als gij!... gestorven in zijne armen... zoo even... O mijn God! waarom
hebt gij mij het geluk leeren kennen enkel om het mij te ontnemen!
Waarom moet ik liefhebben wat ik haat, en waarom moet ik haten wat mijn
gansche ziel vereert?... Moeten?...... En indien ik het eens anders
wilde?....... O mijn God! geef mij kracht om vol te houden en den
rechten weg te blijven gaan!....
»De resident!”
ACHTENTWINTIGSTE HOOFDSTUK
MEVROUW JOLY
»Mijnheer Werner, mijn Lotje zegt dat u doodelijk verliefd is op
mevrouw Stevens.”
»Ik mevrouw! Welk een idee!”
»O niet Lotje alleen! De menschen zeggen mooier dingen dan dat! Wil ik
u vertellen wat?”
»Och mevrouw, geloof de menschen toch niet! De menschen weten zelven
niet wat ze zeggen.”
»Wel, ik weet niet: de menschen zien soms meer dan u denkt. Ik zal het
niet zeggen tegen den resident, maar anderen mogelijk wel. Ik weet, ja,
dat u met mevrouw Stevens is geweest toen het kind ziek was. Kassian!
En toen Wilmpje dood was weer... Heel A. weet dat—en nu spreken zij
kwaad van mevrouw Stevens met u.”
»Geheel ten onrechte, mevrouw, geloof mij. Ik verzeker u, op mijn woord
van eer, dat geen vrouw ooit heiliger voor mij wezen kan dan mevrouw
Stevens van Langendijk.”
»Ja, jij bent altijd zoo hoog in jou spreken!” riep mevrouw Joly, met
een vergevensgezind lachje. »Ik heb altijd gedacht dat je een goeje man
voor mijn Lotje zoudt wezen—maar niet als je verliefd bent op mevrouw
Stevens. Mijn Lotje is trotsch, dan wil ze je niet hebben.”
Werner was een oogenblik als iemand die een slag op zijn hoofd krijgt
en in de eerste drie minuten niet weet wat hem overkomt.
»Lotje?” herhaalde hij stamelend—»maar Lotje houdt niet van mij”
vervolgde hij zachter.
»Lotje! Ja, Allah! Lotje zal zoo’n goeje vrouw voor je zijn, als je
niet meer aan mevrouw Stevens zult denken, ja. Want ze is kwaad over
dàt. Gisteren sprak zij er nog met Joly over. »Mevrouw Stevens is
gemeen,” zeide zij, »kassian voor den resident.—Vertel hem, pa, dan kan
hij Werner de deur uitjagen.” Zóo boos was ze—maar ze houdt van jou!”
Werners bloed kookte. Hij had mevrouw Joly met Lotje en de geheele
familie Joly kunnen verbrijzelen in dat oogenblik.—Maar het gold
Louise! Hij kon zijn bleekheid niet verbergen, maar wel de
verontwaardiging verloochenen, die te rein was om bespot te worden door
de oogen die hem gadesloegen.
En hij kon ook—ja, hij moest Louise’s goeden naam redden, die door zijn
toedoen werd bedreigd...
»En waarom heeft juffrouw Lotje me nooit getoond, dat ze van mij
hield?” vroeg hij met een vreemden lach. »Indien zij mij belooft dat
zij niet jaloersch meer van mevrouw Stevens zal wezen, of van wie het
ook zijn moge, ben ik gereed haar door een huwelijk te bewijzen dat
haar gissingen ongegrond zijn geweest.”
»Jij wilt met Lotje trouwen. Soengoeang [35]?”
»Zeer zeker. Indien zij ten minste mijne vrouw worden wil.”
Mevrouw Joly verliet de kamer en kwam een oogenblik later met hare
dochter terug.
»Hier is jou Lotje, ja! Kassian, zij is beschaamd voor je!”
Lotje zeide »hm—m,” en »ja” op elke vraag die men haar deed. En toen
Werner een half uur later het huis verliet, dat hij vrij was
binnengetreden, had hij, om Louise’s wil, om haar voor lasterlijken
achterklap te sparen, zijn toekomst verbonden aan die van de oudste
juffrouw Joly.
