Hij was weinig langer dan een jaar in de gevangenis geweest toen de
cholera Nashville bereikte en onder de gevangenen uitbrak. Richard
was nacht en dag bezig om de zieken te verzorgen; zijn belangloos en
medelijdend gemoed dreef hem tot eenen arbeid, waarvoor zijn teeder
gestel, door gevangenschap ondermijnd, niet berekend was. Uitgeput
door dezen arbeid, zonk de zachtmoedige, geduldige beminnaar van God
en zijnen broeder eindelijk te rust en ging vreedzaam heen naar eene
wereld, waar allen liefdewaardig zijn en liefhebben.
Hoewel zijne briefwisseling met haar, die hij het meeste liefhad, werd
afgebroken, daar hij onwillig was om zijne brieven aan het toezigt
des directeurs te onderwerpen, bereikte haar toch een briefje, haar
overgebragt door de hand van een gevangene, wiens tijd om was. In dezen
brief, de laatste dien eenig vriend op aarde van hem ontving, zegt hij:
"Ik denk dikwijls, ja altijd aan u; als ik dat niet deed, zou ik
ophouden te bestaan."
Welk een stelsel moet het wezen, dat het noodzakelijk maakt om zulk
een man met veroordeelde misdadigers op te sluiten, omdat hij zijnen
medebroeder meer liefheeft dan wel verstandig is?