te kermen, te zuchten. Men geve een naam naar goedvinden aan die
kreeten van wanhoop, smart, angst en woede, in geen woorden te
beschrijven. Het schoone dier lag met den kop achterover in de aarde te
rollen, zijn rechterzijde was geheel opengereten door de horens van den
buffel, terwijl zijn tong nog droop van het bloed zijns vijands en zijn
klauwen glommen van het lillend vleesch dat aan de nagels hing. Een
paar minuten verliepen alzoo, toen kwam men met een gloeienden bout den
tijger tot een nieuwen aanval dringen.
Woedend vloog het dier weder op, en geen ander schepsel ziende waarop
hij zich wreken kon over de hem op nieuw aangedane foltering, sprong
hij nogmaals op den buffel toe, die hem echter als de eerste maal op de
horens ving, weg wierp en toen vervolgde alsof hij zijn dood besloten
had. De tijger kromp van pijn ineen, sloop kermend langs de omheining
voort en dook angstig blazend in een hoek weg, zoodra de buffel een
oogenblik bleef staan. Terstond werd hij weder door zijn onzichtbaren
vijand gemarteld, die den bout in de opene wonden drukte. Met een kreet
vloog hij weg, en toen had er een dier bloedige, wanhopige worstelingen
plaats, in felheid alleen overtroffen door den onverzadelijken
bloeddorst en de wreedheid der menschen die zulke ijselijkheden kunnen
in het leven roepen als een schouwspel, een vermaak, een feest dat de
oogen boeit en het hart voldoening geeft.
De tijger wilde den buffel van achteren bespringen en sloop om hem
heen. De buffel die ongelukkigerwijze zijn hoek verlaten had en zich in
het midden van het strijdperk bevond, kon met zijn log lichaam de
vlugge wendingen van zijn vijand niet volgen en werd op eens van ter
zijde besprongen. De tijger hing hem langs den rug en had zijn klauwen
zoo krampachtig in de dikke huid vastgeslagen dat het den buffel, eerst
na verscheidene vergeefsche pogingen gelukte den tijger met de horens
van zich af te scheuren.
Uitgeput rolde de verzwakte tijger tegen de omheining aan, na in de
worsteling zijn vijand de beide linker pooten stuk geslagen te hebben.
Bijna tegelijkertijd stort ook de buffel eenige schreden verder in een
hoek neder. Dadelijk siste er weer een gloeiend ijzer in de gapende
wonden van den tijger; het arme dier slaakte een kreet als een zucht,
en kroop op den buik een halven voet vooruit, maar de bout ging ook een
halven voet vooruit en siste op nieuw in het warme bloed. Nog een kreet
en een pas... en weer de bout en nog een pas... De tijger lag met zijn
kop bijna tegen den buffel aan. Nog eens de bout... de buffel boog den
kop, de tijger zag hem aan, wilde terug, voelde den bout, spande zijn
laatste krachten in, sprong op en wierp zich nog eenmaal op den
weerloozen buffel... Doch hij nam den sprong te kort, wondde den buffel
aan het voorhoofd, scheurde hem met den linker achterpoot het
rechteroog uit den kop, bleef toen een oogenblik op de kromme horens
rusten, werd er weer afgeworpen en zonk dood naast zijn stervenden
vijand neder, die met een kroon van bloed en ingewanden versierd, dit
met alle overwinnaars gemeen had, dat elke zegepraal op het slagveld
behaald, een vernedering voor beide partijen is.
TWEEENDERTIGSTE HOOFDSTUK
FELICITA. DE JACHTPARTIJ
Het was reeds over éenen en nog waren de heeren niet van de jacht
teruggekeerd... Toch hadden zij beloofd dat ze tegen etenstijd te huis
zouden wezen. En reeds van twaalf uur af hadden de dames zitten
wachten.
»Ik begin mij werkelijk ongerust te maken,” zeide mevrouw Oristorio di
Frama.
»Zijn hier tijgers of wilde zwijnen in de bosschen?” vroeg Louise
zacht.
