BESCHERMENDE WETTEN VAN ZUID CAROLINA EN LOUISIANA. HET HALSIJZER
VAN LOUISIANA EN NOORD-CAROLINA.
Tot hiertoe hebben wij de beschermende wetten van Noord-Carolina,
Georgia en Tennessee beschouwd; thans willen wij ook een blik slaan
op de gezamenlijke beschermende wetten der overige Staten, als proeven
van wetgeving.
In Zuid-Carolina straft de wet van 1740 het opzettelijk, met
voorbedachten rade dooden van een slaaf, met het ontnemen van het
burgerregt en eene boete van zeven honderd pond, of, bij wanbetaling,
met eene gevangenisstraf van zeven jaar. Maar het opzettelijk
vermoorden van een slaaf, in den zin bij de wet bedoeld, is eene
misdaad, die niet dikwijls zal gepleegd worden. Juist die soort van
doodslag, welke zeker het meest door eigenaren of opzigters gepleegd
zal worden, werd aan die bepaling onttrokken, want een ander artikel
dierzelfde wet, dat wij hier laten volgen, ten einde de lezer zelf
de gevolgtrekking make, luidt:
"Indien iemand, in drift of plotselinge opwelling van toorn of
door eene billijke straf, zijn eigen slaaf of den slaaf van een
ander doodt, zal hij gestraft worden met eene boete van drie
honderd vijftig pond."
In 1821 werd de wet, waarbij het opzettelijk dooden van den slaaf
slechts met gevangenis werd gestraft, grootendeels ingetrokken, en
op zulk eene misdaad de doodstraf gesteld; maar die tweede bepaling,
die betrekking heeft op het dooden van een slaaf in drift of in
eene plotselinge opwelling van toorn, of door eene billijke straf,
werd slechts veranderd door--eene vermindering der geldboete tot op
vijf honderd dollars, benevens eene gevangenisstraf voor den tijd
van zes maanden.
De tweede beschermende wet, die wij thans willen nagaan, is die van
Zuid-Carolina, in 1740 tot stand gebragt.
"In geval iemand opzettelijk de tong wegsnijdt of het oog
uitsteekt..... van een slaaf of hem wreedaardig schroeit of
brandt of een ligchaamsdeel ontneemt, of eenige andere straf doet
ondergaan dan geeseling of tuchtiging met eene rijzweep, riemen,
teenen, dunne stokken of het sluiten van den slaaf in ijzeren
boeijen of inkerkering, wordt hij voor elk dier mishandelingen
gestraft met eene geldboete van honderd pond."
In de bewoordingen dezer wet ligt, even als in iedere andere
beschermende bepaling, eene diepe beteekenis. Terstond reeds moeten
wij vragen welk eene soort van instelling en welken toestand der
maatschappij verraadt eene wet, die zulke voorschriften bevat? In den
regel worden de wetten niet gemaakt tegen feiten die niet gepleegd
worden en min of meer algemeen zijn.
De voorstanders van het slavenstelsel zijn zeer geneigd om het te
vergelijken met het stelsel, ten aanzien der arbeiders in Engeland en
Amerika gevolgd. Veronderstellen wij dat in het Engelsche Parlement
of bij de Wetgevende Magt van Noord-Amerika, de volgende wet werd
voorgesteld, onder den titel van "Wet tot bescherming van werklieden",
enz.
"In geval iemand opzettelijk de tong wegsnijdt of het oog uitsteekt
van een werkman, of hem wreedaardig schroeit of brandt of een
ligchaamsdeel ontneemt of eenige andere straf doet ondergaan
dan geeseling of tuchtiging met eene rijzweep, riemen, teenen,
dunne stokken of het sluiten in ijzeren boeijen of inkerkering,
wordt hij voor elke dier mishandelingen gestraft met eene boete
van honderd pond."
Op welke wijze zulk eene wet in Engeland zou ontvangen worden, zal een
Engelschman zelf het best kunnen beslissen; maar in Amerika zou het
hem, die haar voorstelde, slechts onder de kandidaten voor Bedlam doen
rangschikken. En toch, dat er zulk eene wet in Zuid-Carolina vereischt
wordt, blijkt genoeg, wanneer wij in aanmerking nemen, dat, omdat er
zulk eene wet niet bestaat in Virginia, het daar is uitgemaakt, dat een
ellendeling, die een slaaf al deze wreedheden doet ondergaan, daarvoor
niet kan vervolgd worden, ten zij de slaaf er onder bezweken is.
Maar gaan wij voort. Welke straf staat nu op het plegen dier gruwelijke
wreedheden?
