»Mijn God! Wat gevoel ik toch?—Mijn arm, arm hoofd, kan het dan niets

meer begrijpen?...”

»Louise!” klonk een stem door het huis: het was de zijne, van hem die

leefde, want die van het portret bleef stom... Hoe zacht, hoe dof, en

toch hoe doordringend was die eenmaal geweest!... De stem van een

portret?...

Lawson trad binnen.

»Louise, mijn kind, waar zit je toch?—Mijn God, wat ben ik ongerust

over je geweest! Kom, ga mee naar beneden, het eten staat klaar?...”

Lawson trachtte kalm te spreken, maar zijne bleekheid verried hem.

Louise’s donker oog dwaalde van hem naar het portret, en van het

portret naar hem.

»Die man!” fluistert zij zacht, zich dichter en dichter naar hem toe

dringende. »O George!... Vloek over mij!”

Zij snikte zóo zenuwachtig dat Lawson te vergeefs alle pogingen

aanwendde om haar tot bedaren te brengen. Woorden noch liefkozingen

mochten baten, en de gansche dag ging voorbij zonder dat zij een enkel

verstaanbaar woord kon uiten.

Tegen den avond scheen zij kalmer te worden, hare tranen hielden op te

vloeien, zij beefde niet meer, zij vlood niet meer van de eene kamer

naar de andere om zich aan Lawson’s oog te onttrekken. Hare bleekheid

alleen getuigde van de onrust die in hare ziel nog voortleefde.

»George,” vroeg zij op eens, »George, wilt gij medelijden met uwe arme

Louise hebben, en haar de waarheid bekennen—de zuivere eenige

waarheid?—Die twijfel doet mij zoo schrikkelijk lijden! Beloof het mij?

Och, beloof het mij,—om de wille van ons kind,” fluisterde zij zachter,

»dat gij niets voor mij verborgen zult houden, niets—niets.—Ik ben

immers ook oprecht met u geweest, altijd—sedert... sedert...”

Zij sloeg de oogen neer als schaamde zij zich en vervolgde droevig:

»Maar ik heb geen recht meer van spreken... ik eisch ook niets, ik

wensch slechts... Ik bid u, ik smeek u om waar te zijn met uw arme

Louise... uit medelijden... of uit liefde, George!”

Lawson zag haar rustig aan met zijn groote, sprekende oogen, greep hare

beide handen in de zijnen en vroeg haar kalm en ernstig!

»Herinnert gij u éen oogenblik, Louise, waarin ik u bedrogen heb?—Heb

ik u ooit een onwaarheid gezegd?—Hebt gij mij ooit op een leugen

betrapt?”

»Nooit.”

Zij liet het hoofd op zijn schouder zinken en glimlachte als dien

morgen.

»Dat portret!...” sprak zij zacht.

»Dat portret is lang geleden gemaakt.—Verwondert het u dat de man den

jongeling ontgroeid is?—Hebt gij mij minder lief, Louise, omdat ik

minder op dat portret gelijk?...”

Louise antwoordde niet—zij staarde hem aan, met bewondering, eerbied,

schier met aanbidding.

Plotseling schoten hare oogen vol tranen, met geestdrift bracht zij

zijne hand aan hare lippen en overdekte die met kussen.

»Wat zijt gij oneindig goed!” riep zij met vuur. »O mocht ik sterven

voor u!—Lijden, al wat uw deel moest zijn!—George, dat alleen is

geluk!”

»Neen, geluk is kalmte, rust, tevredenheid.—Een lach van u, een

frissche, heldere, vroolijke kinderlach, dat is geluk!—Mijn geluk,

Louise.”

Zij trachtte te lachen, voor hem—maar zóo diep weemoedig was dat lachje

dat het tranen in zijne oogen riep.

Het geluk was voorbij. Zes maanden had het geduurd. Zes maanden lang

had geen macht op aarde zich tusschen hem en haar kunnen dringen. Één

blik op een portret en alles was voorbij. Louise gevoelde het, Lawson

gevoelde het ook. Geen van beiden begreep het, en geen van beiden zou

het bekend hebben, indien zij het begrepen hadden.