»Ja, zij zijn er, maar ik geloof niet dat het in het plan der heeren
lag om zoo ver van huis te gaan. Zij wilden eenige duiven schieten hier
in den omtrek, en ik geloof dat het vermaak eigenlijk meer in een
rijtoer dan wel in een jachtpartij bestaan zou.”
»En indien ze eens een tijger of een wild zwijn ontmoet hadden?” vroeg
Louise weer.
»Nu, zij zijn met hun vijven en de jongens, en zij zijn allen goed
gewapend.”
»Ik weet het niet—maar ik ben niet gerust. Gelooft gij aan voorgevoel,
mevrouw?”
»Als het uitgekomen is, ja,” antwoordde mevrouw Oristorio lachend,
»maar vóor dien tijd niet.”
»Gelooft gij niet dat er oogenblikken in het leven zijn waarin de ziel
meer gevoelt dan het lichaam weten kan?”
»Ja zeker!” riep Melatie die Louise met groote oogen aangestaard had,
zoo lang zij sprak. »Zeker mevrouw! Toen de kleine Karcilla van den
dispens-jongen [36] gestorven is, heb ik het geweten, niet waar mama?
Wij hadden drie dagen lang met het arme stakkertje getobd en toen ik
eindelijk zóo gerust sliep dat ik niet meer aan het kind dacht, hoorde
ik op eens naast mij zeggen: »Kassian! Karcilla mati [37]!” Het was
midden in den nacht, ik sprong dadelijk op en liep naar de kamer van
mama om te vertellen wat ik gehoord had. Mama zeide dat het een droom
geweest was en dat ik maar weer naar bed moest gaan. Maar ik was zoo
naar over die woorden dat ik geen rust kon vinden en niet tevreden was
voordat mama met mij mede ging naar de bijgebouwen om te zien hoe het
met Karcilla was. De moeder zat in de geopende deur te huilen en zeide
dadelijk dat het kind nog geen half uur geleden gestorven was.”
»Nu ja, dat is zoo, maar gij waart zoo zenuwachtig en opgewonden door
het aanhoudend verzorgen van het arme schepseltje, dat uw geest er
nacht en dag mede bezig was en gij waarschijnlijk ook het zelfde geroep
gehoord zoudt hebben indien het kind genezen was...”
»O neen, dat geloof ik niet!” riep Louise. »Ik weet wel wat Melatie
bedoelt, ik ken dat gevoel!”
»Niet waar, mevrouw,” vroeg Melatie, »zulke dingen zijn geen droomen?”
»Ik geloof althans aan zulke vreemde verschijnselen. Ja, mevrouw
Oristorio, lach mij maar uit! Gij vindt mij bijgeloovig, niet waar? En
mogelijk ben ik het ook. Maar twee keeren in mijn leven is mij iets
zonderlings gebeurd dat de ongeloovigste geloovig zou gemaakt hebben,
en nu ik weer zoo iets zonderlings gevoel, nu ben ik bang, ik beken het
ronduit!”
»Maar wat gevoelt gij dan?” vroeg mevrouw Oristorio half lachend, half
ernstig.
»Ik weet het niet. Ik ben angstig, gejaagd, onrustig, en zoo even, den
trap af komende, verbeeldde ik mij een schot te hooren. Ik moest mij
aan de leuning vast houden om niet te vallen, zoo had dat geluid mij
verschrikt. Het was alsof de lucht vuurrood zag om mij heen, het bloed
stolde mij in de aderen, een felle steek in de zijde belette mij adem
te halen.... daarop hoorde ik »Louise” zeggen, zoo zacht, zoo zacht...”
Zij zag een oogenblik naar beneden als hoorde zij het nog, toen keek
zij schuchter om zich heen en poogde te lachen, terwijl zij vervolgde:
»Maar het is alles slechts verbeelding, dat weet ik wel, en ik ben
dwaas om zulke dingen te vertellen! Kom, juffrouw Lina vertel ons wat
anders, vóordat ik uitgelachen word... Als je blieft!”
Lina, die tot dusverre gezwegen had, deed haar best om het gesprek een
andere wending te geven, maar wat zij ook verzon, de vroolijkheid kwam
niet terug in den kleinen vriendinnenkring.