De man, die ze pleegt, verbeurt honderd pond. Zeker mag hij dat wel
betalen voor zulk eene onnoodige daad, wanneer, van de andere zijde,
de Wetgevende Magt hem verlof geeft tot iedere marteling, die zijne
wraakzucht en scherpzinnigheid kunnen uitdenken, door middel van
rijzweep, riemen, teenen, een dunnen stok, of door het sluiten in
boeijen of inkerkering. Ieder zal moeten toestemmen, dat hier ruim
kust en keur is van wettige middelen tot marteling, om eene gewone
dorst naar wraak te lesschen, en dat eene grootere verscheidenheid
van pijnigingswerktuigen overtollig zou zijn. De voorstanders der
slavernij, zijn geneigd om den toestand van den slaaf met dien van den
engelschen landman te vergelijken. Wij wisten niet, dat de landbouwer
in Engeland ongelukkig genoeg was, nu de dagen der lijfeigenschap
voorbij zijn, om door zulk eene bepaling beschermd te worden.
De regter Stroud zegt, dat, wat de hoofdpunten betreft, dezelfde wet
in Louisiana is aangenomen. De burgerlijke wet van Louisiana drukt
dan ook op de volgende wijze hare menschlievende strekking uit:
De slaaf is ten eenemale ondergeschikt aan zijn meester, die
hem mag kastijden en tuchtigen, maar niet met buitengewone
gestrengheid, noch zoodanig, dat hij hem verlamt of
verminkt, of zijn leven in gevaar stelt of zijn dood
veroorzaakt. Burg. Wetb. Louisiana, art. 173.
De uitdrukking "buitengewone gestrengheid" geeft weder veel te
denken. Het geeft de handen vrij aan de jury in Staten, waar
slaven gewoon zijn te sterven, onder eene matige tuchtiging; waar
vogelvrij-verklaarde slaven mogen gedood worden door de middelen,
die men geschikt zal achten; en waar men speciale wetten heeft moeten
maken tegen het schroeijen, branden, uitsnijden der tong, uitsteken
van het oog, enz. Wat zal men dan buitengewone gestrengheid moeten
noemen? Dit is eene vraag voorzeker, die de onderdanen van Staten,
waar zulke wetten niet bestaan, moeijelijk kunnen oplossen. In een
der uittreksels uit de nieuwsbladen, waarvan wij in onze voorrede
gewaagden, werd de volgende beschermende wet van Louisiana, als
bijzonder bevredigend en geruststellend genoemd. Wij geven haar zoo
als wij ze in de schets van den regter Stroud aangehaald vonden.
Geen eigenaar zal gedwongen worden zijn slaaf te verkoopen, dan
in een der twee volgende gevallen: vooreerst, wanneer hij slechts
mede-eigenaar van den slaaf is, en de andere mede-eigenaar de
verkooping vraagt, ten einde de eigendommen te verdeelen; ten
tweede, wanneer er bewijzen aanwezig zijn, dat de eigenaar zijn
slaaf wreed mishandeld heeft, en de regter het oorbaar keurt om,
behalve het opleggen der boete voor dat geval bepaald, te bevelen,
dat de slaaf in het openbaar zal verkocht worden, ten einde hem
buiten het bereik te stellen van de magt, waarvan de meester
misbruik heeft gemaakt.--Burg. Wetb. art. 192.
Het punt, dat thans ter beslissing van de jury zal staan, is: wat is
eene wreede mishandeling van den slaaf? En indien nu al die wreedheden,
die door het besluit der Wetgevende Magt, dat wij hebben aangehaald,
niet beschouwd worden als wreede mishandelingen, dan mogen wij met
regt vragen, wat wordt daaronder dan verstaan?
Al wat wraakzucht en wreedheid kunnen verlangen, kan gepleegd
worden onder bescherming der wet van Zuid-Carolina, die, zoo als wij
zeiden, ook in Louisiana bestaat. Het is waar de wet sluit eenige
wreedheden uit. Indien iemand lust heeft zijn slaaf te schroeijen
of te branden--en uit de wet moet men opmaken, dat er zoodanige
menschen zijn,--dan waarschuwt de wet hem dat hij dit behoorlijk
zonder getuigen doet; want als toetssteen der regtspleging in het
Zuiden kan de bepaling dienen, dat het getuigenis van kleurlingen
door de wet niet erkend wordt, en die mishandeling, al werd zij ook
met de grootste onbeschaamdheid door den eigenaar gepleegd, in het
bijzijn van honderden zijner slaven, zou nimmer bewezen kunnen worden.