Den volgenden morgen, zoodra Lawson als naar gewoonte uitgereden was,

spoedde Louise zich weer naar boven.

»George!—De andere George!—Neen, dezelfde.—De jongste, de schoonste, de

beste.—Neen, beter dan hij was, had hij nooit kunnen zijn!—De George

harer droomen!...”

Wat klopte haar hart! De deur was dicht, zij had de macht niet die te

openen, het was haar alsof zij eene misdaad ging plegen.—Eene misdaad?

En het was George dien zij weer ging zien!...

Trotsch hief zij het hoofd op, een fiere lach speelde om den fijn

besneden mond, zonder aarzelen opende zij de deur en trad binnen...

Niets!

Bewegingloos bleef zij staan, verwonderd, teleurgesteld, diep

rampzalig.

Snel als een bliksemstraal vloog haar een kwade gedachte door het

brein.

»Jaloersch van hem!” Zij lachte, en er was iets wilds in dien lach,

iets dat aan misdaad denken deed.

Een tranenvloed volgde, en alles werd vergeten in een grenzenlooze

droefheid, een melancholie zonder bewustzijn, een onzeker gevoel van

eenzaamheid, van verlatenheid, een onverklaarbaren dorst naar lijden,

naar sterven...

Eenige maanden leefde zij voort als in een droom, lijdelijk,

gehoorzaam, onderworpen als een kind. Soms zocht zij nog naar het

portret, nooit vond zij het. Lawson had haar lief als vroeger, zoo

mogelijk nog meer. Zij wist niet of zij hem lief mocht

hebben.—»Sterven!” was haar bede. »O neen, nog niet!” smeekte zij dan

een oogenblik later. »Mijn kind! Het zijne! O God, laat mij leven voor

het kind van mijn George! Is het het zijne wel? Vloek over hem! Vloek

over de vrouw die hem bedrogen heeft! Heb ik hem bedrogen?—Hem? Mijn

George? Niet mogelijk!—O God! laat mij sterven!”

ACHTENDERTIGSTE HOOFDSTUK

GELUK

Toen haar kind geboren was, werd zij kalmer. Zij vroeg niet meer naar

het verledene en sprak niet meer van sterven. Haar kleine George was

alles voor haar. Wat had zij dat onnoozele schepseltje lief! Zij

verzorgde het, vertroetelde het, sprak er tegen, alsof het haar

begrijpen kon, wilde niet dat iemand anders het helpen zou; Lawson werd

Werner genoemd, omdat de kleine George moest heeten, en twee Georges

verwarring geven zou.

Wat was zij trotsch op Werner’s kind! Wat was het mooi! Hoe geleek het

op George!

Meer dan eens had Lawson haar met tranen in de oogen gadegeslagen, als

zij zich alleen waande met haar lieven kleinen engel. Wat sprak zij

zacht, wanneer zij hem smeekte goed te zijn, en edel en groot als zijn

vader! En tusschen dat fluisteren in klonk het: »O mijn God laat mij

leven tot dat hij mij verstaan zal hebben!”

Verder gingen hare wenschen niet, maar zóo ver gingen allen.

Zoo vlogen nog drie gelukkige jaren voorbij, waarin Lawson voor haar

leefde en zij voor den kleinen George.

Haar bede scheen verhoord te zijn, want liefde was al wat het kind van

zijne moeder geleerd had. Dat woord alleen had het verstaan en riep het

haar toe in elke heldendaad van het spelend kinderleven.

Wat was Lawson trotsch op zijn zoon! En op de vrouw die hij de zijne

noemde! Wat zou hij gegeven hebben, om de wereld zijn schat te toonen,

en te schitteren met het geluk dat heel de toekomst voor hem vulde!

»O neen, geen menschen!” smeekte Louise angstig. »De wereld geeft geen

geluk, zij ontneemt het slechts!”

»Maar voor den kleinen George?...”

»Is George niet goed?” vroeg zij fier, zich plotseling in hare

moederliefde gekrenkt voelende. »Kent gij een ander kind van zijn

leeftijd dat beter is dan hij? Goedhartiger, verstandiger,

edelmoediger, handiger?”

