»Naar huis, gebied ik u!” gilde hij met een schier onmenschelijke stem,

juist op het oogenblik dat mijnheer Oristorio en Lawson terugkwamen om

den dokter af te lossen, die naar het hoofdgebouw zou gaan om te eten.

Louise had zich intusschen een weinig hersteld en stond in haar wit

morgengewaad, met haar loshangend haar, en haar doodsbleek gelaat naast

den baleh-baleh, als ware zij de Gerechtigheid die vonnissen kwam en

nog even toefde op de plaats der misdaad alvorens het woord schuldig

uit te spreken.

»Ik ga geen pas van hier,” sprak zij vastberaden en met nadruk, terwijl

zij haar somber oog met buitengewone kracht op Stevens vestigde: »Mijne

plaats is hier, aan de sponde van hem die door uw toedoen ongelukkig is

geworden,” en na een oogenblik zwijgens voegde zij er zachter bij,

terwijl zij naast den baleh-baleh neerknielde en hare hand op het hoofd

van den stervende lei:

»Zoo lang hij leeft—en zoo lang hij niet buiten gevaar zal wezen, wijk

ik niet van hier.”

»Dat zullen wij eens zien!”

En weder sprong hij op Louise toe, met een woede die voor het ergste

deed vreezen.

»Halt resident!” In een oogenblik was hij door de vier heeren omsingeld

die hem toespraken, beschuldigden, geruststelden, laakten, goedkeurden

en ten laatste meevoerden naar het hoofdgebouw.

Lawson was de eerste die in den koepel terugkwam. Hij kende Louise

niet, hij had haar nooit te voren gezien en in de verwarring van zoo

even had hij niets begrepen van de betrekking waarin zij tot de overige

personen stond. Eerst in den tuin was het hem uit het spreken der

heeren duidelijk geworden dat die idealisch schoone vrouw, welke hem in

de eerste oogenblikken een hemelsche verschijning had toegeschenen,

mevrouw Stevens van Langendijk was.

Schoorvoetend komt hij den koepel binnen. Louise ziet hem aan en lacht.

Zij ligt nog geknield naast den baleh-baleh en wenkt hem om nader te

komen.

»Hij slaapt!” fluistert zij zacht, de blonde lokken van Werner’s

voorhoofd wegstrijkende. »Wat slaapt hij zacht! Wat is hij gelukkig!”

Lawson wil zich over hem heen buigen, maar Louise houdt hem terug.

»Niet zóo dicht bij... hij slaapt,” en opstaande, vat zij Lawson bij de

hand en voert hem mede naar het andere einde van den koepel.

»Gij zijt zijn vriend, niet waar?” vraagt zij de oogen neerslaande.

»Ja, mevrouw, wij hebben elkander lange jaren gekend en...”

»Ook ik,” valt zij hem nauw hoorbaar in de rede, »ook ik heb die

groote, edele ziel gekend... en verstaan!... Ik heb meer dan eens in

dat fiere, warme hart gelezen; op de wieken van die alles omvattende

verbeelding door de eeuwige ruimte der natuur gezweefd... Maar ik ben

een vrouw, niets dan een rampzalige vrouw, met een hoofd dat niet

denken, met een hart dat niet gevoelen mag... O! ware ik een man

geweest! Welk een heerlijk reine vriendschap had dan mijn leven aan het

zijne kunnen hechten. Met welk een onuitsprekelijk geluk had ik dan

dien krachtigen geest van nabij kunnen leeren kennen, die heerlijke

ziel naar waarde leeren schatten! Wat had ik goed en braaf kunnen wezen

aan de zijde van dien man! O, zulk een voorbeeld maakt grooter, maakt

beter, brengt nader tot de volmaaktheid... Ik zou het gevolgd hebben,

dat gevoel ik, en dáar waar ik niet meer had kunnen volgen, dáar zou ik

bewonderd hebben, bewonderd en gebeden en den Schepper gedankt voor de

grootheid aan dien mensch geschonken!”

