»Eduard!” riep zij, zoodra zij mij zag. »O, mijn God, wat maakt gij mij

gelukkig! .... Ik vreesde dat gij niet komen zoudt.... niet

dadelijk.... en morgen....”

»Ik verwachtte u, zoo als gij ziet,” viel zij zich zelve in de rede,

mij op de blauwe japon wijzende, die ik haar vroeger het liefst zag aan

hebben. Toen kwam zij mij eenige schreden te gemoet, wierp zich op eens

in mijne armen, zag mij aan met een hemelschen blik, klemde zich vast

om mijn hals en zeide fluisterend:

»Ik sterf, Eduard!”

Dien nacht heb ik gewaakt bij het lijk van mijn arme Viola.

Drie dagen was ik radeloos. Toen haalde ik mijn balkleeren uit de kast

en reed in een galakoets naar ’t kerkhof, om bij de ter aardebestelling

van Viola’s stoffelijk overschot tegenwoordig te zijn.

We waren met ons vieren. De dominé bij wien zij aangenomen was, de

dokter die haar gedurende haar ziekte behandeld had, haar neef Van

Wageningen en ik.

Ik had Van Wageningen eens ontmoet. Het was eenige maanden geleden

geweest, bij Viola aan huis, toen ons engagement pas publiek was

geworden. Hij was opzettelijk in de stad gekomen om haar geluk te

wenschen, en toen ik aan hem voorgesteld werd, had hij mij de hand

gereikt met de woorden:

»Mijnheer Heisterman, gij zijt gelukkiger geweest dan ik. Zij heeft u

boven mij verkozen, God geve dat gij haar keuze rechtvaardigen zult.”

Hij had toen een zeer gunstigen indruk op mij gemaakt, zoo zelfs dat ik

over Viola’s smaak, alle eigenliefde op zij gesteld, eenigszins

verwonderd was geweest.

Wij zagen elkander een oogenblik zwijgend aan; toen kwam hij naar mij

toe, reikte mij de hand, over Viola’s doodkist heen, en zei met een

doffe halfgesmoorde stem:

»Ik had haar moordenaar een eeuwigen haat toegedacht, maar zij heeft

hem vergeven.... Geen vijanden moeten het zijn die de laatste eer

bewijzen aan haar, die niets dan liefde kende.”

Ik weet niet wat mij op dat oogenblik bezielde. Ik verloor op eens alle

zelfbeheersching, beefde, waggelde, zag niets meer en zonk ter aarde.

Toen ik weder tot mij zelve kwam, lag ik in mijn eigen kamer, in mijn

bed. Van Wageningen zat naast mij over een courant te staren.

Van toen af is hij mijn vriend geweest.

Ik had Seraf, dacht mij, in lang niet gezien.

Ik riep hem.—Hij kwam niet. Mijn vriend ging hem zoeken. Hij vond hem

niet. Ik vroeg mijn oppasser of hij ook wist waar Seraf gebleven was.

Hij wist het niet.

Niemand, die in al die dagen aan mijn armen Seraf gedacht had! Ik zond

mijn oppasser uit om hem te zoeken en beloofde hem een goede fooi,

wanneer hij mij mijn getrouwen vriend terug zou brengen. De oppasser

hield niet van Seraf, omdat mijn kleeren meestal vol lange witte

hondenharen zaten.

De gordijnen van mijn bed bewogen aan den kant van den muur.

»Wat is dat?”

Van Wageningen sprong op om het te onderzoeken.

»Seraf!”

Seraf kroop over den vloer langs den muur, tot bij den stoel waarop

mijn vriend gezeten had. Dáar bleef hij een oogenblik onbewegelijk

liggen. Toen richtte hij zich met moeite op en wilde met zijn

voorpooten tegen het ledikant opstaan, zoo als hij gewoon was dit elken

morgen te doen om mij te wekken. Maar zijne pooten gleden uit, en,

zwaar als lood, zonk het arme dier op den vloer.

Ik sprong dadelijk uit mijn bed en ging op mijn knieën naast hem

liggen.

Goede Seraf! Hij kreunde van vreugde, kwispelde met zijn staart, lekte

mij de handen en wierp mij een van die lange, diepe, gevoelvolle

blikken toe, zoo als hij alleen ze bezat.

