnen wij nimmer vernemen;
soms, ja, hooren wij dat zij dood zijn."
Kon er krachtiger aanmerking gemaakt worden op de wreede wetten,
die den slaaf verbieden te leeren schrijven?
De geschiedenis van den oppasser luidt aldus:
George's vader en moeder behoorden aan iemand in Florida. Gedurende
den oorlog gingen twee oudere zusters aan boord van een Engelsch
schip en kwamen te Halifax. Zijne moeder zou gaarne met haar
geheele gezin medegegaan zijn, doch haar man haalde haar over, om
te wachten tot het volgende schip zou zeilen, als wanneer hij ook
meende te zullen kunnen gaan. Door dit uitstel ging de gelegenheid
van ontvlugting verloren en het geheele gezin werd kort daarna
voor schuld verkocht. George, eene zuster en zijne moeder werden
door éénzelfden persoon gekocht. Hij zegt: "Mijn oude meester was
buiten zichzelven toen moeder stierf en zeî dat hij liever duizend
dollars had willen verliezen. Zij was half eene Indiaansche met
hair zoo regt als het uwe, en zij was blank als die peluw." George
huwde eene vrouw van eene andere plantage. Hij gaf daarvoor de
volgende reden op: "Als een man zijne vrouw ziet mishandelen,
trekt hij het zich onwillekeurig aan. Als hij hoort dat zijne
vrouw mishandeld is, is het nog niet hetzelfde als wanneer hij
het ziet. Zoo kon ik beter voor haar zorgen, dan wanneer zij op
mijne plantage was. Deze vrouw nu werd hooger op verkocht, doch
werd na eenige jaren lam en ziek en kon niet veel doen; daarom gaf
Massa haar verlof en betaalde hare vracht tot G." (Gij weet, voor
de zieken en gebrekkigen wordt altijd gezorgd.) "Ik had haar in
drie jaren niet gezien," zeide George, "maar zoodra ik het hoorde,
haalde ik haar terstond af, huurde een huisje en nam iemand om op
haar te passen, en ging haar zoo dikwijls zien als ik kon." Hij
is een ambachtsman en werkte dikwijls nachten door ten einde dit
alles te bekostigen. Zijn meester vraagt twintig dollars per maand
voor zijne diensten en legt hem wekelijks vijftig cents toe voor
kleederen en andere benoodigdheden. George zegt dat als hij, door
's nachts ook te werken, maar geld genoeg bijeen kon zamelen om
zich vrij te maken, hij wel iemand zou weten te vinden dien hij
vertrouwen kon om hem te koopen. "Dan zou ik zoo hard als ooit
werken om mijne kinderen los te koopen en van hier weg te komen."
"Waarheen?"
"O, naar Philadelphia, New-York of ergens anders in het Noorden."
"Wel, daar zoudt gij doodvriezen!"
"O neen, Missis, ik kan de koude wel verdragen. Maar ik heb
behoefte om mij-zelven toe te behooren en te doen wat ik noodig
reken."
De volgende mededeeling is aan de schrijfster gedaan door den
heer Austin Bearse, koopvaardij-kapitein te Boston en geboortig van
Barnstable aan Cape Cod. Hij is wel bekend bij de burgers en kooplieden
van Boston.
Ik ben afkomstig uit den Staat Massachusetts. Tusschen 1818 en
1830 voer ik als stuurman aan boord van verschillende schepen,
die de kustvaart aan de stranden van Zuid-Carolina dreven.
Het is bekend, dat vele schepen van Nieuw-Engeland de gewoonte
hebben om den winter aan de zuidelijke kust met deze bezigheid
door te brengen. Onze schepen plagten de rivier op te varen om
de ruwe rijst en katoen van de plantages te halen, die wij dan
naar Charleston bragten.
Wij voerden dikwijls troepen negers naar de plantagiën,
wier eigenaren hen ontboden hadden. Deze slaven waren
door de slavenhandelaren doorgaans bijeen gezocht uit de
slavenmagazijnen te Charleston, alwaar zij door verschillende
oorzaken heengebragt waren, zooals door den dood hunner eigenaren
of door boedelscheiding die hen deed verkoopen. Sommigen waren
er heen gezonden tot straffe voor ongehoorzaamheid, of doordien
het aantal slaven te groot was, of omdat personen die naar het
Noorden of Westen verhuisden liever hunne slaven verkochten dan
zich met de moeite te belasten van ze mede te nemen. Van tijd
tot tijd hadden wij die slaven in aanzienlijke getallen aan
boord, soms slechts twee of drie, maar soms ook wel zeventig of
tachtig. Zij waren van hunne gezinnen en betrekkingen gescheiden
met even weinig omslag, als men in acht neemt bij het uitzoeken
van eene partij varkens of schapen.
