Men adressere zich aan

11 September. Thomas G. Mackey & Co.

5, Canal-street, hoek van het Magazijn,

bovenverdieping.

Uit een ander nommer van den Natchez Free Trader nemen wij het

volgende over:

Negers.

De ondergeteekende berigt aan het geëerde publiek, dat hij thans

eene partij van vijf en veertig negers in handen heeft, daar

hij heden eene bezending van vijf en twintig heeft ontvangen

regtstreeks uit Virginia, twee of drie goede keukenmeiden, een

wagenvoerder, een goede huisknecht, een vioolspeler, eene keurige

naaister, en een fiksch partijtje veld-arbeiders en arbeidsters;

al dewelke hij met eene kleine winst zal van de hand doen, daar

hij wenscht uit te verkoopen en naar Virginia terug te keeren om

een partijtje voor den najaarshandel uit te zoeken. Komt en ziet.

Thomas G. James.

De slavenkweekerij der noordelijke Staten is meermalen aangetoond,

besproken en erkend, zoo in de handelstatistiek dier Staten, als in

de redevoeringen van regtschapene mannen, die dit teregt betreurd

hebben als eene vernedering huns vaderlands.

In 1811 rigtte de "British and Foreign Anti-Slavery Society" eenige

vragen betreffende den binnenlandschen Amerikaanschen slavenhandel aan

de "American Anti-Slavery Society". Ter voldoening daaraan werd een

veelzijdig onderzoek in het werk gesteld, welks resultaten te Londen

het licht zagen, en uit dat boekdeel nemen wij het volgende over:

De Virginia Times (een weekblad dat te Wheeling in Virginia

verschijnt) schat in 1836 het aantal slaven, die ten verkoop

uit dien Staat alleen uitgevoerd zijn gedurende de voorafgegane

twaalf maanden, op veertig duizend, wier gemiddelde waarde op

vier en twintig millioen dollars berekend wordt.

Zoo men wil aannemen, dat Virginia alleen de helft van den uitvoer

in het genoemde tijdvak heeft geleverd, dan komen wij tot het

ontzettende cijfer van tachtig duizend slaven, die in één enkel

jaar uit de slavenkweekende Staten zijn vervoerd. Wij kunnen niet

met zekerheid bepalen in welke evenredigheid door de andere Staten

tot den uitvoer bijgedragen is; maar Maryland komt ten aanzien der

getallen het naast bij Virginia, Noord-Carolina volgt op Maryland,

Kentucky op Noord-Carolina en dan komen Tennessee en Delaware.

De Natchez (Mississippi) Courier zegt, "dat de Staten Louisiana,

Mississippi, Alabama en Arkansas gedurende 1836 twee honderd en

vijftig duizend slaven uit de meer noordelijk gelegene Staten

ingevoerd hebben."

Dit zou volstrekt ongeloofelijk schijnen; maar vermoedelijk zijn

hierin al de slaven begrepen, die met hunne meesters medegekomen

zijn toen deze zich hier nedergezet hebben. De volgende zinsneden

uit den Virginia Times schijnen die stelling te bevestigen:

"Door deskundigen hebben wij het getal slaven, die in de laatst

verloopen twaalf maanden van Virginia uitgevoerd zijn, hooren

schatten op honderd en twintig duizend, makende, elken slaaf

gemiddeld ten minste op zes honderd dollars gerekend, eene som

van twee en zeventig millioen dollars. Van het getal uitgevoerde

slaven is niet meer dan een derde gedeelte verkocht, zijnde de

andere medegenomen door hunne meesters die verhuisd zijn."

Zoo men een derde gedeelte als het getal der verkochten beschouwt,

zijn er meer dan tachtig duizend ten verkoop ingevoerd in de vier

Staten Louisiana, Mississippi, Alabama en Arkansas. Onderstelt

men dat de helft van tachtig duizend verkocht zijn in de overige

aankoopende Staten, Zuid-Carolina, Georgia en het gebied van

Florida, dan komt men tot de conclusie, dat eenige jaren vóór de

groote financieele crisis van 1837, meer dan honderd en twintig

duizend slaven van de aankweekende naar de verbruikende Staten

werden uitgevoerd.

De Baltimore American neemt het volgende over uit een blad van

den Staat Mississippi, van het jaar 1837:

"Uit het rapport over de bestaande financieele crisis, opgemaakt

door de in eene bijeenkomst der burgers van Mobile benoemde

commissie, blijkt, dat er een zoo uitgestrekt gebruik is gemaakt

van slaven-arbeid, dat Alabama sedert 1833 jaarlijks voor ongeveer

tien millioen dollars van die soort van eigendom van andere Staten

gekocht heeft."