Melatie zat op een voetenbankje naast mevrouw Stevens en leunde met
haar hoofd tegen Louise’s schouder. Mevrouw Oristorio was afgetrokken
en Louise zeide niets. Zij was bleeker dan te voren en er lag iets
angstigs in haar blikken, die zij tusschenbeide op de zware boomen in
den tuin vestigde, als wilde zij door groen en afstand heen zien.
»Daar!” riep zij op eens, van haar stoel opspringende met een
woestheid, die de arme Melatie bijna van haar bankje deed tuimelen:
»Daar zijn ze! God dank!”
De heeren kwamen langzaam en statig het voorplein op rijden, gevolgd
door een stoet oppassers en bedienden te paard die wapens, mandjes enz.
te verzorgen hadden. De dames waren hen te gemoet gesneld en Louise en
Melatie stonden op den ondersten trap van de stoep te lachen van
vreugde en ongeduld, toen Louise plotseling verbleekte, hare vriendin
bij de hand greep en nauw hoorbaar zeide... »Werner...”
Melatie zag haar vader aan en riep van verre: »Waar is mijnheer Werner,
papa?”
»Hij komt, hij komt,” antwoordde de landeigenaar met iets zonderlings
in zijn stem, en nader gekomen, stapten de heeren af, en beklommen de
stoep, onder een stilzwijgen dat Louise verstijven deed.
»Werner?...” vroeg zij weer, hare groote, zwarte oogen met een
onbeschrijfelijke uitdrukking op den resident vestigende en zonder een
enkele beweging te maken.
»Werner is genoodzaakt geweest ons zoo even te verlaten, mevrouw. Men
kwam hem halen—er was iets op zijn fabriek gebeurd, waar hij bij moest
zijn—hij komt hier dineeren,” antwoordde de secretaris.
»Stevens! waar is Werner?” herhaalde Louise nogmaals, alsof de
secretaris in het geheel niet gesproken had. En als in een droom de
stoep opkomende, naderde zij den resident, legde hare hand op zijn arm,
zag hem strak in de glasgroene oogen en vroeg zacht en met nadruk:
»Wat hebt gij met Werner gedaan?”
De vier heeren stonden als verpletterd. De resident greep zich aan de
leuning van een stoel vast, om niet neer te storten en mijnheer
Oristorio verbleekte zoo dat Melatie hem bij de hand vatte en met
doodsangst op het gelaat naar de residentsvrouw staren bleef.
»Zeg het...” vroeg Louise verder.
Niemand antwoordde.
»O! ik word krankzinnig als gij langer zwijgen blijft!”
En het gelaat in de beide handen verbergende, wierp zij het hoofd tegen
den witgepleisterden pilaar aan, waarbij zij onbewegelijk staan bleef.
Mevrouw Oristorio en Lina schoten dadelijk toe, voerden haar zacht met
zich mede en plaatsten haar op een stoel dien de heeren voor haar
aangeschoven hadden.
Zij was geheel verstijfd en koud, hare witte handen waren krampachtig
ineen gevouwen, hare lippen waren saamgeperst, haar gelaat was
doodsbleek. Geruimen tijd duurde het eer zij weder tot zich zelve kwam.
Toen zij eindelijk de donkere oogen opsloeg en langzamerhand de
personen herkend had die haar omringden, fluisterde zij mevrouw
Oristorio zacht toe:
»Och laat mij even alleen met Stevens!... Ik bid het u.”
Ongemerkt wilde het gezelschap zich uit de voorgalerij verwijderen. De
resident was blijven zitten; maar toen hij bemerkte dat hij de eenige
was, stond hij ook op en wilde het voorbeeld der overigen volgen.
»August!” riep Louise zacht, hem met de hand terug wenkende »Blijf nog
even.”
Hij kwam terug, legde zijn hand op haar voorhoofd en vroeg hoe zij het
maakte.
»Goed... Ik ben niet ziek... Ik ben verdrietig.”
»Kom, kom, niet zulke gekke kuren, hoor, wat moeten de menschen wel van
je denken?... Ik...”