Onze schepen lagen gewoonlijk op eene plek genaamd Arme Mans Kreek,
niet ver van de stad. Wij plagten de betrekkingen en vrienden van
de slaven verlof te geven, om aan boord te komen en den geheelen
nacht bij hunne vrienden te blijven, eer het schip onder zeil
ging. Des morgens was het mijne taak de luiken open te doen en
hen te waarschuwen, dat de tijd van scheiden was gekomen, en op
zulk een oogenblik waren de gillen en hartverscheurende kreten
genoegzaam om iemand de bezinning schier te doen verliezen.
In het jaar 1828, toen ik stuurman was op de brik Milton van
Boston, bestemd naar New-Orleans, vond het volgende plaats, dat
mij nimmer uit het geheugen zal gaan: De slavenhandelaars bragten
aan boord vier quarterons, met handboeijen voorzien, en die naar
New-Orleans vervoerd moesten worden. Eene oude negerin, gewis meer
dan tachtig jaren oud, liep hen handenwringend na, uitroepende:
"Mijn zoon, o mijn zoon, mijn zoon!" Zij scheen bijna uitzinnig
en toen wij reeds eene mijl buiten de haven waren konden wij haar
gillen nog hooren.
Toen wij in zee waren ging ik naar de vier mannen en ontdeed hen
van hunne handboeijen. Zij waren vastberadene kerels en zeiden
mij, dat ik zien zou, dat zij nimmer levend te New-Orleans slaven
zouden zijn. Een hunner was timmerman, een ander smid. Wij bragten
hen te New-Orleans aan en leverden hen uit aan den agent. Later
verhaalde deze aan den kapitein, dat zij allen binnen acht en
veertig uren na hunne aankomst te New-Orleans dood waren. Zij
hadden zich allen omgebragt, zoo als zij gedreigd hadden. Een
hunner weet ik, werd voor stoker op de stoomboot Post Boy gekocht;
doch hij sprong over boord en verdronk. Van de anderen werd een
verkocht aan een smid en een aan een timmerman. De bijzonderheden
van hun dood zijn mij niet ter oore gekomen.
Achter Charleston, te Coosahatchie, lag eene plantage, welke
aan eene weduwe behoorde, die tachtig negers hield. Zij ontbood
van Charleston een jonge quarteronne voor haar zoon; het meisje
was nagenoeg geheel blank. Wij voerden haar derwaarts. Daar zij
veel delicater was dan de andere slaven, werd zij niet bij hen,
maar in de kajuit geplaatst.
Ik ben op de rijstplantagiën aan de rivier geweest en heb daar den
rijstbouw gezien. In het najaar werken al de plantage-arbeiders,
zoo mannen als vrouwen, in de rijstgreppels met het water tot
boven de knieën en trekken het gras uit, om den grond voor het
zaaijen van de rijst geschikt te maken. De slaven, die hier uit
de stad gebragt worden, vinden dit een bijna ondoenlijken arbeid,
daar zij meestal tot huiswerk zijn opgeleid. Het verblijf op de
plantagiën is zoo doodelijk, dat de blanken daar in zomertijd niet
vertoeven kunnen dan met gevaar van hun leven. De eigenaars en
hunne familiën bevinden zich daar alleen 's winters en de slaven
zijn zomers geheel aan de opzigters overgelaten. Ik heb gezien,
dat die opzieners meestal een brutaal slag van menschen zijn,
die zich aan dronkenschap en dobbelspel overgeven.
In den loop mijner togten heb ik de slavernij in bijna alle
landen der wereld gezien. Ik ben in Algiers geweest en heb daar
de slavernij aanschouwd. Ik heb de slavernij te Smirna gezien,
bij de Turken. Het was te Smirna, toen onze Amerikaansche consul
een schoon Grieksch meisje vrijkocht. Ik zag haar aan boord van
de brik Suffolk komen, toen zij naar Amerika overgevoerd werd
om hare opvoeding te erlangen. Ik heb de slavernij gezien in
de Spaansche en Turksche havens, ofschoon ik daar niet op de
plantagiën geweest ben.
