Uw brief van den 6den der 7e maand is ontvangen, en zou vroeger
beantwoord zijn, indien ik niet van huis was geweest. Uwe
bekommering voor uwen zoon is natuurlijk, en het zou streelend
wezen die te beloonen door hem los te laten, indien dit in mijne
magt was. Maar het misdrijf, waarvoor hij boet, is te duidelijk
gebleken, en de strekking daarvan is zeer schadelijk voor onze
regten en onze rust als volk. Hij is veroordeeld tot den kortsten
tijd in onze wet bepaald. En in allen gevalle zou ik in zijne
zaak niet kunnen tusschen beiden komen dan over eenigen tijd,
en om openhartig met u te zijn, ik zie niet hoe het mogelijk is
zijnen tijd te verkorten. Doch mijn tijd van dienst zal spoedig
om zijn, en de verkozene gouverneur, generaal William Trousdale,
zal mij vervangen. Tot hem kunt gij u verder vervoegen.
Uwe, enz.
N. L. Brown.
De directeur van het Penitentiary, John Mc. Intosh, was zeer tegen
hem bevooroordeeld. Hij achtte het vonnis te ligt, en daar hij van
eenen barschen aard was, had Richard niet veel van zijne goedheid
te wachten. Doch de echte regtschapenheid en openhartigheid,
die onder alle omstandigheden zijn gedrag kenteekenden, bewerkten
spoedig eene verandering in het gemoed zijner bewakers en zijner
vijanden in het algemeen. Hij werd een gunsteling van Mc. Intosh en
eenigen der wacht. Volgens de regels der gevangenis mogt hij niet
meer dan eens in de drie maanden schrijven, en wat hij schreef
moest natuurlijk door den gouverneur worden nagezien.
Hij werd eerst aan het zagen en schuren van steen gezet, maar daar
zijn zwak gestel hem voor zulken arbeid ongeschikt maakte, en de
vlekkelooze heiligheid van zijnen wandel hem den eerbied zijns
cipiers deed verwerven, werd hij spoedig bevorderd tot hofmeester
van het gevangenis-hospitaal. In eenen brief aan eenen vriend geeft
hij aldus berigt van deze verandering in zijnen toestand:
Ik veronderstel, dat gij reeds onderrigt zijt van de verandering
in mijnen toestand, daar ik in het hospitaal aan het Penitentiary
als hofmeester ben geplaatst.--Ik gevoel mij maar weinig bevoegd
voor den post, dien men mij heeft aangewezen, maar ik zal beproeven
om mijn best te doen. Ik geniet de aangenaamheid van een goed vuur
en eene warme kamer, en mag des avonds blijven opzitten en lezen,
hetgeen ik een groot voorregt acht.--Ik ben nu bijna negen maanden
hier geweest, en moet er nog zeven en twintig blijven. Dit schijnt
mij in het vooruitzigt een lange tijd. Ik tracht zoo geduldig
te zijn als ik kan, maar somtijds word ik neerslagtig. Ik werp
de gedachten aan mijn ouderlijk huis en mijne vrienden zooveel
mogelijk van mij af; want als ik mij daaraan overgeef vergrooten
zij slechts mijne zwaarmoedigheid. En wat mijn gevoel het meeste
pijnigt is de gedachte aan het verdriet en den angst, die gij
allen om mij lijdt. Houdt op met bedroefd over mij te zijn, want
ik ben dat onwaardig; en het veroorzaakt u maar leed zonder mij
iets te baten.--Gelijk altijd, de uwe in de banden der genegenheid.