Daar ligt iets romantisch in die beschrijving van Harry, die hier in
het openbaar wordt aangeboden om te worden gedood op iedere wijze,
die de een of andere neger-jager in de moerassen het aangenaamst en
opwekkends mogt vinden. Hij blijkt een timmerman te zijn, een stevig
gebouwd man, wiens krachten en vermogen hem tot groot voordeel zouden
kunnen strekken. Hij heeft eene vrouw, en volgens de aankondiging wordt
het mogelijk geacht, dat hij zich in hare nabijheid schuil houdt. Dit
getuigt waarlijk voor de scherpzinnigheid van den steller. Getrouwde
mannen zijn in den regel eenigzins gesteld op het gezelschap
hunner vrouwen. Slaan wij thans een blik op het portret van Harry:
"oogen diep in het hoofd gezonken; voorhoofd vierkant." Dat voorkomen
herinnert ons aan hetgeen een oud geestelijke, die tot de vervolgers
der Jansenisten behoorde, eens zeide van eene zekere abdis, die
halsstarrig voortging zich aan ongeoorloofde daden schuldig te maken,
in het aangezigt van de gansche wereldlijke en geestelijke magt der
Roomsche Kerk, ten spijt van gevangenis, kerker, honger, geeseling en
andere voortreffelijke middelen om haar te overtuigen, welke in dien
tijd, naar het schijnt, niet ten eenemale vreemd waren. "Gij zult nooit
die vrouw tot gehoorzaamheid kunnen brengen," zeide die geestelijke,
die de gelaatsleer beoefende, vóór hare regelen nog waren gevonden,
"zij heeft een vierkant hoofd, en ik heb opgemerkt, dat menschen met
vierkante hoofden nooit iets opgeven."
Wij achten het zeer waarschijnlijk, dat Harry met zijn "vierkant
hoofd," een zelfde karakter bezat. Wij houden hem voor een van die
voorwerpen, die zeer hooge waarde hebben, indien de eigenaar ze maar
weet te gebruiken. Zijn hoofd heeft voor niemand eenig nut dan voor
hem, die het op zijne schouders heeft; en de meester schijnt daarop
ook te zinspelen door vijf en twintig dollars meer te bieden voor
het hoofd zonder het ligchaam, dan hij geven zou voor hoofd en man
kompleet. Arme Harry! Zou men u reeds hebben opgespoord? of hebben
welligt de ondoordringbare bosschen, de vergiftige dampen, de doodende
adders en de hongerige krokodillen der moerassen, barmhartiger dan de
slaven-jagers, met hunne gedrochtelijke en afschuwwekkende ligchamen
het eenige gebied in Carolina voor hem afgesloten, waar een slaaf
in vrijheid leven kan? Dat gebied, dat Longfellow ons in de volgende
dichterlijke en tot mededoogen opwekkende regelen schetst:
De neger, lang en driest vervolgd,
Ligt in het boschmoeras;
Hij zag het vuur van 't nachtlijk kamp,
Vernam der paarden hoefgestamp,
En 't verre hondgebas.
Waar glimworm wemelt, dwaallicht glanst
En door het rietbosch trekt,
Waar golvend slijk den pijn bespat,
De ceder groeit en 't giftig blad
Als de adder is gevlekt;
Waar naauw eens menschen voet zich wendt,
Waar 't stoutste harte trilt,
Op 't zwiepend vlak van 't groen moeras,
Ligt hij in 't hooge, spitse gras,
Als in zijn leger 't wild.
Ach, de arme slaaf! verkreupeld, oud,
Is hem 't gelaat doorploegd;
Zijn voorhoofd draagt het merk der schand.
En 't lompenkleed, dat hem omspant,
Is wat verstoot'nen voegt.
't Was alles lichtglans boven hem
En vrij en blij bestaan.--
De eekhoorntjes speelden met elkaâr,
En wilde vogels hieven dáár
Het lied der vrijheid aan.
Op hem kleeft slechts de doem der smart,
Van zijn geboorte af aan;
De vloek van Caïn trof slechts hem,
Gelijk op 's dorschers luide stem,
De matte vlegel 't graan [8].
De beschaafde wereld zal welligt vragen, in welken Staat deze wet is
ontworpen, aangenomen, herzien en in stand gehouden, om thans nog onder
de herziene wetten voor te komen en in toepassing te worden gebragt
in het jaar onzes Heeren 1850, zoo als de bovenstaande uittreksels uit
zeer geloofwaardige bladen aantoonen. Misschien bij eenigen Heidenschen
of Turkschen stam, in een rooversnest, bij eene horde barbaren,
waar vertoornde goden gediend worden en de wijn, ter hunner eere, in
schedels wordt geplengd? De beschaafde wereld zal het niet gelooven,
maar het is een feit, dat deze wet gemaakt is en in stand gehouden
wordt door menschen, in ieder ander opzigt dan met betrekking tot hunne
slavenwet, zoo beschaafd en verlicht van geest, zoo menschlievend
als eenige andere Christen natie; door burgers, die zich beroemen
uit Schotsch bloed te zijn gesproten en de christen-instellingen van
dat land onder zich te hebben doen voortleven. Nieuwsgierigheid om
de mannen te kennen, die toen de Wetgevende Magt in Noord-Carolina
uitmaakten, leidde de schrijfster tot eene meer opzettelijke studie
der handelingen en beraadslagingen der Conventie van dien Staat, die
geroepen werd om zijne constitutie te herzien en den 4den Junij 1835
te Raleigh bijeenkwam. Regtvaardigheid dwingt ons te erkennen, dat
bij die beraadslagingen, waarin al de verschillende en vaak strijdige
belangen van alle onderdanen van den Staat werden ter sprake gebragt,
zooveel eerlijkheid, regtschapenheid, gematigdheid, goede trouw en
zuiverheid van bedoelingen in de behandeling der tegenover elkander
staande aanspraken, en zulk een doorgaande eerbied voor de pligten
van wet en godsdienst, aan den dag gelegd werden, als zeker slechts
zelden in die mate worden aangetroffen in de discussiën van wetgevende
vergaderingen, die met zulk eene taak zijn belast. Die handelingen
leveren het bewijs, dat men het godsdienstig gevoel of de beschaving
van personen niet kan beoordeelen naar eene schijnbaar laakbare
handelwijze, wanneer die personen zijn opgevoed onder een stelsel,
dat in strijd is met beiden. Voor zoo verschillende toepassing is
het begrip van hetgeen wij deugd noemen vatbaar.
Men kan toch niet aannemen, dat mannen als de regter Ruffin of zoo vele
anderen, die deel uitmaakten van de Conventie, waarvan wij spreken,
zich zelven bevoordeelen wilden door de bepalingen van zulk eene
wet. Maar wat dan? Die wet toch maakt de weerlooze slaven eensklaps
tot eene prooi van die klasse van menschen, die in elke maatschappij
bestaan, die geen geweten, geen eergevoel, geene schaamte hebben,
die te ver beneden de achting hunner medeburgers staan, om door de
publieke opinie te worden teruggehouden, en voor wie nu ook de wet
den eenigen band, die hen nog zou kunnen binden, verbreekt. Zulke
menschen zijn niet zeldzaam in het Zuiden. Men ondervindt helaas
maar al te zeer, dat zij overal bestaan, in Engeland, in Amerika,
in alle deelen der wereld; maar hunne verdorvenheid kan slechts tot
volle ontwikkeling komen onder een stelsel, dat hen met absolute magt
bekleedt en hen van alle verantwoording ontslaat.