Beklaag u, als gij durft, wanneer Emma, uwe dochter, eenmaal het

zachtste, fijngevoeligste, aanvalligste kind der wereld, tot een

laaghartige, kruipende vleister zal zijn opgegroeid; of Ada met haar

open oog, haar reine ziel, haar sterken geest en haar uitmuntend hart,

een raadsel voor allen zal geworden zijn; wanneer uw oudste zoon, een

geestige, flinke jongen, niettegenstaande zijn buitengewoon verstand,

zijn groote, fiere, edele ziel, zijn oprecht en eerlijk hart en de

duizende roemrijke daden zijner kindschheid, als een gewoon mensch het

leven door zal zwoegen; of Léonard, uw Benjamin, de lieveling zijner

moeder, omdat hij vroolijk, goedig, volgzaam, toegevend, medelijdend en

dienstvaardig was, een vriendelijk, zacht, openhartig kind, dat niemand

ooit met opzet eenig leed zou hebben aangedaan, zich door anderen heeft

laten medeslepen, van eene zwakheid in een laagheid is vervallen, van

lafaard huichelaar geworden is om weldra van huichelaar bedrieger te

worden, nog eenige graden lager te dalen, al dieper en dieper te zinken

en God weet hoe zijn ongelukkig leven te eindigen.

Ja, beklaag u over dat alles, wanneer gij uwe groote kinderen bij de

kleinen vergelijken zult. Betreur al het goede dat verloren is gegaan,

en ween over het kwaad dat daaruit voortgekomen is... Maar wees vóor

alle dingen oprecht, en beken dat gij het zelf geweest zijt die van uwe

kinderen gemaakt hebt wat er van geworden is.

Beken dat gij door zachtheid, van Emma iéts bijna idealisch liefs, van

Ada iets buitengewoon groots en edels hadt kunnen maken. Dat uw oudste

zoon bestemd scheen om een boven zijn tijd verheven mensch te worden,

en uw goede Léonard geroepen was om geheel voor het nut en het welzijn

der menschheid te leven, waaraan zijn liefdevol hart met zooveel

zelfopoffering en blijdschap elk uur van zijn bestaan zou hebben

toegewijd.

Beken het, dat uwe dochters als troostende, beschermende, reddende

engelen, in hare huisgezinnen dat geluk hadden kunnen brengen, wat

slechts zoo zelden op aarde gevonden wordt. En dat uwe zonen de

menschheid een pas verder hadden moeten brengen op den onafzienbaren

weg van vooruitgang, die voor hen open lag.

Beken dat alles en verbloem het voor niemand, vooral niet voor uwe

kinderen, die u de hardste les gegeven hebben welke een vader krijgen

kan. Beken hun dat gij uit onwetendheid, of onnadenkendheid verkeerd

gehandeld hebt, opdat zij zich in uw voorbeeld spiegelen en niet, ook

op hunne beurt, met de beste bedoelingen der wereld, hunne kinderen met

slaag zullen groot brengen, en er al het goede van verwachten zullen,

hetwelk zij zelven bezig zijn er uit te slaan.

Toevallig of liever ongelukkig, kwam Werner op den avond van den dag

die reeds zoo noodlottig begonnen was, mijnheer en mevrouw Stevens een

bezoek brengen.

De resident was onverdragelijk gehumeurd. Niets was goed. De thee

deugde niet; alle vliegende mieren hadden het op zijn kopje, alle

muskieten op zijn hoofd voorzien. De kinderen waren te wild en werden

weg gezonden, de wijn smaakte naar de kurk; de lampen gaven geen licht;

de manilla sigaren waren bokjes; Napoleon zou binnen zes maanden

vermoord of weggejaagd zijn; de suiker zou goedkooper worden en Werner

zou stellig veertig duizend gulden minder maken dan het vorige jaar,

enz. enz.

»Zeg, weet je ook een goede gelegenheid om de jongens naar Holland te

zenden?” vroeg de resident op eens, tusschen een paar rookwolken door.

»De jongens? Uwe jongens, resident?” vroeg Werner onzeker.

Louise’s oogen konden alleen vragen.

»Ja, mijne jongens. Verwondert je dat zoo?—Je lijkt mijn vrouw wel, die

je zeker ’t wachtwoord van verbazing gegeven heeft.”