Zij had met geestdrift en vuur gesproken, een lichte blos gloeide op

haar wang, een fiere lach omzweefde de fijne lippen, een dweepende

uitdrukking van dankbaarheid en vereering verleende aan de omhoog

geslagen oogen een zachtheid, een helderheid, een reinheid die Lawson

in verrukking deden uitroepen:

»Idealisch schoon! Welk een heerlijke extase!”

Hij was als betooverd door Louise’s meesleepende opgewondenheid en wist

zelf niet dat hij gesproken had.

De jonge vrouw had hem een oogenblik verwonderd aangezien, als verstond

zij zijne woorden niet, toen had zij de oogen neergeslagen en het hoofd

gebogen en zacht, bijna fluisterend herhaald:

»Maar ik ben eene vrouw... niets dan een rampzalige vrouw, met een

hoofd dat niet denken... met een hart dat niet gevoelen mag!... Toch

was ik ook geschapen om te denken, om te gevoelen, om gelukkig te

wezen... God heeft eenmaal bevolen »denk!” Maar de menschen hebben

»neen” gezegd en, in plaats van denken, hebben ze ons gehoorzamen en

volgen geleerd... en het hoofd is vergeten geworden.... Zoo was Gods

tweede bevel »gevoel!” Maar de wereld heeft weder »neen” gezegd en, in

plaats van gevoelen, heeft zij ons zwijgen en veinzen geleerd... En het

hart is verloren geraakt!... »Zijt gelukkig!” dat was Gods laatste

bevel. En daarop heeft de menschheid geantwoord met een schaterlach,

»ja, zijt gelukkig als gij kunt!...”

»Zonder hoofd en zonder hart! Niets om te behouden en niets om weg te

schenken... Niets om gelukkig te zijn en niets om gelukkig te maken!

Leegte in de eenzaamheid... en eenzaamheid in het gewoel der wereld!...

Chaos, waar de geest ook zoekt! Chaos, wat de ziel ook vraagt!....

Schoonheid, rijkdom, jeugd en weelde! Een danspas en een schaterlach!

En verder? Nijd en afgunst, haat, bespotting! Aanbidding, wantrouwen,

miskenning en verachting!... En dan geen hoofd dat strijden kan! Geen

hart dat troost kan geven!... Chaos! Chaos! O, mijn God!”

Zij zweeg en zonk uitgeput op den baleh-baleh neder, dien zij al

sprekende genaderd was.

»Wat slaapt hij zacht? Wat is hij gelukkig!” En weer de blonde lokken

wegstrijkende legt zij hare hand op Werners voorhoofd en ziet zij hem

aan met die grenzenlooze liefde welke den dokter zoo even aan een

andere vrouw deed denken... Een jonge, schoone maagd, met goudblond

haar, en hemelreine oogen, staande gestorven, met een gelukkigen lach,

in een helderblauw gewaad....

»Hoe gaat het hem?”

Het was de dokter, die van tafel terugkwam.

Louise wenkte hem met de hand om stil te zijn en naderbij te komen en

lachend naar hem opziende sprak zij zacht en rustig:

»Hij is dood... reeds sedert jaren dood!... Ik alleen heb het geweten,

maar ik wilde het aan niemand zeggen dan aan u, omdat gij het toch

zoudt zien!...”

De pijnlijke, de afschuwelijke stilte welke op deze woorden volgde,

zeide meer dan een der aanwezige personen in staat geweest zou zijn

door woorden uit te drukken.

Een schelle, wilde lach weerklonk in den hoogen koepel, en golfde langs

het heldere water van den vijver, door den tuin, tot zelfs in de

voorgalerij van het hoofdgebouw. Vlug als een hinde sprong Louise op

den baleh-baleh en, in de eene hand de lamp houdende, terwijl zij met

de andere het hoofd van den doode ondersteunde vroeg zij met een

triomfantelijken lach:

»Welnu, dokter, heb ik geen waarheid gesproken?”

»Volkomen waarheid, mevrouw.”

Daarop zag hij Lawson aan.

Groote tranen biggelden langs de wangen van den jongen administrateur.

Louise zag ze. Langzaam klom ze van den baleh-baleh af, zette de lamp

ter zijde en legde haar hand op zijn schouder.

