HET GEVOELEN VAN EEN ZUIDLANDER.

Aan den redacteur der National Era.

Ik heb juist in den New-York Observer van 12 Augustus, een artikel

uit de Southern Free Press gelezen, met eene inleiding aan de

redactie van den Observer, onder de leus van "Vooruitgang aan

den regten kant!"

De redacteur van de New-York Observer zegt, dat de Southern

Free Press een bekwaam en ijverig verdediger der zuidelijke

instellingen is geweest, maar dat hij thans het maken eener wet

voorstaat om het scheiden van familiën te verbieden, en onderrigt

aanbeveelt aan die slaven, die het eerlijkste en getrouwste

zijn. De Observer voegt er bij: "Het was zulke taal als deze,

die gewoon begon te worden, voor dat het noordelijke fanatisme

de vooruitzigten der emancipatie bedierf." Dit is zoo niet! Het

noordelijke fanatisme, gelijk hij het noemt, heeft alles gedaan wat

tot verbetering van den toestand der slaven gedaan is. Iedereen

die iets van de slavernij in de laatste dertig jaren weet, zal

zich herinneren, dat omtrent zoo lang geleden, de toestand van

den Staat in Louisiana--want alleen van Louisiana spreek ik,

omdat ik Louisiana alleen ken--zoo onderdrukt en ellendig was,

als eenig verhaal van de abolitionisten, dat ik ooit gezien heb,

dien gemaakt hebben. Ik zeg abolitionisten, ik meen de vrienden

en voorstanders der vrijheid op eene billijke en eerlijke

manier. Indien iemand aan mijne bewering twijfelt, laat hij dan

inlichting zoeken; laat hij de zwarte wetten van Louisiana nemen en

lezen: laat hij opgaven verzamelen van waarheidlievende personen,

op wier gezegden men vertrouwen kan.

Deze rampzalige toestand der slaven maakte de vrienden der

menschelijkheid wakker, die als mannen en Christenen onbevreesd

optraden en waarheden spraken, en met verontwaardiging hun

afgrijzen van de onderdrukkers openbaarden. Zulke maatregelen

bragten natuurlijk eenen strijd voort, die den kreet der

menschelijkheid al luider en luider door het land deed klinken. De

vrienden der vrijheid wonnen de overmagt in de harten des volks,

en de slavenhouders werden tot staan gebragt. Sommigen verminderden

hunne wreedheden, uit vrees voor de gevolgen, terwijl anderen

begonnen na te denken, die misschien niet onwillig daartoe

waren, toen hun dit werd opgedrongen. Men onthield zich niet

alleen van wreedheden, maar de gemakken van den slaaf werden

vermeerderd. Eene rugwaartsche beweging was nu niet uitvoerbaar;