»Ik wist niet dat u plan had...”

»Ik ook niet, maar het verveelt me, dat eeuwig gezeur met die kinderen.

Sedert Willem ziek geweest is, speelt hij hier de eerste viool in huis.

Het is belachelijk! Daar moet een einde aan komen, en zoodra ik een

goede gelegenheid kan vinden moeten de kinderen weg, zoo spoedig

mogelijk, dadelijk!”

»Maar Stevens....”

»Uiterlijk over eene maand, maak er uwe rekening maar naar...”

»Over éene maand! En dat zegt gij mij zóo? Maar gij meent het niet. De

kinderen zijn nog zóo klein, zij hebben nog zóo veel hulp, nog zoo veel

zorg noodig, zij....”

»Die zullen zij daar vinden, even goed als hier.”

Louise zeide niets meer. Zij sloeg de oogen neer en weende.

»Huil je nu? Dat is waarachtig wel de moeite waard! Eigen moeders

zenden haar kinderen wel naar Europa zonder lawaai! En jij stelt je

daarvoor zoo aan, ofschoon de jongens je van de verste verte niet

raken?”

Hij lachte, zijn ouden scherpen schaterlach, die nergens weerklank

vond.

Te vergeefs had Werner reeds eenige malen beproefd het gesprek een meer

onderhoudende, wij zouden bijna zeggen, een meer goedkeurende wending

te geven. De resident bleef volhouden, en behaalde zulk een

luisterrijke overwinning op zijn gast, dat hij den geheelen avond

alleen aan het woord bleef, alles afkeurende, beschimpende,

veroordeelende, zonder eenige tegenspraak te ontmoeten.

Louise bleef stil en teruggetrokkener dan ooit. Werner was anders als

gewoonlijk.

Wat duurde die avond lang!

Eindelijk sloeg het elf uur en stond Werner op om heen te gaan. Als

altijd reikte Louise hem de hand, als altijd ook raakte hij die

nauwelijks met de toppen zijner vingers aan. Toch lag in die lichte

aanraking iets dat Louise deed opzien. Hare oogen ontmoetten de zijnen.

Op dat oogenblik gevoelde zij voor het eerst dat Werner haar lief had,

zoo als Werner gevoelde dat zijne liefde beantwoord werd.

VIJFENTWINTIGSTE HOOFDSTUK

PLANNEN

Zeven meiden aan het werk! Kieltjes, buisjes, broekjes, zakdoeken,

sokjes, alles lag verspreid over den planken vloer der boven

voorgalerij en, te midden dier bekende voorwerpen, een vol stuk flanel,

eenige ellen grijs en donkerbruin laken, wollen kousen, dikke gebreide

kinderborstrokken, handschoenen, cache-nez, enz. enz.; men wist geen

raad van de warmte als men al dat wollen goed aanzag in een hitte van

drie en negentig graden.

Arme kinderen! Zij zullen spoedig hunne drie en negentig graden missen

en terug wenschen als ze in al dat wollengoed gepakt, met bevroren

gezichtjes en verstijfde handjes denken zullen aan hun zonnig

moederland, en aan de wijde katoenen hansop waarin ze vrij en luchtig

rond konden springen, als apen in het woud.

Arme Louise! Zij wist niet veel meer dan de kinderen van hetgeen hun te

wachten stond in het heerlijke Nederland, dat haar doorgaans

voorgeschilderd werd als de bakermat van roode kool en aardbeziën, van

sneeuwballen, schaatsenrijden, tulpen, hyacinthen, nachtegalen,

seringen, jasmijnen en kersen... Dat was het kinder-Nederland van den

resident, de herinneringsdroom van de meeste Hollanders. Maar het

wezenlijke Vaderland?... het koude, dampige, donkere plekje grond, met

zijn waterschat, zijn handelsgeest, zijn bevrozen geniën, zijn....

Louise wist niet meer dan de kinderen. Toch drong haar fijn vrouwelijk

instinkt vrij ver door in de schemering der ongekende werkelijkheid.

Zij gevoelde koude en ontbering voor de arme kleinen, in dat verre land

waar niemand ze kende, niemand ze lief had, niemand belang had bij hun

geluk.

»’t Is wreed,” had zij tegen den resident gezegd, »die schepseltjes in

handen van menschen te stellen, die niets met hen gemeen hebben.”