"Het handelen in slaven," zegt het Baltimore (Maryland) Register

van 1829, "is een veel omvattend bedrijf geworden; op verscheidene

plaatsen in Maryland en Virginia zijn etablissementen opgerigt,

waar zij als vee verkocht worden. Deze bewaarplaatsen zijn stevig

gebouwd en ruim voorzien van ijzeren duimschroeven en mondproppen,

en opgetooid met allerlei soorten van lederen zweepen, waaraan

men dikwijls het bloed ziet kleven."

Professor Dew, thans president van de "University of William

and Mary", in Virginia, zegt op blz. 120 van zijn overzigt van

de debatten, in 1831 en 1832 in de wetgevende vergadering van

Virginia gehouden:

"Aangezien een volkomen equivalent in de plaats van den slaaf

gelaten wordt (de koopprijs), is deze emigratie een voordeel

voor den Staat, en vermindert de zwarte bevolking niet zoo veel

als bij den eersten oogopslag zou schijnen, dewijl de meester

hierin alle aanleiding vindt, om goed voor de negers te zorgen,

hunne vermeerdering te bevorderen en er het grootst mogelijke

getal van aan te kweeken." En iets verder zegt hij: "Virginia is

inderdaad eene slavenkweekschool voor de andere Staten."

De heer Goode zeide in 1832 in eene redevoering, die hij in de

wetgevende vergadering van Virginia hield:

"Het overgroote nut der slaven in het Zuiden zal daarnaar zooveel

vraag doen ontstaan, dat zij er door van onze grenzen verwijderd

zullen worden. Wij zullen hen uit onzen Staat zenden, dewijl ons

belang dit zal medebrengen; maar er zijn leden, die vreezen,

dat de markten van andere Staten voor den invoer onzer slaven

gesloten zullen worden. Mijne heeren, de vraag naar slavenarbeid

moet toenemen," enz.

Bij de debatten van de Conventie van Virginia in 1829, zeide de

regter Upshur:

"De waarde der slaven, als eigendom, hangt veel af van den toestand

der buitenmarkt. Uit dit oogpunt beschouwd, is het de waarde van

land in andere Staten, niet hier, die den maatstaf aan de hand

geeft. Niets is wisselvalliger dan de waarde der slaven. Eene

onlangs in Louisiana aangenomene wet, deed, twee uren nadat hare

aanneming bekend was geworden, hunne waarde vijf en twintig percent

dalen. Zoo, gelijk ik ook vertrouw, de aanwinst van het landschap

Texas ons beschoren ware, zal hun prijs weder vooruitgaan."

De heer Philip Doddridge zeide in de zoo even genoemde Conventie

(blz. 89 der debatten):

"De aanwinst van Texas zal de waarde van den bedoelden eigendom

(de slaven) grootelijks vermeerderen."

Door Dr. Graham, van Fayetteville, in Noord-Carolina, werd in eene

bijeenkomst van belanghebbenden bij de kolonisatie, gehouden in

het najaar van 1837, gezegd:

"In den afgeloopen winter werden ongeveer zeven duizend slaven

op de markt van New-Orleans te koop geboden. Alleen van Virginia

werden jaarlijks zes duizend naar het Zuiden gezonden, en uit

Virginia en Noord-Carolina waren in de laatste twintig jaren drie

honderd duizend slaven naar het Zuiden gevoerd."

De heer Henry Clay, van Kentucky, zegt in de rede, die hij in

1829 voor de "Colonisation Society" uitsprak:

"Het is te gelooven, dat nergens in de landbouwende streken der

Vereenigde Staten van slaven-arbeid algemeen gebruik zou gemaakt

worden, indien de grondeigenaren niet verlokt werden om slaven

op te kweeken, door hun hoogen prijs op de markten in het Zuiden."

In het New-York Journal of Commerce, van 12 October 1835, komt een

brief voor van een Virginiër, wien de redacteur "een achtenswaardig

en gevoelig man" noemt, en die daarin opgeeft dat in genoemd jaar,

hetwelk nog slechts voor drie vierde gedeelten verstreken was,

twintig duizend slaven uit Virginia naar het Zuiden waren vervoerd.