NEGENENTWINTIGSTE HOOFDSTUK
DE GOUVERNEUR-GENERAAL
Willem dood—August vertrokken—en Werner had zij niet meer gezien sinds
den sterfdag van het kind.
Wat was alles leeg en duister om haar heen. Eenzaam, verlaten, miskend,
gevoelde de jonge vrouw zich te midden der schitterende weelde die haar
omringde. Welken troost kon de zieldoodende hartstocht des residents
haar geven? Welk geluk lag er voor haar in de gevoellooze beleefdheid
harer bekenden, in de slaafsche onderdanigheid harer
dienstboden?—Niets—niets. Waar ze zocht, waar ze vroeg—de geest vond
niets, het hart vond niets.
»O Werner!”
Ook de Oristorio’s schenen haar vergeten te hebben.... Mevrouw die zoo
goed voor haar geweest was. Melatie met haar trouwen, edelen blik....
Haar verbeelding voerde haar terug naar de zonnige dagen van vroeger en
bittere tranen vloeiden langs haar verbleekte wangen.
Zij morde niet meer. Zij had het waarom lang genoeg gevraagd: nooit was
het beantwoord geworden. Zij had gebogen onder de ijzeren hand der
noodzakelijkheid, zij had de bevelende stem van het noodlot gehoorzaamd
en besloten het leven te ondergaan, hoe het ook wezen mocht.
De resident trad binnen met een brief in de hand.
»De volgende week zal de Gouverneur-Generaal hier wezen,” zeide hij.
»Op zijne inspectiereis wil hij drie dagen te A. vertoeven. Zorg dus
dat alles gereed zij voor de ontvangst. Hier is de brief. De
Gouverneur, zijn adjudanten, secretaris, kok, dienstboden, weet ik al
wat! Het best dat wij doen kunnen, is dat wij hun het gansche huis maar
afstaan en ons zelven, voor die drie dagen, in de bijgebouwen behelpen;
dat geeft nog de minste soesah. Donderdagmorgen komen zij, dus diner
dien dag en ’s avonds receptie. Vrijdagmorgen inspectie, parade, nog
zoo iets, en ’s avonds bal in de sociëteit. Zaterdagmorgen
tijgergevecht en ’s avonds thé-dansant in de residentie, zoo als het
veertien dagen geleden trouwens reeds bepaald was.”
»Goed”, antwoordde Louise en zij begon de voorbereidselen te maken voor
de vorstelijke ontvangst.
Wat was die ontvangst cérémonieus! Het was alsof elke steen, elke
zandkorrel gemerkt was en of dezelfde merken onder de voetzolen der
aanwezigen stonden en elke voetzool het merk dekken moest dat gelijk
was aan het hare! Geen eigen wil, geen leven, geen vrijheid,—het was
een mécanique receptie. Iedereen stond waar hij staan moest, keek
zooals hij kijken moest, sprak zooals hij spreken moest, bewoog zich
zoo als hij zich bewegen moest. De Gouverneur-Generaal had alle reden
om tevreden te wezen over de luisterrijke ontvangst. Dat was hij dan
ook, de arme man! Hij was blij toen hij ’s avonds eindelijk in bed lag!
DERTIGSTE HOOFDSTUK
VRIJDAG AVOND. WERNER
Bekoorlijker dan ooit trad Louise de balzaal binnen. Haar rood
fluweelen kleed golfde in dikke mollige plooien over de wit marmeren
steenen der voorgalerij; een straal van hoop blonk in hare zachte
donkere oogen, een hemelsche lach verhelderde haar kalm bleek gelaat.
Werner stond bij een pilaar; hij zag haar het rijtuig uitstappen, de
stoep opkomen aan den arm van den Gouverneur-Generaal, de geheele
voorgalerij doorloopen en plaats nemen naast mevrouw Joly. Bleek,
bevend, met een koortsgloed in de oogen, blikte hij haar na. Wat was
zij schoon! Zij wist het, zij gevoelde het, dit kon men haar aanzien,
zij verstond het gegons van bewondering dat haar als het ruischen van
den wind omzweefde. Toch was zij niet behaagziek of coquette. Er lag
zelfs een zekere eenvoud in de wijze waarop zij hare bevalligheid ten
toon spreidde en waarop zij de hulde aannam die men haar brengen kwam
als iets waarop zij recht had.
