resident met haar naar A. terug, waar mijnheer en mevrouw Van Amerongen
den zelfden dag zouden aankomen, om eenigen tijd bij hun kind door te
brengen en te beproeven haar door eene nieuwe omgeving de oude te doen
vergeten.
VIERENDERTIGSTE HOOFDSTUK
HET BEZOEK DER OUDERS
„Je me repens de tout, hors de l’avoir aimé
Et, si devant ce Dien mon amour est coupable,
Que dans l’éternité sa vengeance m’accable!
Je ne puis m’arracher du coeur, même aujourd’hui,
Le seul être ici-bas qui m’aît fait croire en Lui;
— — — — — — son image est si belle,
Que je ne comprends pas le ciel même sans elle.
Oh! s’il était là, lui! Si Dieu me le rendait!
Même à travers la mort, oh! s’il me regardait!
Si cette heure à ma vie eût été réservée,
Si j’entendais sa voix je me croirais sauvée:
Sa voix m’adoucirait jusqu’au lit du tombeau!”
A. de Lamartine, Jocelyn.
In het lichtblauw satijn gekleed, stond Louise te spelen met de
weelderige lokken van haar loshangend haar, en te lachen naar omhoog,
als zag zij daar iemand dien zij welkom heette.
Haar vader trad binnen.
Zij zag hem niet, en vervolgde haar spel als te voren, nu eens omziende
naar de golvende plooien van haar langen sleep, dan weder lachende
tegen den grooten spiegel welke hare bekoorlijke gestalte ten voeten
uit wedergaf, of smeekend opziende naar den een of anderen hoek der
kamer, waar een idealische verschijning hare gansche ziel scheen heen
te trekken.
»George!” riep zij op eens, en, in den grootsten angst hare armen
uitstrekkende als wilde zij iemand terug houden die haar verlaten ging,
vervolgde zij nauw hoorbaar: »O, blijf!... blijf... Nog even slechts!
Mijn George! O! ik bid u, verlaat mij niet... Gij weet het immers, de
wereld is ledig voor mij... is niets meer zonder u...”
Zij zweeg, verbleekte, trok de armen terug, bedekte het gelaat met de
handen, en zonk als machteloos op een stoel neder.
Mijnheer Van Amerongen naderde haar langzaam, legde zijn hand op haar
schouder, en riep haar zacht bij haar naam.
Louise bleef onbewegelijk zitten.
»Kindlief!” sprak hij vleiend.
Geen antwoord.
»Louise, uwe moeder is hier, om u te bezoeken. Stevens heeft haar te
logeeren gevraagd, om u pleizier te doen.—Wilt gij uwe moeder niet
zien?”
Nog altijd hetzelfde zwijgen.
Mijnheer Van Amerongen vatte hare beide handen in de zijnen, trok ze
van haar gelaat af en zag haar met een glimlach aan.
Louise liet hem begaan, maar zeide niets en staarde voor zich neder,
zonder acht op hem te geven.
Ten einde raad, wilde hij de kamer weer verlaten, toen hem plotseling
een gedachte inviel.
Hij kwam terug, plaatste zich achter den stoel zijner dochter en
fluisterde zacht:
»George zal terug komen!”
Zij bewoog zich niet, doch hare oogen blikten ter zijde, als luisterde
zij.
»Gij zult hem weerzien, Louise.”
»Wanneer?” vroeg zij zacht, zoo zacht dat het woord een zucht geleek.
»Later.”
»Later!” herhaalde zij met een vreeselijke lach, toen sloeg zij de
oogen neer en boog het hoofd met zulk een onbeschrijfelijke uitdrukking
van droefheid en onderwerping dat het hart haars vaders van smart
ineenkromp.
»Louise!” hernam hij nogmaals, »Louise, George heeft beloofd terug te
zullen komen zoodra gij weer vroolijk en opgeruimd zult wezen. Hij
bemint u slechts zooals gij vroeger waart, jong en schoon, en vroolijk
bovenal.”
