Washington, 8 Dec. 1852.
Waarde Heer!
Uw brief van den 6den dezer, waarin mijn gevoelen over "Uncle
Tom's Cabin" gevraagd wordt, is wel ontvangen; en daar er geene
reden is, waarom ik dat zou terughouden of het moest de vrees voor
de publieke opinie zijn (daar het, naar ik verneem, uw oogmerk
is mijn antwoord openbaar te maken), zal ik het u eenigzins
omstandig geven.
Een boek van verdichting moet, om het lezen waardig te zijn,
natuurlijk gevuld zijn met zeldzame en treffende gebeurtenissen,
en de hoofdkarakters moeten opmerkelijk zijn, sommige door groote
deugden, andere misschien door groote ondeugden of dwaasheden. Een
verhaal van gewone gebeurtenissen uit het leven van alledaagsche
menschen zou onuitstaanbaar flaauw en vervelend zijn; en een
boek uit zulke bouwstoffen zamengesteld, zou bij de bevallige
en krachtige schilderingen van leven en zeden, welke wij in de
geschriften van Walter Scott en Dickens hebben, dat gene wezen,
wat eene landmeters-teekening van een veld van tien akkers
bij een geschilderd landschap is, waarin het oog door duizend
verscheidenheden van heuvel en dal, van groen heestergewas
en helder water, van licht en schaduw, met éénen blik wordt
bekoord. Om te beslissen of een roman eene getrouwe schildering
der maatschappij bevat, is het niet noodig te vragen of men de
hoofdpersonen elken dag kan ontmoeten, maar of zij kenmerkend
zijn voor den tijd en het land--of zij de heerschende gevoelens,
deugden, ondeugden, dwaasheden en eigenaardigheden voorstellen--en
of de gebeurtenissen, treurig of het tegendeel, zoodanige zijn
als nu en dan kunnen voorvallen en werkelijk voorvallen.
"Uncle Tom's Cabin" volgens deze beginselen beoordeelende, aarzel
ik niet te zeggen, dat het werk eene getrouwe schildering van het
leven en de instellingen in het Zuiden is. Er is niets in het boek,
dat onbestaanbaar is met de wetten en gebruiken der slavenhoudende
Staten; de deugden, ondeugden en bijzondere kleuren van karakter en
manieren zijn allen zuidelijk en moeten door iedereen, die het boek
leest, terstond herkend worden; ik mag nooit in één man zulk een
verdorvenheid hebben gezien als het karakter van Legree vertoont,
hoewel ik tien duizend maal de verschillende schaduwen daarvan bij
onderscheidene personen heb waargenomen. Aan den anderen kant heb
ik nooit zoo vele volmaaktheden in één menschelijk wezen vereenigd
gezien, als Mrs. Stowe aan de dochter van eenen slavenhouder heeft
gegeven. Evangeline is een beeld van schoonheid en goedheid, dat
nooit uit het gemoed kan worden gewischt, welke vooroordeelen
het ook hebben mag; en toch heeft geheel haar karakter eene
zuidelijke kleur, haar edelmoedig medelijden, hare schoonheid
en teêrheid, hare gevoeligheid zijn allen zuidelijk. Zij zijn
"aan den grond eigen", en daar zij het zuidelijke ideaal van
schoonheid en beminnelijkheid vertegenwoordigen, kunnen zij nooit
uit zuidelijke harten verbannen worden, zelfs niet door de magt
der Waakzaamheids-commissiën.
Het karakter van St. Clare kan niet missen liefde en bewondering in
te boezemen. Hij is het ideaal van een zuidelijk "gentleman"--vol
eergevoel, edelmoedig en menschelijk, van beschaafde manieren,
goede opvoeding en onbekrompen vermogen. In de behandeling
zijner slaven dwaalt hij veeleer naar den kant der zachtheid
dan der kracht af; en hij is door de natuurlijke aandrift zijner
goedhartigheid altijd hun vriendelijke beschermer, zonder veel
te bedenken wat hun overkomen kan, wanneer dood of ongeluk hen
van zijne vriendschap berooven.
