29 Junij 1850. Guilford Horn.

Daar ligt iets romantisch in die beschrijving van Harry, die hier in

het openbaar wordt aangeboden om te worden gedood op iedere wijze,

die de een of andere neger-jager in de moerassen het aangenaamst en

opwekkends mogt vinden. Hij blijkt een timmerman te zijn, een stevig

gebouwd man, wiens krachten en vermogen hem tot groot voordeel zouden

kunnen strekken. Hij heeft eene vrouw, en volgens de aankondiging wordt

het mogelijk geacht, dat hij zich in hare nabijheid schuil houdt. Dit

getuigt waarlijk voor de scherpzinnigheid van den steller. Getrouwde

mannen zijn in den regel eenigzins gesteld op het gezelschap

hunner vrouwen. Slaan wij thans een blik op het portret van Harry:

"oogen diep in het hoofd gezonken; voorhoofd vierkant." Dat voorkomen

herinnert ons aan hetgeen een oud geestelijke, die tot de vervolgers

der Jansenisten behoorde, eens zeide van eene zekere abdis, die

halsstarrig voortging zich aan ongeoorloofde daden schuldig te maken,

in het aangezigt van de gansche wereldlijke en geestelijke magt der

Roomsche Kerk, ten spijt van gevangenis, kerker, honger, geeseling en

andere voortreffelijke middelen om haar te overtuigen, welke in dien

tijd, naar het schijnt, niet ten eenemale vreemd waren. "Gij zult nooit

die vrouw tot gehoorzaamheid kunnen brengen," zeide die geestelijke,

die de gelaatsleer beoefende, vóór hare regelen nog waren gevonden,

"zij heeft een vierkant hoofd, en ik heb opgemerkt, dat menschen met

vierkante hoofden nooit iets opgeven."

Wij achten het zeer waarschijnlijk, dat Harry met zijn "vierkant

hoofd," een zelfde karakter bezat. Wij houden hem voor een van die

voorwerpen, die zeer hooge waarde hebben, indien de eigenaar ze maar

weet te gebruiken. Zijn hoofd heeft voor niemand eenig nut dan voor

hem, die het op zijne schouders heeft; en de meester schijnt daarop

ook te zinspelen door vijf en twintig dollars meer te bieden voor

het hoofd zonder het ligchaam, dan hij geven zou voor hoofd en man

kompleet. Arme Harry! Zou men u reeds hebben opgespoord? of hebben

welligt de ondoordringbare bosschen, de vergiftige dampen, de doodende

adders en de hongerige krokodillen der moerassen, barmhartiger dan de

slaven-jagers, met hunne gedrochtelijke en afschuwwekkende ligchamen

het eenige gebied in Carolina voor hem afgesloten, waar een slaaf

in vrijheid leven kan? Dat gebied, dat Longfellow ons in de volgende

dichterlijke en tot mededoogen opwekkende regelen schetst:

De neger, lang en driest vervolgd,

Ligt in het boschmoeras;

Hij zag het vuur van 't nachtlijk kamp,

Vernam der paarden hoefgestamp,

En 't verre hondgebas.

Waar glimworm wemelt, dwaallicht glanst

En door het rietbosch trekt,

Waar golvend slijk den pijn bespat,

De ceder groeit en 't giftig blad

Als de adder is gevlekt;

Waar naauw eens menschen voet zich wendt,

Waar 't stoutste harte trilt,

Op 't zwiepend vlak van 't groen moeras,

Ligt hij in 't hooge, spitse gras,

Als in zijn leger 't wild.

Ach, de arme slaaf! verkreupeld, oud,

Is hem 't gelaat doorploegd;

Zijn voorhoofd draagt het merk der schand.

En 't lompenkleed, dat hem omspant,

Is wat verstoot'nen voegt.

't Was alles lichtglans boven hem

En vrij en blij bestaan.--

De eekhoorntjes speelden met elkaâr,

En wilde vogels hieven dáár

Het lied der vrijheid aan.

Op hem kleeft slechts de doem der smart,

Van zijn geboorte af aan;

De vloek van Caïn trof slechts hem,

Gelijk op 's dorschers luide stem,

De matte vlegel 't graan [8].

De beschaafde wereld zal welligt vragen, in welken Staat deze wet is

ontworpen, aangenomen, herzien en in stand gehouden, om thans nog onder

de herziene wetten voor te komen en in toepassing te worden gebragt

in het jaar onzes Heeren 1850, zoo als de bovenstaande uittreksels uit

zeer geloofwaardige bladen aantoonen. Misschien bij eenigen Heidenschen

of Turkschen stam, in een rooversnest, bij eene horde barbaren,

waar vertoornde goden gediend worden en de wijn, ter hunner eere, in

schedels wordt geplengd? De beschaafde wereld zal het niet gelooven,

maar het is een feit, dat deze wet gemaakt is en in stand gehouden

wordt door menschen, in ieder ander opzigt dan met betrekking tot hunne

slavenwet, zoo beschaafd en verlicht van geest, zoo menschlievend

als eenige andere Christen natie; door burgers, die zich beroemen

uit Schotsch bloed te zijn gesproten en de christen-instellingen van

dat land onder zich te hebben doen voortleven. Nieuwsgierigheid om

de mannen te kennen, die toen de Wetgevende Magt in Noord-Carolina

uitmaakten, leidde de schrijfster tot eene meer opzettelijke studie

der handelingen en beraadslagingen der Conventie van dien Staat, die

geroepen werd om zijne constitutie te herzien en den 4den Junij 1835

te Raleigh bijeenkwam. Regtvaardigheid dwingt ons te erkennen, dat

bij die beraadslagingen, waarin al de verschillende en vaak strijdige

belangen van alle onderdanen van den Staat werden ter sprake gebragt,

zooveel eerlijkheid, regtschapenheid, gematigdheid, goede trouw en

zuiverheid van bedoelingen in de behandeling der tegenover elkander

staande aanspraken, en zulk een doorgaande eerbied voor de pligten

van wet en godsdienst, aan den dag gelegd werden, als zeker slechts

zelden in die mate worden aangetroffen in de discussiën van wetgevende

vergaderingen, die met zulk eene taak zijn belast. Die handelingen

leveren het bewijs, dat men het godsdienstig gevoel of de beschaving

van personen niet kan beoordeelen naar eene schijnbaar laakbare

handelwijze, wanneer die personen zijn opgevoed onder een stelsel,

dat in strijd is met beiden. Voor zoo verschillende toepassing is

het begrip van hetgeen wij deugd noemen vatbaar.

Men kan toch niet aannemen, dat mannen als de regter Ruffin of zoo vele

anderen, die deel uitmaakten van de Conventie, waarvan wij spreken,

zich zelven bevoordeelen wilden door de bepalingen van zulk eene

wet. Maar wat dan? Die wet toch maakt de weerlooze slaven eensklaps

tot eene prooi van die klasse van menschen, die in elke maatschappij

bestaan, die geen geweten, geen eergevoel, geene schaamte hebben,

die te ver beneden de achting hunner medeburgers staan, om door de

publieke opinie te worden teruggehouden, en voor wie nu ook de wet

den eenigen band, die hen nog zou kunnen binden, verbreekt. Zulke

menschen zijn niet zeldzaam in het Zuiden. Men ondervindt helaas

maar al te zeer, dat zij overal bestaan, in Engeland, in Amerika,

in alle deelen der wereld; maar hunne verdorvenheid kan slechts tot

volle ontwikkeling komen onder een stelsel, dat hen met absolute magt

bekleedt en hen van alle verantwoording ontslaat.

De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut · 第 60 / 220 题