»Vroolijk? O! laat hem komen, en ik zal weer vroolijk zijn! Vroolijk en
gelukkig, zooals ik bij hem alleen kan wezen... Mijn George! Mijn
hartelijk geliefde George!... En ik heb hem verstooten toen hij daar
voor mij stond... verstooten toen hij mij zijn liefde bood, toen hij
mij de mijne vroeg, mijn liefde die mijn steun, mijn leidsvrouw, mijn
alles geweest was gedurende de laatste eeuwen die ik doorkropen had...
O, George, kom weer! Vergeef uwe arme Louise een laagheid, vergeef haar
een misdaad die zij gepleegd heeft uit plichtbesef! Zij heeft uwe
liefde versmaad, zij heeft u de hare verborgen... Zij heeft u
misleid... Mijn George, u misleid, omdat de menschen die misleiding
deugd noemden. De menschen! Alsof er menschen bestaan mochten...”
Zij zweeg een oogenblik, lachte en vervolgde toen met wanhopige
bitterheid:
»Deugd!—Wat is deugd?—Waar is deugd?—Deugd!—Een woord—een
klank—niets!—Een schim, die duizende gedaanten heeft, duizende
gebreken, duizende belachelijkheden! Een iets dat bestaat, en dat toch
niet bestaat—dat niets is dan trots en dwang en tegenstrijdigheid...
egoïsme dat beveelt en domheid die gehoorzaamt, berekening die in stand
houdt door overmacht!... Deugd is een spooksel dat door
geheimzinnigheid bekoort, aantrekt door vreemdheid en meesleept door
onbereikbaarheid, den spot drijft met de onzinnige aanbidding zijner
bewonderaars! Een gezichtsbedrog dat allen najagen en dat niemand
bereikt, een gewrocht onzer eigene verbeelding, dat ons het leven
ondragelijk maakt en ons den dood beschouwen doet als een belooning
voor ons lijden!... Zekerheid voor het ongeluk, voor het tegenwoordige
dat ons behoort, en onzekerheid voor het geluk, dat wij moedwillig naar
de toekomst verwijzen... de toekomst die geen sterveling kent!... Alsof
wij weten konden wat ons na dit leven wacht!... Mijn God! welk een
verward bestaan! Leven voor eene toekomst die geheel denkbeeldig is! En
daarvoor ongelukkig zijn! Daarvoor strijden, zwoegen, jaren lang!...
»Deugd! Ha! Waarom hebt gij mij dat woord geleerd? Gij die er eene
beteekenis aan hecht die raadsel is voor mij? Gij, mijne moeder, die
mij daarvoor de liefde, de hulp, de achting der menschen beloofdet!....
Ja, de menschen! De menschen die ik recht over mijne handelingen toe
heb gekend, die ik eene plaats in mijne ziel heb ingeruimd, die ik
geacht heb en vertrouwd, beschermd, getroost, geholpen waar het mij
mogelijk was... die menschen hebben mij bedrogen, belasterd, ongelukkig
gemaakt... ja, zelfs veracht!—Zij hebben mij veracht!—veracht, omdat ik
aan hun deugden geloofde, terwijl zij met mijne vriendschap speelden,
misbruik van mijn vertrouwen maakten en mijne weldaden met ondank
beloonden.... En toen zij mij alles ontnomen hadden, alles, mijne
menschenliefde, mijn vertrouwen, mijn geluk en mijne rust, toen zij mij
niets meer gelaten hadden dan angst en twijfel, toen ik mij zelve
vreemd was geworden, en mijne gedachten, mijne gevoelens, mijne daden
zelfs raadselen voor mij geworden waren—toen hebben zij gespot met de
teleurgestelde hoop van het kind, gelachen om de wanhoop die mijn hart
verteerde, om de leegte die mijn ziel omzweefde, gejuicht over de
zwakte van het lichaam dat gebroken scheen—van het hoofd....
»Krankzinnig!” was hun feestkreet, en de nagalm klonk mij als eene
openbaring in de ooren!—Ja, krankzinnig misschien.... Ben ik nu
krankzinnig?—Ik heb zóoveel geleden, zóoveel gezwegen, zóoveel
verborgen... Wat heb ik lief gehad! En wat haat ik nu! Wat veracht ik
de menschen!... Neen, om Werner’s wille vergeef ik hen... Lacht maar,
lacht maar, menschen... Bespot vrij uw slachtoffers, spreekt uw leven
lang van deugd en zoekt uw geluk in het leed dat uwe naasten doodt—er
zal eenmaal een tijd komen...