Mr. Shelby, de eerste eigenaar van Oom Tom, en die hem, door
geldelijke ongelegenheden gedrongen, aan eenen handelaar verkoopt,
is geenszins een slecht karakter; zijne vrouw en zoon, zijn al
wat eer en menschelijkheid kunnen verlangen; en kortom de eenige
blanken, die in dit boek eene zeer ongunstige vertooning maken,
zijn de booswicht Legree, die van geboorte een Vermonter is,
en de gladtongige slavenhandelaar Haley, die de spraak van
een Noordlander heeft. Het blijkt dus, dat Mrs. Stowe met het
schrijven van "Uncle Tom's Cabin" niet ten oogmerk heeft gehad,
het zuidelijke karakter zwart te maken. Een zorgvuldig onderzoek
van het boek zou tot de tegenovergestelde gevolgtrekking leiden,
dat zij gezind is geweest de Zuidlanders tegen den laster in
bescherming te nemen, en zelfs een verheven denkbeeld van de
zindelijke maatschappij te geven, terwijl zij de onheilen van het
stelsel der slavernij ten toon stelde. Zij rigt hare batterijen
tegen de instellingen, niet tegen personen; en is edelmoedig
genoeg om een overgeloopen Vermonter voor haar afschuwelijkst
portret van een barbaarschen dwingeland te laten zitten.
Hoe onaangenaam die pligt ook wezen mag, kan ik toch mijne
getuigenis niet wederhouden, om te bevestigen, dat familiën van
slaven dikwijls gescheiden worden. Ik weet niet hoe iemand de
stoutheid kan hebben, om dit te loochenen. De zaak is van openbare
bekendheid, en dikwijls het onderwerp van pijnlijke opmerkzaamheid
in de zuidelijke Staten. Ik heb dikwijls het gebruik, om man
en vrouw, ouders en kinderen te scheiden, hooren verdedigen,
voorspreken, op duizenderlei manieren vergoelijken, maar ik heb
het nooit hooren ontkennen. Hoe kon het ook ontkend worden daar de
omstandigheid, die het gesprek uitlokte, waarschijnlijk juist een
pas gebeurd voorbeeld van wreede scheiding was? Neen, mijnheer,
de ontkenning dezer omstandigheid door vuile papierbekladders
moge ver verwijderde personen bedriegen, zij kan niemand in het
Zuiden misleiden.
In al de slavenhoudende Staten is de huwelijksbetrekking
tusschen slaven, of tusschen een slaaf en een vrij persoon,
geheel willekeurig. Er is geene wet, die haar bekrachtigt, of in
eenigen vorm, regtstreeks of zijdelings, erkent. In één woord,
zij is onwettig, en bindt niemand--noch de slaven zelven,
noch hunne meesters. Door man en vrouw, ouders en kinderen
te scheiden, schendt de handelaar of eigenaar geene wet van
den Staat. Hij koopt of verkoopt bij publieke auctie of onder
's hands datgene, wat de majesteit der wet verklaard heeft eene
koopwaar te zijn. De slagtoffers mogen van zielesmart krimpen en
de teerhartige toeschouwer mag het met sombere verontwaardiging
aanzien, maar het baat niet. De inspraak van barmhartigheid en
regtvaardigheid in het hart is in oproer tegen de wet des lands.
De wet zelve bewerkt niet zelden de wreedste scheidingen
van familiën, bijna zonder tusschenkomst van persoonlijke
bedrijven. Dit gebeurt, wanneer iemand insolvent sterft, of
dit bij zijn leven wordt. Zijne goederen, vaste en roerende,
moeten openlijk aan den hoogsten bieder verkocht worden; en
de executeur, administrateur, of wie anders met het beheer van
het vermogen belast is, kan, hoewel hij ook de menschlievendste
gezindheid mag koesteren, het losrukken der dierbaarste banden
van verwantschap niet verhinderen. Het voorbeeld door Mrs. Stowe
gegeven, in den verkoop van Oom Tom door Mr. Shelby, is een
zeer gewoon geval. Financiëele ongelegenheid is de vruchtbaarste
bron van ongeluk voor den slaaf, zoowel als voor den meester; en
voorbeelden van familiebanden, welke door deze oorzaak verbroken
worden, komen dagelijks voor.