De heer Gholson zeide in eene rede, welke hij den 18 Januarij

1831 in de wetgevende vergadering van Virginia uitsprak (zie den

Richmond Whig):

"'t Is er door lieden van den ouderwetschen stempel altijd voor

gehouden (misschien ten onregte), dat de eigenaar van een land

een beslist regt heeft op de jaarlijksche opbrengst; de eigenaar

van boomgaarden, op de jaarlijksche vruchten; de eigenaar

van merries op hare veulens, en de eigenaar van slavinnen op

hare kinderen. Wij bezitten het fijn geslepene verstand niet,

noch de regtskennis, om het technische onderscheid te kunnen

zien, dat door sommigen gemaakt is," (namelijk het onderscheid

tusschen merriën en slavinnen.) "De regtsregel partus sequitur

ventrem is te gelijk ontstaan met het eigendomsregt-zelf, en

gegrond op wijsheid en regtvaardigheid. Het is uithoofde van

de regmatigheid en onschendbaarheid van dezen stelregel, dat

de meester zich berooft van de diensten der slavin, haar laat

verplegen en oppassen en haar hulpeloos kind opvoedt. De waarde

der bezitting regtvaardigt de kosten, en ik aarzel niet te zeggen,

dat in de vermeerdering daarvan veel van onzen rijkdom bestaat.

Kan eenig vertoog over den toestand, waarin de openbare meening door

het stelsel der slavernij gebragt wordt, zooveel zeggen als deze

woorden, wanneer wij bedenken dat zij in de wetgevende vergadering

van Virginia uitgesproken zijn? Zou men niet gelooven, dat Washington

moet blozen in zijn graf, dat de Staat, waar hij het levenslicht

aanschouwde, zoo diep gevallen is? Dat er echter nog harten in Virginia

klopten, die gevoelig voor de schande waren, blijkt uit het volgende

antwoord van den heer Faulkner aan den heer Gholson, in de Virginische

kamer van afgevaardigden in 1832 (zie den Richmond Whig):

"Maar hij (de heer Gholson) heeft trachten aan te toonen,

dat de afschaffing der slavernij onstaatkundig zou zijn,

dewijl uwe slaven den geheelen rijkdom van den Staat uitmaken,

het geheele productief vermogen vormen, dat Virginia bezit; en,

mijne heeren, zoo als de tegenwoordige stand van zaken is, geloof

ik dat hij gelijk heeft. Hij zegt, dat de slaven den geheelen

beschikbaren rijkdom van oostelijk Virginia uitmaken. Is het

waar, dat gedurende twee honderd jaren de eenige vordering in den

rijkdom en de middelen van Virginia een gevolg geweest is van de

natuurlijke toeneming van dat rampzalige geslacht? Kan het zijn,

dat deze Staat geheel afhankelijk is van dien aanwas? Vóór dat ik

deze verklaringen hoorde; had ik de afgrijselijke diepte van dit

kwaad niet volkomen gepeild. Deze heeren voeren een feit aan,

dat door de geschiedenis en den tegenwoordigen toestand der

Republiek maar al te zeer bevestigd wordt. Hoe, mijne heeren,

hebt gij twee honderd jaren zonder persoonlijke inspanning of

productieve nijverheid geleefd, in buitensporigheden en vadsigheid,

alleen staande gehouden door de opbrengst van den verkoop der

vermeerdering van de slaven en slechts die behoudende, welke uwe

thans verarmde landerijen kunnen onderhouden als voortkweekers?"

De heer Thomas Jefferson Randolph voerde de volgende taal in de

wetgevende vergadering van Virginia (Liberty Bell, bLz. 20):