»Maar de deugd is mij vreemd—mogelijk hebt gij het recht om mij te
verachten... gij die begrijpt wat duister is voor mij...
»Neen, dat recht hebt gij niet! Gij kunt het niet hebben!—En indien gij
het hadt, dan nog zou ik het u betwisten, zoo lang het mij mogelijk zou
zijn....
»George! George! Hoort gij het? Hoort gij dat uwe Louise vrij is?—Dat
er geen deugd meer bestaat—en dat de wereld dood is voor haar? Kom, o
kom terug, mijn innig geliefde George! Kom, opdat uwe Louise den
menschen toone wat deugd is voor haar! Hoe groot, hoe edel, hoe heilig
de liefde is die zij u toedraagt, en hoe trotsch zij ze met voeten
treedt, die wetten van menschen die zij haat en veracht omdat zij
bevelen wat slecht is en berispen hetgeen God zelf wil!”
Haar oog viel op haren vader, en plotseling bleef zij zwijgend
tegenover hem staan. Gedurende eenige oogenblikken zag zij hem strak
aan, toen wierp zij het hoofd achterover, kruiste de armen over de
borst en vroeg op trotschen, schier dreigenden toon:
»Wie zijt gij?—En wat doet gij hier?”
Mijnheer Van Amerongen wilde antwoorden, doch eer hij een woord kon
uitbrengen, vervolgde zij heftiger:
»Ik ken u niet.—Vertrek!”
»Gij kent mij niet, Louise?... Uw vader?... Van Amerongen?...”
»Van Amerongen... Van Amerongen...” herhaalde de jonge vrouw verward,
»van Amerongen... Ik ken hem niet.—Vertrek!... Neen—wacht—ik ken hem
toch... Ik heb meer dan duizend jaar geleden dien naam wel eens
gehoord, geloof ik... van Amerongen... van Amerongen... Een koopman,
niet waar?—Een geldman, een rekenaar?—Een man zonder deugd, zonder
hart, zonder eer?... Ik ken hem niet.—Vertrek!...”
»Maar die man is uw vader, Louise! Herken dan toch dien armen,
ongelukkigen vader die u verzorgd heeft toen gij klein waart en voor u
gewerkt heeft zijn leven lang!—Die u lief heeft...”
Hij wilde hare hand vatten, doch nauwelijks had hij die met de toppen
zijner vingers aangeraakt, of Louise sprong terug met eene flikkering
van afschuw in de oogen.
»Ha!—Ik ken u!” gilde zij luid. »Ik ken u ellendeling! Mijn vader?—Ja,
die waart gij eenmaal maar die zijt gij nu niet meer!—Moordenaar!
Moordenaar van het kind dat u lief had, dat u eerde, u vertrouwde....
Gij hebt hare ziel gedood, haar hoofd gekrenkt, haar hart gebroken...
Maar het lichaam dat gij haar behouden liet, dat lichaam haat u,
veracht u, vervloekt u voor eeuwig!”
De jonge vrouw bedaarde plotseling. De duivelsche lach, welke voor een
oogenblik haar schoon gelaat ontsierd had, maakte plaats voor eene
zachte uitdrukding van grenzenlooze droefheid, toen sprak zij somber en
bedaard:
»Gij hebt mij mijn George ontnomen... mijn George, dien ik lief had als
het licht van den dag... Vertrek, vreemdeling.—Ik ken u niet...”
Zij wees met de hand naar de deur, wierp hem een blik vol verachting
toe en wendde zich van hem af.
Mijnheer Van Amerongen vertrok. Een oogenblik later trad mevrouw de
kamer binnen.
Louise stond met den rug naar de deur gekeerd en sprak overluid:
»Ik heb hem vervloekt, dien man uit mijn kindschheid!—En die vloek zal
zwaar drukken op de schouders van den grijsaard!... De rijke man is
trotsch geweest—maar het grijze hoofd zal buigen, en het koude hart zal
lijden onder den vloek die dooden zal!...”
Mevrouw Van Amerongen verbleekte; toch trad zij nader.