de vrees voor opstand hield hen er aan vast. De slaven hadden

vrienden gevonden, en zij waren waakzaam. Men ontdekte echter

spoedig, dat te veel voorregten, te veel zachtheid en het geven

van kennis de magt zouden verwoesten, om den slaaf ter neder te

houden, en strekken om het stelsel te verzwakken, zoo niet te

vernietigen. Derhalve moesten er strenge wetten gemaakt en boeten

daaraan verbonden worden. Niemand moest een slaaf onderwijzen

of laten onderwijzen, zonder boete. De wet is tegenwoordig in

kracht. Deze noodzakelijke wetten, gelijk zij worden genoemd,

worden allen op rekening van de vrienden der vrijheid, van

hunne bemoeijing gesteld. Ik vermeen, dat zij met regt aan hunne

bemoeijing worden toegeschreven; want wie, die de geschiedenis

van het beloop der wereld bestudeert, weet niet, dat in elken

strijd tegen de magt de zwakke, totdat hij de overwinning behaalt,

met meer strafheid zal behandeld worden? Verlies echter hunnen

vorigen toestand niet uit het oog. Wet op wet is sedert gemaakt,

om de koord vaster om den armen slaaf digt te halen, en allen

zijn aan de abolitionisten toegeschreven. Wel nu, er wordt toch

vooruitgang gemaakt. Hier komt de Southern Press te voorschijn,

en doet eenige eerlijke bekentenissen. Hij zegt: "De aanvallen op

de slavernij, in de laatste twintig jaren door het Noorden gedaan,

hebben het kwaad daarvan vergroot. De behandeling der slaven is

zonder twijfel een kiesch en moeijelijk vraagstuk geworden. Het

Zuiden heeft eenen grooten zedelijken strijd te voeren, en het moet

de ondoordringbaarste zedelijke wapenrusting aandoen." Hij denkt,

dat de bruikbaarheid van slaveneigendom niet zou benadeeld worden,

door het maken eener wet, welke de scheiding van slavenfamiliën

verbood; want hij zegt: "Hoewel er somtijds gevallen voorkomen,

welke wij zien dat door die noordelijke dweepers worden opgevat,

als kenmerkende trekken van het stelsel," enz. Dit is onzin! Het

zijn geene gevallen, "die somtijds voorkomen," volstrekt niet! Het

zijn gevallen, die dagelijks voorkomen, hoewel er familiën zijn,

die uitzonderingen vormen, en velen, zou ik hopen, die het niet

willen doen. Terwijl ik schrijf, kan ik mij drie mannen herinneren,

die door slavenhandelaars uit Virginië hier gebragt zijn, en

waarvan ieder zes of zeven kinderen bij zijne vrouw heeft gelaten,

van welke zij nooit weder gehoord hebben. Een ander is hier kort

geleden gestorven, die hetzelfde getal in Carolina had gelaten,

waarvan hij nooit weder gehoord had.

Ik bleef den zomer van 1845 te Nashville. Gedurende de maand

September kwamen er zes honderd slaven door die plaats, in

vier verschillende troepen, naar New-Orleans; hunne eindelijke

bestemming was waarschijnlijk Texas. Een aanmerkelijk getal

daaronder waren vrouwen; jonge vrouwen natuurlijk; vele moeders

moesten niet alleen hare kinderen, maar hare zuigelingen hebben

achter gelaten. Een troep alleen had eenige weinige kinderen. Ik

deed eenige uitstapjes naar de verschillende badplaatsen van

Nashville. En terwijl ik te Robinson of Tyree Springs was,

twintig mijlen van Nashville, op de grenzen van Kentucky en

Tennessee, zeide mijne kasteleines eens tegen mij: "Daar komt een

troep geketende slaven aan." Ik ging naar den weg en bezigtigde

hen. Om hen te beter te kunnen waarnemen, stuitte ik den blanke

vooraan, die op zijn gemak in een wagen met een paard zat, en

vroeg hem of deze slaven te koop waren. Ik telde hen en lette

op hunne gesteldheid. Zij werden door drie wagens met een paard

verdeeld, in ieder waarvan een koopmansknecht zat, zoo geschikt,

dat zij den geheelen troep overzagen. Sommigen waren ongeketend;

zestig waren geketend in twee benden, dertig in elk, de regterhand

van den eenen aan de linkerhand van dien aan den anderen kant,

vijftien uitmakende aan elke zijde van een grooten ossenketting,

waaraan al de handen vastgemaakt waren, en dien zij dus genoodzaakt

waren op te houden--mannen en vrouwen door elkander, en omtrent in

gelijke evenredigheid--allen jonge lieden. Geene kinderen daarbij,

behalve eenige weinigen in den wagen achteraan, welke de eenige

kinderen waren in de vier troepen. Ik zeide tot eene fatsoenlijke

mulattin in huis: "Is het waar, dat de slavenhandelaars de moeders

van hare kleine kinderen nemen?"--"Missis! het is waar; want hier

werd verleden week zulk eene meid (haar noemende) die omtrent

eene mijl van hier woonde, na den eten weggenomen--zij wist

er des morgens niets van--verkocht, onder den troep gestoken,

en haar kindje werd aan eene buurvrouw gegeven. Zij was eene

stevige jonge vrouw en bragt een goeden prijs op."

De opname van Texas in de Unie bragt dien zomer dezen levendigen

handel te weeg. Maar te huis komende in eene kleine boot, met

laag water, had een slavenhandelaar aan boord vijf en veertig

mannen en vrouwen op eene kleine plek bijeen gepakt, sommigen met

handboeijen aan. Een man van een fatsoenlijk voorkomen had eene

vrouw en zeven kinderen te Nashville gelaten. Bij Memphis hield

de boot, volgens vroegere beschikking, stil bij eene plantaadje,

om er nog dertig in te nemen. Een uur vertoef was de tijd, die

met den kapitein der boot was bedongen. Dertig jonge mannen

en vrouwen kwamen den oever der Mississippi af, er uitziende

als de ellende in eigen persoon, zoo pas van het veld; morsig,

mistroostig en neerslagtig; sommigen met een ouden doek onder den

arm; eenige weinigen hadden dekens; sommigen hadden geheel niets

en zagen er uit, alsof niets hun meer schelen kon. Ik berekende,

terwijl ik hen den oever zag afkomen, dat ik alles, wat zij

met elkander hadden, wel in een pak kon dragen. Dat zij zoo kort

vooraf gewaarschuwd waren om te vertrekken was dewijl men vreesde,

dat zij zich schuil zouden houden. Zij zagen er allen droevig uit,

daar zij al wat hun dierbaar was achter lieten, om onder den hamer

gebragt en het eigendom van den hoogsten bieder te worden. Geene

kinderen daarbij! De geheele vijf en zeventig werden op een klein

plekje van de boot opeen gepakt, mannen en vrouwen bij elkander.