»Werner?” vroeg elke slag van haar hart, maar Werner die haar had
nageoogd tot een zwerm heeren zich tusschen haar en hem geplaatst en
haar aan zijn oog onttrokken had, was naar zijn pilaar teruggekeerd, en
stond dáar bij de stoep als wachtte hij iemand die nog komen moest.
Het eene rijtuig voor, het andere na daagde op met zijn vroolijk
getooide vracht en verloor zich weder in de dichte duisternis van den
nacht, zonder dat Werner een enkel oogenblik zijn post verliet.
Mevrouw di Frama werd door een der ceremoniemeesters binnengeleid, Lina
volgde aan den arm van een jong officier en Melatie stond beneden aan
de stoep te lachen om drie heeren die haar hun arm aanboden en geen van
drieën afstand van haar wilden doen.
Werner zag hare verlegenheid, doch, in plaats van haar te hulp te
snellen, zooals hij in elk ander oogenblik gedaan zou hebben, trad hij
eenige schreden terug om zich achter den pilaar te verbergen. Juist
door deze beweging trok hij hare aandacht tot zich: het plotseling
verdwijnen van een lange schaduw deed haar opzien; zij herkende Werner
in de persoon die half achter den pilaar verscholen stond, en, zonder
zich een oogenblik te bedenken, deed zij een kleinen sprong ter zijde,
ontsnapte aan hare drie bewonderaars, trippelde de stoep op, greep
Werner bij zijn arm en riep lachend: »Neen, neen, mijnheer Werner, zóó
gemakkelijk zult gij Melatie niet ontkomen. Toe”, vervolgde zij op een
geheel anderen toon, »breng mij bij jufje, als je blieft, mama zal niet
weten waar ik blijf!”
Werner glimlachte afgetrokken en voldeed aan haar verzoek.
»Even naar Louise... naar mevrouw Stevens, hè?
»Neen...”
»Wilt gij niet?” vroeg zij verwonderd?
»Wat?... Mevrouw Stevens aanspreken? O stellig wil ik... ik dacht aan
iets anders...”
»Aan wat dacht gij dan?”
»Aan uwe drie heeren misschien,” antwoordde Werner, zich herstellende.
»En ik was ze reeds vergeten!”
Louise reikte Melatie de hand en deed haar een tiental vragen die
elkander zoo schielijk opvolgden dat het goede kind er geen enkele van
beantwoorden kon.
Weder hield er een rijtuig stil voor de hooge breede stoep.
Het waren de jonge dames Joly die binnen traden. Werner ging met
Melatie eenige schreden ter zijde om haar voorbij te laten, en
beantwoordde een somberen blik van juffrouw Lotje met een diepe
onderdanige buiging.
»Jij altijd met mevrouw Stevens, ja?” voegde zij hem in het voorbijgaan
toe. »Ik wil jou spreken, straks.”
Een oogenblik later bevond Melatie zich bij Lina en zat Werner naast
Lotje, met wie hij in een zeer weinig geanimeerd gesprek gewikkeld
bleef, totdat de dans begon.
Louise danste niet mede, zij had even rond gewandeld aan den arm van
den Gouverneur-Generaal en was gaan zitten, terwijl haar cavalier zich
naar de speeltafel begeven had.
»Mijn Lotje is geëngageerd!” schreeuwde mevrouw Joly haar in het oor.
»Ja?” antwoordde Louise die niets gehoord had dan het gebons van de
groote trom, maar toch aan mevrouw Joly’s gezicht gezien had, dat zij
antwoorden moest.
»Met Werner,” hernam mevrouw Joly.
»Ja?”
»Een goede partij!” met een hoofdknikje.
Louise met een lachje, haar na doende: »Zeker.”
Mevrouw Joly’s lange oogen gingen al wijder en wijder open.