»Zij moeten leeren”, had hij barsch geantwoord, »en wanneer een jongen

wat mishandeld wordt, leert hij het best.”

»Maar ze zijn nog te jong om te leeren, en welk nut kan de mishandeling

alleen dan hebben?”

»’t Is altijd goed voor jongens onder vreemden te zijn.”

»Maar die vreemden zullen u geld kosten en hen ongelukkig maken. Is dat

het doel dat gij beoogt?”

»Provisionneel beoog ik geen ander doel dan ze ver van hier te hebben.

Hollanders moeten het worden en geen liplappen—nuttige leden der

maatschappij en geen leegloopers, denkende en handelende wezens en geen

domme, lamme kleurlingen, die onbruikbaar zijn voor alles.

»Kleurlingen zijn het,” antwoordde Louise kalm »dat kunnen die kinderen

niet helpen, maar dat is geen reden waarom zij hier in het land dom en

lam zouden opgroeien, en dat Nederland Phenixen van ze maken zal. Ook

ben ik niet tegen een Europeesche opvoeding, maar wel tegen het

wegzenden van kinderen die zoo jong zijn, dat ze volkomen hulpeloos

overgeleverd worden aan menschen, die volstrekt geen reden hebben om

goed voor hen te wezen.”

»Gij hadt ook geen reden om goed voor hen te zijn, en zijt het toch

geweest—te goed zelfs.”

»Had ik geen reden, resident?... Of weet gij de reden niet, misschien?”

Er lag zulk een scherp verwijt in haar donkeren blik, toen zij hem deze

woorden toevoegde, dat de resident zijne oogen voor de haren nedersloeg

en de kamer verliet met een kort en bondig:

»Alles goed en wel, maar hoe het ook zij, aanstaanden Woensdag

vertrekken de kinderen naar Europa.”

Zij zeide niets meer. Zij oogde hem na, en er sprak een haat uit dien

blik, dien hij gevoeld moet hebben, ook zonder hem te zien.

»En dat zijn zijne eigen kinderen. Wat is een mannenhart toch een

ellendig ding! Bevelend, koud en wispelturig in het dagelijksche leven,

en wanneer het lief heet te hebben, onstuimig, woest, baatzuchtig,

wreed, zonder eenig ander doel dan eigenbelang en trots. O, mannen! ’t

zijn ellendelingen!”

Een blond, slank beeld rees op voor haren geest... Blozend bracht zij

een onwillekeurige gedachte tot zwijgen.

»Ook hij misschien... ik ken hem niet..... O neen, hij niet!”

Zij knipte wollen kieltjes en flanellen borstrokjes, pakte kistjes vol

dun goed en kistjes vol wintergoed, nummerde de kistjes, het hoogste

nummer voor het laatste, dat was het dikste wollengoed.

»September.... het zal Januari zijn als zij in Holland aankomen....

Kassian!”

Een flesch suikergoed in het eene kistje, eene doos speelgoed in het

andere—hier en daar een pak goelalie, dáar een zak vol katjang.

»Njonja, sinjo Willem sakiet.” [34]

»Wat? Is Willem ziek?”

Zij vond het kind met een heete koorts in bed. Zij gaf het terstond een

dosis kasterolie, bracht haar werk in de ziekekamer en zond een

oppasser te paard naar de stad om den dokter te halen.

De resident kwam even in de kamer om te zien wat er gaande was, en

beweerde dat kinderen zoo dikwijls het een of ander mankeerden, dat men

zich over zoo’n koortsje niet ongerust behoefde te maken.

»Maar ziek als hij is, kan er geen spraak van vertrekken wezen” zeide

Louise half smeekend.

»Geen spraak van vertrekken! Wel poes, het is pas Maandag van daag; eer

het Woensdag is, zijn wij allen dat koortsje vergeten! Ik zie wel dat

je niet aan kinderen gewoon bent, anders zou je zooveel lawaai niet

maken over zoo’n onnoozel koortsje.”

ZESENTWINTIGSTE HOOFDSTUK

PLICHT

Het was lang Woensdag geweest, en nog altijd was de kleine Willem ziek.