»Louise,” sprak zij zacht, haren arm om den hals harer dochter slaande.
»Hoe gaat het u, mijn kind? Wat ben ik blijde u weer te zien! Stevens
had mij geschreven dat gij ongesteld waart, maar gij zijt weer beter,
niet waar? Gij...”
Louise staarde hare moeder aan, zoo als zij eenige oogenblikken te
voren haren vader had aangestaard; toen wikkelde zij zich los uit hare
armen, wierp haar een blik toe, zóo koud en zóo trotsch als die
sprekende oogen er ooit een geworpen hadden, en sprak zacht:
»Wat kan het u schelen hoe ik het maak?... Uw kind is residentsvrouw
thans!—Wat doet de rest ter zake?... De menschen zeggen dat ik
krankzinnig ben, omdat ik hen haat!—Zijt gij dus gekomen om te zien of
de menschen waarheid spreken, keer dan terug tot hen die u gezonden
hebben, en zeg hun dat Louise slechts éene ziel bezit en dat die éene
hem behoort dien zij lief heeft boven alles!... Het lichaam moogt gij
vrij krankzinnig noemen, indien dat woord de menschen gelukkig kan
maken!...”
»Maar gij zijt niet krankzinnig, Louise, mijn kind! De menschen hebben
onwaarheid gesproken en gij zult ze daarvan overtuigen, niet waar?—Gij
zult met mij mede gaan naar Samarang, waar gij Marie van den Berg weer
zult vinden en Henri, die u wachten.”
»Marie?... Henri?... Ken ik die menschen?... Ik ben ze vergeten, geloof
ik... Mijn leven is zóo lang geweest!—Maar ik heb toch eenmaal een
schoonen droom gehad waarin die namen voorkwamen, dunkt mij... Een tuin
met zwaar geboomte en bloeiende heesters... gouden zonlichten, die
dansten over een schelpenpad... lieve bloemen, die geurden en
schitterden met kristallen dauwdroppelen... Een paard, een arabische
isabel, schoon en vurig, trappelend van ongeduld aan de hand van een
jong meisje... een kind, met een lachend hart en een lachend oog...
Marie aan hare zijde... Henri tegenover haar...
»Wie zijt gij?” viel zij op eens zich zelve in de rede, hare moeder bij
den arm vattende en haar scherp in de oogen ziende. »Wie geeft u het
recht mij te volgen, wanneer ik neerdaal in de dagen die voorbij
zijn?—Het is met mijne geliefde afgestorvenen alleen dat ik gelukkig
wezen kan... En er is te weinig geluk op aarde dan dat het u vergund
zou wezen, een uwer medemenschen het zijne moedwillig te ontnemen.
»Ik wensch alleen te zijn. Alleen, met George, die mij wacht... met
George aan wien ik toebehoor.—Hij is gekomen om mij iets te zeggen dat
ik weten moet.—Maar hij kan niet spreken zoolang dáar eene vreemde
tusschen ons staat... Verstaat gij mij niet?—Hoort gij ook niet wat hij
u zegt?... »Dat Gods vloek op hen zal rusten, die van deugd en
godsdienst spreken en niet weten wat liefde is... omdat zij hunne
harten met goud beslagen en hunne gewetens bedolven hebben onder het
geld, dat zij door een laagheid, een toeval, of een misdaad verkregen
hebben!”
»Louise! Mijn arme Louise!—Bedaar toch, mijn kind.—Zeg mij al wat u op
het hart ligt, maar zeg het mij kalm. Vrees niets: met uwe moeder toch
kunt gij openhartig spreken...”
»Mijne moeder?—Zijt gij mijne moeder?—Gij?—Het is mogelijk.—Maar wilt
gij daarom dat ik openhartig met u spreken zal?—Wacht, wacht even... en
ik zal u zeggen, wat gij weten moogt...