»Ben je bedroefd?” vroeg zij medelijdend. »Hij is ook je vriend

geweest, niet waar? Mijn vriend heeft hij nooit mogen wezen, want ik ben

een vrouw, een rampzalige vrouw, en de wereld had »neen” gezegd... Toch

had ik nooit mijn hart aan iemand anders geschonken, nooit dat van een

ander verlangd of aangenomen....

»Eens heeft hij mij van liefde gesproken, éens, bij het ziekbed van den

kleinen Willem, op een avond dat wij alleen waren, en dat ik geweend

had over het heengaan van de kinderen.... de kinderen van Mina, de

mooie, trouwe, ongelukkige Mina! Zij is dood. Toch was ook zij

geschapen om gelukkig te wezen. Met een schat van liefde en gezond

verstand had de Schepper haar bedeeld, maar de menschen hadden »neen”

gezegd, en nadat zij schoon gevonden en aangebeden was geworden, heeft

zij smaad en verachting gekend...

»Zij is dood... evenals hij die dáar voor ons ligt, en die ook een

gelukkiger leven verdiend had dan hij gehad heeft... Wat hadden wij te

zamen gelukkig kunnen wezen! Nog eens heeft hij mij van liefde

gesproken, nog eens, toen wij alleen waren met het lijkje van een

kind... en toen heb ik »neen” gezegd, »neen” als de wereld, »neen” als

de menschen, die mij hadden leeren zwijgen en veinzen! Die leugen heeft

hij mij vergeven, niet waar? Hij weet nu dat het de wereld was die

sprak, de menschen die den resident tusschen hem en mij geplaatst

hadden... Maar nu is er niemand meer tusschen ons... hij is dood! En de

dooden behooren ons, meer dan degenen die nog leven!

»Chut!... Voetstappen!... De resident misschien!... Komt binnen heeren!

Goede tijding!...” En met woeste vlugheid mijnheer Oristorio en den

resident tegemoet snellende, vatte zij beiden bij de hand en riep met

een schaterlach:

»Dood! Hij is dood, de mooie, jonge, krachtvolle Werner! Dood!

Getroffen door een kogel van den resident!... Vloek, mijn God! Vloek

over het hoofd van den moordenaar!”

Zij lachte weder, en vloog den tuin in waar men haar bewusteloos, aan

den voet van een mangaboom wedervond.

DRIEENDERTIGSTE HOOFDSTUK

KRANKZINNIG

Den volgenden morgen was alles droefheid en verwarring in het gisteren

nog zoo vroolijke buitenverblijf der Oristorio’s.

Louise was niet aan het ontbijt verschenen, ook mevrouw di Frama had

men nog niet gezien. De resident had brood en thee in zijn kamer doen

brengen, en de overige huisgenooten, waaronder ook Lawson en de dokter,

zaten zwijgend om de groote tafel in de achtergalerij. Melatie was de

eerste die de stilte verbrak met de woorden:

»Ik wilde haar zoo gaarne zien, papa.”

»Niet mogelijk, kind, zij is zoo vreeselijk opgewonden, dat het niet

anders dan nadeelig voor u zou kunnen zijn, haar op dit oogenblik te

bezoeken.”

»Toch zou het mogelijk goed voor haar wezen, daar...”

»Welnu? Wat wildet gij zeggen?”

»Och! ik weet het niet.—Paatje, toe, laat mij even gaan? Even slechts.

Ik beloof dat ik niet zal schrikken, dat ik niet akelig zal worden—mag

ik?”

»Ja, kon het een goede uitwerking op de patiënte hebben, dan zou ik

zeggen: Ga, kind, en breng er het uwe toe bij om eenige klaarheid te

geven aan dien verwarden geest—maar ik vrees dat hier tijd en

verandering van omgeving alleen als geneesmiddelen kunnen aangewend

worden; ik vrees zelfs dat het weerzien van iederen persoon die

eenigszins in de noodlottige gebeurtenis van gisteren betrokken is

geweest, haar een nieuwen schok zal geven, die in een vlaag van

razernij of wanhoop los zal breken. Ik kan mij echter vergissen, want

van den raadselachtigen toestand waarin zij thans verkeert, is niets

met zekerheid te zeggen.”