Mijn gevoelen is, dat de Amerikaansche slavernij, gelijk ik
die gezien heb bij den binnenlandschen slavenhandel, op de
rijst- en suiker-plantagiën en in de stad New-Orleans, ten
volle een slecht is als in eenig land ter wereld, heidensch of
Christelijk. Menschen, die voor bezoeken of vermaak de zuidelijke
Staten doorreizen, kunnen onmogelijk die dingen te weten komen,
die door varensgezellen gezien worden, welke de rivieren opzeilen
naar de ver achter af gelegene plantagiën en die de slaven en de
producten der plantagiën vervoeren.
In mijne jonge dagen werd over de slavernij niet veel gesproken. Ik
zag haar even als anderen, zonder mij er aan gelegen te laten
liggen. Doch daar ik het niet meer voor goed houd, die dingen
in stilte aan te zien, vaar ik tegenwoordig niet meer op de
zuidelijke Staten.
Het volgende verslag is aan de schrijfster gegeven door Lewis
Hayden, een slaaf, die uit Kentucky ontsnapte door de medewerking van
eene jonge dame, geheeten Delia Webster, en een man, genaamd Calvin
Fairbanks. Beiden hebben er voor gevangen gezeten. Lewis Hayden heeft
zich een geachten naam verworven als vrij burger van Boston, waar vele
personen bereid zijn, nopens hem de gunstigste getuigenis af te leggen.
Ik behoorde aan den eerwaarden heer Adam Runkin, een
Presbyteriaansch predikant te Lexington in Kentucky.
Mijne moeder was van gemengd bloed,--blank en Indiaansch. Zij huwde
mijn vader, toen hij in eene naburige fabriek werkte. Na eenigen
tijd verhuisde mijns vaders eigenaar en nam hem mede, hetwelk het
huwelijk verbrak. Zij was eene schoone vrouw. Mijn meester hield
een groot melkhuis en daar was zij de melkster. Lexington was in
die dagen een klein plaatje en het melkhuis lag in de stad. Achter
de school was de vrijmetselaarsloge. Een man, die tot de loge
behoorde, zag mijne moeder terwijl zij aan haar werk was. Hij deed
haar oneerlijke voorslagen. Toen zij hem niet te woord wilde staan,
voegde hij haar toe, dat zij geen hoogen toon moest voeren, want
dat hij haar zou hebben indien zij voor geld te krijgen was. Mijne
moeder vertelde het aan de oude mevrouw en smeekte dat de meester
haar toch niet zou verkoopen. Desniettemin verkocht hij haar. Mijne
moeder was hooghartig, hetgeen zij aan haar Indiaansch bloed te
danken had. Zij verkoos met dien man niet te leven zoo als hij
wenschte, waarop hij haar naar de gevangenis zond, haar liet
geeselen en haar op zoo onderscheidene wijzen strafte, dat zij
vlagen van krankzinnigheid kreeg. Toen ik in de Negerhut van Cassy
las, kwam al het gebeurde met mijne moeder mij weêr voor den geest
en wilde ik het mevrouw Stowe melden. Verscheidene malen beproefde
zij, zich om het leven te brengen, eens met een mes en eens door
ophanging. Zij had lang, regt hair, dat na deze voorvallen grijs
werd, als of zij eene oude vrouw ware. In hare vlagen sprak zij
altijd van hare kinderen. De houder van het gevangenhuis bragt
haar eigenaar onder het oog, dat zij misschien herstellen zou,
zoo hij haar bij hare kinderen liet. Men liet haar dus eens uit en
zij kwam op de plaats waar wij waren. Ik was welligt zeven of acht
jaren oud, ofschoon ik het juiste er niet van weet. Ik was van huis
toen zij verscheen. Toen ik terug kwam vond ik haar in eene der
hutten nabij de keuken. Zij sprong op, greep mij bij mijne armen
als of zij die breken wilde en riep uit: "Ik zal u zoo toetakelen,
dat zij nooit iets aan u zullen hebben!" Ik schreeuwde, want ik
dacht dat zij mij wilde vermoorden, waarop personen binnenkwamen,
die mij wegbragten. Men bond haar en voerde haar weg. Soms, als
zij bij hare zinnen was, verhaalde zij mij het kwaad, dat men
haar had aangedaan. Eindelijk verkocht haar eigenaar haar voor
eene geringe som aan iemand, met name Lackey. Daar gaf men haar
een anderen man en kreeg zij verscheidene kinderen. Na eene poos
stierf deze man of werd hij verkocht,--het regte herinner ik mij
niet meer. Lackey verkocht haar daarop aan zekeren Bryant. De
eigenaar van mijn eigen vader vestigde zich nu in de nabijheid
van dien man, en bragt mijne moeder weder bij hem. Mijn vader
had op de plaats, waar hij vertoefd had, weder eene andere vrouw
en een aantal kinderen gehad. Hij en mijne moeder kwamen dus nu
weder bijeen en bragten hunne dagen met elkander ten einde. In
de laatste tijden had mijne moeder haar verstand nagenoeg weder
geheel teruggekregen.
