DE ZAAK VAN MENSCHENDIEVERIJ.

Richard Dillingham, die op den 5den December laatstleden werd

gearresteerd, in zijn bezit hebbende drie slaven, welke hij

voornemens was naar eenen vrijen staat mede te nemen, werd

gisteren voor het Criminele Hof teregtgesteld. De gevangene

bekende zijne schuld en hield eene korte rede ter vergoelijking

van zijn misdrijf. Hij beleed, dat het bedrijf door hem alleen

ondernomen was, zonder opstoking aan eenige zijde, en dat hij

alleen verantwoordelijk was voor de dwaling, waartoe zijne

opvoeding hem vervoerd had. Hij had, zeide hij, geene andere

beweegreden dan het welzijn der slaven, en dacht niet eenig

voordeel te behalen door hen te bevrijden. Hij werd veroordeeld

tot drie jaren gevangenis in het Penitentiary, de kortste tijd,

welke de wet voor het gepleegde misdrijf toelaat. Mr. Dillingham is

een Kwaker van Ohio, en is in dien Staat onderwijzer geweest. Hij

behoort tot eene fatsoenlijke familie, en is niet onbeklaagd door

hen, die de teregtstelling bijwoonden. Het was eene roekelooze

onderneming, en duur heeft hij zijne roekeloosheid bekocht.

Zijne moeder bezocht, eer zij Nashville verliet, den gouverneur, en had

een onderhoud met hem over een pardon voor haren zoon. Hij gaf haar

eenige aanmoediging, maar meende, dat zij haar verzoekschrift voor

het oogenblik liever moest uitstellen. Na verloop van verscheidene

maanden schreef zij hem daarover, maar hij scheen van gezindheid

veranderd te zijn, gelijk de volgende brief zal toonen:

Nashville, 29 Augustus 1849.

De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut · 第 41 / 220 题