UNCLE TOMS CABIN.

Mijnheer de Redacteur!

Ik zie in uw blad, dat sommige lieden de opgaven van Mrs. Stowe

ontkennen. Ik heb haar boek gelezen van woord tot woord. Ik

ben geboren in Oost-Tennessee, bij Knoxville, en naar wij

dachten, in een verlicht gedeelte der Unie, zeer begunstigd

met maatschappelijke, staatkundige en godsdienstige voorregten

enz. Welnu, ik meen in het jaar 1829, of misschien 28, was een

goede oude Duitsche Methodist eigenaar van een zwarten man,

Robin geheeten, een Methodistisch prediker en bestuurder van

hoeve, branderij enz. verkooper en rentmeester. Deze goede oude

Duitsche Methodist had een zoon, Willey geheeten, een schoolmakker

van mij, en voor dien tijd een zeer knappe jongen. De oude man

was ook eigenaar van een schrander mulatten meisje met heldere

oogen, en Willey--de ondeugende jongen--werd verliefd op het

arme meisje. Het gevolg werd spoedig ontdekt; en onze goede oude

Duitsche Methodist beval broeder Robin, om het meisje voor hare

goddeloosheid te geeselen. Broeder Robin antwoordde, dat hij zulk

eene wreedheid niet kon of wilde plegen, als het wezen zou, om

het meisje te geeselen voor wat zij niet helpen kon, en voor dit

blijk van ongehoorzaamheid werd de oude Robin door den ouden goeden

Duitschen broeder gegeeseld, tot hij niet meer staan kon. Hij werd

te bed gebragt, en omtrent drie weken later, toen mijn vader den

Staat verliet, lag hij nog te bed aan de gevolgen van dat geeselen.

Wederom: in het najaar van 1836 ging ik voor mijne gezondheid naar

het Zuiden, bleef in een dorp in Mississippi en kreeg bezigheid

in het grootste huis van het graafschap als boekhouder bij eene

firma van Lonisville, Kentucky. Een man, die bij het dorp woonde,

dertig jaren oud en ongetrouwd, kwam in ongelegenheid, en gaf mijn

patroon een verband op een knappen slaaf; die omtrent tweehonderd

pond woog--schrander, vlug, gehoorzaam, en bijzonder getrouw en

eerlijk, zoo zeer dat hij tot een voorbeeld werd gesteld. Hij

had eene vrouw, die hij liefhad; zijn eigenaar sloeg de oogen op

haar en zij werd zijne matres. De slaaf beklaagde zich bij zijnen

meester; zeide hem, dat hij zijn best deed, om zijne pligten te

vervullen, dat hij een goede en getrouwe Neger voor hem was, en dat

het hard was, dat, nadat hij den geheelen dag en tot tien ure in

den avond zwaar had gewerkt, zijne huwelijksbetrekkingen gestoord

en verbroken werden. De blanke ontkende de beschuldiging en de

vrouw insgelijks. Op eenen avond, tegen den eersten September, kwam

de slaaf vroeger dan gewoonlijk naar huis, tegen negen ure. Het was

een akelige, regenachtige avond; hij maakte in zijne hut vuur aan,

ging zijn avondeten krijgen, en vond het oogenschijnlijk bewijs

der schuld van zijnen meester. Hij werd woedend, gelijk ik denk dat

ieder man worden zou, greep een slagtersmes, sneed zijnen meester

de keel af, gaf zijne vrouw steken op zeven en twintig plaatsen,

kwam naar het dorp, en klopte aan de deur van het kantoor. Ik

zeide hem binnen te komen. Hij deed zulks en vroeg naar mijn

patroon. Ik riep hem. De slaaf zeide hem, dat hij zijnen meester

en zijne vrouw had gedood, en om welke reden. Mijn patroon sloot

hem op, en hij, een doctor en ik gingen naar het huis, en vonden

den meester dood en de vrouw van den slaaf bijna; zij bleef echter

in leven. Wij (mijn patroon en ik) keerden naar het dorp terug,

bewaarden den slaaf tot de zon opkwam, lieten hem opgesloten, en

gingen ontbijten, met voornemen om den slaaf naar de gevangenis

te brengen (daar het belang van mijnen patroon was den slaaf zoo

mogelijk te redden, dewijl hij duizend dollars aan hem gewaagd

had), maar terwijl wij aten, braken eenige menschen, die van den

moord gehoord hadden, de deur open, namen den armen kerel, deden

hem een ketting om den hals, en dreven hem naar de bosschen met

de punt der bajonet, met groot rumoer de plaats voorbij komende,

waar wij zaten te eten. Mijn patroon dit hoorende, liep naar buiten

en ontzette den slaaf. Het gepeupel brak weder in, nam den slaaf

en bragt hem weder, gelijk te voren gezegd is, de stad uit.

Mijn patroon bad hen toen, om hunne stad niet op zulk eene manier

te schandvlekken, maar eene jury van twaalf nuchtere mannen te

benoemen, om te beslissen wat er gedaan zou worden. En twaalf,

zoo nuchter als er te vinden waren (ik was niet nuchter), zeiden,

dat hij moest gehangen worden. Zij bonden hem toen een touw

om den hals, en plaatsten hem op een oud paard. Hij hield eene

aanspraak aan het gepeupel, die ik toen dacht, dat, indien zij van

een senator gekomen was, met toejuichingen zou zijn ontvangen;

en met dat al was hij kalmer dan ik ben, nu ik dit schrijf. En

nadat hij alles had gezegd van de daad en hare redenen, schopte

hij het paard onder zich weg, en zonk in de eeuwigheid. Mijn

patroon heeft dikwijls gezegd, dat hij nooit in zijn leven iets

edelers zag dan het gedrag van dien slaaf.

Nu, mijnheer de redacteur, heb ik u de feiten gegeven, en ik

kan u de namen en datums geven. Gij kunt doen, wat gij denkt,

dat best is voor de zaak der menschelijkheid. Ik hoop het kwaad

van mijn vroeger leven gezien te hebben en zal pogen mij te

verbeteren. Met hoogachting

James L. Hill.

Springfield, Illinois, 17 Sept. 1852.

"Het gevoelen van een Zuidlander," hieronder medegedeeld,

verscheen in de National Era, te Washington uitgegeven. Dit is een

anti-slavernij-blad, maar dat door den edelen toon en de uitstekende

bekwaamheid, waarmede het geschreven wordt, de achting en begunstiging

van vele lezers in de slavenstaten heeft verworven.

De volgende mededeeling komt ons ter hand onder eenen omslag uit

Louisiana.--Red. van de Era.

De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut · 第 49 / 220 题