Het gebeurt dikwijls, dat groote misbruiken, in schennis der wet
en in weerwil van alle pogingen der regering tot bedwang daarvan,
plaats hebben; dit is het geval met dronkenschap, hazardspelen en
andere ondeugden. Maar hier is eene wet, aan alle slavenhoudende
Staten gemeen, die den kwaaddoener steunt en beschermt, terwijl
hare geduchtste verschrikkingen bewaard zijn voor diegenen,
die tusschenbeiden zouden willen komen om de onschuldigen te
beschermen. Staatslieden van hoogen en eervollen naam hebben, uit
een hersenschimmig begrip van politieke noodzakelijkheid, deze
wet in het abstracte verdedigd, terwijl zij, zonder aarzeling,
elke toepassing daarvan als onregtvaardig zouden veroordeelen.
In een opzigt verheugt het mij openlijk te zien loochenen,
dat familiën van slaven gescheiden worden; want terwijl dit
een schandelijk gebrek aan waarheidsliefde bewijst, toont het
tevens een prijselijk gevoel van schaamte, en leidt tot de hoop,
dat de publieke opinie in het Zuiden niet veel langer meer dit
allerhatelijkste, hoewel niet wezenlijk noodzakelijke gedeelte
van het stelsel der slavernij zal dulden.
In dit verband wil ik u eene aanmerking van den redacteur
der Southern Press, in een der laatste nommers van dit blad,
herinneren, waarin hij het bestaan van het bedoelde misbruik
erkent en de verbetering daarvan aanbeveelt. Hij zegt:
"Het Zuiden heeft eenen grooten zedelijken strijd te voeren, en
het behoort de meest ondoordringbare zedelijke wapenrusting aan
te doen. Aldus is deszelfs pligt, zoowel als belang, alle kwaad te
verzachten of weg te nemen, dat een bijkomend gevolg der instelling
is. De scheiding van man en vrouw, ouders en kinderen is zulk een
kwaad, hetwelk wij weten, dat hier algemeen vermeden en gelaakt
wordt, hoewel er somtijds gevallen voorkomen, welke wij opmerken,
dat door deze noordelijke dweepers als kenmerkende proeven van het
stelsel worden opgevat. Nu zien wij geen groot kwaad of ongerijf,
maar veel goed in een wettelijk verbod van zulke voorvallen. Laten
de man en de vrouw, de ouders en de minderjarige kinderen te zamen
verkocht worden. Zulk eene wet zou slechts geringen invloed hebben
op de algemeene waarde of bruikbaarheid van slaven-eigendom, en
zou in sommige gevallen het geweld voorkomen, dat het gevoel van
zulke betrekkingen door een gedwongen of vrijwilligen verkoop
wordt aangedaan. Wij zijn overtuigd, dat het voor meester en
slaaf heilzaam zou zijn, het huwelijk en de waarneming van alle
pligten en betrekkingen daarvan te bevorderen."
Hoezeer ik ook van den redacteur der Southern Press verschild heb,
wat zijne algemeene begrippen van staathuishoudkunde betreft,
ben ik toch genegen hem zijne vroegere dwalingen te vergeven
uit aanmerking zijner openbare erkentenis van dit "bijkomende
kwaad" en zijne rondborstige aanbeveling van het wegnemen
daarvan. Een zuidelijk nieuwsblad, minder aan de handhaving der
slavernij toegewijd dan de Southern Press, zou zich door zulk
eene aanbeveling ernstig gecompromitteerd hebben, en deszelfs
raad zou veel minder kans gehad hebben om in acht genomen te
worden. Ik denk dus, dat Mr. Fisher den dank van ieder goed man in
het Noorden en in het Zuiden verdient, omdat hij zoo stoutmoedig
de noodzakelijkheid van hervorming heeft aangewezen.