»August,” viel zij hem in de rede, »wij zijn alleen, zeg mij nu wat er
met Werner gebeurd is.”
»Dat kan ik je niet zeggen. Ik zal je iemand anders zenden.” En
nauwelijks had hij dit gesproken of hij was uit de galerij verdwenen.
Wal er in de oogenblikken die volgden, in de geschokte ziel der arme
Louise omging is met geen woorden te beschrijven. Zij had reeds zooveel
geleden in den laatsten tijd, zooveel gezwegen en zooveel vergeven, dat
het haar was alsof de slag die haar nu treffen zou haar dooden moest.
Mijnheer en mevrouw di Frama kwamen eindelijk naar voren om met haar te
spreken.
»Luister mevrouw,” begon de landheer, »gij zijt volkomen voorbereid op
de treurige tijding, niet waar?”
Louise knikte toestemmend.
»Welnu, stel u dan het ergste voor wat onzen braven vriend Werner
betreft. Er is... er is op de jacht een ongeluk gebeurd, waarvan hij
het noodlottig slachtoffer werd... Niemand is schuldig,” vervolgde hij
snel, toen hij zag met welk een vreeselijken blik Louise opsprong om
hem in de rede te vallen. »Niemand, geloof mij, mevrouw. Het geweer van
den resident is, zonder dat iemand weet hoe, afgegaan op het oogenblik
dat hij omkeek om met een zijner bedienden te spreken, en de kogel trof
Werner in de zijde.”
»Dood!” fluisterde Louise, met zulk een wanhoop in haar stoel
terugzinkende, dat zij de woorden op mijnheer di Frama’s lippen deed
besterven.
»Neen... nog niet.”
»Nog niet...” herhaalde zij nauw hoorbaar... »En niemand bij hem!...”
Zij verborg het gelaat in de handen en liet het hoofd op mevrouw di
Frama’s schouder zinken.
»De dokter is bij hem. En Lawson, zijn neef, de administrateur zijner
fabriek, dien wij terstond deden waarschuwen, is oogenblikkelijk
hierheen gekomen, om bij het verbinden behulpzaam te zijn.”
»Hierheen!... Hierheen, zegt ge?... Hij is hier! O mijn God! wat zijt
gij goed!”
Zij lachte, vouwde de handen en wilde opstaan.... Zij kon niet; haar
knieën knikten, haar hoofd duizelde en bewusteloos zonk zij in haar
stoel terug.
Bijna op hetzelfde oogenblik wordt in den ruimen koepel aan het eind
der kanarilaan, bij den vijver, een groote baleh-baleh met buitengewone
omzichtigheid binnen gedragen. De dokter loopt aan de eene zijde,
William Lawson aan de andere, verscheidene bedienden volgen. Het is
Werner die zwaar gewond, bijna stervende op dien baleh-baleh ligt, en
geen enkel teeken van leven meer geeft. Zijn oogen zijn gesloten en
zijn verbleekt gelaat verraadt niets dan lijden en uitputting.
De dokter en de administrateur zien elkander een oogenblik
veelbeteekenend aan, daarna wordt een der bedienden naar het
hoofdgebouw gezonden en eenige minuten later treden mijnheer en mevrouw
di Frama en Lina van Wageningen den koepel binnen. Mijnheer wordt
dadelijk door den dokter aangesproken, mevrouw en Lina zien zwijgend
naar den stervende. Lawson nadert haar langzaam en vraagt zacht, zeer
zacht, waar de resident zich bevindt, er nog zachter bijvoegende: »zijn
plaats was hier... want zijn schuld is hier...”
Lina grijpt zijn hand en ziet hem zóo smeekend aan, dat hij zwijgen
blijft.
»Wat kunnen wij voor hem doen?” vraagt mevrouw di Frama.
»Niets. De dokter durft niet te extirpeeren, hij vreest dat de dood
zich dan niet lang zal laten wachten. O, resident van Langendijk!...”