»O! mocht ik maar gaan! Ik gevoel dat ik haar zou kunnen troosten! Wij

begrijpen elkaar zóo goed! Toe, mag ik, dokterlief? zeg maar »ja”. Gij

zult er geen berouw van krijgen.”

»Nu, ja dan. Maar ik ga met u mede, want maakt het u zenuwachtig dan

moet gij weg.”

»Was de resident maar weg!” antwoordde zij fluisterend, terwijl zij

hare hand op zijn arm legde en met hem naar de logeerkamer ging.

»Ja, was de resident maar liever...”

»In Werners plaats gestorven, niet waar?—Ik heb hetzelfde gedacht, maar

ik durfde het niet zeggen!”

»Ik heb het toch niet gezegd?”

Louise stond naast den stoel van den resident. Zij lachte overluid en

noemde hem »moordenaar”, juist op het oogenblik toen Melatie

binnentrad.—Zoodra zij den dokter zag, riep zij hem tot getuige:

»Niet waar, dokter, je bent het immers met me eens, de eerlooze

machthebber haat al wat hij bewonderen moet, doodt al wat hij

benijdt.—Alsof hij zelf daardoor rijzen kon!—Nog lager gevallen! Nog

dieper gezonken! En dat is grootheid? Wat de wereld grootheid noemt!

Dáar ligt een ziel, een geweten, een geheel bestaan van zelfopoffering

en verdienste.... dood, verlaten, op een ouden baleh-baleh! En hier zit

een moordenaar in het volle licht van den dag... Trotsch en krachtig,

alvermogend... gesteunpilaard door ridderorden en een grooten gouden

pajong! Dáar de eenzaamheid, de stilte, de dood alleen, die ’t lijk

bewaakt. Hier rijkdom en weelde, hoogmoed die zich zelven kroont.

Dáar—maar wacht... een zucht, een traan, een lach, een bede...

stil!—Luister—stil—stil—luister....

»Mina komt ongeluk brengen over het huis, dat gevloekt is geworden door

de vrouw die gij bedrogen hebt, door de kinderen die gij verstooten

hebt!...”

»Louise!” riep de resident, plotseling opspringende. »Louise, wat zegt

gij dáar!”

»De waarheid, toewan bezar! (groote heer) de zuivere waarheid! Die

waarheid is een vrouw en die vrouw heet Mina... Ze is dood—maar voor u

toch leeft ze nog,—en zal ze blijven leven... even lang als gij!—Voor

mij ook blijft ze leven... Wat was ze schoon! Arme Mina! Ha! daar is

zij!...”

Haar oog was op Melatie gevallen, die zij bij de hand vatte en mede

voerde, naar den stoel van den resident.

»Hier is ze, Mina!” vervolgde zij half weenend, half triomfant. »De

mooie, jonge, edele Mina! Mina die geen schatten vroeg, voor wie de

grootheid geen waarde had.... Want Mina had geen liefde voor geld, en

zoo had ze ook geen achting voor de ridderorden en geen eerbied voor

den grooten gouden pajong,—want ze had te vergeefsch naar een hart

gezocht onder al die bonte linten, en ze had nooit een hoofd gezien

onder dien verblindend schoonen pajong.

»Liefde, achting, waarheid, dat was al wat zij verlangde. En het was te

veel—het was meer dan gij bezat, dus ook meer dan gij geven kondet...

Maar dat hebt gij nooit bekend—dáar waart gij te trotsch toe... Gij

wildet niet weten hoe arm gij waart—en daarom beloofdet gij woorden, en

gaaft gij geld.—Geld, aan Mina!... Zij heeft voor het geld een kris

gekocht.—Een kris om een vrouw te dooden—maar ze heeft haar niet

gedood.—Kassian! zij leeft nog, het arme schepsel... Ze is

»krankzinnig” zeggen ze... Toen was zij niet krankzinnig, toen was ze

jong en schoon en aangebeden... Ziek is ze daarna geweest—zóo ziek dat

de menschen dachten dat ze dood was—maar ze kon niet sterven—ze mocht

niet sterven, zij moest eerst nog iets hooren, nog iets weten—en zij

heeft het gehoord.—Zij weet het, resident!