»Dat zeg ik niet, maar onder vreemden...”

»Nooit onder vreemden, zoolang hij eene moeder heeft! Vreemden kunnen

hem geleerder maken, sluwer, voornamer; beter nooit!... O Werner,”

vervolgde zij smeekend, hem beide armen om den hals slaande, »minacht

mij niet omdat ik slechts een vrouw ben! Voor de wereld ben ik een

onwetend schepsel, zonder verstand, zonder kracht, zonder gevoel, maar

voor mijn kind—o voor mijn kind kan ik alles wezen!”

NEGENENDERTIGSTE HOOFDSTUK

RECHT

Een doodsche stilte heerschte in het groote prachtige landhuis. Lawson

lag bleek en koud op het sterfbed uitgestrekt. Louise stond aan zijne

zijde, zwijgend en onderworpen zoo als zij eenmaal naast den

baleh-baleh van Werner gestaan had. Dokter Heisterman wendde te

vergeefs alle pogingen aan, om haar naar hare kamer terug te doen

keeren, sprak van besmetting, van plicht, zij bleef onbewegelijk staan

en antwoordde kalm:

»Aanstonds zal hij mij verlaten, dokter... Laat mij....”

»Denk aan uw kind, mevrouw.”

»Ik kan niet... Ik kan nu slechts aan den vader denken.”

De dokter zweeg. Als altijd gaf hij toe aan de jonge vrouw.

Het duurde niet lang of er kwamen vreemden in huis en het lijk werd

weggedragen.

Toen verschenen de mannen van de wet en andere vreemden en

nieuwsgierigen. Het testament werd geopend. Lawson’s papieren werden

doorsnuffeld. De vrouw werd gevonden met haar kind. Zij werd zijn

maîtresse genoemd en het kind werd onecht verklaard. De wet had in

alles voorzien. Zij kon gaan vanwaar zij gekomen was en medenemen

hetgeen haar toebehoorde—haar kind. Het testament dateerde van meer dan

zes jaar herwaarts en sprak niet van haar. Dus geen geld, noch voor

haar, noch voor haar kind...

En wie was die vrouw?—De wet zou het uitvinden, zij vond alles uit.

Aan resident Stevens van Langendijk werd gemeld, dat men zijn vrouw

gevonden had. Hij eischte haar op, ontkende het kind, vroeg een

wettelijke echtscheiding en verkreeg haar op grond van »slecht gedrag

zijner vrouw.” De wereld beklaagde hem en gaf hem gelijk.—Twee maanden

later trouwde hij met eene schatrijke weduwe, waarvan de menschen veel

geweten hadden, dat niet goed was, maar die zóo groot geleefd had dat

niemand het had willen weten. Eerbied en achting omringden het

gelukkige echtpaar totdat de resident nog een rang verhoogd werd en,

tot groot leedwezen van het publiek, A. verliet om als Raad van Indië

naar Batavia te vertrekken.

En Louise en haar kind? De resident had haar naar hare ouders

teruggezonden. Dat was al wat hij voor haar doen kon.

En hare ouders hadden haar het kind ontnomen en het naar Holland op

school gestuurd, om het te onttrekken aan den zondigen invloed der

moeder.

Wat had zij geworsteld, gestreden, gebeden om haar kind!

»Mijn God! Het is mijn kind, het mijne alleen!”

Dit ontkende de wet. Hare ouders hadden haar krankzinnig genoemd,

zooals haar echtgenoot haar eerloos had verklaard. En de wet ontnam

haar het kind. Dat was recht.

Arme menschheid, die evenmin voor de wet berekend zijt als de wet voor

u! Wat is het leven, zooals het tegenwoordig in zulke gevallen begrepen

wordt? Een belachelijke opstand tegen de eischen der natuur. Een

onzinnige worsteling tegen de groote wetten der volmaaktheid. Een

godslasterend drama, gespeeld onder het karikatuur masker van

godsdienst, wetenschap en vrijheid!