Het tafereel, hetwelk Mrs. Stowe van de slavernij als eene
instelling heeft geschilderd, is alles behalve gunstig. Zij
heeft de schrikkelijke wreedheid en onderdrukking in het licht
geplaatst, die uit eene wet voortspruiten, welke aan eene klasse
der maatschappij eene bijna volstrekte en onverantwoordelijke
magt over eene andere geeft. Evenwel toont de machinerie zelve,
die zij voor haar oogmerk heeft gebruikt, dat niet allen, die aan
het stelsel deelnemen, noodzakelijk schuldig zijn. Het is eene
verhevene deugd in St. Clare, die hem Oom Tom doet koopen. Hij
wordt door geene zelfzuchtige of ongeoorloofde beweegreden
gedreven. Bewogen door het verlangen om zijne dochter genoegen
te doen en door zijn eigen menschelijk gevoel, koopt hij eenen
slaaf, ten einde hem voor het harde lot op de plantaadjes te
bewaren. Indien hij te voren geen slavenhouder was geweest, was
het nu zijn pligt er een te worden; dit, denk ik, is de moraal,
die uit de geschiedenis van St. Clare moet getrokken worden, en
het Zuiden heeft regt om het gezag van Mrs. Stowe ter verdediging
van het slavenhouden tot zooverre in te roepen.
Men kan zeggen, dat het St. Clare's pligt was, Oom Tom vrij te
laten, maar de rijkdom der Rothschilds zou iemand nog niet in staat
stellen om zijne zucht tot weldadigheid tot zulk eenen prijs te
voldoen; en indien dit zijn pligt was, is het dan niet evenzeer
de pligt van ieder rijk man in de vrije Staten om met hetzelfde
weldadige oogmerk de slavenmarkt van New-Orleans te bezoeken? Het
komt mij voor, dat een slaaf te koopen, om hem voor een hard en
wreed lot te bewaren, zonder voornemen om hem vrij te laten, op
zich zelf eene goede daad is. Indien de slaaf naderhand in staat
mogt geraken om zich los te koopen, zou het zonder twijfel de pligt
des eigenaars zijn hem te emanciperen, en het zou niet meer dan
billijk wezen, elken dollar, dien de slaaf verdiend had, boven de
kosten van zijn onderhoud, op zijne rekening te stellen, tot de
prijs voor hem betaald ten volle teruggegeven was. Dit is alles
wat de regtvaardigheid van den slavenhouder zou kunnen eischen.
Zij, die tegen "Uncle Tom's Cabin" hebben geraasd als
een opruijend boek, hebben op eene onverklaarbare manier
(verondersteld dat zij het werk gelezen hebben) de moraal
voorbijgezien, die het leven van den held bevat. Oom Tom is
de getrouwste der dienstknechten. Letterlijk "gehoorzaamde
hij in alle dingen zijne meesters naar het vleesch; niet als
oogendienaar, als menschenbehager, maar in opregtheid des harten
en God vreezende." Indien zijn gedrag de minste afwijking van de
letterlijke vervulling van dit gebod der Heilige Schrift aanbiedt,
is het in een geval, dat de goedkeuring van den gestrengsten
casuïst moet wegdragen; want het gebod van gehoorzaamheid strekt
zich natuurlijk slechts tot geoorloofde bevelen uit. Het is
alleen, wanneer het monster Legree hem beveelt zijne mededienaren
eene onverdiende tuchtiging te geven, dat Oom Tom gehoorzaamheid
weigert. Hij wilde niet luisteren naar een voorstel om met Eliza
naar Ohio te vlugten, in den nacht nadat zij door Mr. Shelby aan
den handelaar Haley waren verkocht. Hij dacht, dat dit ontrouw
aan zijn gewezen meester zou zijn, dien hij in zijne armen had
gedragen, en dezen in moeijelijkheden zou kunnen brengen. Hij
bood geen tegenstand aan Haley, en gehoorzaamde zelfs Legree in
ieder wettig bevel; maar toen van hem geëischt werd, dat hij het
werktuig van zijns meesters wreedheid zou zijn, verkoos hij, met
den moed en de standvastigheid van eenen Christelijken martelaar,
liever te sterven, dan zijn leven te redden door een misdadig
toegeven. Zoo was Oom Tom geen slecht voorbeeld ter navolging
voor dienstknecht of meester.