Ik streelde hem, nam hem op, verwarmde hem in mijn armen, lei hem in

bed.... Hij drukte zich krampachtig aan mij vast, kroop al dichter en

dichter tegen mij aan, verborg zijn kopje in de plooien van mijn mouw,

kreunde, zuchtte, richtte zich op, lekte mijn hand, zag mij aan, rekte

zich uit en stierf.

Ik herinner mij niet, ooit zoo geweend te hebben als dien dag.

De oppasser kwam de kamer in.

»Ik heb den hond niet gevonden, meneer!”

Ik verstond hem niet.

Mijn vriend gaf den man een wenk om heen te gaan.

»Wat is er?—Wie is daar?” vroeg ik plotseling.

»Ik, meneer.”

»Wie zijt gij?—Wat moet gij?”

»Seraf....”

»Zoo, zijt gij het! Wat heeft die hond gescheeld?” vroeg ik bevend van

toorn, den oppasser verdenkende van hem vergiftigd te hebben.

»Ik weet het niet, meneer. Hij heeft immers al sedert een dag of drie

niets willen eten of drinken. Het heeft mij wel verwonderd dat meneer,

die zoo veel van hem hield en hem den heelen dag bij zich op de kamer

had, zag dat hij ziek was, en hem niets gaf om hem beter te maken....”

Het was dus mijn schuld dat ook Seraf gestorven was!

Een vreeselijke mélancholie overviel mij. Ik werd zwaar ziek. Mijn

vriend verliet mij geen oogenblik.

In die ziekte heb ik een visioen gehad, een droom zou een ander zeggen,

ik noem het liever een visioen.

Ik was op den top van een berg en de grond waarop ik stond bewoog, was

glibberig en rookte. Zware donkere wolken rolden met een spookachtig

dof gedruis door elkander en duwden mij voort met een kracht waaraan ik

geen weerstand kon bieden. Eerst ploften zij mij in een peillooze

diepte, waarin ik duizelend ronddwarrelde als een stofje in een

zonnestraal, totdat ik stuitte tegen een hoogte, die ik beklimmen

moest. Daarna voerden zij mij mee in haar eindelooze vlucht en dreven

met mij door een duistere, koude en vochtige ruimte, totdat zij

plotseling met een vreeselijk geweld uiteen vlogen en mij nederwierpen

op de aarde, die gedurende eenigen tijd voor mij had opgehouden te

bestaan. Toen bevond ik mij weer op den top van den berg, aan den voet

waarvan een onafzienbare vlakte lag, die in damp en rook verdween

zoodra ik haar bereiken ging.... Alles was koude, duisternis, beweging,

gedruis, onzekerheid, verwarring....

Daarop volgde een allerzonderlingste toestand. Ik hield op te denken,

te weten, te beseffen; mijn lichaam scheen dood en mijn geest

vernietigd. Doch mijn ziel bleef voortbestaan, zij alleen gevoelde nog

en gevoelde enkel om te lijden, om vreeselijke, onbeschrijfelijke

smarten te doorstaan. Het was alsof ik dubbel bestond. Mijn éene ik zag

ik voor mij liggen, koud, stijf, onbewegelijk, dood.... En mijn andere

ik moest voort blijven leven met bewustzijn, herinnering en voorgevoel.

Ik zag het, ik wist het en weende van droefheid over het leven dat mijn

eerste ik verspild had; ik sidderde van angst voor het lot dat mijn

tweede ik te wachten stond.... Krankzinnigen moeten weleens zoo iets

gevoelen. Zulke smarten, zulke angsten vooral, zijn voor een gezond

mensch nauwelijks denkbaar.

Op eens was alle gevoel van smart en lijden voorbij. Een rust, een

kalmte, een soort van gelukzaligheid, nergens bij te vergelijken,

volgde.

Een kleine lichtende hand zweefde mij voorbij. Aan die hand kwam een

arm, aan dien arm een lichaam, op dat lichaam een hoofd.

Viola, de stervende Viola, met haar dankbaren lach en haar hemelschen

blik, zweefde als een lichtende engel door de dichte duisternis, die

mij omringde, naderde mij en reikte mij de hand. Die hand was koud als

die eener doode.

»Volg mij!” sprak zij zacht.

Ik volgde.

De duisternis verminderde, het geraas hield op, de ruimte kwam tot

rust, een doodsche stilte heerschte om ons heen. Ontelbare hooge,

breede, lichtende trappen en lange zonnige gangen omringden ons van

alle kanten.