Men verheugt zich te zien, dat de zedelijkheid het hoofd opsteekt

bij de voorstanders der slavernij, en dat eene "ondoordringbare

zedelijke wapenrusting" noodig wordt geacht. Ik hoop dat dit

niet naar de compromises van Mr. Clay mag blijken te gelijken. De

Southern Press zegt: "Wat de karikaturen der slavernij in "Uncle

Tom's Cabin" en "The White Slave" betreft, allen op denkbeeldige

omstandigheden gegrond, enz.; wij beschouwen die als ten hoogste

boosaardig en opruijend (incendiary). Hij, die het onderneemt

door kwaad spreken eene vijandschap tusschen twee naasten en

buren te doen ontstaan, wordt met regt door alle menschen en alle

zedestelsels voor een misdadiger gehouden." Dan haalt hij het

negende gebod aan en vervolgt: "Maar valsch getuigenis te geven

tegen geheele Staten en millioenen van menschen enz., zou eene

misdaad schijnen zoo veel dieper in schandelijkheid, als het kwaad

grooter en de aanleiding geringer is." Vooreerst wil ik de Southern

Press uitdagen, om te bewijzen, dat Mrs. Harriet Beecher Stowe

ééne onwaarheid heeft gezegd. Indien zij de waarheid heeft gezegd,

dan is deze inderdaad een krachtig werktuig van "aanval op de

slavernij," gelijk die noordelijke dweepers in de laatste "twintig

jaren" gedaan hebben. Het aantal, tegen welke zij zondigt, schijnt

naar de meening des redacteurs, de schandelijkheid harer misdaad

te vergrooten. Dit is goed geredeneerd! Ik hoop dat de redacteur

zal leeren gevoelen, dat goddeloosheid in het groot erger is, dan

in het klein en tegen enkele personen, en oneindig moeijelijker te

bereiken is, vooral wanneer zij lang heeft bestaan. Zij verzamelt

stoutheid en kracht, wanneer zij door het gezag van den tijd wordt

gewettigd en ondersteund door velen, die belang hebben om haar

in stand te houden. Zoo is het met de slavernij; en Mrs. Harriet

Beecher Stowe verdient de dankbaarheid van "Staten en millioenen

van menschen" voor haar talentrijk werk, waarin zij die in het ware

licht ten toon stelt. Zij heeft waarheid, regt en menschelijkheid

voorgestaan, en deze zullen hare pogingen ondersteunen. Haar werk

zal door "Staten en door millioenen van menschen gelezen worden",

en wanneer de Southern Press haar poogt zwart te maken, door hare

eigene bekentenis aan te voeren, "dat het onderwerp der slavernij

haar zoo pijnlijk was geweest, dat zij zich verscheidene jaren

lang onthouden had van daarover te spreken," en te zeggen dat

dit naar zijne meening "de scherpheid van het venijn in haar boek

verklaart;" zoo zullen zijne werkelijk venijnige pijlen schadeloos

voor hare voeten neêrvallen; want de lezers zullen voor zichzelven

oordeelen en zeer genegen zijn om te besluiten dat er meer venijn

komt van de Southern Press dan van haar. Zij verdedigt wat regt is

en gaat den regten weg, waarop weinigen verdwalen; hij verdedigt

wat onregt is, en heeft bijgevolg te laveren, in te willigen,

te loochenen, te lasteren en allerlei dingen te doen.

Met allen eerbied voor zooveel regte beginselen als de Southern

Press ter gunste der slaven mag hebben aangevoerd, moet ik de

menschelijke natuur zeer slecht kunnen beoordeelen, indien ik mij

vergis met te zeggen, dat Mrs. Stowe veel gedaan heeft, om hem

deze inwilligingen te ontlokken; en het te voorschijn brengen van

"die ondoordringbare, zedelijke wapenrusting," welke hem juist als

een bolwerk van veiligheid voor de slavernij in het hoofd gekomen

is, heeft hare gereedheid aan hare en andere dergelijke pogingen

te danken. Ik hoop dat de Southern Press niet het bedorven kind

zal navolgen, en uit kwaadheid weigeren zijne taart op te eten.

