»Stevens, binnen korten tijd zal ik uwe vrouw zijn en nog nooit hebt
gij mij gevraagd of ik het wezen wilde.”
Herinnert gij ’t u nog?—’t Is lang geleden dat die harde woorden
gesproken werden—maar juist omdat ze hard waren, zijn ze mij bij
gebleven.—Het steenen monument leeft langer dan de menschen, die
wegsterven. En die woorden zijn in steen uitgehouwen, want ze staan
geschreven in mijn hart dat versteend werd door u!
»Liefste! liefste Louise,” durfdet gij daarna vragen. »Nog nooit hebt
gij iemand lief gehad, zegt gij?”
»Niemand—zelfs u niet, resident.”
»Dat zal later wel komen, wanneer wij eenmaal getrouwd zullen zijn.”
»Ik hoop het, voor u en voor mij, en mocht het anders wezen, dan zal de
resident zich herinneren dat zijne vrouw hem gedwongen hare hand heeft
geschonken.”
En in plaats van mij, zoo als gij behoordet te doen, mijn vrijheid weer
te geven, hebt gij de vervulling van eene belofte gewild, die een kind
in haar onnoozele onwetendheid, op last harer ouders gedaan had...
Toen hebben wij beiden verkeerd gehandeld, resident.—Gij wetend, ik
onbewust.
Sedert zijn de omstandigheden veranderd en de karakters ook.
Het kind is mensch geworden en de vrouw, die weet, eischt hare
vrijheid.
Hebben wij eenmaal een fout begaan, dan is het onze plicht, als
redelijke wezens, die zoo spoedig en zoo goed mogelijk te herstellen.
Ik kondig u dus bij deze aan, dat ik de door mij begane fout herstellen
ga, en, van dit oogenblik af, ophoud uwe vrouw te zijn.”
Het eenige antwoord van den resident was een schaterlach. Hij vond die
grootsche vrijheidsdroomen zeer grappig in een vrouw, die zoo
afhankelijk was als de zijne.
»Lacht gij daarom?” vroeg Louise verwonderd, »dat doet mij pleizier.
Hoe minder gij tegen onze scheiding zijt, hoe aangenamer het mij is.
Gij zult dus wel de goedheid willen hebben, zelf de aanvraag te doen.
Gij kunt mij beschuldigen van al wat u goed dunkt, moord en doodslag,
echtbreuk of krankzinnigheid, diefstal zelfs, hoe gemeen of het is. Ik
beloof u dat ik »ja” en »amen” zeggen zal op elke misdaad die gij mij
ten laste zult leggen, onder voorwaarde altijd dat zij mij mijne
vrijheid weder geeft. En hiermede wensch ik u goeden nacht, resident,
slaap wel, goeden nacht, getuigen!” Toen zij bij de deur was, keerde
zij zich nog even om, met de woorden:
»Ik vergat u nog te zeggen dat gij mijne huwelijksgift behouden kunt...
als losgeld... of als loon voor uwe scheidingsaanvraag! Slaap wel,
resident.”
Zij wikkelde zich geheel in het witte tule kleed dat op een stoel lag,
wierp zich den kanten sluier over het hoofd en verliet de kamer met een
afscheidsgroet.
Toen zij zich alleen in hare slaapkamer bevond hoorde men haar lachen
als een kind dat een guitenstreek heeft uitgevoerd. Daarna was alles
stil.
Een rijtuig rolde de laan door—het hek uit—de straat op.
En weer was alles stil.
De resident verbleekte, sprong op en opende de deur der slaapkamer.
Niemand.
»Louise... Louise!...”
Alles bleef stil.
»Siedin, Ketjil, Alima, Bonsoe, sap’ada, sap’ada, Di sini, lekas!”
Uit alle hoeken, van onder alle tafels kwamen jongens en meiden te
voorschijn, slaapdronken en verschrikt, met onbewegelijke gezichten.
»Manna njonja?” [38]
Geen antwoord.
»Bodok, Malas!” [39] Alima bij den arm grijpende en haar onzacht heen
en weer schuddende: »Di manna njonja pigi?” [40]
»S’taauw toewan.” [41]
»Pigi per setan!” [42] en met een schop tuimelde Alima de kamer uit.