Viola’s hand rustte nog in de mijne, doch zij zelve was geheel

onzichtbaar voor mij geworden, haar heldere, doorschijnende gedaante

was met het licht inéengesmolten.

Wij zweefden de hooge trappen op en af, en ik zag reeds een menigte

gangen als gouden bogen onder en achter ons liggen, toen een lichtende

deur ons belette verder te gaan. Viola wenkte dat ik mij achter haar

zou plaatsen. De deur ging open. Een onvergelijkelijk schoone muziek

trof mijn oor.

Wij bevonden ons ergens waar het heldere licht mij verblindde en iets

mij als bedwelmde.

Langzamerhand kreeg ik het gebruik van mijn zintuigen weder. Mijn

gehoor was zelfs fijner geworden dan het ooit geweest was. Doch ik zag

dof en als door een nevel heen, en mijn verstand duizelde, mijn

denkbeelden waren verward.

Eerst zag ik niets, ik hoorde slechts; daarna was het mij alsof mij

iets ontnomen werd; toen kreeg ik iets anders daarvoor in plaats. Het

licht werd langzamerhand doorschijnend, mijn ziel zag er doorheen en

herkende Viola weder. Zij stond naast mij, zag mij aan en wees met de

hand naar de ruimte, die vóor ons lag.

Daar onderscheidde ik toen ontelbare ietsen, die door elkander

wemelden, wezens van verschillende soort, zonderlinge gedaanten,

onbeschrijfelijke vormen, vreemde schepselen zonder tal of naam, die

zich bewogen, voort snelden, samensmolten en eindelijk wegstierven in

het alles omvattend licht, waarvan ook zij een deel schenen uit te

maken.

Dáar zweefden de eeuwen die voorbij waren en de dagen die nog komen

moesten, in een harmonisch geheel verbonden volgens de groote wetten

der volmaaktheid voort, terwijl een zee van licht een betooverende

pracht en rijkdom ten toon spreidde die zingend door een eindelooze

ruimte van geluk en leven golfde.

Viola trad een schrede terug. Ik volgde haar. De groote deur sloeg

dicht.

»Gij hebt genoeg gezien,” sprak zij zacht.

Toen kwamen de millioenen trappen weder, en de eindelooze gangen, die

geen andere scheidsmuren hadden dan hunne doorschijnende gouden strepen

van minder helder licht.

Alles was eindelijk verdwenen.

»Het leven moet nog lang voor u zijn. Uwe toekomst kan nog zoo schoon,

nog zoo gelukkig wezen! En wat kunt gij nog veel goed doen, nog veel

nut stichten in de wereld!”

Zoo klonk mij Viola’s stem als een hemelsche muziek nog na.

»O Eduard! heb medelijden!”

Dàt waren hare laatste woorden.

Mijn oog viel op de groene saaien bedgordijnen, dwaalde van daar naar

de zes houten stoelen, die onbewegelijk op hun vierkante pooten

stonden, rustten een oogenblik op de vrouwenportretten die de wanden

van mijn kamer versierden, en staarde verder voort, zonder iets meer te

zien van hetgeen mij omringde.

Een maand later was ik hersteld.

Wat was toen alles anders geworden! Het scheen mij alsof de geheele

wereld veranderd was in die eene maand, die mij een eeuwigheid geleek.

De menschen vond ik jonger geworden, zorgeloozer, onnadenkender, de

wereld ruimer en het leven korter....

Ik alleen was oud geworden.

»O Eduard! heb medelijden!” hoorde ik weer zingen in de ruimte.

Toen nam ik een kloek besluit. Ik pakte mijn koffer, nam afscheid van

mijn eenigen vriend—uw vader—en vertrok naar Indië, met de herinnering

aan een slecht besteede jeugd en aan twee dierbare dooden van wie ik

Liefde had geleerd.

DRIEENTWINTIGSTE HOOFDSTUK

HOE HET KWAAD ONTSTAAT

Een morgenbezoek was een vreemde vertooning te A. Louise zag dan ook

vrij verwonderd op, toen men haar, het was op een Woensdagmorgen, tegen

half elf, mevrouw Joly kwam aandienen.