Louise blikte de dansende paren na, benijdde Lotje, die op Werner’s arm
geleund haar als een pop op wielen voorbij kwam draaien en lachte bij
zich zelve om den zonderlingen inval van mevrouw Joly, die discoureeren
wilde op een oogenblik dat hooren en zien verging door het geraas der
muziek en het gewoel der bonte menigte die als een stormwind voorbij
golfde.
Toen de dans geëindigd was, stond mevrouw Joly even op om hare dochter
te wenken, die, aan Werners arm, terstond naar haar moeder toekwam.
»Mevrouw Stevens weet het, ik heb haar al uw geheimen verteld.”
Werner werd zóo bleek, dat Louise Lotje’s hand plotseling los liet, en
hem met zulk een onbeschrijfelijken angst aanstaarde, dat mevrouw Joly
in het midden van haar volzin steken bleef.
Werner herstelde zich het eerst. »Mejuffrouw Lotje, mijne
aanstaande...” sprak hij half fluisterend.
Louise ruimer adem halende:
»Ah! is dat het geheim! Ik feliciteer u, juffrouw Lotje... en ik hoop
dat gij gelukkig... tezamen zult wezen...”
»Dank u, mevrouw,” antwoordde Lotje en, Werner éen dier donkere blikken
toewerpende die hem eene toekomst vol onaangenaamheden beloofden, trok
zij hem mede naar het andere einde der zaal, waar zij te midden harer
zusters plaats nam en verder deed alsof er geen Werner in de wereld
was.
Den tweeden dans deed Louise mede. Pratend, lachend, met een frisch
rood op hare wangen en een flikkering van geluk in de opgewonden oogen.
Wat ging er om in de ziel der jonge vrouw, toen zij dáar zoo onbezonnen
vroolijk in de rondte zweefde?
Wij weten het niet. Zij wist het zelve niet.
Toen de avond half ten einde was gespoed, werden de speeltafeltjes
weggeruimd en maakte men zich gereed tot soupeeren.
Louise stond tegen een der geopende vensters geleund, die in de
binnengalerij uitkwamen en speelde achteloos met haar waaier, terwijl
hare oogen over de menigte dwaalden en hare gedachten rondzwierven van
het eene voorwerp naar het andere zonder eenig rustpunt te kunnen
vinden.
»Louise—Mevrouw Stevens!” fluisterde eene zachte welbekende stem. »Ik
moet u spreken, alleen... een oogenblik slechts... mag ik morgen
komen?... zult gij mij ontvangen?...”
»Later.—Wanneer mijnheer en mevrouw Werner hunne opwachting bij den
resident willen maken, zal mevrouw Stevens gereed zijn hare gasten te
ontvangen.”
»Louise!”
»Gij kent geene Louise meer.”
De Gouverneur-Generaal kwam zijne dame halen, om haar aan tafel te
brengen, en Louise ging met hem mede, kalm en lachend alsof Werner
niets voor haar was.
Na het souper duurde het bal nog eenigen tijd voort. Maar er was iets
doodsch in de vreugde gekomen, daar Louise ongesteld geworden was en
het feest verlaten had, gevolgd door den Gouverneur-Generaal en door
den resident, die beide gelukkig waren dat zij eindelijk tot rust
konden komen, na al de plichtmatige eervolle genoegens van den dag.
De familie Oristorio was een der eersten geweest die het goede
voorbeeld gevolgd hadden. En Lotje Joly die niet meer dansen wilde, zat
in een hoek te pruilen, met Werner aan hare zijde, die, geheel in
gedachten verzonken, nauwelijks wist dat hij naast Lotje zat.
EENENDERTIGSTE HOOFDSTUK
HET TIJGERGEVECHT
Louise kon dien nacht geen rust vinden. Haar hoofd gloeide, zij had de
koorts, zij was opgewonden en gejaagd en kon zich nauwelijks verklaren
wat zij gevoelde.
Zoodra de dageraad aanbrak stond zij op, kleedde zich haastig en vlood
den tuin in, om in de vrije natuur, den troost te zoeken die haar
overal elders ontbrak.