Men mag aannemen, dat de wreedaards, die zulk eene wet op het oog
heeft, over het algemeen genoeg gezond verstand zullen hebben, om zich
aan die mishandelingen niet schuldig te maken in tegenwoordigheid
van blanke getuigen, daar deze enkele maatregel van voorzigtigheid
hun ten eenemale de vrijheid geeft om te doen wat zij goedvinden. Men
heeft ons gezegd, zooals ons ook door onzen vriend in het nieuwsblad,
dat wij aanhaalden, herinnerd is, dat in Louisiana, de leemte die
ontstaat door het van onwaarde verklaren van het getuigenis van negers,
aangevuld is door de volgende merkwaardige bepaling in den Code Noir:
"Indien een slaaf verminkt, geslagen of mishandeld is, strijdig
met de ware strekking en bedoeling dezer bepaling, en niemand
daarbij tegenwoordig is, zal in dat geval de eigenaar of de
persoon, met het toezigt van den aldus verminkten slaaf belast,
verantwoordelijk gesteld voor en schuldig gehouden worden aan
gezegde mishandeling en zonder verder bewijs veroordeeld worden,
tenzij gezegde eigenaar of ander persoon voormeld het tegendeel
kan aantoonen door goede en deugdelijke bewijzen, of zich door
zijn eed van de aanklagt kan zuiveren, welken eed elke Regtbank,
ter kennisse waarvan zulk eene mishandeling zal zijn gebragt,
bij de wet gemagtigd wordt af te nemen. Code Noir, misdaden en
misdrijven, 56, XVII."
Kan men gelooven, dat verstandige menschen zulk eene proeve van
verregaanden onzin--zoo belagchelijk reeds bij de eerste lezing--ooit
als wet hebben kunnen uitvaardigen?
Het doel is om het regt zijn loop te doen hebben ten aanzien dier
wreedaards die schroeijen, branden, verminken enz. Hoe wordt dit
gedaan?
Men heeft bepaald dat, wanneer een slaaf in een toestand van verminking
wordt gevonden, de eigenaar of opzigter daarvan verdacht zal zijn,
tenzij--tenzij wat? Tenzij hij het tegendeel kan bewijzen--of
het tegendeel kan bezweren, dit komt op hetzelfde neder: beiden
beantwoorden aan het doel. De vraag is: zal iemand, die slecht genoeg
is dat te doen, ook niet slecht genoeg zijn om een valschen eed af
te leggen? Zullen menschen, die de verpersoonlijkte wreedheid zijn,
zooals die mishandelingen moeten doen gelooven, ook niet gewetenloos
genoeg zijn om een valschen eed te zweren?
Waarvoor werd deze wet ooit gemaakt? Wie waagt het dit op te lossen?
Omtrent deze gansche zaak willen wij het oordeel hier laten volgen
van den regter Stroud, die in de volgende bewoordingen de gansche
massa der beschermende wetten in het slavenstelsel in de Vereenigde
Staten van Noord-Amerika zamenvat.
"Het resultaat van eene naauwkeurige beschouwing van al wat
over dit punt is geschreven, is--dat de magt van den meester om
ligchamelijke straf toe te passen tot op zekere hoogte, in al de
slavenhoudende Staten geoorloofd wordt door de wet; dat in ten
minste twee Staten uitdrukkelijk veroorloofd wordt om gebruik
te maken van de rijzweep of riemen, als werktuigen om den slaaf
te slaan; dat hij in dezelfde Staten, volstrekt straffeloos den
slaaf in boeijen kan klinken, om hem tot levenslange gevangenis te
doemen, wanneer hij dat verkiest; dat voor wreedaardig schroeijen,
opzettelijk uitsnijden der tong, uitsteken van het oog, of
voor eenige andere verminking, wanneer zij bewezen is, slechts
eene boete van honderd pond beloopen wordt in Zuid-Carolina;
dat, ofschoon in alle Staten op het willekeurig, opzettelijk en
moedwillig dooden van den slaaf, thans de doodstraf gesteld is,
die straf, daar slechts blanken als getuigen kunnen gehoord worden
in een proces tegen een blanke, slechts zelden, zoo niet nooit,
kan worden toegepast."
Wanneer men nu deze met eene andere wet, in Louisiana van kracht,
vergelijkt, dan zal men moeten erkennen, dat er waarlijk niet
veel te rekenen is op de algemeene menschlievendheid, die met
een slavenstelsel onvereenigbaar is. Wij zeiden zoo even, dat die
merkwaardige beschermende wet van Zuid-Carolina, ten opzigte van het
schroeijen, branden, verminken enz. van den slaaf, wat de hoofdzaak
betreft ook in Louisiana aangenomen werd; en dat de straf voor het
plegen dier gruweldaden, wanneer men niet bedachtzaam genoeg is,
om ze op eene afgezonderde plaats te plegen, zich bepaalt tot eene
geldboete van vijf honderd dollars.