De resident was naar de societeit gegaan en Louise zat alleen in de

kinderkamer bij het bedje van den armen jongen, die, half bewusteloos,

half slapend lag te worstelen tegen een aanhoudende koorts.

»Toewan Werner!” klonk een stem en, eer Louise een woord kon zeggen,

had Siedin den jongen landheer binnen gelaten, die gekomen was om zich

naar den toestand van het kind te informeeren.

»Hoe gaat het mevrouw?” waren zijn eerste woorden. »Ik heb inderdaad

meer medelijden met u dan met den kleine, die weinig of geen bewustheid

van zijn lijden schijnt te hebben.”

Hij legde zijn hand op Willems hoofd dat gloeide, en zette zich op een

stoel, dien Siedin voor hem aangeschoven had.

»Hij is, God dank! wat kalmer van daag,” zeide Louise, »gisteren was ik

bang dat wij het arme kind verliezen zouden.”

»Wat zegt de dokter?” vroeg Werner.

»De dokter weet zelf niet wat het worden zal, van middag vreesde hij

voor mazelen of roodvonk; pokken mogelijk.”

Werner verbleekte.

»O! dan moet gij voorzichtig wezen mevrouw! Pokken is een vreeselijke

ziekte!”

»God geve dat wij onzen Willem behouden, de kinderen zijn niet

gevaccineerd, dat is verzuimd geworden.”

»Voor u zelve bedoel ik dat gij voorzichtig wezen moet, niets is

aanstekelijker dan pokken.”

»O! ik ben niet bang, dat weet gij wel. Ik ben zulk een fataliste dat

ik niet geloof aan ontwijken of overerven. Wat mijn lot moet zijn, zal

mij overkomen, hoe ik ook worstel en hoe ik ook strijd; en wat mijn lot

niet wezen mag, dat zullen geld noch goede woorden, noch gebeden, noch

bedreigingen mij kunnen aanbrengen.”

»Een heerlijke overtuiging voor wie goed is, maar waar zouden wij

heengaan indien dit het geloof der slechten was? Wanneer gij worstelt en

strijdt en het loopt u tegen, dan zegt gij onderworpen en gelaten: »Het

moest zóo zijn,” en zwijgend gaat gij verder op den rechten weg. Maar

indien een moordenaar, een dief, een booswicht van uw gevoelen was en

voor elke misdaad het excuus in fataliteit kon vinden, waar zou dan

zijn moorden en zijn stelen ophouden?”

»Dáar waar het nu ophoudt,” antwoordde Louise lachend, »daar waar dood

of omstandigheden perk stellen aan den menschelijken wil.”

»Ik dacht niet dat gij zóo ver gevorderd waart in de leer der

prédestinatie.... Maar ik ben blij dat gij het zijt. Welk een kalmte

geeft dat gevoel van afhankelijkheid niet waar?”

»Kalmte?—Neen, het doet mij tusschenbeide kooken! In sommige opzichten

geeft het mij moed, maar in anderen maakt het mij zóo kwaad, dat ik een

doodstrijd zou kunnen voeren tegen het lot. En toch houd ik alle andere

gelooven voor nonsense, daar men elk oogenblik ondervindt dat onze wil

gebonden is en onze vrijheid geketend.”

»En dat gevoel is u onaangenaam?”

»Zeker is het! Vrij wil ik wezen—onafhankelijk van alles!”

»Neen, mij geeft het kalmte en troost, dat sterk gevoel van zwakheid.

Het heeft mij beter gemaakt en het heeft mij geleerd gelukkig te zijn,

in de meeste omstandigheden waarin andere menschen zich rampzalig

zouden gevoelen. Zie dat kind daar, ’t is zonder wil, afhankelijk en

zwak; geef het kracht, en wil, en vrijheid, zou het wijzer handelen dan

het nu doet? Zou het beter wezen zonder steun en hulp, zonder raad en

onderricht, zonder toezicht dat waakt en gebiedt en gehoorzaamd wil

worden? En zijn wij meer dan dat kind? Hebben wij meer verstand, meer

kennis van onze bestemming? Neen, niet veel meer, voorwaar! In onze

eigen oogen zijn wij wonderwat! Zoo is de poes in de keuken en de haan

in den tuin ook. Maar wat nietige, onbeduidende schepselen zijn wij in

het oneindig groote heelal, dat in de eeuwigheid voortstreeft, volgens

de volmaakt wijze wetten der Almacht, die schept en doodt, vereenigt en

ontbindt, en in stand houdt door verwoesting zelve?—Wat...”