Daarop volgde een vloed van scheldwoorden, oorvegen, vloeken en
bevelen, waar niemand minder uit wijs kon worden dan de resident zelf,
en eindelijk werd de scène besloten met den uittocht van een half
dozijn oppassers te paard die, meer dan half slapende, njonja resident
zoeken gingen. Het was toen omstreeks middernacht.
Klokslag zes reden zij met hun zessen het hek weer in.
Njonja resident was niet te vinden geweest.
Daarop reed de resident zelf uit. Ketjil ging mee, en de gouden pajong
ook.
Malbrouck s’en va-t-en guerre.
DERDE DEEL
HOE ZIJ HAD KUNNEN ZIJN
Vous n’avez connu que les femmes heureuses ou méchantes peut-être?
Celles qui n’ont pas besoin de valoir grand’ chose et celles qui
réellement ne valent rien. Tachez de connaître celles qui aiment et
qui souffrent, celles qui pardonnent surtout; et peut-être qu’alors
vous aussi vous les désireriez libres, dans l’intérêt même de cet
honneur national qui se perd par la décadence de la femme; par
cette ignorance, par cette servitude, par cette bassesse, par cette
hypocrisie forcée, ordonnées par les lois, sanctifiées par l’église
et glorifiées par cette grande puissance morale:
l’opinion publique!
Lettre à M. Alexandre Dumas, fils, au
sujet de son livre L’Homme-Femme par
Mlle Oristorio di Frama, Cantatrice.
DERDE DEEL
HOE ZIJ HAD KUNNEN ZIJN
ZESENDERTIGSTE HOOFDSTUK
SPERANZA
Speranza was een der schoonste landgoederen in het A.sche. Niet alleen
waren de grond beter en de ligging voordeeliger dan van de meeste
omliggende landen, maar kunst en smaak hadden natuur zóo ruimschoots
geholpen, dat het woonhuis met het park als een meesterstuk van
Europeesche verfijning en Indische weelde beschouwd kon worden. Niets
was er veranderd sedert den dood van Werner. Een graftombe meer aan het
einde eener kanarielaan, half verscholen onder bloeiende heesters, dat
was al.
Het was een prachtige heldere sterrennacht. De maan wierp haar vol
licht over de weelderige plantenmassa en spiegelde zich vrij in het
zacht stroomende water van een grooten vischvijver, omringd door de
zeldzaamste gewassen, waarvan de met bloemen beladen takken sierlijk
heen en weer wiegelden in het kristal heldere water.
Alles was stil, schoon, rijk aan leven; geen vogel, geen vlinder scheen
meer te waken in die kalme, rustige natuur, maar het water murmelde
zacht zijn melodieusen levenszang, terwijl de bladeren hun
geheimzinnige poëziën ontboezemden, onverstaan wegstervend in de ruimte
die ze verslindt.
Vlug als een sylphide sprong een vrouwelijke gedaante uit het donkere
kreupelhout te voorschijn. Op eens beschenen door het heldere maanlicht
en gestuit in hare vlucht door den schoonen waterplas aan hare voeten,
stond zij als betooverd stil. Met de hand voor de oogen dook zij in de
schaduw terug, als vreesde zij het licht. Toen golfde een lach, als die
van een kind, over het kabbelende water en langzaam, met gevouwen
handen uit haar schuilhoek terugkomende, wierp zij nieuwsgierige
blikken om zich heen, verwonderd, vragend, opgetogen, dankend... zij
knielde neder en scheen te bidden.
Ja, zij bad in die betooverende eenzaamheid. Hare ziel was zóo vol: zij
kon niet meer denken, maar zij kon gevoelen, bewonderen, genieten,
gelukkig zijn, en den Schepper danken, wiens grootsche almacht haar uit
hare nietigheid ophief lot het besef van eene volmaaktheid die haar
duizelen deed.