VEERTIGSTE HOOFDSTUK

LINA’S HUWELIJK

En wat was er te Felicita voorgevallen, gedurende de jaren van geluk en

wanhoop, die Louise’s levensdroom zoo frisch gekleurd, zoo plotseling

vernietigd hadden? Och, eigenlijk niets bijzonders. Een huwelijk had er

plaats gehad, anders niet. Lina van Wageningen was met Herman Wagner

getrouwd en met hem naar Solo vertrokken, waar hij in garnizoen lag.

Reeds eerder had hun huwelijk voltrokken moeten worden, maar eene

expeditie naar Bali had alle plannen in duigen doen vallen, en eerst

nadat Wagner gewond en gedecoreerd terug was gekeerd van den

luisterrijken heldentocht, had men het vredesverbond kunnen sluiten dat

zoo lang had moeten achterstaan voor plicht en dienst.

Roemrijk noemde de brave militair die zegepraal. »Noodzakelijk”

antwoordde Lina, en zij wierp haar armen om zijn hals, terwijl zij

zachter fluisterde:

»Ik weet niet of ik u nog meer lief zou kunnen hebben dan nu, en

toch... toch had ik u geen deel aan dien strijd willen zien nemen...

die zachte hand had nooit moeten dooden—dat eerekruis had niet met

bloed bezoedeld moeten zijn...”

»Lientje, Lientje, wat zou er van onze koloniën terecht komen, indien

het gouvernement zoo tegen oorlog was als gij...”

»Och, noem het dan een eisch van den tijd, dat stelselmatig moorden,

maar spreek niet van dapperheid en heldenmoed... dat is ’t niet... ’t

Hindert mij, dat schoone kruis... ik zag u liever zonder, Herman.”

»Hadt gij mij liever een lafaard gekend?”

»O neen, neen, maar het spijt mij dat gij militair zijt... Waarom

gevoel ik dit eerst nu zoo sterk? Waart gij niet gedecoreerd geworden,

dan had ik het minder gevoeld, geloof ik... Gewond alleen had ik u

beklaagd, als een slachtoffer van dwang en plicht beschouwd, maar nu,

dat eerekruis, daar ligt voor mij een bespotting in.”

»Lina!”

»O, misken mij niet! Er is niets persoonlijks in hetgeen ik daar

zeg.—Maar ik heb u zoo lief dat ik u boven de mannen van onzen tijd

verheven wilde zien. Dat kruis stelt u met duizenden gelijk—duizenden

die eer en deugd zien in brandstichten en in moorden. Dat kruis spreekt

van rampen, van lijden... ’t is de bekrooning van een wanbegrip.—Och!

Herman, ik ben maar een vrouw en ik zie in den oorlog niets roemrijks.”

»Toch is hij noodzakelijk, liefste.”

»Ik weet het... maar een oorlog moest geen gloriedaad, hij moest een

schandvlek in de geschiedenis eener natie wezen. Geen zegelied vol

hoogmoed en trots, dat klinkt als een lofzang te midden van dooden,

geen monument tot vereering van verwoesting, geen ridderkruis tot

instandhouding van smart. Wij moeten de wereld wel nemen zoo als zij

is, maar wij moesten ten minste niet roemen op oneer, en zwakheid niet

verheffen tot deugd. Ik laak u niet om hetgeen gij gedaan hebt, maar ik

wilde dat gij het niet hadt behoeven te doen. Er zijn plichten waarover

men zich schamen moest... zóo alleen kunnen zij ophouden plichten te

zijn.”

»Je bent een engel, Lientje,” riep Wagner met een kus, »maar je bent

een idealenmaakstertje.”

»En denk je niet dat mijne idealen eenmaal verwezenlijkt zullen worden?

Dat er eindelijk een tijd zal komen, waarin het oorlogvoeren niet meer

mogelijk zal wezen?”

»Nooit, nooit, mijn kind. Zoo lang er...”

