Bescherming van werklieden.--Vogelvrij-verklaring.--Prue in de
moeras.--Harry de timmerman.--Een roman uit het werkelijke leven.
Maar nu is de vraag: zijn er geene bepalingen, waarvan de erkende
strekking is, de bescherming van lijf en leden der slaven? Ja, er zijn
er, en die beschermende bepalingen behooren tot de merkwaardigheden
der bestaande wetgeving.
Dat zij ontsproten zijn uit een geest van menschenmin, van liefde, die
alle dingen hoopt, willen wij aannemen; maar geene moordtafreelen en
gruwelijke mishandelingen, die in de nieuwsbladen worden medegedeeld,
geven ons zulk een treurig denkbeeld van de gevoelloosheid
der overgroote meerderheid, als deze zoogenaamde beschermende
bepalingen. Wij willen er eene uit de wetten van Noord-Carolina
afschrijven. De derde afdeeling der Wet van 1798 luidt:
"Vermits bij eene vroegere wet, van 1774, door de Wetgevende
Magt is aangenomen, dat voor het dooden van een slaaf, ofschoon
baldadig, wreed en moedwillig, slechts gevangenisstraf en het
opleggen van eene boete, gelijkstaande met de waarde van den slaaf,
ten voordeele van den eigenaar, kan worden uitgesproken; en dit
verschil in straf voor den moord op een blanke gepleegd, en voor
het dooden van hem, die toch ook een menschelijk wezen is, ofschoon
van eene andere natuur, in strijd is met de menschlievendheid en
in hooge mate onteerend voor de wetten en grondbeginsels van een
vrij, christelijk en verlicht volk, zoo wordt besloten enz., dat,
indien voortaan iemand schuldig bevonden wordt aan het moedwillig
en baldadig dooden van een slaaf, hij zal worden schuldig verklaard
aan moord, en op hem dezelfde straf zal worden toegepast als
of hij een vrijen man had gedood; onder dien verstande echter,
dat deze wet zich niet uitstrekt tot hem, die een slaaf doodt,
welke krachtens een besluit, door de Wetgevende Magt van dezen
Staat uitgevaardigd, vogelvrij is verklaard, of een slaaf, die
zich verzet tegen zijn wettigen heer en meester, of die onder
eene gematigde kastijding sterft."
Eene wet met gelijke voorwaarden, behalve de vogelvrij-verklaring,
bestaat ook in Tennessee.
In de constitutie van Georgia lezen wij in art. 4 der 12de afdeeling:
Iemand, die baldadig zijn slaaf verminkt of hem het leven ontneemt,
zal dezelfde straf ondergaan als zou worden opgelegd, wanneer die
daad gepleegd ware op een vrijen blanke, wordende ook dezelfde
bewijzen vereischt. Deze bepaling is echter niet van toepassing,
wanneer de slaaf zich aan oproerigheid schuldig maakt, of wanneer
de dood toevallig is en het gevolg eener gematigde kastijding."
Verbeelde een Europeaan zich nu eens, dat er zulke wetten voor
werklieden enz. aan de Wetgevende Magt, als beschermende wetten werden
voorgesteld! Zulke wetten, die in zoo vele woorden het vermoorden van
den ondergeschikte onder drie voorwaarden veroorlooven, en dat die drie
voorwaarden over het algemeen alle gevallen omvatten, waarop de wet
van toepassing kan zijn; namelijk, wanneer de slaaf tegenstand biedt,
vogelvrij is verklaard, of sterft onder eene gematigde kastijding.
Welke wet ter wereld zal ooit eene kastijding als bovenmatig kunnen
kenschetsen, indien het feit, dat de gekastijde er onder bezweken is,
niet aanwezig is? Hoevele "toevallige" slagtoffers zouden er kunnen
zijn vóór de toepassing van zulke beschermende bepalingen kon worden
geeischt.
"Maar," zal men welligt vragen, "wat is die vogelvrijverklaring,
waarvan in de wet gesproken wordt?" Ter beantwoording dier vraag
heeft schrijfster dezes het volgende uit de Herziene Wetten
van Noord-Carolina, Hoofdstuk LXI, afdeeling 22, overgenomen. De
considerans dezer wet zal, gelooven wij, de denkbeelden omtrent de
slavernij wel wijzigen van hen, die ze slechts leerden kennen uit
die tafereelen van ongestoorde tevredenheid en Arcadische rust,
die in den laatsten tijd er van zijn opgehangen.