»Laat mevrouw plaats nemen, ik kom dadelijk,” en tot zichzelve

sprekende, voegde zij er zacht bij: »Zeker voor iemand die arm of

ongelukkig is, en zelf niet durft komen om hulp te vragen.”

Zij zette schielijk haar werkmandje ter zijde en verscheen een

oogenblik later in kaïn kabaya met loshangend haar in de binnengalerij,

waar mevrouw Joly haar met ongeduld zat te wachten.

Louise had van het eerste oogenblik af dat zij mevrouw Joly gezien had,

een instinctmatigen afkeer van deze dame gevoeld, zonder zich te kunnen

verklaren, waarom. De resident, die haar sedert jaren kende, noemde

haar een goed, dom mensch, maar hoe Louise ook naar deze eigenschappen

gezocht had, zij had ze nooit in mevrouw Joly kunnen vinden, wier

grijnslach, volgens haar, meer geslepenheid dan domheid verried, en

wier goedheid zich doorgaans oploste in jeremiaden over ongelukkigen,

waarvan men later niets meer hoorde, en die slechts een oogenblik

schenen bestaan te hebben, om mevrouw Joly in de gelegenheid te stellen

van charitable te schijnen en »kassian!” te roepen.

Na de gebruikelijke plichtplegingen, en na eenige woorden gewisseld te

hebben welke voor geen der beide dames eenige waarde hadden, vroeg

mevrouw Joly, geheimzinnig omkijkende:

»Kan niemand ons hier hooren, mevrouw?”

»De bedienden mogelijk, anders niemand; waarom?”

»De bedienden! Het is juist over uwe bedienden dat ik u spreken

wilde.... Er zijn praatjes in omloop—u betreffende—beneden alle

kritiek!—En gij begrijpt, uw bedienden....”

»Neen, ik begrijp niets.”

»Gij ziet mijnheer Werner veel, niet waar?”

»Ja, zeer veel.”

»Een lief mensch?”

»Heel lief.”

»De resident is ’s avonds veel op zijn kantoor tegenwoordig?”

»Ja, nog al veel.”

»Is hij niet jaloersch?”

»Jaloersch?”

»Ja, van u, van Werner enfin.”

»Van mij? Van Werner?—Neen, daar heeft hij geen reden toe!”

»Dat zegt de wereld niet.... Geloof mij, lieve mevrouw, wees wat

voorzichtig met de bedienden, want gij weet niet hoe de praatjes in de

wereld komen.”

»Hm!” kwam Louise lachend en zij trok de schouders op, alsof zij zeggen

wilde, »wat kunnen mij de praatjes schelen.”

Mevrouw Joly zweeg een oogenblik, daarna nam het gesprek een andere

wending, en toen het half twaalf sloeg stond zij op, om te vertrekken.

Louise begeleidde haar tot in de voorgalerij. »Mijn beste groeten aan

de meisjes!” riep zij, klaar om naar binnen terug te keeren, maar

mevrouw Joly stak nog even het hoofd buiten het portier van het rijtuig

en riep haar van verre toe:

»Zult gij er aan denken? Gij weet wat ik bedoel.—Mijnheer Werner is

voorzeker een charmant mensch, maar de resident is veel ouder dan

gij—en de wereld is kwaadsprekend.—Geloof mij, vertrouw de bedienden

niet. Adieu!”

Het rijtuig was weggerold eer Louise mevrouw Joly’s bedoeling recht

begrepen had. En toen zij begon te begrijpen, zag zij een klerk met

eenige vellen papier in de hand vóor de deur van het kantoor van den

resident staan en twee oppassers op de hurken zitten bij een pilaar.

Een blos van verontwaardiging overtoog haar gelaat. Maar de blos

verdween, en kalm en rustig stapte zij den klerk en de oppassers

voorbij om naar haar kamer terug te keeren.

»Ik zal haar rekenschap van die woorden vragen. Zij zal ze intrekken,

want zij heeft mij beleedigd en verlaagd in de oogen van de personen

die haar gehoord hebben. Ellendige intrigante!—Werner!... Ik zal het

Stevens zeggen—ik zal.... Neen, ik zal niets. Wat kan het mij schelen

wat een mevrouw Joly vertelt! Laat de menschen praten wat zij willen!

Ik acht mij te ver boven die nietigheden verheven om er mij mede in te

laten.”