»Neen, geen zoo lang.. ik zeg ook zoo lang. Zoo lang nationaliteit en

vaderlandsliefde deugden zullen heeten, zal er natuurlijk oorlog wezen,

want die deugden voeden zich met afgunst en haat... De égoïst doet

niets voor zijne familie—familiezwak strekt zich niet uit tot

stadgenooten—stadgenooten geven niets om

provincie-belangen—provincie-belangen strijden tegen de welvaart van

het rijk—en de welvaart van het rijk verzet zich tegen den vooruitgang

der wereld!... Arme, bekrompen gehechtheid, aan de bezitting van een

oogenblik! En daarbij staan wij stil, terwijl het heelal voor ons open

ligt! Daarvoor leven wij, terwijl de wereld ons hare ruimte biedt en

wij de oneindigheid voor ons hebben!—Waarom heeft de menschheid niet

reeds lang geleden begrepen, dat vijandschap door liefde geëindigd kon

worden even goed als door oorlog? Christenen, noemen de beschaafde

volkeren zich, en juichend houden zij het kruis in eere, dat zij

veranderd en verbeterd hebben en nu in den vorm van donderende kogels

in een bloedstroom door de wereld jagen! Vermeerderen moeten die

kogels, verbreeden moet die bloedstroom, tot dat hij eindelijk zóo diep

zal geworden zijn dat de laatste kogel er in verzinken zal!... Door

moorden alleen kan het moorden gestuit worden, door verwoesten alleen

de verwoesting gestaakt! O, Herman! Waarom niet door liefde?...”

»Omdat de menschen niet zoo wijs zijn als mijn Lientje, dat over de

toekomst spreekt alsof de menschheid slechts éen schepsel ware, éen

wezen met een engelenhart en een Christuskop, dat niets verlangt dan

geluk en weet dat door verbetering alleen dat doel te bereiken is.—Och,

kind, laat ons onze ideale toekomstdroomen tot ons huwelijksleven

bepalen en verliezen wij ons niet in machtelooze bespiegelingen over de

aanstaande grootheid der wereld, welke ach! zoo wreed teleurgesteld

worden in de werkelijkheid die wij niet besturen kunnen.”

»O! denk niet dat ik mijn geluk niet waardeer! Gij weet het beter dan

allen, hoe dankbaar ik ben voor uw behouden terugkomst uit den

oorlog!—Maar het is zoo hard, wanneer men zelf gelukkig is, te zien hoe

vreesselijk anderen lijden, hoe diep rampzalig velen zijn, die, even

als wij, gelukkig hadden kunnen wezen, indien zij niet door

afhankelijkheid of door een verkeerd begrip van plicht in het verderf

waren gestort... En dan denk ik aan de toekomst, Herman... aan de

toekomst onzer kinderen... Ja, lach maar, bespot mij maar om dat echt

vrouwelijk instinkt. Ik kan het niet helpen. Ik heb ze lief, onze arme

kinderen... Zelfs eer ze nog bestaan... en ik kan het mij voorstellen

hoe dierbaar zij mij wezen zouden, indien ze daar aan onze voeten

speelden, gezond en vroolijk, met lachende lippen en vonkelende

oogen... en later, wanneer zij krachtig ontwikkeld, met niets dan

liefde in het hart, enthousiasme in de ziel en overdreven grootheid in

het vrij en stout verstand de wereld in zouden treden, groot en fier

als reuzen, gereed om te torschen wat te zwaar is voor allen, en op hun

schouders te verheffen wat miskend wordt door de wereld... Verpletterd

en vernietigd zouden zij worden, verbrijzeld en met voeten getreden.

Gehoond, versmaad, overweldigd en vermoord... mogelijk ook zouden ze

zwak zijn en vallen, buigen, meegaan, zich zelf verloochenen, zwichten

voor de overmacht en groot zijn in de oogen der wereld met een hart dat

berouw kent en een hoofd dat niet meer denken durft.. O Herman! is het

daarvoor dat wij kinderen in het leven roepen?—dat wij ze met liefde en

met zorg opvoeden? dat wij ze verstandig en edel trachten te maken?...

Tusschenbeiden ben ik bang... hoop ik bijna dat wij alleen zullen

blijven... en toch... O het moet vreeselijk zijn zóo veel lief te

hebben om zóo veel verloren te zien gaan...”

»Maar kind, wat heb je zwarte gedachten van daag! Je zoudt mij haast

doen denken dat je berouw hebt over ons huwelijk eer het nog voltrokken

is... Wou je...”