Het was zes uur in den morgen en nog lag zij daar, met het hoofd op een
rotsklomp, de handen gevouwen, de oogen gesloten. De zon wierp vroolijk
haar nieuwen levensschat over de ontwakende aarde, de vogelen hieven
dartel hun duizendvoudig orchest weer aan, de bloemen zagen op, de
insekten herleefden...
De jonge vrouw alleen scheen gevoelloos voor den gouden gloed die haar
uitgeputte leden koesterde, en bleef dood ondanks de krachtige stem der
natuur die leven vroeg.
»Hier mijnheer,” sprak een kinderstem, »aan dezen kant bij de sedap
malam. [43]”
Lawson volgde den kleinen javaanschen jongen die hem den weg wees en
vond de jonge vrouw op de aangeduide plaats.
»Goed, ga heen, en zeg het niemand,” sprak hij gejaagd, zich zacht over
haar heen buigende en hare handen in de zijnen vattende.
»Mevrouw!... Liefste mevrouw. Mijn God, zij is dood! Louise!...”
Haar naam deed haar huiveren, zij bewoog even, doch ontwaakte niet.
Hij richtte haar op van den harden steen, sloot haar in zijn armen,
verwarmde haar tegen zijn borst, zeide haar al wat geruststelling,
liefde, troost kan zeggen...
»Werner!” sprak zij zacht, »o laat mij sterven... nu...” en zich
dichter tegen hem aandringende, verborg zij het gelaat aan zijn
schouder en verviel weder in hare vorige gevoelloosheid.
Ten einde raad richtte Lawson haar op van den dampigen, harden grond en
droeg haar in zijne armen naar huis, waar hij haar te bed leidde en als
een getrouwe hond aan hare voeten zitten bleef tot zij ontwaken zou.
Wat had hij die vrouw bewonderd toen hij haar de eerste maal gezien had
als de genius der wraak aan Werner’s sponde! Wat had hij haar beklaagd
als het onbeschermde slachtoffer van den ruwen, zedeloozen resident!
Wat had hij haar lief, zwak, zacht, verlaten, vol vertrouwen, zoo als
zij daar voor hem lag; hulpeloos en zwijgend, met den hoopvollen lach
eener fictie om de lippen, met de marmeren bleekheid des doods over
hare trekken verspreid.
Zwijgend zat hij het levenlooze schepsel aan te staren, terwijl tranen
van medelijden langs zijn wangen biggelden.
»Wat heeft dat kind gedaan om zóo ongelukkig te moeten wezen?... Wie
heeft recht op haar?... Hij is haar echtgenoot... En wat doet dat
af?... Ik zweer het, die vrouw zal heilig voor mij wezen... Uit mijn
huis? Neen, nooit zonder haar eigen toestemming...”
»Toewan dokter.”
»Ah!”
Lawson sprong op, verliet de kamer, sloot de deur achter zich dicht,
stak de sleutel in zijn zak en ging met Heisterman in een ander
vertrek.
»Luister dokter,” begon hij ernstig, »beloof je me, op je woord van
eer, dat je zwijgen zult, wat je ook zien moogt? Dat geen consideraties
hoegenaamd, noch voor personen, noch voor gevolgen, je een enkel woord,
een enkel teeken zullen afpersen over hetgeen je hier zult zien?”
»Indien het geen misdaad geldt.”
»Misdaad of niet, ik weet niet in hoever onze denkbeelden daaromtrent
overeenstemmen, maar ik weet wel dat je hier onder de gevraagde belofte
helpen kunt, of dat je anders onverrichter zake naar huis terug kunt
keeren, zonder dat je ooit zult weten waarvoor je hier geroepen bent
geworden.”
»Ik beloof te zullen zwijgen,” antwoordde de dokter besloten.
»Goed, kom in.”
De goede man kon het niet helpen, dat een kreet van verwondering hem
ontsnapte op het zien van mevrouw Stevens van Langendijk in Werner’s
slaapkamer op Speranza.
Hij wilde spreken, vragen, meer weten, maar Lawson wees hem op de zieke
en kwam hem vóor met de woorden: »Ik weet niets. Zóo heb ik haar twee
uur geleden bij den vijver gevonden.”