»Hier, hier, ziet gij dit?” vervolgde zij, een zak koperen duiten uit
de lade harer kast te voorschijn halende: »Hier hebt gij het loon van
uw leven” En een hand vol recepissen over den vloer strooiende, vroeg
zij lachend: »Gij hebt immers altijd naar rijkdommen verlangd? Daarvoor
hebt gij eerst u zelve en later uw kind verkocht. Daarvoor hebt gij
gekropen aan de voeten uwer medemenschen, gewroet in het slijk der
aarde, geklopt aan de poorten der hel.—Geniet nu van het loon uws
levens, indien gij nog genieten kunt!... Zie hier geld!... Geld in
overvloed! Geld genoeg om u een gouden doos te koopen, een doos zóo
groot, zóo sterk dat gij haar als een huis bewonen kunt!—En wees
gelukkig, als gij kunt, wanneer uw lichaam rusten zal op een leger van
goud, en uwe oogen een gouden horizon ontmoeten zullen, waar zij zich
ook wenden!—Wees gelukkig als gij kunt, wanneer uw hart verstijven zal
van koude en het bloed, gestold in uwe aderen, niet meer vloeien zal
langs die schoone wanden van goud! En als dan eindelijk uw gouddorst
bevredigd zal wezen, en uw nooit voldane ziel iets anders zal
verlangen—iets beters, iets dat gij vroeger niet hebt willen kennen,
maar waarnaar gij vragen zult zoodra gij weten zult, dat gij het niet
verkrijgen kunt, zelfs niet voor het goud van uw heelal...”
Zij zag tranen langs de wangen harer moeder biggelen. Terstond hield
zij op met spreken. De verontwaardiging, de minachting, de haat, welke
onder het spreken in elke harer bewegingen hadden doorgestraald, waren
plotseling verdwenen. Een gelukkige glimlach verhelderde haar schoon
gelaat en met een diep gevoel van medelijden en liefde riep zij op
eens:
»Vergeef haar, George!—Zie hoe zij lijdt! Heb medelijden met mijn arme
moeder!”
Bijna op hetzelfde oogenblik verbleekte zij, met een luiden gil vlood
zij weg, en sidderend kromp zij ineen in den donkersten hoek der kamer.
Een oogenblik later rees zij weder op. Hare houding was gebogen, haar
somber oog glansloos.
»Ook hij!” sprak zij zacht. Toen begaf zij zich met wankelende schreden
naar haar stoel, en, met de armen over de leuning gekruist en de oogen
nedergeslagen, vervolgde zij:
»Ook hij,—mijn George, mijn vriend, mijn leidsman, mijn meester—mij
verlaten! verstooten!.... vergeten!... Mag er dan niets meer bestaan
voor de arme ongelukkige Louise?... niets... niets...”
Mevrouw Van Amerongen sloot haar kind in de armen, drukte een kus op
het brandend voorhoofd en zeide troostend:
»Ik ben bij u, Louise, uwe moeder die u lief heeft, en die alles voor u
doen zal, alles... Zeg maar wat gij verlangt en...”
»Wat ik verlang?... Wat... ik... verlang?” herhaalde zij somber, »niets
meer... niets...”
Eenige oogenblikken bleef zij zwijgend nadenken, toen hernam zij
levendiger:
»Toch heeft hij mij lief gehad... Innig, waarachtig lief gehad! Hij
zelf heeft het mij gezegd... dáar... dáar mijne hand in de zijne...
Zijn lach, zijn blik, zijn stem... liefde!... liefde!... alles liefde!
En die liefde is dood? Dood voor eeuwig? Louise is niets meer voor
hem?... Help mij, mijn God! O, help mij begrijpen... Indien een mensch
begrijpen mag...”
Zij boog het hoofd en bleef geruimen tijd, als wezenloos, aan de zijde
harer moeder staan.
»Neen, nooit heeft hij Lotje lief gehad,” sprak zij fluisterend... »hij
heeft mij alles geschreven... alles in dat briefje, dat ik verbrand
heb... verbrand... Het eenige briefje van George... En nu heb ik niets
meer van hem... niets... niets... Chut! Hij spreekt...”
Zij hief hare oogen op, luisterde, bloosde, lachte, verbleekte weder,
boog het hoofd en weende.
Plotseling sprong zij uit hare verslagenheid op, wierp het hoofd
achterover, sloeg een krachtigen blik naar omhoog en sprak luid en
ernstig:
»Ja George. Ik zweer het u, mijn liefde, mijn toekomst behooren a. Geen
menschelijke macht zal de kracht hebben ons ooit weer te scheiden.