Louise’s groote verwonderde oogen brachten hem op eens tot zwijgen.

»Ik heb dat alles gevoeld!” sprak zij zacht. »Ik had het nooit kunnen

zeggen!.... Mijnheer Werner ik wilde u een vraag doen—een dwaze vraag

voorzeker... mag ik?”

»Zeker moogt gij.”

»Gelooft gij aan bidden?”

»Neen.—Ik bid nooit. Indien gij bidden bedoelt in den zin dien de

menschen er aan hechten. Smeeken om hetgeen niet wezen mag is

nutteloos, onmogelijk is het, te staken hetgeen gebeuren moet.”

»En danken dan?”

»O danken ligt schier in elken slag van het hart, in elke beweging der

ziel: elk zuiver gevoel is een dankzegging! Wat is bewondering, wat is

liefde, wat is vertrouwen, wat is illusie zelfs? Ligt er geen onbepaald

gevoel van dankbaarheid op den grond van al deze gewaarwordingen? Is er

niet in elk genot een toon van dankbaarheid? Brengt elk geluk niet een

dankbede met zich zooals de schuldelooze lach der vreugde schier een

dankzegging is?”

Hij zweeg. Louise zat hem aan te staren, zooals Maria Magdalena Jezus

aangestaard moet hebben.

»Spreek,” smeekte zij zacht. »O spreek!”

En na een oogenblik zwijgen vervolgde zij:

»Wat is er veel dat ik weten wilde—veel waarover ik dikwijls denk—veel

waarnaar ik vraag en waarop niemand mij antwoorden wil of kan; en

wanneer zij mij antwoorden begrijp ik ze niet.”

»Vraag mij,” zei Werner aanmoedigend. »Ik heb ook lang gezocht en

geraden eer ik iets begrijpen kon—en wat begrijp ik nog? Niets, niets

dan dat ik onwetend ben—onwetend, afhankelijk, onbeduidend en

noodzakelijk.—Wij bestaan omdat wij moeten bestaan, want was ons

bestaan geen noodzakelijkheid dan zouden wij nooit bestaan hebben. Maar

waarom bestaan wij? Wie weet waarvoor wij bestaan? Wie?—Wij hebben niet

gevraagd om geschapen te worden en toch zijn wij geschapen. Wij zijn op

deze aarde gekomen buiten onzen wil, buiten ons weten leven wij hier,

en tegen onzen zin waarschijnlijk zullen wij weder heengaan en plaats

maken voor anderen, wier raadselachtig bestaan aan het onze gelijk zal

wezen. En wat zullen wij zijn? Waar zullen wij zijn, wanneer wij van

hier verdwenen zullen wezen? Wie weet het?—Laat ons nederig bekennen:

wij niet. Wij weten niets. Wij kunnen gissen en droomen en dwalen....

maar weten?—Wie weet wat morgen wezen zal? Morgen, een dag van onze

aarde, begonnen van daag, en gisteren, en vroeger.... en toch onzeker,

toch onbekend! Maak plannen en berekeningen, neem uwe maatregelen,

verzeker uwe toekomst... een enkele bliksemstraal en er is geen morgen

meer voor u—geen morgen zooals gij berekend hadt, toen gij de

fondamenten laagt van het denkbeeldig paleis uwer grootheid, dat in een

gouden horizont oprees, om door een vuurstraal vernietigd te worden.”

»Gelooft gij dan niet aan een volgend leven? Weet gij niet....”

»Gelooven?—Ik geloof niets. Ik wacht.—Weten? Ik weet niets. Ik

gehoorzaam.—Ik ben als de was in de hand van den boetseerder—geschikt

tot wat hij van mij maken wil, maar machteloos uit mijzelven.”

»En maakt u dat gevoel niet ongelukkig?”

»Neen, het maakt mij beter. Ik heb door deze overtuiging mijner

afhankelijkheid, mijner machteloosheid, mijner nietigheid geleerd, dat

niets in de wereld groot is uit zichzelven, niets klein door eigen

toedoen, dat al wat bestaat, is, omdat het wezen moet, en dat het dus

ongerijmd, onverstandig, ongodsdienstig is om wie of wat het ook zij te

verachten om de rol die het hier op aarde te vervullen heeft, om de

plaats die God zelf het aanwees in het volmaakt harmonisch geheel, dat

wij schepping noemen.”