Het was de morgen van een dier gloeiend heete goede moessons dagen,
waarop alles brandt en schittert en de gansche natuur aan een
monsteroven denken doet. Maar die morgen was schoon met zijn
verkwikkend ochtendkoeltje en zijn miljoenen dauwdroppen op de pas
ontloken bloemen en de veelsoortige groene bladeren met hunne altijd
verschillende tinten; met zijn liefelijk vogelengezang en zijn zachte
zonnestralen, die als lachende sylphiden schalksch door de zwevende
wolken speelden en het aardrijk met hun gouden vinger wakker wenkten.
Louise’s rood fluweelen muiltjes met hun zilveren draakjes en gouden
vlinders, werden voortgejaagd, van het grintpad op het mollig grasveld,
van het grasveld naar het rozenperk, van daar weer verder langs
volières en vischvijvers tot zij eindelijk bij een hertenkamp tot staan
kwamen.
Terstond huppelde er een jonge kandjil naar Louise toe. Wat was dat
beestje vlug en dartel! Wat sprong het sierlijk rond op zijn dunne
fijne pootjes. En wat richtte het zijn vriendelijk kopje smeekend,
liefkoozend tot zijn meesteres omhoog, die uit gewoonte alleen, hare
hand door het hekje stak om het lieve diertje langs den fraai gebogen
hals te streelen, zonder zich zelve rekenschap te geven van hetgeen zij
deed. Eenige gewone kidams volgden het voorbeeld van den kleinen kidam
en kwamen statig aangeloopen met hun zachte sprekende oogen en hun
trotsche hoornen, haar verwonderd aanziende, als of zij haar rekenschap
vragen wilden van haar buitengewoon vroeg morgenbezoek.
Arme Louise! zij was zoo zeer met zich zelven vervuld, dat er
verscheiden minuten verliepen eer zij hare geliefkoosde hertjes zag.
Toen noemde zij ze éen voor éen bij hunne namen, streelde ze, gaf ze
gras uit haar hand te eten en vervolgde weder haar weg, zonder zelve te
weten waarheen.
Toch was het groen zóo frisch, toch waren de bloemen zóo geurig, toch
was de eerste morgenkreet dier ontwakende natuur zóo schoon, zóo
grootsch, liefelijk en hoopvol tevens.
Wat zag zij bleek en wat gevoelde zij zich zwak en uitgeput, moedeloos,
gebroken!...
»O Werner!... Waarom een leugen?... Ik vroeg uwe liefde niet...
Waarom?... Waarom haar de liefde gegeven die gij mij beloofdet?
Waarom?”
Zij glimlachte treurig en plukte een bloem.
»Maar ’t is goed zóo... heel goed... Arme Werner! Met Lotje kan hij
niet gelukkig zijn!... Kassian!...”
Een uur later verschenen de resident en zijn gast in de achtergalerij,
waar zij Louise bezig vonden met bloemen in een paar chineesche vazen
te schikken.
Het gesprek aan de ontbijttafel liep natuurlijk over het bal van den
vorigen avond en de vermakelijkheden van den dag die nauwelijks
aangebroken was.
»Gij hebt u goed gehouden, mevrouw,” sprak de Gouverneur-Generaal,
Louise een dier blikken toewerpende die het bloed naar het voorhoofd
doen stijgen of de oogen neer doen slaan. »Ik had niet verwacht dat
gij, na de vermoeienissen van gisterenavond, heden morgen reeds met het
kraaien van den haan present zoudt wezen, en met ons ontbijten zoudt
zoo als gij gisterenmiddag beloofd had te zullen doen.”
»Ik wilde uwe exellentie vóor wezen en daarvoor moet men vlug zijn,
niet waar?” antwoordde Louise eenigzins verward.
»Zeer vlug, mevrouw, daar ik de gewoonte heb van door te werken, en van
nooit te slapen, wanneer het tijd van waken is. Heb ik iets te doen dan
doe ik het dadelijk, en ben ik ergens aan begonnen dan rust ik niet
voordat mijn werk gedaan is.”
»Hetgeen zeker zeer aangenaam voor uwe onderhoorigen is! Arme menschen
die stellig ook niet altijd even voortvarend en krachtvol zullen wezen
als hun chef!”
»Die niet geschikt is voor zijn betrekking is ongeschikt en moet er
uit. Wij kunnen hier in Neerlandsch Indië geen jonge juffvrouwen
gebruiken, vooral niet in de gelederen.”