"Ik ben het met de heeren eens, aangaande de noodzakelijkheid

om den Staat voor de binnenlandsche verdediging te wapenen. Ik

zal met hen medewerken tot alle middelen om het vertrouwen bij

het algemeen te doen herleven en onze vrouwen en kinderen een

gevoel van veiligheid in te boezemen. Blaar toch, mijneheeren,

moet ik vragen, op wie de last van deze verdediging drukken

zal? Niet op de weelderige meesters van hunne honderd slaven,

die nimmer zullen uittrekken dan om met hunne gezinnen te vlugten

als het gevaar dreigt. Neen, mijne heeren, hij zal drukken op

de minder rijke klasse onzer burgers, voornamelijk op hen die

geene slavenhouders zijn. Ik heb patrouilles gezien waaronder

niet één slavenhouder was, en dit is het doorgaande gebruik des

lands. In tijden van beroering heb ik rustig geslapen, zonder

door eenige zorg gekweld te zijn, terwijl die personen, die niets

van al dien eigendom bezaten, door dwang genoodzaakt, voor de

kleinigheid van vijf en zeventig cents in de twaalf uren, rondom

mijn huis patrouilleerden en dien eigendom bewaakten die even

gevaarlijk was voor hen als voor mij. In allen gevalle is dit ook

slechts een hulpmiddel. Naarmate deze bevolking talrijker wordt,

is zij minder voortbrengend. Uwe wacht moet vermeerderd worden,

tot eindelijk de voordeelen niet meer opwogen tegen de kosten om

haar in toom te houden. De slavernij heeft de vermindering der

vrije bevolking van een land tot gevolg.

"Mijnheer heeft de kinderen van de slavinnen als een gedeelte

van het voordeel opgenoemd. Dit wordt toegegeven; maar geen groot

kwaad kan uit den weg geruimd, geen goed tot stand gebragt worden,

zonder dat er eenige bezwaren uit voortvloeijen. 't Is nu de

vraag in hoe verre het wenschelijk is, dezen tak van voordeel

te bevorderen en aan te moedigen. Het is in sommige gedeelten

van Virginia eene practijk, en wel een toenemende practijk,

slaven voor de markt op te kweeken. Hoe kan een man van eer,

een vaderlander, een beminnaar van zijn geboortegrond, het gezigt

dulden, dat de oude Staten, verheerlijkt door de zelfopoffering en

vaderlandsliefde hunner zonen in den kamp der vrijheid, veranderd

worden in ééne groote menagerie, waar menschen voor de markt

worden gefokt gelijk runderen voor de slagtbank? Is het beter,

neen, is het niet nog slechter dan de slavenhandel, een handel

die slechts door de vereenigde pogingen van alle deugdzamen en

verstandigen van elk geloof en elke hemelstreek kan afgeschaft

worden? De handelaar ontvangt den slaaf, die door taal, voorkomen

en zeden voor hem een vreemdeling is, van den koopman, die hem

uit het binnenland gehaald heeft. De banden van vader, moeder,

echtgenoot en kind zijn alle vaneen gerukt; eer hij hem ontvangt,

is zijne ziel verstompt. Maar hier, mijne heeren, worden personen,

die de meester van kindsbeen aan gekend heeft, die hij heeft

zien dartelen in de onschuldige buitelingen der kindschheid,

die zich gewend hebben tot hem op te zien om bescherming, door

hem ontrukt aan de armen der moeder en verkocht in een vreemd

land, onder vreemde menschen en neêrgebogen onder de zweep van

wreede opzigters.

Hij heeft de slavernij hier pogen te verdedigen op grond dat zij

bestaat in Afrika, en voorts beweerd, dat zij over de geheele

wereld bestaat. Op denzelfden grond kon hij het Mahomedaansche

geloof voorstaan, met de veelwijverij, de voortdurende strooptogten

en rooverijen en moorden, of eenige andere afschuwelijkheid van de

wilden. Bestaat de slavernij in eenig gedeelte van het beschaafde

Europa? Neen, mijne heeren, nergens.

De berekeningen in het boekdeel, waaruit wij onze aanhalingen

overgenomen hebben, dagteekenen van het jaar 1841. Sedert dien tijd

is de oppervlakte van de zuidelijke slavenmarkt verdubbeld en heeft

de slavenhandel eene daarmede gelijken tred houdende uitbreiding

ondergaan. De bladen in het Zuiden wemelen van advertentiën

dienbetreffende. Het is, om de waarheid te zeggen, de groothandel van

die streken. Alleen uit de haven van Baltimore zijn in de twee laatste

jaren duizend en drie en dertig slaven verscheept naar de zuidelijke

markt, zoo als blijken kan uit de volgende opgave van het tolkantoor.

LIJST van het aantal schepen met slaven aan boord, die van 1 Januarij

1851 tot 20 November 1852 in het district Baltimore naar zuidelijke

havens uitgeklaard zijn:

DATUMS. SOORT. NAMEN. BESTEMMING. GETAL

SLAVEN.

1851.