"Vermits het niet zeldzaam is dat slaven wegloopen en vlugten,
en zich verschuilen en verbergen in moerassige streken, bosschen
en andere digtbegroeide plaatsen, waar zij hoornvee en varkens
dooden, en op andere wijze zich vergrijpen aan de eigendommen
der inwoners van den Staat; zullen er voor al zulke gevallen twee
vrede-regters in de county worden aangewezen, waarin zulk een slaaf
of zulke slaven zijn of worden verondersteld te zijn verborgen
en misdrijven te plegen, die bij deze wet worden gemagtigd en
gelast eene proclamatie uit te vaardigen tegen zulk een slaaf
of zulke slaven (waarin hij of zij bij name en bij den naam van
hun eigenaar of eigenaars, indien deze bekend zijn, wordt of
worden opgeroepen) en hem of hen of elk van hen aan te manen zich
terstond aan te geven; en waarbij tevens de sheriff van zulk eene
county wordt gemagtigd en gelast, die magt met zich te nemen,
die hij noodig oordeelt om zulk een weggeloopen slaaf of zulke
weggeloopen slaven te zoeken, te achtervolgen en met geweld terug
te voeren. De proclamatie zal aangeplakt worden op de deur van het
geregtshof en op zulke andere plaatsen als gezegde regterlijke
ambtenaren zullen goedvinden. En indien een slaaf of slaven,
tegen wien of wie de proclamatie is uitgevaardigd, geen gehoor
daaraan geven en niet onmiddellijk terugkeeren, is een ieder,
wie ook, gemagtigd om zulk een slaaf of zulke slaven te dooden,
op die wijze en door die middelen, die hij geschikt zal achten,
zonder dat hij daarvoor zal vervolgd of gestraft worden."
De ondervinding heeft het reeds geleerd, welke wijzen en middelen er
niet kunnen geschikt geacht worden om een slaaf te dooden. Wat heeft
men gedaan met den neger Mac Intosh, in de straten van St. Louis, op
klaarlichten dag? en heeft niet het hoogste Geregtshof in den Staat,
waarbij van die daad, als de perken der wet overschrijdende, aanklagt
werd gedaan, haar niet in behandeling willen nemen omdat zij "eene daad
was door de meerderheid der achtenswaardigste burgers gepleegd?" [5]
Wat kan er nu niet plaats hebben in de eenzame moerassen in
Noord-Carolina door menschen van het karakter van Souther en Legree?
Deze aanhaling uit de Herziene Wetten van Noord-Carolina roept
schrikkelijker tooneelen voor de verbeelding dan die, welke de
schrijfster in de Negerhut geschetst heeft. Denken wij ons eens
eene ligt mogelijke episode uit het slavenleven onder de werking
dezer wet; de eene of andere rampzalige Prue of Peg, zooals in het
proces, zoo even door ons aangehaald, van den Staat tegen Mann, die
de zweepslagen moede, aan den opziener ontsnapt, de honden ontloopt,
naar de moerassen vlugt en daar, zoo als de wet woordelijk zegt, "zich
schuil houdt." Die wet zegt dat vele slaven dit doen, en ongetwijfeld
hebben zij daarvoor goede redenen. Wij weten allen hoe bedriegelijk die
moerassen van het zuiden zijn, de verblijfplaatsen van krokodillen en
vergiftige slangen, waar, tusschen modder en water, venijnige planten
wassen. Wie zou daar een schuilplaats durven zoeken? En toch Prue is
er heen gevlugt. Misschien bezoekt haar des nachts haar echtgenoot of
broeder, die zijn leven heeft gewaagd om een stuk rundvee te dooden,
opdat zij niet van honger omkome. De opzigter gaat naar den eigenaar
en deelt zijne ontdekking mede; de eigenaar stijgt te paard en roept
de hulp in der twee vrederegters.