Meer dan drie uren verliepen er nog, eer eenig teeken van leven in
Louise te krijgen was, en toen scheen zij zóo zwak en uitgeput, dat zij
van hare flauwte in een slaap overging, die vijf dagen en nachten bijna
zonder ophouden voortduurde.
Lawson achtte haar verloren, maar de dokter verklaarde dat het de
laatste worsteling tusschen een sterken geest en een geknakt lichaam
was, waaruit de patiënte waarschijnlijk krachtig herrijzen zou, indien
men alles maar aan de natuur alleen wilde overlaten. Hij had gelijk: de
gezonde jeugd zegepraalde over de gebrokene ziel en, ofschoon zeer
langzaam, begonnen de verloren krachten toch weder te keeren.
Gedurende de eerste dagen in een half droomenden toestand, sprak zij
slechts weinig en zóo zacht dat men haar nauwelijks verstaan kon. Als
een kind dat zijne zwakheid gevoelt, gehoorzaamde zij zonder
tegenspraak. Lawson en de dokter waakten om beurten, en geen oogenblik
hadden zij haar nog durven verlaten sedert den dag harer geheimzinnige
verschijning op Speranza.
Eindelijk na een dag of acht te zwak te zijn geweest om met eigen wil
te kunnen handelen, scheen zij zich, op een Zondagmorgen veel beter te
gevoelen.
»Dokter!” vroeg zij, zoodra Heisterman het bed naderde. »Mag ik van
daag niet een half uurtje opzitten?”
»Zeker, indien gij er u sterk genoeg toe gevoelt.”
»O, van daag ben ik sterk! Waar is George?”
De dokter wist niet dadelijk wat te antwoorden: »Lawson meent gij?”
vroeg hij aarzelend.
»Hm—m!” zei ze lachend, en, het hoofd van hem afwendende, verviel zij
weder in haar vorig stilzwijgen.
»Wij zullen haar nooit genezen zien!” sprak hij treurig, toen Lawson
eenige oogenblikken later binnentrad. »Het is Werner, altijd Werner
nog!—Hare hopelooze liefde doodt haar.”
Lawson naderde het bed, legde zijne hand op haar schouder en vroeg
bijna fluisterend:
»Louise hebt gij naar mij gevraagd?”
»George?...”
»Welnu, hier ben ik.—Gij hebt niets meer te vreezen, geloof mij, wees
gerust en vertrouw op mij. Gij zijt volmaakt veilig hier op Speranza,
niemand zal u meer vervolgen of u eenig leed aandoen... Wij zijn hier
alleen—ver van de wereld—alleen met God en zijne natuur...”
Krampachtig greep zij zijne hand tusschen hare vermagerde vingers.
»Wie is die man, dáar, George?” vroeg zij fluisterend.
»Het is de dokter.—Heisterman.”
»Zoo even kende hij u niet.—Hij noemde u anders—geen George, zoo als
ik.—Zend hem weg... toe... hij wil u niet kennen.”
»Zeker kent hij mij.—Hij heeft u niet verstaan misschien.—Dokter, ken
je me niet?...”
»Zeker ken ik u.”
»Wie ben ik dan? Noem mijn naam.”
»George Werner,” antwoordde de dokter, Lawson’s bedoeling begrijpende.
»Weet hij alles?” vroeg Louise verder.
»Alles,” antwoordde Lawson, »maar vrees niets, hij zal het niemand
zeggen.”
»Ook den resident niet?”
»Ook hem niet.”
»Chut!—Gij weet dat hij gezworen heeft u te dooden wanneer hij ons te
zamen zou vinden?—George-lief zult gij mij niet naar hem
terugzenden?—Nooit?—Zult gij de arme Louise nooit verstooten?... Hoe de
menschen haar ook verachten zullen?”
»Nooit! Nooit! Ik zweer het u.”