Vertrouw op mij, en ons geluk staat vast. Ik zweer het u.—Tot
weerziens, George...”
En zich lachend tot hare moeder wendende, vervolgde zij: »Gij hoort
het, hem alleen behoor ik, wat de menschen ook zeggen mogen.”
VIJFENDERTIGSTE HOOFDSTUK
DE VLUCHT
Het was avond. In een der logeerkamers van het residentiegebouw lag
Louise geknield voor een grooten toiletspiegel. Zij had het rood
fluweelen kleed aan, dat zij gemaakt had voor het Gouverneur-Generaal’s
bal, waarop zij Werner weer zou zien. Zij had zich opgesierd met
paarlen en diamanten, gouden slangen en melatiekransen. Haar weelderig
zwart haar golfde in dikke lokken langs den blooten hals en de armen en
smolt op den vloer ineen met de mollige plooien van het rood fluweel.
Zij lachte terwijl zij het schoone hoofd omhoog hief en het licht der
kaarsen hare donkere oogen bescheen, waarin nog tranen blonken.
»George,” sprak zij zacht, »uwe Louise is gereed u te volgen; maar
chut, laat de resident het niet weten, want hij zou op onze receptie
willen komen, bij ons huwelijk tegenwoordig willen zijn, en dat mag
niet wezen. Gij hebt immers ook niets van zijn huwelijk af geweten? Zijn
huwelijk met Louise van Amerongen. Nu heet ze geen Van Amerongen meer,
zij heeft lang Stevens geheeten, maar dat was de naam van den man die
haar gekocht had, en zij wil niets mee nemen van den man dien zij
verlaten gaat, niets, vooral zijn naam niet. Die leelijke groote naam,
die aan grasgroene oogen doet denken, en aan een schelle stem. Werner
wil zij voortaan heeten, Louise Werner. Dien naam zal ze nooit
verloochenen, want zij heeft hem zelve gekozen. Hier is mijn
bruidssluier, maar de oranjebloesems kan ik niet vinden—waar zijn ze
dan toch?—Mijn bruidskleed is in de andere kamer—’t is geen zware zij,
geen satijn, geen fluweel, maar eenvoudige witte tule, zoo rein en zoo
helder als de liefde uwer bruid. »Mysterie” ruischten de zware plooien
van het dikke zijden kleed, dat eenmaal een residentsbruid tooide; en
mysterie was hare liefde, die sliep en wachtte op u. Waar zijn die
oranjebloesems dan toch?—Een tweede huwelijk? O neen, geen tweede
huwelijk.—Nooit een tweede huwelijk. Ik ben nooit getrouwd geweest.
Nooit. Dat vorig huwelijk was een spel, een vertooning, een drama
waarin ik een rol vervuld heb, een droeve rol, maar daar was geen
waarheid in, o neen, niets waars. Nu ga ik trouwen—en dit huwelijk is
waar—voor eeuwig waar.—Maar ik kan de oranjebloesems niet vinden...”
Zij hoorde geritsel achter zich, en zag om. Het waren de voetstappen
van den resident en van hare ouders, die zij gehoord had. Men had haar
naar de logeerkamer zien gaan, en daar zij buitengewoon lang weg was
gebleven, kwam men zien wat zij deed.
»Altijd diezelfde menschen!” dacht zij bij zich zelve, en met een half
weerhouden lach zich den bruidssluier over het hoofd werpende, vlood
zij weg naar een andere kamer.
»Volg haar!” smeekte de resident.
Louise hoorde dat zij vervolgd werd en vluchtte van de eene kamer naar
de andere, alle galerijen door, tot dat zij in hare kleedkamer kwam.
Dáar bleef zij plotseling staan, wendde zich om, wierp haar sluier af
en vroeg met eene verontwaardiging die alle beschrijving te boven ging.
»Wie durft mij te volgen, als ik u verbied de eenige kamer binnen te
komen die de mijne is?”
»Niemand,” antwoordde mevrouw Van Amerongen, die reeds in de geopende
deur stond, en snel trad zij terug.