»Ik weet het niet...” zegt de dokter, met den landheer sprekende. »Is
de kogel niet te ver gegaan, dan is er hoop op herstel... ofschoon ik
vrees... de long is geraakt... De kogel is tusschen de ribben door
gegleden... aan geen extirpeeren te denken... bloedstelpen.... en
wachten.... Een leelijke geschiedenis, mijnheer...”
»Een ongeluk, dokter, een droevig geval.”
»Kunnen wij u in eenig opzicht van dienst wezen, dokter?” vraagt
mevrouw di Frama.
»Dank je mevrouw; er is nog niets te doen. Wij moeten wachten...
wachten ... maar mocht er eenige verandering komen hetzij ten goede,
hetzij ten kwade, dan zal ik zonder aarzelen van uw vriendelijk aanbod
gebruik maken.”
Daarna werd besloten dat de dames naar huis terug zouden keeren en dat
mijnheer Oristorio en Lawson met den dokter zouden waken.
»Wij zullen om beurten waken,” zeide de dokter met een bedenkelijk
hoofdschudden. »De patiënt eischt voor het oogenblik niets dan
toezicht. Mocht er beterschap komen dan zullen wij later de krachten
noodig hebben die wij nu niet verspillen mogen.”
»Wil ik u een matras zenden, dokter, voor de twee heeren die rusten
kunnen?”
»Als je blieft mevrouw.”
»Och dokter, wat ik je bidden mag, kan je niet een oogenblik meegaan om
naar mevrouw Stevens te zien? Wij hebben zoo even letterlijk geen raad
met haar geweten. Zij is nu wat kalmer, maar wij vreezen dat die kalmte
niet van langen duur zal wezen.”
»Arm vrouwtje!”
Louise lag in de achtergalerij op een rustbank uitgestrekt, Melatie zat
aan haar voeten. Zij weende, en lachte door haar tranen heen, terwijl
het meisje haar vleiend eenige woorden toevoegde, die niemand hoorde
dan zij.
»Beloof je ’t me, Melatie?”
»Ik beloof het u mevrouw.”
»Wat er ook gebeuren moge, je zult me helpen, niet waar.”
»Stellig mevrouw, reken op me.”
»Stevens kwam mij zeggen dat hij dood was.”
»Niet waar, mevrouw—hij leeft—ik weet zeker dat hij leeft. Ik heb het
den jongen gevraagd die mama kwam roepen... Chut!... Ik hoor wat...” en
snel opspringende vloog zij de binnengalerij in om te zien wien zij had
hooren loopen.
»Het is mama, met de juffrouw en den dokter,” riep zij vroolijk en,
Louise’s hand grijpende fluisterde zij haastig: »Vraag naar niets. Ik
zal alles weten en ik zal u alles naar waarheid mededeelen!”
Louise glimlachte en reikte den dokter de hand met een kalmte die hem
verbaasde.
»Beter, veel beter dan ik verwacht had,” zeide hij, »wat zenuwachtig,
maar...”
Hij zweeg een oogenblik en zag haar uitvorschend aan met zijn
schranderen, scherpzienden blik, waarvoor het jonge vrouwtje hare
donkere oogen nedersloeg.
»Er broeit iets op den bodem dier krachtige ziel,” dacht hij bij zich
zelven, en opstaande om heen te gaan, reikte hij haar nogmaals de hand,
met de woorden: »Tot van avond, mevrouw; ik kom tegen acht uur terug;
houd goeden moed, en ga zóo voort.”
Louise zag hem aan, alsof zij vragen wilde: »Wat bedoelt gij, dokter?”
maar zij zeide niets en de dokter verdween.
»Een lief vrouwtje!” sprak hij als tot zich zelven, zoodra hij zich met
mevrouw di Frama alleen in de binnengalerij bevond.
»Een kind,” beweert de resident.
»Dan toch een kind met een helder hoofd en een edel hart! Ik ken maar
weinig vrouwen van wie men zóoveel zeggen kan.”
»Ik ook dokter!”
Een oogenblik liepen beiden zwijgend voort.
»Dokter”, begon mevrouw Oristorio weder, »vindt gij haar niet
onbegrijpelijk kalm, na die vreeselijke wanhoop van zoo even?”