Lina glimlachte, en zag hem zoo liefdevol aan, terwijl zij haar

vriendelijk kopje aan zijn breeden borst vleide, dat Wagner haar een

vurigen kus op de zachte lippen drukte en geen woorden vond om zijn

volzin te voltooien.

»Berouw?” sprak ze fluisterend, »ik zou sterven indien ik u verliezen

moest... O Herman! mijn geluk is zoo groot, dat ik het weer wilde

vinden in de toekomst onzer kinderen... en de toekomst beantwoordt

mijne warme, zonnige liefdedroomen met een schellen oorlogskreet,

gesmoord in een dof en somber floers van rouw...”

Zij zweeg even, en wischte zich een traan uit het oog, welken zij voor

Wagner verbergen wilde; plotseling hief zij den bezielden blik naar hem

op en het schoone hoofd met fiere kracht omhoog heffende vervolgde zij:

»Een ding heb ik nooit begrepen...”

»Wel?” vroeg Wagner, haar levendig gezichtje met bewondering aanziende.

»Ik heb nooit begrepen dat de vrouwen zoo lang gezwegen hebben—en

toegestemd, zelfs aangemoedigd, en meegewerkt in dat groote

wereld-proces hetwelk men oorlog noemt... Onze kinderen, we moesten ze

te lief hebben om ze te laten vermoorden... te lief vooral om ze beulen

en boosdoeners te zien worden... Wij vrouwen, we moesten in massa

opkomen tegen het verminken onzer geliefden, tegen het verbrijzelen van

de kern van het volk.—Onze godsdienst ten minste moest vrede wezen en

onze liefde moest zich niet besluiten binnen den grens van een land,

zich niet onderwerpen aan de willekeurige overheersching van eene

baatzuchtige politiek. Wij moesten geen vijanden, maar menschen

erkennen; geen rijkjes, maar de gansche wereld lief hebben. Wij, die

zelve moeders zijn, wij moesten het geluk van andere moeders

eerbiedigen en geen glorie zien in den diepen rouw harer verbrijzelde

zielen, geen grootheid zoeken in het vermoorden harer dierbaarste

betrekkingen, in het verijdelen harer edelste toekomstdroomen..... Maar

ik ben dwaas, ik gevoel het... De tijd is nog ver, waarin het recht der

Staten even als dat der menschen gehandhaafd zal worden door verstand

en kennis, en wij moeten lijden en worstelen tot dat wij door strijden

en verwoesten, door uitputting en smart tot de overtuiging komen

zullen, dat liefde alleen tot grootheid leidt en kennis tot geluk. Maar

waarom moeten wij daartoe komen door zwakte? Door kracht zou het

grootheid wezen, door ellende is het slechts noodzakelijkheid.”

»Maar kind, zie je dan zoo veel slechts in de toekomst? Geloof je dan

niet aan den vooruitgang der menschheid? Zie je dan niet dat er iets

grootsch geboren wordt schier uit elken oorlog?”

»Ja, zeker. Haat en wraak. Haat schudt de slapende volken wakker en

wraak dringt ze tot den arbeid om anderen te verpletteren. Dat zie ik,

anders niet. Afgunst, misdaad en lijden... Neen, die vooruitgang wordt

te duur betaald.”

Melatie trad binnen met een oranjekrans in de eene hand en een tule

sluier in de andere.

»Kijk jufje, kijk! zoo pas ontvangen! De bloemen zijn van leer! Even

zien hoe het staat!” En Lina den krans op het hoofd werpende, trok zij

haar met zich naar den spiegel, en wikkelde zij haar in de dunne zijden

tule die als een doorschijnende wolk het frissche, jonge kopje

omzweefde.

»Mooi, hè?” vroeg zij lachend, Wagner in den spiegel toeknikkende. »Ik

zou haast willen trouwen om ook eens zoo mooi te wezen!”

»En na het mooi zijn?”

»O! dan liep ik weg! Jufje, zie je er nu niet tegen op om zoo voor

altijd te trouwen?...”