Louise bedaarde oogenblikkelijk, zij zag haar moeder met verbazing aan,
ging haar lachend te gemoet en reikte haar de hand met de woorden:
»Kom binnen, ik was vergeten dat gij komen moest... Nu herinner ik het
mij.—Gij zijt mijn gewezen moeder, niet waar?—En gij mijn vader? En gij
resident Stevens van Langendijk, mijn echtgenoot van vroeger?—Komt
binnen, komt binnen, wij moeten spreken over de op handen zijnde
scheiding, die Werner aangevraagd heeft voor de vrouw die de zijne moet
worden... Gaat zitten en laat ons alles in der minne schikken... Ik zal
geen moeilijkheden maken, resident.—Ik vraag mijn vrijheid, anders
niets—indien uw kind het mijne was, zou ik dat ook vragen, maar op uw
kind heb ik geen recht, evenmin als op uw naam, dien gij voortaan
alleen behouden kunt.—Wanneer wilt gij teekenen, resident?—Dit zal de
tweede keer zijn, dat wij te zamen zullen teekenen... de laatste keer,
niet waar?...”
»Ja, de laatste keer! De eerste is de laatste geweest!” antwoordde de
resident half knorrig half medelijdend. »Eens getrouwd, blijft
getrouwd...”
Louise sprong op hem toe, wis een leeuwin op haar prooi en, hem de
beide handen op de schouders leggende, zag zij hem strak in de oogen,
alsof zij in zijne ziel lezen en hem tevens in de gelegenheid stellen
wilde een blik in de hare te werpen.
»Eens getrouwd, blijft getrouwd!” herhaalde zij schamper—»maar nooit
getrouwd?...”
Zij trok de handen terug, zag naar omhoog als luisterde zij, en borst
op eens in een luid lachen, uit.
»Ja, ja,” riep zij in de handen klappende van vreugde en weder op den
resident toetredend, hernam zij spottend en heftig:
»Wat zal het nageslacht lachen over onze huwelijken van thans!...
Slavernij zal men ze noemen! Willekeurige slavernij, gegrond op
bijgeloof en domheid, op overlevering en ouden sleur! De
kloostergelofte, verbasterd en verdraaid in de wereld overgebracht!
Levenslange kloosteropsluiting, hu!—Levenslange gevangenis,
vreeselijk!—Levenslange ballingschap, ijselijk!—Levenslang huwelijk, ’t
is crimineel! ’t is onverantwoordelijk! ’t is de grootste zonde die de
wetten plegen kunnen, want het is de moeder van alle andere zonden!
Moet daarom een meisje onwetend gehouden worden? Hebt gij het recht,
menschen, ouders, voogden, bloedverwanten, vrienden, wie gij ook zijn
moogt, hebt gij het recht ons in domheid groot te brengen, ons
vertrouwen in te boezemen en gehoorzaamheid en dankbaarheid te leeren,
om ons daarna, van onze argeloosheid en van ons niets weten misbruik
makende, aan ketenen te leggen die anderen voor ons smeden en die wij
niet meer verbreken kunnen?—Zonde! zonde! groote zonde!—De vrouw die
handelt moet weten wat zij doet, en beneemt gij haar het weten, dan kan
hare handeling ook nooit geldig wezen. Al staat ’t ook in een boek vol
wetten en al galmt gij ’t ook door de ruimte uwer tempels.—Die domme
letters weten niet wat ze zeggen, en die golvende klanken sterven weg
zonder weerklank in de toekomst te vinden!
Eens wist ik niet, toen heb ik »ja” gezegd.—Nu weet ik, en nu zeg ik
»neen.”
Maar hij is uw echtgenoot.
Neen!
Hij heeft recht op u.
Neen!
Echtscheiding is zonde.
Neen!—Vrijheid eisch ik.
Maar de wet gedoogt het scheiden slechts, terwijl de kerk het laakt en
de maatschappij het veracht.
De wet is slecht, de kerk is dom, en de maatschappij is schijnheilig!
Coalitie die zwakheid verraadt!
Vrijheid eisch ik...
Niemand antwoordt?—Niemand spreekt mij tegen?
Resident Stevens van Langendijk, waar zit gij?—Kom hier, groote heer.