»Kalm? Neen dat is geen kalmte, dat is
wilskracht—geestdrift—overspanning. Wee als de reactie komt!”
»Zij vraagt naar niets meer.”
»Dan weet zij alles.”
»Neen, de resident heeft haar gezegd dat hij overleden was, en van dat
oogenblik af is ze kalmer geworden.”
»Vreemd... zeer vreemd.”
De dokter spoedde zich naar zijn patiënt terug en mevrouw di Frama
begaf zich naar Louise, met wie zij geruimen tijd bleef praten over
alles, behalve over den ongelukkigen Werner.
Toen het avondeten opgebracht werd, verliet Louise de achtergalerij.
Zij had geen honger, zij wilde niets gebruiken, zij was uitgeput van
vermoeidheid en verlangde naar rust. Terwijl de huisgenooten zich dus
aan tafel zetten, werd Louise naar haar kamer geleid door Melatie die
haar bij het ontkleeden behulpzaam zoude wezen.
»Vertel mij nu gauw waar hij is? Kan ik hem zien? Hoe, en wanneer?”
»Wacht, laat ik u even een doek omslaan, het is buiten frisch, en als
gij waken wilt, moogt gij niet ziek worden. Hij is in den grooten
koepel aan het einde der kanarielaan. De dokter alleen is bij hem, de
andere heeren zijn aan tafel; ik geloof dat wij een goed oogenblik
gekozen hebben.”
»Kom dan!”
En zonder verder een woord samen te spreken snelden de beide dames
gearmd den tuin door naar den koepel, waar de gewonde lag.
»Dank je, Mela, dank je! Keer nu gauw naar huis terug en ga aan tafel
alsof er niets gebeurd was. Ik wil niet dat ze u beschuldigen zullen
van mijn heimelijke vlucht. Dank je!...”
En na Melatie een hartelijken zoen op het voorhoofd gedrukt te hebben,
sloop Louise den koepel binnen, waar zij, zonder acht op den dokter te
slaan, op den baleh-baleh plaats nam, haar hand op Werners voorhoofd
legde en hem in de half gesloten oogen zag, met zulk een grenzenlooze
droefheid, met zulk een onuitsprekelijke liefde, dat de dokter als
verlamd op zijn stoel bleef zitten zonder een woord te kunnen uiten.
Lang bleef zij zoo staren op het doodsbleeke gelaat van den jongeling;
eindelijk hief zij langzaam het hoofd op en vroeg zij zacht en
onderworpen: »Dokter, moet hij sterven?”
»Neen, mevrouw, er is nog hoop op herstel, maar....”
»Zeg alles, dokter.”
»Wij moeten ons geen illusies maken. Zijn toestand is hoogst
gevaarlijk, de minste aandoening...”
Hij zag Louise scherp aan. Zij verstond zijn blik en antwoordde zonder
aarzelen:
»Zeg zulke dingen niet op mij, dokter. Het is hier een stervende dien
wij te verplegen hebben.... Laat geen ellendige cancans de rust van dit
vertrek ontheiligen.”
De dokter beet zich op de lippen en zweeg. Louise sloeg de oogen neer
en bleef onbewegelijk op den baleh-baleh zitten.
Nooit was de jonge vrouw zoo schoon geweest als thans, nu het heldere
licht der maan door de hooge vensters op haar viel. Nooit had er
zóoveel lijden, zóoveel onderwerping, zóoveel vastberadenheid uit die
kalme trekken gesproken als op dit oogenblik. Er was iets
indrukwekkends in die rustige droefheid, iets dat aantrok en zwijgen
deed, iets dat medelijden inboezemde, dat bewondering opwekte, dat
eerbied eischte. De dokter gevoelde het.
»Die vrouw is onschuldig,” dacht hij bij zich zelven, »wat de wereld er
ook van zeggen moge.” En vreemd, er vlood hem een beeld voor den geest
dat niets gemeen had met hetgeen hem omringde. Een jong meisje met
helderblauwe oogen en goudblonde lokken... »Zoo kunnen vrouwen alleen
liefhebben!” sprak hij half overluid; »mijn God welk een schat van
liefde hebt gij in het reine hart der vrouw gestort!”