Ik heb in Kentucky nooit eenig blijk gezien, dat de bedienaren
of leeraren der Godsdienst het voor iets ergers beschouwden, dat
men slaven, dan dat men dieren van elkander scheidde. Er kunnen
leeraren zijn die het voor ongeoorloofd houden, maar ik ben nooit
met dezulken in aanraking geweest. Mijn meester was een predikant,
en toch verkocht hij mijne moeder, gelijk ik verhaald heb. Toen
hij uit Kentucky naar Pennsylvania vertrok, verkocht hij al
mijne broeders en zusters bij veiling. Ik stond er bij en zag hen
verkoopen. Toen ik ook ter tafel gebragt zou worden, verruilde hij
mij tegen een paar koetspaarden. Ik zag met zonderlinge gevoelens
die paarden aan. Ik had de hoop gekoesterd, dat mijn meester
mij zou medenemen naar Pennsylvania, en dat ik daar de vrijheid
zou erlangen. Wat zag ik die paarden aan en wandelde er rond,
overdenkende, dat ik tegen die beesten geruild was!
De spraak ging, dat mijn meester op den predikstoel gezegd had,
dat er even weinig kwaad in stak, een gezin van slaven, als een
nest biggen te scheiden. Ik voor mij heb het hem niet hooren
zeggen, en kan dus niet verzekeren of het al dan niet waar is.
Hoe zonderling het schijne, is het toch waar, dat ik, bij mijne
pogingen om tot de vrijheid te geraken, meer medewerking en goeden
raad ondervond van dobbelaars en zulk soort van menschen, dan
van Christenen. Sommigen hunner bejegenden mij zelfs buitengemeen
vriendelijk.
Ik heb nog nooit een slavenhandelaar gezien, die niet in den grond
zijns harten overtuigd scheen te wezen, dat het een slecht bedrijf
was. Ik heb er velen gekend, als b. v. Neal, McAnn, Cobb, Stone,
Pulliam en Davis, enz. Zij waren gelijk Haley,--zij hadden het
voornemen om zich te bekeeren als zij goed af waren.
Over het algemeen voelden de kleurlingen van mijne kennis
niet de geringste mate van gerustheid, met opzigt tot hunne
familiebetrekkingen. Wel is waar, meenden sommigen, die tot
rijke familiën behoorden, eenigzins gerust te kunnen zijn;
doch diegenen onzer, die dieper doorzagen en wisten, hoevelen
niet zoo rijk waren als zij schenen, als ook, hoe snel het geld
door de vingers druipt, waren altijd zeer ellendig. De handelaar
sloop altijd rond, de slavenmagazijnen waren in de nabijheid en
wij wisten niet wanneer iemand onzer er soms in kon geraken. Dan
waren er nog de rijstmoerassen en de suiker- en katoen-plantagiën;
ons leven lang werden zij ons door onze meesters en meesteressen
als schrikbeelden voorgehouden. Wij wisten daar alles van; en als
een vriend werd weggevoerd, wel nu, dat was zoo goed als zijn
dood, want wij konden hem niet schrijven, noch van hem hooren,
en verwachtten niet hem immer terug te zien.
Ik heb een kind gehad, dat in Kentucky begraven ligt, en het doet
mij genoegen aan dat graf te denken. Ik heb er nog een gehad,
dat verkocht is zonder dat iemand weet waarheen, en waaraan ik
niet denken kan zonder het grievendste hartzeer.
De volgende geschiedenis is lang en een gedeelte er van is openbaar
bekend geworden.
In dat verhaal is het geheele verslag vervat van de gedenkwaardige
aanhouding van de Pearl, welke ten jare 1848 zulk eene sensatie te
Washington verwekte. De schrijfster zal er echter eene korte historie
aan vooraf doen gaan van eene slavin van welke zes kinderen betrokken
waren in die noodlottige onderneming.