Ik ben, mijnheer, met hoogachting,
Uw dienstwillige dienaar,
Daniël R. Goodloe.
A. M. Gangewer, Esq., Washington.
De schrijfster heeft vergunning gekregen om het volgende uittreksel
te plaatsen uit eenen brief, door eene dame in het Noorden van den
redacteur van een Zuidelijk nieuwsblad ontvangen. Het gemoed en
karakter des schrijvers zullen bij het lezen daarvan voor zichzelven
spreken.
Charleston, Zondag, 25 Julij 1852.
"Uncle Tom's Cabin" werd mij omtrent veertien dagen geleden
door *** verschaft, en gij kunt verzekerd zijn, dat ik het
boek met oplettende belangstelling gelezen heb. "Wat is nu uwe
meening er van?" zult gij vragen; en mijn vroeger gevestigde
meeningen aangaande de questie der slavernij en de beginselen,
welke ik ten opzigte dier bijzondere instelling zoo lang heb
ondersteund, kennende, zult gij misschien een ontwijkend antwoord
verwachten. Dit zou mijn eigen geweten van de waarheid mij thans
niet veroorloven. Het boek is eene getrouwe schildering van het
leven, waarin de donkere trekken heerlijk gelijkende zijn. Het
leven--de karaktertrekken, voorvallen en zamenspraken--is het leven
zelf ten papiere gebragt. In haar naschrift ontwijkt zij eenigzins
de vraag of het naar werkelijke tooneelen was gevolgd, maar zij
zegt dat er vele dergelijke voorbeelden bestaan. Hierin zegt zij
zeker de waarheid. Indien zij de teekening van Legree aan de Roode
Rivier, voor die van *** op *** eiland Zuid-Carolina had gegeven,
dan had zij geen beter portret kunnen schilderen. Ik heb reden
om te twijfelen of zij niet eenige kennis van dat gedrogt had,
gelijk men weet, dat hij is, en hem om het effect heeft verplaatst.
Mijne stelling in betrekking tot de uiterste partij, zoowel in
Georgia als in Zuid-Carolina, zou mij weerhouden van de volle
uitdrukking mijner gevoelens over sommige heerschende beginselen
der instelling. Ik heb de slavernij in al hare verschillende
gedaanten bestudeerd--ik ben in verschillende deelen der wereld
met den Neger in aanraking gekomen, en heb het mijn doel gemaakt
zijnen aard te bestuderen, zoo ver mijne beperkte vermogens mij
licht wilden geven--en wat ook mijne meeningen geweest zijn,
zij waren gegrond op hetgeen ik eene opregte overtuiging achtte.
Gij weet wel hoe vele gelegenheden ik in de laatste drie jaren
heb gehad om de verschillende werkingen te onderzoeken van eene
instelling, welke thans de grootste en gewigtigste vraag voor ons
bondgenootschappelijk welzijn bevat. Deze gelegenheden heb ik niet
verwaarloosd, maar ik heb mij met ligchaam en ziel toegewijd aan
het onderzoek der ingewikkelde betrekkingen daarvan, der inrigting
over het geheel en der bijzondere nadeelen en hardheden daarvan
voor enkele personen. Het kwaad is daarin gelegen, dat de regten
van den meester vast bepaald, maar de wetten, die de regten van
den slaaf moesten regelen, eene doode letter zijn. Welke maatregel
van wetgeving, gegrond op de noodzakelijkheid van zelfverdediging
voor hen, die de wetten maken--zelfs al ware verbetering hun
oogmerk--zou gehandhaafd kunnen worden, wanneer het voorwerp,
hetwelk de wet betreft, door den wetgever als slaven-eigendom
wordt bezeten? Het bestaan zelfs eener wet ter verbetering van
den toestand van eigendom wordt eene ongerijmdheid, in zooverre
het om de uitvoering is te doen. Eene wet, die bestemd is om te
regeren en den geregeerde geen middel heeft om hare bescherming
te zoeken, is niets anders dan het zamenvoegen van zoo vele
nuttelooze woorden tot eene ijdele vertooning. Maar waarom van