»Ook niet als zij zóo voortvarend en zoo dapper zijn als ik?”
»Voortvarend zijt gij, dit moet ik u ter eere nageven! Maar dapper?...
daar zullen wij aanstonds over oordeelen.”
»Bij het tijgergevecht? O dáar zal ik niet heen gaan! Niet waar
Stevens, dáar behoef ik niet bij te zijn?”
»Niet bij te zijn? Maar mevrouwtje lief! Voor u die nooit iets
dergelijks gezien hebt, moet het toch heel aardig wezen, zoo iets echt
indiesch eens bij te wonen.”
»Aardig! Noemt uwe exellentie dat aardig? Twee arme dieren elkander op
de wreedste wijze te zien verscheuren, is dat aardig?... Neen ik houd
te veel van dieren om naar zoo iets afschuwelijks te gaan kijken!”
»Houdt gij van tijgers, mevrouw?” vroeg de Gouverneur-Generaal, haar
sans-gêne uitlachende.
»Als ik ze niet lief heb als mijn hond of mijn rijpaard, dan bewonder
ik ze toch even als al wat leeft. Het leven is voor mij iets zóo
schoons, geheimzinnigs, volmaakts, bewonderenswaardigs, dat ik, indien
ik iemand was die iets te zeggen had in de wereld, verbieden zou dat
men buiten noodzakelijkheid welk dier ook om het leven bracht. Zoo zou
ik het martelen van dieren ook straffen met boeten, gevangenis en
verbeurdverklaring van het mishandelde dier...”
»Hei, hei, mevrouwtje! waar zouden wij heengaan met zoo veel
dierenliefde! En waar zouden wij met al dat levend gedierte blijven,
indien er zoo veel bijkwam en zoo weinig afging! En hoe zoudt gij het
zelve maken? Kom, verbeeld u eens dat het avond is en dat wij met ons
drieën in de voorgalerij zitten, te Samarang bijvoorbeeld, en dat er
eenige duizende muskieten met hun liefelijk gezang om onze ooren
vliegen, en ons steken zooveel in hun vermogen is, u vooral op uw
zachte, blanke hals en armen. Zoudt gij daar niet half dol onder worden
en zoudt gij ze niet met plezier tusschen duim en voorste vinger
doodknijpen, die lieve muskietjes, indien gij ze slechts krijgen
kondet?”
»Och neen, dat doet ze niet!” riep de resident met een schaterlach.
»Weet uw exellentie wat ze doet als de muskieten haar hinderen? Dan
slaat ze een shawl om haar hals en een doek om haar hoofd en dan zit ze
uit al haar macht te waaien om hare lievelingen van zich af te houden!
Ha! ha! ha! en als ik er een dood sla, noemt zij mij wreedaard!”
De Gouverneur-Generaal lachte nog harder dan de resident.
»Ik maak er mij een fête van om uwe vrouw straks bij ons tijgergevecht
te zien,” riep hij spottend, »wat zal zij zich aanstellen!...”
»Wanneer ik gaan moet, zal ik gaan, en dan zal ik mij niet meer
aanstellen dan uw exellentie of de resident, die in zulke
afschuwelijkheden behagen kunt scheppen.”
Dit zeggende wierp zij den Gouverneur-Generaal zulk een ernstigen,
trotschen, minachtenden blik toe, dat het gesprek voor een oogenblik
afgebroken werd en toen over allerhande onderwerpen liep, maar niet
meer over tijgergevechten.
Na het ontbijt begaf Louise zich naar haar kamer, die zij niet meer
verliet vóordat een der oppassers haar zeggen kwam, dat het rijtuig
voor was en de heeren haar wachtten.
In een wit neteldoeksch morgengewaad, een paar diamanten pennen in de
kondeh en een paar gouden slangen om de polsen verscheen zij in de
voorgalerij, kalm en statig als gewoonlijk.
De Gouverneur-Generaal kwam haar eenige schreden te gemoet, bood haar
zijn arm en geleidde haar naar het rijtuig zonder een woord te zeggen;
de resident volgde.