Louise zag op. Zij meende dat de dokter sprak, maar de dokter hield de
oogen zóo strak op de roode vloersteenen gevestigd, dat ook zij weer in
haar vorig stilzwijgen verviel, zonder acht op iets anders te geven dan
op den lijder die naast haar lag en wiens geringste ademhaling zij
gadesloeg met een geduld dat aan wanhoop grensde.
»Dezelfde zachtheid,” dacht hij verder, »dezelfde droefheid, dezelfde
onderwerping en ook dezelfde kracht... zieleleven... zielelijden... en
zieletriomf! Viola! Arme miskende Viola!”
Louise zag weer op, maar de dokter staarde nog steeds op dezelfde roode
steenen.
»O! de vrouw die groot is, mag voorwaar het schoonste, het edelste, het
volmaaktste gewrocht der goddelijke schepping genoemd worden! Waar
anders vinden wij die trouw, die vastberadenheid, die kracht, die fiere
deugd, die zelfopofferende liefde, die alles vergevende zachtheid...
die onuitputtelijke...”
»Wat blieft u, dokter?”
»Mevrouw?”
»Ik meende dat gij iets zeidet?”
»Ik? Vergeving mevrouw... Ik was in gedachten... Heb ik iets gezegd?”
»Ik meende het.”
De dokter antwoordde niet, en Louise vroeg niet verder.
Geruimen tijd bleef alles stil en rustig in den grooten koepel. Toen
kwam een der jongens een lamp brengen en vragen hoe het met den toewan
ging.
»Hetzelfde,” antwoordde de dokter, en weer begon de stilte met haar
eigenaardig gegons van krekelgezang en bladergeritsel.
»Hierheen,” zeide een stem die nader kwam, en bijna op hetzelfde
oogenblik traden Stevens en de secretaris binnen.
De dokter ontstelde hevig en de secretaris niet minder, terwijl de
resident als door den bliksem getroffen tegenover zijn vrouw bleef
staan, leunende tegen den deurpost die hem belet had neer te storten.
Louise alleen had geen de minste aandoening verraden; kalm als te voren
had zij haar groote donkere oogen op haar echtgenoot gevestigd en hem
bijna fluisterend toegevoegd:
»Kassian!... hij sterft... blijf je bij hem van nacht?...”
Stevens’ verontwaardiging had haar hoogste toppunt bereikt. Hij
stotterde, beefde, balde de vuisten, maar kon geen woord uiten. Zijn
aangezicht was rood als vermiljoen, zijn oogen traanden, als touwen
lagen de opgezwollen aren over het saamgetrokken voorhoofd, hij wilde
spreken, loopen, handelen,—te vergeefs, hij wankelde en zeeg op een
stoel neer met een kreet die aan brullen denken deed.
»Hier?” riep hij eindelijk, zich met moeite aan de leuning van zijn
stoel vastklemmende, »wat doe jij hier?”
Louise zag hem onverschrokken, half verwijtend aan, maar zeide niets.
De resident was als verpletterd.—Welke macht had die vrouw, dat zij hem
beletten kon haar te dooden, te verbrijzelen in een oogenblik als dit?
Vuur in zijn hoofd, vlammen voor zijn oogen, trommelslagen aan zijn
ooren, kanonschoten in zijn hart!... Alles kookte, gonsde, suisde,
brandde om hem heen...
Een kleine hand, een zachte stem brachten plotseling rust en koelte in
die verwarde hitte.
»Luister August, laat u niet door uw drift vervoeren in oogenblikken
van angst en droefheid waarin wij elkander allen noodig hebben. Er zijn
ongelukken genoeg gebeurd... er moet hier gehandeld en geholpen worden
zonder haat en zonder wrok.”
»Naar huis! Naar huis terug!” dat was al wat hij zeggen kon, en de daad
bij het woord voegende, greep hij zijn vrouw bij de schouders en stiet
haar van zich af, met een kracht die haar tegen den deurpost gedood zou
hebben, als de dokter en de secretaris niet tusschenbeiden waren
gekomen om haar uit zijn handen te redden.