»Waarom vraag je mij dat niet?” riep Wagner, haar bij de schouders naar

zich toe draaiende. »Kleine nuf, kom jij me bruidje mooi maken om haar

tegen me op te stoken?”

»Dat kan ik niet, kapitein, geloof me, ik kan het niet. Niet waar,

jufje? Ik heb het genoeg geprobeerd, maar altijd zonder gevolg.”

»En zóo zal het blijven,” riep Lina lachend. »Niet waar, Herman, wij

zijn gereed alle lief en leed met elkander te deelen en samen

ongelukkig te zijn indien wij niet gelukkig wezen kunnen.”

»Jufje! jufje! En dat nadat je zoo geijverd hebt voor divorce!”

»Ja, dat heb ik, en dat hoop ik te blijven doen, maar niet ten behoeve

van huwelijken als het onze.—Niet waar, Herman, voor ons behoeven in

dat opzicht geen wetten te bestaan?”

»Neen liefste, wij zijn noch afhankelijk, noch onwetend genoeg om die

noodig te hebben!”

»En... indien...?”

Lina begon hartelijk te lachen.

»Ja, indien wij op zullen houden elkander lief te hebben dan... nu, wat

dan?”

»Dan zeggen wij elkander adieu!... En...”

»En dan houden wij op getrouwd te zijn, zonder elkander te haten of het

leven te verbitteren!”

»En zonder te vergeten hoe gelukkig wij eenmaal te samen geweest zijn!”

Hij sloot bij deze woorden zijn bruidje zoo onstuimig in zijn armen,

dat de oranjekrans hem op den neus viel en hij de nieuwe frissche tule

in duizend grillige plooien onder zijn arm samen vouwde.

»Dàt waren onze eerste engagementsgeloften!” vervolgde hij vroolijk,

Melatie de hand reikende, »maar zult er de verwezenlijking nooit van

beleven, denk ik...”

»Neen nooit,” herhaalde Lina, en zich uit Wagner’s armen loswikkelende,

fluisterde zij haar ernstig in het oor:

»God geve, kind, dat je eenmaal zoo gelukkig zult wezen als ik!

»Wat ik dáar zeg, moogt gij niet weten, Herman, want het zou uw

vertrouwen op de toekomst aan het wankelen brengen!—En al te

wantrouwend mogen wij toch ook niet wezen.”

Den volgenden dag werd het huwelijk voltrokken. Toen was het feest op

het schoone landgoed, waar gamelangspel, en toping en wayang een

grooten dag maakten van den 10n Maart, dien de gelukkige bevolking van

Felicita zich nog vele jaren met genoegen herinneren zou.

In het heerenhuis ook was het feest. Maar het was een feest met

weemoed, want dáar was scheiden het eindwoord der vreugde en werd het

huwelijksgeluk verkregen door het breken van een vriendenkring.

Allen gevoelden het en allen brachten zij lachend het offer, met een

kus op de lippen, een traan in het oog.

EENENVEERTIGSTE HOOFDSTUK

HAAT EN MINACHTING. MOEDERLIEFDE.

Acht jaren later

Wat was zij veranderd, de mooie, gevierde Louise! Waar waren de gulle

lach, de levendige blik, de sierlijke bewegingen gebleven? Wat was er

geworden van den krachtigen, fieren geest die zoo lang geworsteld had

tegen omstandigheden en overmacht? Van het liefdevolle hart dat zich

met zooveel zelfopoffering had vastgeklemd aan al wat goed en edel was?

Arme Louise! Haat was al wat de wereld haar geleerd had. Ja, zij had

gehaat met al de kracht, met al de grootheid harer ziel! Gehaat zóo als

fijngevoeligheid alleen kan haten, met kennis en met takt. Gehaat met

een lach, gehaat met een aalmoes, gehaat met een dankbede zelfs! Wat

had zij de menschen doen lijden, zij die wist wat lijden was! Wat had

zij ze gegriefd, zij die zelve zoo menigmaal gegriefd was geworden! Wat

had zij ze veracht, zij die zelve zoo veel verachting gekend had!

Dit had geduurd zoolang hare ouders geleefd hadden.

Een huwelijk in Indië · 第 17 / 20 段