Onder het drinken van eenige glazen brandewijn en het rooken van
cigaren wordt er eene proclamatie in den vorm opgemaakt, die de
gevlugte Prue aanmaant terug te keeren, en den Sheriff van de County
gelast, zulk eene magt met zich te nemen, als hij noodig oordeelt
voor het zoeken en vervolgen der gevlugte, welke proclamatie, tot
Prue's onderrigting, plegtig wordt aangeplakt op de deur van de
geregtszaal, en "op zulke andere plaatsen als gezegde regterlijke
ambtenaren zullen goedkeuren." [6] Veronderstellen wij nu, dat
Prue verhard of blind genoeg is om geen acht te slaan op al die
middelen van genade, en zich aan de beschermende schaduw van het
dak onzer eerste ouders blijft toevertrouwen. Veronderstellen wij
verder, dat de waardige overheidspersoon als eene laatste poging tot
bekeering en ten einde haar geene reden tot verschooning te laten,
met geheel zijne magt--menschen, paarden, honden en geweren--zich
naar de grens der moeras begeeft en daar de barmhartige proclamatie
luid afleest. Maar Prue, die het blaffen der honden hoort, te gelijk
met de proclamatie van den Sheriff en de kreten van Loker, Marks,
Sambo en Quimbo en al zulke wezens, zwart of wit, als een Sheriff
in den regel voor zulk eene jagt zal kunnen verzamelen, begeeft zich
slechts dieper in de moeras en blijft in hare vlugt volharden. Nu is
zij, volgens het besluit der Wetgevende Magt, vogelvrij en, naar de
bijna ongeloofelijke woorden van dat besluit, "is nu ieder, wie ook,
gemagtigd om haar te dooden op die wijze en door die middelen, die
hij geschikt zal achten, zonder dat hij daarvoor vervolgd of gestraft
zal worden." Welke verschrikkelijke, ofschoon maar al te mogelijke
tafereelen komen ons voor den geest, wanneer wij die woorden, op
zulk eene wijze en door zulke middelen als hij geschikt zal achten,
lezen. Zulk eene wijze en zulke middelen als iemand, wie ook, van
welk karakter en tot welk een trap van verfijnde barbaarschheid ook
geklommen, geschikt zal achten!! Zulk eene toestemming, zelfs om een
hond te dooden, op zulk eene wijze en door zulke middelen als maar
iemand goedvindt," mogt nimmer in het wetboek eener christelijke natie
te lezen staan; en toch hier staat zij geschreven ten aanzien van een
wezen, een deel van dat zelfde menschdom, waaruit en waarvoor Christus
geboren werd--een wezen dat, welligt, hoe onbeschaafd en onwetend ook,
Hij niet te gering zal achten om als het Zijne te erkennen, wanneer
Hij neder zal dalen, bekleed met de heerlijkheid Zijns Vaders, te
midden der heilige engelen.
En dat deze wet geene doode letter geweest is, daarvoor zijn
verschillende bewijzen. In 1836, onder anderen, las men in de Newbern
Spectator, de volgende proclamatie, en aankondiging:
Staat Noord-Carolina, county Lenoir.
"Vermits dezer dagen aanklagt is gedaan aan ons, vrederegters in
gezegde county, door William D. Cobb, uit de county Jones, dat
twee negerslaven, hem toebehoorende, en genaamd Ben (gewoonlijk
bekend onder den naam van Ben Fox) en Rigdon, de dienst van hun
meester verlaten hebben, en zich verscholen hebben in de county's
Lenoir en Jones, waar zij zich aan misdrijven schuldig maken;
manen zij (vrederegters), in naam van den Staat, gezegde slaven
aan, om terstond terug te keeren en zich naar de woonplaats van
hun meester voornoemd te begeven. Tevens gelasten zij hierbij den
Sheriff der county Lenoir om zich gereed te maken tot het zoeken
en opsporen van de slaven hierboven vermeld..... Krachtens het
besluit der Wetgevende Magt, betreffende dienstbaren en slaven,
verklaren wij bij deze, dat, indien genoemde slaven niet vrijwillig
terugkeeren en zich naar de woonplaats begeven van hun meester,
onmiddellijk na de openbaarmaking dezes, ieder gemagtigd is
gezegde slaven te dooden, op die wijze en door die middelen, die
hij geschikt zal achten, zonder dat men voor die daad vervolgd
zal kunnen worden, of eenige boete zal kunnen beloopen."
"Opgemaakt onder onze handteekening en zegel, den 12den November
1836."
B. Coleman, J. P. (zegel).
J. Jones, J. P. (zegel).
200 Dollars belooning. Van den ondergeteekende is, vóór ongeveer
drie jaren, weggeloopen een negerslaaf, genaamd Ben, gewoonlijk
bekend onder den naam van Ben Fox; als ook een andere neger,
genaamd Rigdon, die den 8sten dezer maand wegliep.