Jan. 6 Sloep, Georgia, Norfolk (Virg.), 16

Jan. 10 Sloep, Georgia, Norfolk (Virg.), 6

Jan. 11 Bark, Elizabeth, New Orleans, 92

Jan. 14 Sloep, Georgia, Norfolk (Virg.), 9

Jan. 17 Sloep, Georgia, Norfolk (Virg.), 6

Jan. 20 Bark, Cora, New Orleans, 14

Feb. 6 Bark, E. A. Chapin, New Orleans, 31

Feb. 8 Bark, Sarah Bridge, New Orleans, 34

Feb. 12 Sloep, Georgia, Norfolk (Virg.), 5

Feb. 24 Schoener, H. A. Barling, New Orleans, 37

Feb. 26 Sloep, Georgia, Norfolk (Virg.), 3

Feb. 28 Sloep, Georgia, Norfolk (Virg.), 42

Maart 10 -- Edward Everett, New Orleans, 20

Maart 21 Sloep, Georgia, Norfolk (Virg.), 11

Maart 19 Bark, Baltimore, Savannah, 13

April 1 Sloep, Herald, Norfolk (Virg.), 7

April 2 Brik, Waverley, New Orleans, 31

April 18 Sloep, Baltimore, Arquia Creek 4

(Virg.),

April 23 -- Charles, New Orleans, 25

April 28 Sloep, Georgia, Norfolk (Virg.), 5

Mei 15 Sloep, Herald, Norfolk (Virg.), 27

Mei 17 Schoener, Brilliant, Charleston, 1

Junij 10 Sloep, Herald, Norfolk (Virg.), 3

Junij 16 Sloep, Georgia, Norfolk (Virg.), 4

Junij 20 Schoener, Truth, Charleston, 5

Junij 21 -- Herman, New Orleans, 10

Julij 19 Schoener, Aurora, Charleston, 1

Sept. 6 Bark, Kirkwood, New Orleans, 2

Oct. 4 Bark, Abbott Lord, New Orleans, 1

Oct. 11 Bark, Elizabeth, New Orleans, 70

Oct. 18 -- Edward Everett, New Orleans, 12

Oct. 20 Sloep, Georgia, Norfolk (Virg.), 1

Nov. 13 -- Eliza F. Mason, New Orleans, 57

Nov. 18 Bark, Mary Broughtons, New Orleans, 47

Dec. 4 -- Timoleon, New Orleans, 22

Dec. 18 Schoener, H. A. Barling, New Orleans, 45

1852.

Jan. 5 Bark, Southerner, New Orleans, 52

Feb. 7 -- Nathan Hooper, New Orleans, 51

Feb. 21 -- Dumbarton, New Orleans, 2

Maart 27 Sloep, Palmetto, Charleston, 36

Maart 4 Sloep, Jewess, Norfolk (Virg.), 34

April 24 Sloep, Palmetto, Charleston, 8

April 25 Bark, Abbott Lord, New Orleans, 36

Mei 15 -- Charles, New Orleans, 2

Junij 12 Sloep, Pampero, New Orleans, 4

Julij 3 Sloep, Palmetto, Charleston, 1

Julij 6 Sloep, Herald, Norfolk (Virg.), 7

Julij 6 Sloep, Maryland, Arquia Creek 4

(Virg),

Sept. 14 Sloep, North Carolina, Norfolk (Virg.), 15

Sept. 23 -- America, New Orleans, 1

Oct. 15 -- Brandywine, New Orleans, 6

Oct. 18 Sloep, Isabel, Charleston, 1

Oct. 28 Schoener, Maryland, New Orleans, 12

Oct. 29 Schoener, H. M. Gambrill, Savannah, 11

Nov 1 -- Jane Henderson, New Orleans, 18

Nov. 6 Sloep, Palmetto, Charleston, 3

1033

Zoo wij nog een blik slaan op de advertentiën zullen wij zien,

dat de handelaars alleen de jonge slaven nemen, tusschen de tien en

dertig jaren. Maar hier betreft het slechts ééne haven en slechts

ééne wijze van uitvoer; want groote getallen worden in karavanen over

land verzonden; en evenwel vindt de heer J. Thornton Randolph goed,

de negers van Virginia voor te stellen als levende in landelijke

rust, vreedzaam hunne pijp rookende onder hunne eigene wijnstokken

en vijgenboomen, terwijl de patriarch van den troep verklaart, "dat

hij in zijn heele leven niet gehoord heeft van het verkoopen van een

neger naar Georgia, tenzij die neger zich uiterst slecht gedragen had."