De "White Slave" heb ik niet gezien. Ik kan den aard van dit

werk raden; want ik heb veertien of vijftien jaren geleden den

overtogt naar New-York gedaan, met eene jonge vrouw, welker

gelaat in een overvloed van licht bruine krullen was gehuld, en

die den geheelen weg over als eene blanke met de passagiers aan

tafel zat. Toen wij aan de quarantaine, Staten-Eiland, kwamen,

ontving de kapitein eenen brief, met expresse door iemand te

New-Orleans gezonden, waarin zij als zijne slavin werd opgeëischt,

en de kapitein met al de straffen der bestaande wet bedreigd,

indien zij niet terstond teruggebragt werd. De schreijende oogen

van het ongelukkige meisje zeiden de waarheid, toen de kapitein

haar dit met weerzin mededeelde. Zij bekende zonder te aarzelen,

dat zij weggeloopen was, en dat eene vriendin hare vracht had

betaald. De vereischte maatregelen werden genomen, en zij werd

naar eene paketboot gebragt, die bij Sandy Hook lag en naar

New-Orleans bestemd was.

"Uncle Tom's Cabin," denk ik, is eene getrouwe afschildering der

slavernij. De voorvallen zijn versierd, maar de toestand van den

slaaf is naar waarheid beschreven. Ik heb het werk niet blad voor

blad gelezen, daar mijn oogmerk was, te zien in welk omstandigheden

de slaaf verkeerde, ik zou een geval van doodgeeselen kunnen

opgeven, hetwelk met dat van Oom Tom zou gelijk staan, evenwel

zijn zulke gevallen niet veelvuldig.

Het aanstoken van vijandschap tusschen naasten, waarover de

Southern Press klaagt, verdient opmerking. Wie zijn naasten? Het

duidelijkste antwoord op deze vraag is te vinden in het antwoord,

dat Christus aan den schriftgeleerde gaf, toen deze hem dit

vroeg. Eene andere vraag zal opkomen: Of in het oordeel van

Christus, Mrs. Stowe als eene naaste of als eene kwaadstookster

zou worden beschouwd? Daar de almagtige Bestuurder van het

heelal en de Schepper der menschen gezegd heeft, dat Hij alle

volken der aarde uit eenen bloede en den mensch naar Zijn eigen

beeld geschapen heeft, zou de zwarte, onaangezien zijne kleur,

een naaste schijnen te zijn, die onder zijne vijanden gevallen

is, welke hem beroofd hebben van de vruchten van zijnen arbeid,

zijne vrijheid, zijn regt op zijne vrouw en kinderen, zijn regt om

te leeren lezen en op alles wat de wereld dierbaar acht, behalve

zulk eene hoeveelheid van voedsel en kleeding als hem voor het

doel van zijn beroover bruikbaar maken. Laten de voorstanders der

slavernij de enkele gevallen van zachtheid, van gegeven onderwijs

en van liefderijke gehechtheid, die onder sommige meesters

gevonden worden, niet als proeven der slavernij aanvoeren! Dit

is oneerlijk! Zij vormen uitzonderingen, en groote achting heb ik

daarvoor; maar zij zijn niet de regelen der slavernij. De strijd

die aangestookt wordt, heeft niet ten doel om iets weg te nemen,

dat anderen toebehoort--noch hun zilver, noch hun goud, noch

hun fijn linnen en purper, hunne huizen of landen, hunne paarden

of vee, noch iets dat hun eigendom is; maar om eenen naaste te

verlossen van hunne onmenschelijke begeerlijkheid.

Een Republikein.

Geene inleiding is noodig voor de volgende briefwisseling, en geene

aanbeveling zal vereischt worden, om haar de belangstellende aandacht

van nadenkende lezers te verzekeren.

Washington City, 6 Dec. 1852.

Waarde Heer!

Ik verneem dat gij uit Noord-Carolina zijt en altijd in het Zuiden

gewoond hebt, gij moet bij gevolg bekend wezen met de werking van

de instelling der slavernij. Gij hebt zonder twijfel ook dat wereld

beroemde boek, "Uncle Tom's Cabin" door Mrs. Stowe, gelezen. De

verdedigers der slavernij ontkennen, dat dit boek eene getrouwe

schildering der slavernij is. Zij zeggen, dat de voorstellingen

daarvan overdreven, de tooneelen en voorvallen ongegrond zijn,

en, in één woord, dat het geheele boek eene caricatuur is. Zij

ontkennen ook, dat familiën gescheiden worden--dat kinderen van

de ouders, vrouwen van hare mannen worden verkocht, enz. Onder

deze omstandigheden, ben ik verlangend om u naar uw gevoelen

over het boek van Mrs. Stowe te vragen, en of, naar uwe meening,

hare opgaven geloof verdienen of niet.

Ik heb de eer te zijn, enz.

A. M. Gangewer.

De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut · 第 50 / 220 题