»Dank je engel!... O! Ik wist wel dat de menschen mij bedriegen wilden,
toen zij zeiden dat ze u begraven hadden, op uw eigen land, in den
tuin, aan het eind eener laan, bij een stroomend water met bloemen
omzoomd... Ik wilde het zien, uw graf, zelve zien, vóor het te
gelooven... en ik heb den tuin gevonden, en de laan,—en het water,—en
de bloemen, maar niet het graf... Want daar is geen graf!” vervolgde
zij, met een pijnlijken lach Lawson in de oogen starende. »Niet waar,
George, gij kunt, gij wilt niet sterven nu Louise bij u is—voor
altijd—voor eeuwig?”
»Neen.”
»Gij weet nu dat ik sterven moet, indien gij mij verlaat, of
krankzinnig worden, zooals de menschen het noemen, omdat zij niet weten
dat de ziel de dooden kan volgen, terwijl het lichaam leven blijft.—O
George, dat is een vreeselijk gevoel! Ik ken het. Ik heb het gevoeld
toen zij mij gelooven deden dat gij mij verlaten hadt. Toch wist ik dat
ik u weer zou zien... gij hadt het mij immers beloofd? Maar waarom zijt
gij in al dien tijd niet bij mij geweest? Ik vroeg dagelijks elk uur,
elk oogenblik naar u, en »dood” was al wat de wreede menschen
antwoordden! Zullen ze nu ook »dood” zeggen, als de resident naar
Louise zal vragen? O, dat hoop ik!” En met een lach in de kussens terug
zinkende, met Lawson’s hand in de hare en hare oogen op de zijnen
gevestigd, viel zij weder in slaap, kalm en gelukkig zoo als zij in
lang niet geslapen had.
Zwijgend en vragend zagen de dokter en Lawson elkander aan. Lawson was
de eerste die de stilte verbrak.
»Misdaad,” zeide hij, »ziet gij hier een misdaad in de toekomst,
dokter?”
»Ik zie niets dan ongeluk. Geen fouten, maar gevolgen van verkeerde
handelingen en misdaden.”
Zij reikten elkander de hand, en bleven geruimen tijd zwijgen, terwijl
de jonge vrouw aan hunne zijde sliep.
Langzaam, zeer langzaam was Louise’s herstelling geweest, die zij
grootendeels aan Lawson te danken had, in wien zij Werner meende te
zien.
De resident had te vergeefs alle pogingen in het werk gesteld om zijn
vrouw terug te vinden. Vrienden en bekenden waren ondervraagd geworden
en hadden op hun beurt getracht iets naders omtrent Louise te weten te
komen; alles te vergeefs. De dokter was de eerste geweest die van
zelfmoord gesproken had, en dit denkbeeld, het waarschijnlijkste van
al, was ten laatste algemeen voor waarheid aangenomen.
Louise’s dood had weinig of geen verandering in het leven van den
resident te weeg gebracht. Hij had den laatsten tijd zóo veel met haar
te tobben gehad, dat hij bijna gelukkig was toen er eindelijk een einde
aan de soesah kwam. Wanneer hij zich de jonge, schoone, levendige
Louise van vroeger herinnerde, had hij soms oogenblikken van wanhoop en
vertwijfeling, die zich oplosten in een luid snikken en zuchten,
hartbrekend om aan te hooren, maar juist door de overdreven heftigheid
ver van gevaarlijk waren voor den oppervlakkigen man, die door een
enkele gedachte aan Louise’s opgewondenheid en krankzinnigheid als bij
tooverslag weer tot bedaren kwam en vrede kreeg met het verdwijnen van
de oproerige vrouw, die hij toch niet langer regeeren kon.
ZEVENENDERTIGSTE HOOFDSTUK
LAWSON
„J’ai trahi par faiblesse, on bien par dévoûment
Mon enfant, mon amour, mon bonheur, mon serment.”
A. de Lamartine, Jocelyn.
Zes maanden was Louise gelukkig geweest. Zes volle maanden geluk voor
die gefolterde ziel, dat was eene eeuwigheid geweest! Eene eeuwigheid
van liefde, kalmte en hoop had zij doorleefd in die schoone, rijke
eenzaamheid, waar alles Werner riep. Maar zij waren voorbij en het was
een vluchtig oogenblik slechts dat in de verte glansde als de avondstar
in het nachtelijk duister.