Vergelijken wij thans daarmede eene andere wet van Louisiana:
Indien iemand, wie ook, een ijzeren keten of band breekt of
schendt, waarvan een slaven-eigenaar zich bediend heeft om het
wegloopen of ontsnappen van eenigen slaaf of slaven te beletten,
wordt hij, wanneer de daad bewezen is, gestraft met eene boete
van honderd tot duizend dollars en eene gevangenisstraf van zes
tot vier en twintig maanden." Besluit der Wetgevende Vergadering
van 6 Maart 1819.
Een Europeaan zal met regt vragen: wat is dat halsijzer, dat de
Wetgevende Magt waardig gekeurd heeft om in eene speciale wet in
hare bescherming te nemen? Tot beantwoording dier vraag roepen wij
het zeer geloofwaardige getuigenis in van Miss Sarah M. Grimké, eene
persoonlijke bekende van de schrijfster. Miss Grimké is de dochter
van den nu overleden regter bij het Hoog Geregtshof van Zuid-Carolina
en zuster van wijlen den heer Thomas S. Grimké. Thans is zij lid
van de Society of Friends, en woont te Belleville, New Jersey. Hare
mededeeling is van dien aard, dat de schrijfster nimmer voornemens was
die publiek te maken en ook nooit zou hebben publiek gemaakt, indien
zij het thans niet noodzakelijk oordeelde, om daarmede de slaven-wetten
toe te lichten. Die mededeeling komt voor in een verslag, door Miss
Grimké aan haar schoonbroeder Weld gezonden, en is reeds openbaar
gemaakt in 1839, in diens werk, getiteld: De slavernij zoo als zij is.
"Eene schoone mulattin, ongeveer achttien of twintig jaar oud,
wier onafhankelijk gemoed de vernederende slavernij niet kon
dragen, liep gedurig weg; voor dat misdrijf was zij door haar
eigenaar en eigenares herhaaldelijk naar den opzigter van het
Charlestown-werkhuis gezonden, om daar met zweepslagen te worden
gestraft. Dit was met zoo veel onmenschelijke gestrengheid gedaan,
dat het vleesch op haar rug op de vreeselijkste wijze vaneen was
gereten; men kon geen vinger tusschen twee wonden leggen. Maar
hare zucht naar vrijheid was te krachtig, om door marteling te
worden uitgedoofd; en eindelijk werd zij herhaalde malen achter
elkander gegeeseld en in boeijen gesloten. Een zware ijzeren band,
met drie lange staven er aan, werd om haar hals gesmeed, en een
stevige gezonde voortand haar uitgehaald, als herkenningsmiddel,
wanneer zij mogt ontsnappen. Haar lijden was verschrikkelijk; zij
kon slechts op haar rug liggen, en deze was geheel vaneen gereten
door de geeselslagen, zoo als ik persoonlijk heb gezien; haar
eenige rustplaats was eene mat op den grond. Deze mishandelingen
werden gepleegd in een huisgezin, waarin de vrouw des huizes
dagelijks in den bijbel las en met hare kinderen godsdienstoefening
hield. Zij ging door voor en was ook, voor zooveel betreft het
geven van aalmoezen, eene liefdadige vrouw en zeer medelijdend
voor de armen; en toch was de lijdende slavin, die naaister van
het gezin was, altijd in de kamer dier vrouw bezig met naaiwerk
of andere huiselijke verrigtingen, met haar gewonden en bloedenden
rug, haar geschonden mond en grooten ijzeren halsband, zonder, naar
het schijnt, eenigen zweem van medelijden in haar op te wekken."
Van dien ijzeren halsband heeft de schrijfster ook uit andere even
geloofwaardige bronnen veel gehoord. [9] Dat men hem dagelijks in de
straten zal zien is niet waarschijnlijk; maar dat hij dikwijls gebruikt
wordt blijkt daaruit, dat men eene wet heeft noodig geacht om hem tegen
schending te bewaren. En vergelijk thans eens de straffen bij die twee
wetten gesteld! De barbaarsche wreedheid in de wet van Zuid-Carolina
omschreven komt hem, die ze pleegt, slechts op vijfhonderd dollars te
staan, indien hij het doet in tegenwoordigheid van blanken. De daad
van menschlievendheid, in de tweede wet vermeld, wordt gestraft met
eene boete van twee honderd tot duizend dollars en eene gevangenis van
zes tot vier-en-twintig maanden, naar goedvinden der regtbank! Welk
gevoel bezielde de meerderheid der Wetgevende Vergadering toen deze
wetten gemaakt werden?