»Louise,” vroeg hij half fluisterend, »waarom hebt gij u niet
behoorlijk gekleed? Een baadje is geen dracht voor een residentsvrouw
bij een gelegenheid als deze.”
»Van heden af zal het dracht worden, resident.”
Gedurende den toer naar de regent’s woning werden slechts eenige
onbeduidende volzinnen tusschen Louise en de beide heeren gewisseld.
Een groote, feestelijk versierde pandopo, in het midden waarvan zich
twee reusachtige kooien, of liever twee omheinde, afgesloten
strijdperken bevonden, verbeidde de nieuwsgierige, opgewonden
liefhebbers van het tijgergevecht.
De eereplaatsen vooraan, om zoo te zeggen tegen de omheining aan, waren
voor den Toewan Bezar, den resident en mevrouw Stevens bestemd, met hun
gevolg van hooggeplaatste beambten, officieren en adjudanten. Louise
kwam tot haar ergernis alweder, als naar gewoonte, naast mevrouw Joly
terecht.
Een groote witte, of liever rooskleurige buffel stond in een hoek van
het strijdperk kalm en langzaam wat gras te eten, nu eens vragend
opziende naar de zonderlinge menschenmassa die hem omringde, dan weer
al kauwend eenige schreden vooruitdoende en nieuwsgierig snuffelende
aan het gesloten hok van den tijger.
Toen dit eenige oogenblikken geduurd had en de buffel tot zijn gras was
terug gekeerd, vanwaar hij, met den kop naar het hok van den tijger,
zijn vijand in het oog kon houden, werd de schuif aan de voorzijde van
het hok weg geschoven, terwijl aan de achterzijde eenige Javanen den
tijger door brandende fakkels noodzaakten te voorschijn te komen. Met
een donderend gebrul sprong het schoone dier het strijdperk in. Het was
een koningstijger van de grootste soort, slank en krachtig, met
vonkelende oogen, den muil half geopend.
De buffel zag hem aan, bleef staan en wachtte.
De tijger, als had hij bewustzijn van de bewondering der toeschouwers,
kneep de oogen half dicht, liet den staart hangen en deed langzaam
eenige passen ter zijde. Toen bleef ook hij staan, blikte trotsch maar
kalm om zich heen, vouwde de achterpooten samen en vleide zich neer,
met den kop op de half ingetrokken voorpooten alsof hij slapen ging.
Een lichte beweging der ooren, een onregelmatig openen der neusvleugels
en een sluiksche blik op den buffel verrieden echter een oogenblik
later dat hij zich gereed maakte tot den aanval en gereed was zich te
verdedigen wanneer die aanval van zijn vijand komen mocht.
Op eens richtte hij den kop op, keek den buffel aan en deed met een
vreeselijk gebrul zijn sprong.
De buffel wachtte hem onbewegelijk af, ving hem op zijn horens en
kwakte hem met zulk eene kracht ter aarde dat hij geheel bebloed voor
dood bleef liggen.
De buffel naderde hem voorzichtig, bezag hem, berook hem, wendde den
kop van hem af en deed een pas ter zijde. Dat oogenblik nam de tijger
waar om zich weder op te richten, en met onbegrijpelijke vlugheid op
den nek van den buffel te springen met den klauw van zijn rechter
voorpoot even boven het rechter oog en zijn linker voorpoot op den kop
van het arme dier, dat hartverscheurend loeide en met den doodsangst op
het gezicht en den tong uit den bek van het eene einde van het
strijdperk naar het andere vlood zonder zich van zijn vijand te kunnen
ontdoen. Eindelijk toch gelukte het hem den tijger tegen een bamboezen
stijl aan te drukken en met zoo veel kracht heen en weer te wrijven dat
het dier, na een wanhopige worsteling, waarin hij den kop en den hals
van den buffel geheel met zijn nagels doorploegd had, machteloos ter
aarde plofte, terwijl de buffel zelf een oogenblik duizelend
voortwaggelde en toen, afgemat van vermoeidheid, verzwakt en uitgeput,
tegen de omheining van het hok bleef aanleunen, bevend op zijn
wijduitstaande pooten en somber nederstarend op de stroomen bloed die
uit zijn gapende wonden vloeiden.