Het was een dier frissche, heldere morgens, zooals men ze enkel in het
gebergte kent. Louise wandelde, op Lawson’s arm geleund, den
weelderigen, smaakvollen tuin door en zag om zich heen met dien
afgetrokken, zachten lach, het kenmerk van schier volmaakt geluk. Beide
genoten in stilte van het tegenwoordige met eene gretigheid, die een
onbestemd gevoel van vrees voor de toekomst verried.
Louise verbrak het zwijgen. Zij voerde haar vriend naar een ijzeren
bankje, waarop beide plaats namen, legde haar hoofd op zijn schouder en
vroeg zacht, zijne hand in de hare vattende:
»George!—Wat zal de toekomst wezen?—De onze?—De zijne?”
Lawson sloeg zijn arm om haar heen, drukte haar aan zijn hart en
beantwoordde hare vraag met een kus.
Lang zwegen beiden weer.
Louise’s hoofd zonk lager, haar oogen staarden naar den grond en groote
tranen hingen aan de lange wimpers.
»George—niet waar?” vroeg zij fluisterend. »George zullen wij hem
noemen? En ook de wereld zal hem George heeten—omdat het geen Werner
wezen mag... Ach! waarom moet dat kind verstooten worden?... Waarom
miskend?... en veracht misschien!...”
»Chut, Louise, spreek niet zóo, mijn engel! Ons kind zal niet
verstooten worden, niet miskend, veel minder nog veracht.—Wij zullen
het zelf verzorgen en onderwijzen en groot brengen tot eere van ons
land en...”
»Zonder naam...” viel Louise hem in de rede.
»Er zijn er meer geweest zonder naam, die groot geweest zijn en
uitgemunt hebben boven allen.”
»Maar hij zal zijn vader haten en zijne moeder verachten... dat zullen
de menschen hem leeren, en dat zal mij dooden, George! Gij die beter
zijt dan allen, grooter dan de grootsten, edeler dan de edelsten,—o,
waarom moet ik over uw kind weenen?... Indien het zijn kind geweest
ware, zou de wereld mij geacht hebben, gevleid, benijd misschien!... En
toch, zijn kind ware schande geweest! Het uwe, God weet het, is glorie!”
Na een oogenblik zwijgens, vervolgde zij angstig:
»George, zoudt ook gij mij kunnen verachten?...”
»Nooit—nooit, mijn innig geliefde Louise!...”
»Maar ik ben uwe vrouw niet... Later misschien... O, beloof mij dat gij
mij dooden zult, nooit verstooten! God weet het, dat ik niet slecht
ben... Ik kan ’t niet helpen dat ik leef, zoo kan ik niet helpen dat ik
u lief heb ook.—Misdaad noemt de wereld mijne liefde; misdaad moest zij
dan ook mijn leven noemen! Misdaad, wat van God alleen komt?—O!
menschen, waarom maakt gij wetten, strijdig met die van God?—Nietige,
armzalige schepselen, welk recht hebt gij, in uw zwakke
afhankelijkheid, om uwe onkunde hooger te stellen dan de volmaakte
wijsheid, van Gods krachtige natuur?
»George, vergeeft gij mij den twijfel die zich tusschenbeide van mij
meester maakt, en mij onrechtvaardig oordeelen doet zelfs over u, dien
ik liefheb boven alles?... O, ik moest minder lief hebben, om minder te
lijden!—Maar gij hebt medelijden met uw arme Louise, niet waar?... En,
evenals God, vergeeft gij haar alles, omdat gij alles weet?”
Lawson sloot haar in zijne armen, drukte een hartstochtelijken kus op
hare bevende lippen en geleidde haar onder een vloed van troostwoorden
naar huis terug, daar het te warm begon te worden om langer in den tuin
te blijven.
Een half uur later reed hij te paard uit om het werk op zijn landgoed
na te gaan, en bleef de jonge vrouw alleen.
Zij was in lang zóo opgewonden niet geweest als dezen morgen. Sedert
hare herstelling was zij gelukkig geweest zonder nadenken, zonder vrees
voor de toekomst althans. Zij had zich geheel aan hare liefde
overgegeven, die zoo ruimschoots door Lawson beantwoord was geworden,
dat zij alles vergeten had in het ongekend geluk dat haar als
betooverde en gevoelloos maakte voor hetgeen daar buiten lag.