»Gij weet niet wat, niet waar? Gij kunt het niet gissen?—Wacht, ik zal

het u zeggen.—Mina had gewaakt bij de jonge, zieke vrouw, zij had haar

geholpen en verzorgd—toen alle grooten sliepen.—Zij had den resident

geantwoord, toen...”

»Louise! Ik smeek u, om Godswil, zwijg!”

De resident liep hijgend, zuchtend, weenend, met zulke

hartverscheurende gebaren in de rondte, dat de dokter hem bij den arm

greep en uit de kamer voerde, Melatie een wenk gevende, om haar te doen

begrijpen dat hij terstond terug zou komen, uit vrees van haar met

Louise alleen te laten.

Nauwelijks waren de heeren de kamer uit of Louise vloog naar de deur,

sloot haar en verborg den sleutel onder de kussens, in bed.

»Alleen!” riep zij met een vreugdekreet, die de ramen trillen deed.

»Alleen met Mina die goed is, en alles van de arme Louise weten

mag.—Maar waar zijt gij al dien tijd geweest?—Waarom heb ik u in zóo

lang niet gezien?—De menschen hebben mij gezegd dat gij gestorven

waart, maar de dooden kunnen niet terugkomen... niet waar?—O! konden

zij dat, wat zou ik dan gelukkig wezen!”

Zij zweeg en scheen op antwoord te wachten. Maar Melatie sloeg haar arm

om Louise’s hals en zeide niets, zij wist niet wat zij antwoorden

moest.

»Arme Mina!” hernam de jonge vrouw, het meisje medelijdend aanziende.

»Arme Mina! En ik wilde u niet binnenlaten toen gij naar uwe kamer

terugkeerdet, er uwe kinderen dacht te vinden en den man dien gij lief

hadt misschien?... Zij zijn naar Holland, uwe kinderen... weet gij

het?—Hun vader heeft ze weg gezonden—tegen mijn zin, want ik wist wel

dat gij zoudt terugkomen om ze te zien—uwe kinderen, die gij nooit

vergeten zoudt, zelfs niet al waart ge ook werkelijk gestorven!... Arme

Mina! Gij hebt een’ vloek geworpen op het huis van den resident en uwe

kinderen zijn getroffen geworden, even als de vrouw die uwe plaats

heeft ingenomen... maar de man dien uw vloek moest treffen, is gespaard

gebleven, en spot met het ongeluk dat wijkt voor zijn schaterlach!”

Melatie begreep niet veel van hetgeen zij hoorde, en bleef zwijgen.

»Neen... zóo was het niet...” vervolgde Louise, zich, als met moeite,

herinnerende wat er gebeurd was. »Willempje is gestorven... en daarna

heeft hij August alleen weg gezonden ondanks al mijn smeeken... Ik heb

voor uwe kinderen gedaan wat ik kon... geloof mij, Mina. Ik kon niet

meer. Ik had geen recht op uw kinderen, zeide hij, en daarop zijn beide

mij ontnomen geworden. Ik heb minder getreurd over Willem dan over

August, want Willem was dood en August zou mishandeld worden... Ik wist

het wel... Daarom zend ik hem geld en allerhande kleinigheden van hier,

zoo dikwijls ik maar kan, opdat de menschen weten zullen dat iemand hem

toch lief heeft en dat iemand over hem waakt... En alles zend ik hem

uit naam van zijn vader, want mij zouden de menschen niet tellen. Ik

heb geen recht, zoo als ze dat heeten... Zijn vader alleen heeft

recht!... Zelfs recht om te dooden! Vloek! Vloek! Eeuwige vloek, mijn

God! over den man der fortuin!...”

Louise’s oogen vonkelden van toorn en haat, en er was iets zóo

krachtigs in het opgeheven hoofd, iets zóo dreigends in de bevende

lippen, iets zóo besloten in de saamgevouwen handen, dat Melatie

onwillekeurig terug deinsde, en haar op eenigen afstand aan bleef

staren, niet wetende of zij hare vriendin bewonderen, beklagen of

ontwijken moest.