De commissie tot de opstelling van het boek, dat wij boven hebben

aangehaald, geeft eene treffende schets van den invloed van dien handel

op meester en slaaf beide, die wij niet kunnen nalaten over te nemen:

Dit stelsel drukt met ontzettende zwaarte op den slaaf. Het houdt

hem onder voortdurende vrees van aan den zieldrijver [17] verkocht

te zullen worden, hetwelk voor den slaaf de verwezenlijking is

van alle denkbare jammer en ellende en door hem erger gevreesd

wordt dan de dood. Een ontzettend voorgevoel van dit lot hangt den

rampzalige dag en nacht, van de wieg tot aan het graf, boven het

hoofd. Hij weet, dat er geen uur voorbijgaat, hetzij hij slape

hetzij hij wake, dat niet het laatste welligt zal zijn, hetwelk

hij bij vrouw en kinderen doorbrengt. Elken dag of week wordt een

bekende van zijne zijde weggerukt, en zoo blijft de herinnering

aan zijn eigen gevaar voortdurend bij hem levendig. "Eerlang zal

gewis de beurt aan mij komen," is zijne folterende gedachte; want

hij weet, dat hij daarvoor opgekweekt is, als een os voor het juk,

als een schaap voor de slagtplaats. In dezen staat van zaken is

de toestand van den slaaf waarlijk onbeschrijfelijk. Wachten,

al betreft het geene zaak van gewigt en al duurt het slechts een

nacht, is moeijelijk te verduren. Maar wanneer iets vreeselijks

hangt boven alles, volstrekt boven alles wat dierbaar is, en over

het tegenwoordige zijne schaduw en over de toekomst eene sombere

tint werpt, dan waarlijk moet het hart er onder breken. En dat

is het zwaard, dat iederen slaaf in de slavenkweekende Staten,

voortdurend boven het hoofd hangt. Zijn gering deel van geluk

wordt er door vergiftigd. Zoo hij vader is, kan hij niet naar

den arbeid gaan zonder in gedachten zijne vrouw en kinderen

vaarwel te zeggen. Hij kan niet aêmechtig en afgemat van het

veld terugkeeren, met de zekerheid dat hij zijne stulp niet

beroofd en ledig zal vinden. Evenmin kan hij zich neêrstrekken

op zijn bed van stroo en lappen zonder de snerpende vrees,

dat zijne vrouw vóór den morgen uit zijne armen gescheurd zal

worden. Nadert een blanke zijns meesters huis, hij vreest dat de

zieldrijver gekomen is en verwacht met schrik des opzigters bevel:

"Gij zijt verkocht; volg dien man." Er is geen wezen op aarde, die

den slaven in de slavenkweekende Staten zooveel schrik inboezemt

als de handelaar. Hij is hun wat de roofzuchtige ronselaar voor

hunne minder beklagenswaardige broederen in de wildernissen van

Afrika is. De meester weet dit, als ook dat er geene zoo krachtige

straf is om eenig werk verrigt te krijgen of hen van slecht gedrag

af te houden, dan de bedreiging dat hij hen aan den zieldrijver

zal overleveren.

"Een ander gevolg van dit stelsel is de aanmoediging van

losbandigheid. Deze is inderdaad overal eene der zwartste vlekken

op de slavernij; doch voornamelijk heeft zij onbeteugeld de

bovenhand waar het aankweeken van slaven als een bedrijf wordt

uitgeoefend. Zij is eene der regtstreeksche gevolgen van het

stelsel en onafscheidelijk daarvan.

De geldelijke verlokking tot een algemeen zedenbederf moet zeer

sterk zijn, daar de winst van den meester met de vermeerdering

der slaven stijgt, en voornamelijk sedert voor het gemengde

bloed een aanmerkelijk hoogere prijs besteed wordt dan voor het

zuiver zwart."

Het overige van deze beschouwing treedt in bijzonderheden, die te

schrikkelijk zijn om hier overgenomen te worden. Men vindt ze in het

bedoelde boekdeel op blz. 13.

De dichters van Amerika, getrouw aan hunne heilige roeping, hebben

over sommige der ontzettende realiteiten van den slavenhandel het

zachte licht der poëzij uitgestort. Longfellow en Whittier hebben in

verzen, zoo schitterend als paarlen, doch tevens zoo smartelijk als de

tranen eener moeder, eenige voorvallen uit dit onnatuurlijk en akelig

bedrijf geschetst. Laten wij, om de wille der menschheid, hopen dat

in het eerste gedicht geen alledaagsch voorval beschreven wordt.

De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut · 第 127 / 220 题