Gisteren echter was er iets zonderlings gebeurd. Lawson had naar een
voorwerp gevraagd dat niemand vinden kon. Alle bedienden hadden er naar
gezocht, doch te vergeefs, eindelijk had een der jongens gevraagd om
den sleutel van »de kamer van Toewan bezar”. Lawson was doodsbleek
geworden, had den ouden Drono bij den arm gevat, was met hem naar het
onbewoonde bovenhuis gegaan en was teruggekomen met het lang gewenschte
voorwerp. Dien avond had Drono Louise zijn ontslag gevraagd en
hedenmorgen was hij vertrokken.
Dit alles was zoo bijzonder niet, en toch hadden de eenvoudige woorden
»Toewan bezar” een indruk op haar gemaakt, dien zij zich niet verklaren
kon.
»Wie was Toewan bezar?—Wie kon het zijn in Werner’s huis?—Wie anders
dan hij zelf?”
Zij wist niet wat zij gevoelde, maar het was haar als werd zij naar
boven geroepen. Eenige uren worstelde zij nog tegen een »caprice” zoo
als zij het noemde, maar ten laatste den strijd moede, gaf zij aan de
verleiding toe en ging naar boven.
»Naar boven?—Maar wat moet ik daar doen?...” sprak zij lachend tot zich
zelve, op den trap stil staande en gereed om terug te keeren.
»Ga verder,” fluisterde weer de geheimzinnige stem, »dáar boven is de
oplossing.”
»De oplossing? Ik weet zelfs niet van wat!”
Zij ging.
Het bovenhuis was evenzoo ingericht als het benedenhuis. Een
voorgalerij, een binnengalerij, een achtergalerij en zes kamers welke
allen in de binnengalerij uitkwamen. Ledige kamers, ongemeubelde
galerijen, stof op de vloeren, zwaluwen op de riggels der pilaren, een
gekko ergens in het dak verscholen... Louise huiverde. Zij trad de
eerste kamer binnen.—Niets.—De tweede. Een gebroken rotang stoel,
eenige planken van een ledekant, een paar oude manden, dat was al.—De
derde.—Niets.—De vierde.—Niets.—De vijfde... Werner!
Werner als vroeger, jong en schoon, met zijn fieren blik en zijn
zachten, droeven lach!... Werner, zóo als zij hem het eerst gezien had,
’s avonds, omringd van bloemen, lichten, muziek...
Sprakeloos staart zij hem aan,—ademloos leunt zij tegen den post der
deur, de bevende handen smeekend naar hem uitgestrekt... Zij heeft geen
moed om verder te gaan, geen kracht om terug te keeren...
»George!”
Hijgend blijft zij wachten...
Een woord—een wenk... iets...
Neen, niets.—De stof daalt langzaam neer op den vloer; de verontruste
zwaluwen keeren terug naar haar nesten; alles zwijgt.
»George!...” roept zij weder.
Stilte.
»George! George! George!” gilt zij half radeloos, en de echo gilt haar
na.
»O George! Vergeving!—Vergeving!”
En zich, luid snikkend, aan zijne voeten werpende, grijpt zij zijn
hand... koud—stijf—glad—het is geen hand—bevend deinst zij terug,
kruipt weg aan het andere einde der kamer, staart hem aan, door hare
tranen heen... Maar het is George niet.
Het is zijn portret!
Zijn portret?—Maar het gelijkt hem niet... En toch hoe sprekend gelijkt
het!—En George dan? George die leeft, die niet op het portret
gelijkt—George dien zij lief heeft, de vader van haar kind?... Maar
deze man is George, zijn blik, zijn lach... Zij heeft hem dood
gezien... Neen, hij was niet dood... Zij heeft hem verstooten bij de
wieg van haar kind—neen, niet haar kind, haar kind is het zijne... Wat
heeft zij hem lief gehad! Maar hij gelijkt niet op het portret... en
toch dat portret, wat gelijkt het sprekend!...