Doch, plotseling bedarende, en Melatie de hand reikende met eene

uitdrukking van medelijden, droefheid en onderwerping, alsof zij berouw

had over hare drift van zoo even, vroeg zij zacht, bijna smeekend:

»Herinnert gij u nog, dat gij mij eenmaal beloofd hebt, dat gij mij

helpen zoudt, indien gij mij van dienst zoudt kunnen wezen. Het was op

een’ avond... in de residentie... Ik had geweend... en gij hadt den

moed niet gehad mij te dooden... Er lagen gouden armbanden vóor ons,

haarpennen en oorknoppen. Eene kris op den vloer bij het venster...

Herinnert gij het u nog?”

Melatie knikte toestemmend. Zij wist van niets.

»Welnu, luister dan, gij kunt mij nu een dienst bewijzen, die niemand

anders mij bewijzen zou. Maar op u heb ik gerekend. Gij hebt zelve

zóoveel geleden, dat gij medelijden hebben zult met de arme Louise, en

haar niet hard beoordeelen zult, zooals de menschen doen.... De

menschen, die niet weten wat lijden is, omdat ze niet weten wat liefde

is... Arme menschen! Als ze dat alles wisten zouden ze beter wezen,

maar ze weten niets en daarom zijn ze zoo boos voor anderen die weten.

Het is armoede die boosheid, anders niet... Daarom vergeef ik hun ook

alles—alles—maar ik wil ze niet meer zien, ik wil ze niet meer

kennen... Ik zal ze helpen waar ik kan, altijd en overal; maar zonder

ze te zien! Zij mogen niet meer bij mij komen, vriendelijk en wel, om

mij te bespieden, te verraden, te belasteren, te bespotten. Dat alles

is maar armoede, ik weet het wel, maar ik wil die armoede niet meer

zien, ze is leelijk, en ze doet mij leed. ’t Is Werner die mij geleerd

heeft dat slechtheid armoede is, ik wist dat niet, en ik haatte de

menschen, die hij beklagen kon! Ik haat ze nog tusschenbeide, maar dat

is als ik niet aan Werner denk... Chut!... Dáar klopt iemand aan de

deur... Laat maar kloppen, ik heb den sleutel begraven—niemand kan ons

storen...”

»Weet gij wie daar klopt?”

»Neen.”

»Het is de dokter, die ook weet wat lijden en wat liefde is, en dien

gij niet verstooten moogt, na hetgeen hij voor Werner gedaan heeft...”

»Voor Werner...” herhaalde de jonge vrouw, met neergeslagen oogen, en,

langzaam het ledekant naderende, zocht zij den sleutel en opende zelve

de deur voor den dokter. Toen sloot zij de deur weer zorgvuldig dicht,

en, na zich verzekerd te hebben dat niemand het zag, verborg zij den

sleutel op eene andere plaats. Daarop legde zij hare hand op den

schouder van den dokter en vroeg zij hem half lachend, of hij den

resident ver weg had gebracht?

»Zóo ver dat hij niet meer zal komen voor dat gij zelve hem terug zult

roepen.”

»Ik?—Ik hem terug roepen!—Nooit!—O! dokter, wat zijn de menschen toch

wreed! Het huwelijk moest verboden zijn wanneer de vrouw geen liefde

voor den man heeft en het moest ontbonden worden wanneer hij hare

liefde verloren heeft! Ontbonden!—Vrij!—Verlost van den resident! O de

liefde van dien man is mij een gruwel! Ik zou hem minder haten, geloof

ik, indien hij mij minder lief had!”

»Haten, Mevrouw? Moogt gij iemand haten?”

»Zóo leert men haten, dokter. Welk recht heeft die man op mij? Ik was

een kind toen de menschen mij bevolen zijne vrouw te worden. Ik kende

niets dan gehoorzaamheid, en ik heb gehoorzaamd; op onwetendheid was

mijn handelen gegrond, en op die handeling heeft de wet het zegel harer

onfeilbaarheid gedrukt, het wreede »levenslang” bevolen, dat verbeterd

werd door de kerk, die »eeuwig” zeide.—Eeuwig!—Mijn God! help mij! Die

eeuwigheid maakt mij krankzinnig!...”