Voor elk der bovengemelde negers wil ik eene belooning van 100
dollars geven, wanneer zij mij in handen worden gesteld, of in
de gevangenis gebragt van de county's Lenoir of Jones, of voor
het dooden van hen, wanneer de ligchamen aan mij worden vertoond.
W. D. Cobb.
Dat deze wet geene doode letter was, blijkt ook ten duidelijkste
uit de beschermende wet, die wij eerst aanhaalden. Indien de slaven
nimmer vogelvrij waren, hoe zou dan de wet dit formeel hebben kunnen
erkennen? Immers, er staat uitdrukkelijk, dat die bescherming niet
geldt voor hen, die door eenig besluit der Wetgevende Magt vogelvrij
zijn verklaard. Die woorden reeds geven voldoende het bestaan dier
gewoonte aan.
Voorts bevat het Wetboek van 1821 nog twee besluiten, waarvan het
eerste de bepaling inhoudt, dat alle eigenaren in sommige county's,
wier slaven ten gevolge dier vogelvrij-verklaring, gedood zijn,
aanspraak hebben op eene schadevergoeding uit de staatskas, ten bedrage
der waarde van de gedoode slaven, tenzij bewezen worde, dat de slaaf
aan mishandelingen van de zijde zijns meesters bloot stond. Het tweede
besluit bevat de toepasselijk-verklaring dier bepaling in alle county's
van den Staat [7].
Eindelijk kunnen wij een bewijs aanvoeren, dat dat besluit omtrent
de vogelvrij verklaring nog in 1850--het jaar waarin de Negerhut
geschreven werd--geldig werd geacht. In het Wilmington Journal van
18 December 1850 toch vinden wij het volgende:
Staat Noord Carolina, county New-Hanover.
"Vermits dezer dagen aanklagt onder eede is gedaan aan ons,
vrederegters van gezegde county in den Staat vermeld, door
Guilford Horn uit de county Edgecombe, dat een zekere slaaf van het
mannelijk geslacht, hem toebehoorende, genaamd Harry, timmerman
van ambacht, omstreeks veertig jaar oud, lang vijf voet en vijf
duim of daaromtrent, gelaatskleur geel, breed van ligchaamsbouw,
met een likteeken op de linker dij (het gevolg van een houw met
eene bijl), lippen zeer dik, oogen, diep in het hoofd gezonken, een
der twee boven voortanden missende, en met een zeer donkere vlek
op de wang, die men veronderstelt een merkteeken te zijn--zijns
meesters dienst verlaten heeft, en verdacht wordt zich schuil te
houden in deze county, en daar misdrijven en ander kwaad plegende,
manen zij (vrederegters), in naam van den Staat gezegden slaaf
aan, vrijwillig terug te keeren en zich naar de woonplaats
van zijn meester te begeven; tevens verklaren zij, krachtens
het besluit der Wetgevende Magt, voor dit geval uitgevaardigd,
dat, indien gezegde slaaf Harry niet terugkeert en zich naar
zijn meester begeeft, onmiddellijk na de openbaarmaking dezes,
ieder hem mag dooden op zulk eene wijze en door zulke middelen,
als hij geschikt acht, zonder dat men voor die daad vervolgd zal
kunnen worden of eenige boete zal kunnen beloopen.
Opgemaakt onder onze handteekening en zegel, den 29sten Junij 1850.
James T. Miller, J. P. (zegel).
W. C. Bettencourt, J. P. (zegel).
Honderd vijf en twintig dollars belooning zal worden toegekend
voor het uitleveren van gezegden Harry aan mij, Tosnott Depôt,
county Edgecombe, of voor het brengen van hem in eenige gevangenis
van den Staat, van waar ik hem kan doen halen; of Honderd vijftig
dollars voor diengene, die mij zijn hoofd brengt.
Het laatst werd hij gezien te Newbern, waar hij zich noemde Henry
Barnes (of Burns). Waarschijnlijk zal hij denzelfden naam behouden
of dien van Copage of Tarner aannemen. Hij heeft tot vrouw eene
vrije mulattin, genaamd Sally Bozeman, welke laatstelijk naar
Wilmington is vertrokken, en in dat gedeelte der stad woont,
dat men Texas noemt. Mogelijk zal hij zich daar schuil houden.
Eigenaars van schepen worden in het bijzonder gewaarschuwd gezegden
neger niet te herbergen of eene schuilplaats te verleenen aan
boord hunner schepen, daar op hen de wet strengelijk zal worden
toegepast."