»Veracht gij niets?”

»Niets.”

»Niemand?”

»Niemand.”

»Zelfs den misdadiger niet?”

»Zelfs hem niet. Hij zou niet misdadig kunnen zijn, indien God het niet

gewild had.”

»O Werner! Wat zijt gij groot en goed!” riep de jonge vrouw met tranen

in de oogen. »Waren alle menschen als gij, welk een gelukkig leven zou

het onze kunnen wezen!”

»Niet het mijne.... waarschijnlijk!”

»Waarom het uwe niet?”

»God schiep een ziel, verdeelde haar in tweeën en zond haar naar de

aarde. Zoolang die ziel verdeeld zal blijven, is er geen geluk mogelijk

voor haar...”

Louise glimlachte en vroeg zacht: »Hoe meent gij dat?”

»Hoe ik het meen? Indien die ziel verdeeld werd tusschen een man en

eene vrouw, dan moeten die man en die vrouw vereenigd wezen om gelukkig

te zijn. En waar is de zusterziel der mijne? Waar is de vrouw die met

mij denken, die met mij gevoelen kan, die weet wat lijden is... en

medelijden... en grenzenlooze liefde? De vrouw die, even als ik, de

natuur haar rechter noemt en de wereld haar beul! Die godsdienst vindt

waar liefde is, en liefde beschouwt als het zuiverste uitvloeisel der

goddelijke volmaaktheid, het eenig volmaakt goede dat bestaat op aarde,

het eenige dat vooruitgang is, verbetering, verhooging, naderen tot de

hoogste wijsheid... Waar is die vrouw?... Kent gij haar, Louise?”

Zij trok hare hand uit de zijne terug en zeide »Neen”, terwijl zij

opstond om Willems kussens op te schudden.

»O! waarvoor dat wereldsch neen? uw ja was goddelijk geweest. Uw neen

is koud en trotsch en wreed!... ’t Heet deugd, niet waar, dat doodend

woord? Wat is deugd? En waar is deugd? Gij zult het mogelijk eenmaal

weten, wanneer het te laat zal zijn!”

»Mijnheer Werner, ga heen, ik smeek u, verlaat mij. De resident kan elk

oogenblik te huis komen; het is laat, en ik wil niet dat hij u hier in

de kinderkamer vinden zal.”

»Vrees niets mevrouw, mijne liefde is te heilig, dan dat zij u ooit in

eenig opzicht zou kunnen schaden.”

Hij vertrok, en Louise bleef alleen in de groote sombere kinderkamer.

Zij hoorde zijn stap in de binnengalerij, in de voorgalerij, de stoep

af—alles was stil.

»Mijn God! Wat heb ik hem lief, dien man!” En niet in staat zich langer

te bedwingen, verborg zij het gelaat in de handen en liet zij haar

tranen den vrijen loop.

ZEVENENTWINTIGSTE HOOFDSTUK

DOOD

Geen zorg, geen geleerdheid, geen gebed had geholpen. De dood had »ja”

gezegd en geen menschelijk »neen” had tegenstand kunnen bieden.

Het lijkje lag stijf en koud in het, met bloemen versierde, ledekantje.

Vrienden hadden het bezocht uit belangstelling, vreemden uit

nieuwsgierigheid, de dag was druk en woelig geweest en de avond

eindelijk bracht rust.

De resident was uitgegaan met den dokter, de dienstboden hadden bevel

ontvangen niemand meer toe te laten, en Louise zat alleen in de

kinderkamer te staren op het lijkje, te denken aan hetgeen Werner haar

eenige dagen geleden geantwoord had, toen zij over bidden spraken.

Plotseling werd zij uit haar sombere mijmeringen gewekt door den

hoefslag van een paard. Het was alsof de grond onder hare voeten

wegzonk en alle voorwerpen om haar heen ronddraaiden.

Bijna op hetzelfde oogenblik werd de deur geopend en trad Werner

binnen.