Zij verborg het gelaat een oogenblik in de handen, hief toen het hoofd

weder op en zeide fier en langzaam:

»En indien ik nu eens die gelofte, dat gebod, die wetten en die kerk

verachtte?... Indien ik dat alles eens wreed, dom en onzedelijk noemde:

in strijd met godsdienst en natuur; in strijd met gezond verstand en

geweten?... Indien ik op grond van dat alles eens naar de gerechtzaal

ging en scheiding vroeg van den resident Stevens van Langendijk?... Wat

zouden de wetten dan zeggen?”

De dokter en Melatie wisselden een vluchtigen blik, maar zwegen.

»Gij antwoordt niet,” vervolgde Louise, »omdat gij mij geen leed wilt

aandoen; maar, ik ken het antwoord even goed als gij. De wet zou

slapend op hare volmaaktheid steunen en mij verder verwijzen naar de

zielendoodende kerkelijke eeuwigheid! Daarom zal ik ook naar geen

gerechtzalen gaan... Toch,—later mogelijk... want de vrouw die schuldig

is alleen kan hare vrijheid terug krijgen.—Zij, die onschuldig zijn,

moeten lijden en zwijgen. Wij zijn ook te trotsch om te klagen.

Medelijden is een vernederende aalmoes, versmaad door haar, die rijk

zijn omdat zij een krachtige ziel en een zuiver geweten hebben!—Maar

spreken, dat kunnen wij—lachend vertellen wat wij lijden, hoe wij

lijden en waardoor wij lijden... En dan kunnen wij verachten—en—zóo

handelen als ik van morgen met den resident gehandeld heb!... Zeg,

dokter, wilt gij mij een genoegen doen?”

»Gaarne Mevrouw.”

»Blijf dan even hier staan, ik wilde Mina een oogenblik alleen

spreken.” En Melatie mede voerende naar de andere zijde der kamer,

vroeg zij nauw hoorbaar:

»Waar wordt Werner begraven?”

»Te Speranza; op zijn eigen land.”

»Ik moet zijn graf zien, eer ik naar A. terugkeer—zal je met mij

meegaan?...”

Melatie wierp een wanhopigen blik op den dokter en antwoordde

toestemmend:

»Morgen ochtend, in de vroegte, als de anderen nog slapen, niet waar?

O, ik wil zien waar het graf van George is!—Ik moet het weten, want...

Dokter, waar kijk je naar?...” En met een’ woesten sprong naar het

venster snellende, waarbij de dokter stond, zag zij van verre, door de

takken der boomen heen, den lijkstoet die het hek uitging.

Bleek en hijgend staarde zij in de donkere laan; haar somber oog tuurde

door de groene bladeren zoo lang daar achter iets bewoog, en toen

eindelijk alles stil was, boog zij langzaam het schoone hoofd en rolden

er groote tranen langs de krijtwitte wangen.

»Ik heb hem zoo innig liefgehad,” sprak zij zacht, »en hij heeft het

nooit geweten.—Dokter, ik dank je voor al wat gij voor mijn Werner

gedaan hebt.”

Zij reikte hem de hand en zag hem aan met hare zachte, droevige oogen

als of zij hem met dien blik zeggen wilde, hetgeen zij in geen woorden

uit kon drukken.

Toen zonk zij opeen sofa neer, en bleef daar zitten, bleek en zwijgend

tot laat in den avond, geen lach, geen traan, geen uitdrukking van

toorn of haat had leven gegeven aan de ziellooze trekken die uren lang

onbewegelijk gebleven waren. Te vergeefs had men alle middelen in het

werk gesteld om hare aandacht te trekken, of haar belang in te boezemen

voor hetgeen haar omringde—niets had geholpen, de stem van den resident

had haar koud gelaten, even als het schoone lied van Lina, en de

bittere tranen der arme Melatie, die haar eindelijk ontkleedde en als

een kind naar bed bracht, zonder een enkel woord over hare lippen te

kunnen krijgen, of zelfs aan eenig teeken te kunnen zien dat zij haar

herkende.

Een huwelijk in Indië · 第 14 / 20 段