wetten te spreken? Datgene wat als de volksregten van een volk
wordt beschouwd, en elk hardnekkig vooroordeel, aangevoerd om
deszelfs eigendomsbelang te beschermen, schept zelf zijne eigene
magt tegen het zwakkere vat. Wetten, welke hiermede strijden,
worden impopulair, zijn den heerschenden wil hatelijk, en
inderdaad eene doode letter. Zoo lang de stem der geregeerden
niet gehoord kan worden, en hunne verongelijkingen buiten het
gebied of bereik der wet liggen, gelijk negenmaal van de tien
het geval is, waar is daar hoop op herstel? De meester is het
sterke vat; de Neger voelt zijne afhankelijkheid, en de gevolgen
van een beroep op zijne regten vreezende, onderwerpt hij zich aan
de wreedheid van zijnen meester, liever dan iets nog wreeders te
moeten vreezen. Het is in die betwiste gevallen van wreedheid, dat
wij het kwaad der slavernij vinden, en in die regerende wetten,
welke aan slechte menschen uit het Noorden de magt geven, om de
wreedste slavenmeesters te worden. Leid uit mijne aanmerkingen
niet af, dat ik de Abolitionisten zoek te vriend te maken. Dit
is mijn voornemen niet; maar bij eenen staat van zaken, die
luide om hervorming roept, dwingt mij de waarheidsliefde om te
zeggen, dat de menschelijkheid eene wet vordert, om de kracht
en den oppermagtigen wil des meesters te regeren; en dat in geen
gedeelte de hervorming noodiger is dan in dat, hetwelk het voedsel
en de kleeding van den slaaf betreft. Iemand moet jaren lang in
het Zuiden wonen, eer hij ten volle met vele uitwerkselen van de
slavernij kan bekend worden. Iemand uit het Noorden, die geen
bijzonder belang heeft bij het staatkundig en maatschappelijk
welzijn van het Zuiden, kan jaren lang daar wonen, en in zijne
dagelijksche aangelegenheden van stad tot stad gaan, en toch
maar de gepolijste zijde der slavernij te zien krijgen. Met
mij is het anders geweest. Haar invloed op den Neger zelven,
en haar invloed om het maatschappelijk en commerciëel welzijn
van het Zuiden zijn voor mij geheel opengelegd, en ik heb in het
laatste jaar meer van hare uitwerkselen gezien, dan mij in al
den tijd te voren was geopenbaard. Het is met deze gevoelens,
dat ik gedwongen ben het boek van Mrs. Stowe eer te bewijzen,
hetwelk ik acht dat geschreven moet zijn door iemand, die uit eene
grondige kennis van het onderwerp hare bouwstoffen had geput. De
karakters van den slavenhandelaar, van den insolventen eigenaar in
Kentucky en den koopman van New-Orleans, zijn voorbeelden van wat
er in die streken dagelijks gebeurt. Nieuwsbladschrijvers mogen
zoo veel zij willen van dramatisch effect spreken; het verhaal is
niet voor hen bestemd, en de voorvallen der gewone werkelijkheid
zouden een nog sterker gekleurd tafereel vormen. Ik zou een boek
kunnen schrijven, met datums en ontegensprekelijke bewijzen, van
misbruiken welke in het geheugen van hen, onder wie zij plaats
hadden, zijn geprent, hetwelk geen dramatisch effect zou noodig
hebben, en tien maal afgrijselijker zou in het oog loopen, dan
iets, dat Mrs. Stowe beschreven heeft.
Ik heb in de Southern Press twee kolommen gelezen van
Mrs. Eastman's "Aunt Phillis's Cabin, of het Zuidelijke
Leven gelijk het is," met de aanmerkingen des redacteurs. Ik
heb geene kritiek daarbij te voegen, daar het werk zichzelf
critiseert. De redacteur had het kunnen vermijden, door het
publiek voor een ezel verklaard te worden, indien hij zijnen
onzin had teruggehouden. Indien die twee kolommen een proefje
van Mrs. Eastman's werk zijn, beklaag ik hare poging en haren
naam als schrijfster.