Met een half gesmoorden gil vloog zij hem tegemoet. Hij ving haar op in

zijn armen, drukte haar hartstochtelijk aan zijn borst, en liet haar

ongestoord uitweenen met haar vermoeid hoofd tegen zijn schouder

geleund.

Hoe lang duurde dat oogenblik van grenzenlooze smart en geluk? Geen van

beiden wist het. Zij stonden daar zwijgend en lijdend, angstig wachtend

op het wreed bevel van ’t lot dat nogmaals scheiden zeggen zou.

Louise was de eerste die kracht had zich los te wikkelen uit de

troostende armen die haar omklemd hielden. Zij wilde spreken, maar kon

geen woorden vinden.

Hij hield hare hand in de zijne, zag haar aan met een dier diepe

gevoelvolle blikken welke haar deden duizelen van geluk en onbestemde

hoop, en zeide zacht, nauw hoorbaar:

»Toch is er nog geluk, Louise... mijn troost, mijn hulp, mijn toekomst!

O! versmaadt dat alles niet—verstoot mij nooit... Mijn liefde voor u

kent eigenbelang noch trots. Ze kent bewondering, medelijden,

zelfverloochening enkel. Ze kan u kracht en rust en moed geven en

mij.... O kind! Ze is de ziel van mijn bestaan....”

Hij trok haar dichter naar zich toe, en zijn weemoedige glimlach drong

haar als een bede in de ziel, die haar schier machteloos in zijn armen

deed terug zinken.

Zij weende niet meer, haar hand rustte kalm in de zijne, haar duizelend

hoofd had rust gevonden op de sterke breede borst.

Voor het eerst gevoelde zij de betoovering van zwakte tegenover

kracht... en half droomend, half wakend, gelukkig, weemoedig, schier

gedachtenloos, leefde zij voort, zonder angst, zonder wil en zonder

hoop.

»O mocht ik sterven!” waren haar eerste woorden, »George...”

Het schuiven van een stoel in de binnengalerij deed haar met

koortsachtige wildheid uit haar half droomenden toestand opspringen.

»Ga heen! Ga heen!” riep zij woest. »De resident zal u dooden indien

hij u hier vindt met.... mij alleen!”

»En met het lijkje van zijn kind,” vervolgde Werner zacht, de deur

openende om te zien wie er in de binnengalerij was.

»Het is niets. Een der oppassers, die half slapend tegen een stoel is

aangeloopen en zich nu onder de tafel heeft gelegd.”

»Ga heen!” antwoordde Louise koud. »Die oppasser is een betaalde

spion—laat hem niet onderstellen hetgeen niet is. De menschen

beschuldigen reeds vlug genoeg waar het waarheid geldt; geef hun ten

minste geen reden om te beschuldigen zonder grond. Liefde is de eerste

aanklacht der wereld, en ik heb geen liefde... voor wie het ook zijn

moge!”

Zij had vlug en koortsachtig gesproken en Werner had haar aangestaard

met een verbazing grenzende aan ongeloof.

»Gij hebt geen liefde?”... vroeg hij verward. »Geen vriendschap? Geen

sympathie? Geen medelijden zelfs?”

»Niets.”

»En zoo even?...”

»O! zoo even was ik zwak, ziek, vermoeid, uitgeput van het weenen en

waken... Rust is al wat ik verlang...”

»God geve u rust!... En kracht om de liefde te dooden die gij mij

onthouden wilt... Wat mij betreft, geheel mijne ziel behoort u. Ik heb

geworsteld en gestreden, als gij—ik kan niet meer. Gij zijt het licht

van mijn leven, de hoop mijner toekomst, de kracht van mijn bestaan...

Wilt gij niets meer voor mij wezen?”

Louise boog het hoofd en zeide bijna fluisterend:

»Niets.”

»Ik vergeef u dat woord,” antwoordde Werner met gebroken stem. »Gij

kunt nog wreed zijn... ik niet meer... vaarwel!”

Half radeloos bleef de jonge vrouw alleen, zij wilde hem volgen, terug

roepen...

»Neen, zóo is het goed... Goed?... Goed te liegen, te bedriegen, te

folteren, te dooden misschien!.... George!”

Zij opende het venster, maar buiten evenals binnen was alles kalm en

stil, rustig als het lijkje dat vóór haar lag.

Een huwelijk in Indië · 第 11 / 20 段