Dit waren haar eenige gedachten over mevrouw Joly’s bezoek, en een paar

uur later herinnerde zij zich nauwlijks nog dat zij dien morgen een

bezoek gehad had.

Dien avond kwam Werner. Tegen negen uur ging de resident naar zijn

kantoor om eenige stukken in te zien en liet hij zijn vrouw met Werner

alleen.

Louise was teruggetrokken. Ook Werner was stil. De twee oppassers, die

’s morgens bij den pilaar gezeten hadden, gevoelden zich te veel in die

lange voorgalerij, en slopen de stoep af, om zich in de schaduw te

verbergen en niemand tot last te zijn.

Eenige dagen later kwam de adsistent-resident, de heer Joly, den

resident bezoeken. Zij waren met hun beiden alleen en hij bleef langer

dan naar gewoonte.

Dien avond kwam Werner weder.

Er lagen stapels brieven en pakketten op het kantoor, maar de resident

stak de eene sigaar na de andere op en verliet de galerij niet.

Werner was spraakzaam, Louise vroolijk en de beide oppassers zaten

rechtop in het volle licht der lampen.

Meer dan eens had Louise dien avond Stevens oogen ontmoet, en er een

uitdrukking van toorn, haat of wantrouwen in gelezen. Maar de fiere

reine vrouw had zich verzet tegen een onverdiend verwijt en stouter dan

ooit had zij haar rustigen blik om zich heen geworpen en het hoofd

omhoog geheven.

»Gij hadt van avond op meer geluk gehoopt, niet waar?” waren de eerste

woorden van den resident, zoodra hij zich met zijn vrouw alleen bevond.

»Hoe meent gij dat,” vroeg zij verbleekend.

»Ik meen het, zooals gij het verstaat!—Maar de gulden tête-à-tête-eeuw

is voorbij!—Als gij niet weet hoe gij u te gedragen hebt, dan zal ik het

voor u weten. En om te beginnen: geen Werner meer over den vloer als ik

op het kantoor ben!”

»Wat zegt gij daar?”

»Dat gij meer om Werner geeft dan om mij!—Begrijpt gij nu wat ik meen?”

Louise’s oogen vonkelden van verontwaardiging, haar wangen gloeiden,

haar lippen trilden om de schitterend witte tanden en het was als werd

zij grooter onder de beschuldiging die haar verpletteren moest.

»Gij liegt!” riep zij op eens. »En gij gelooft zelf niet aan een

misstap dien gij voor onmogelijk houdt!—Ik heb u nimmer lief gehad, dit

weet gij, maar bedriegen zal ik u nooit, dit weet gij ook!—Het zou mij

niet mogelijk wezen van iemand te houden wiens liefde ik voor bedrog

moest koopen....

»Verontrust u dus niet, resident,” vervolgde zij met een trotschen

glimlach, »als ik ooit een schepsel vinden zal dat ik lief zal hebben,

dan zult gij de eerste wezen die het weten zult, want mijn keuze zal

goed wezen en voorzeker op iemand vallen, die groot en edel genoeg zal

zijn om genoemd te kunnen worden.”

»Louise!” gilde de resident dreigend. Maar toch bewonderde hij de vrouw

die hij verachten wilde en trok hij de hand terug die hij tot haar had

durven opheffen.

Louise antwoordde niet. Zij zag die groote, ruwe hand van boven haar

hoofd verdwijnen zooals zij een oogenblik te voren verschenen was, en

zonder verder acht op den resident te slaan begaf zij zich naar hare

kleedkamer, waarvan zij de deur achter zich dichtsloot, om zich

ongestoord aan haar gevoel te kunnen overgeven.

Duizende gedachten, vragen, gissingen, herinneringen, doorvlogen haren

geest, maar allen smolten weg in een vloed van tranen, die haar oogen

ten laatste zoozeer verduisterde, dat zij niets meer zag dan een

menigte dunne wolken die zich om haar heenpakten, al zwaarder en

zwaarder werden, een groote, ruwe hand omzweefden, grijs werden—zwart

werden....

Een haan kraaide onder het venster.—Louise ontwaakte verschrikt. Zij

lag op een matje, vóor een bank. Het was vijf uur in den morgen, haar

oogen waren roodgeschreid.

Toch wist zij niets.

Maar wij weten dat mevrouw Stevens van Langendijk een slavin had, die

Alima heette en haar benijd werd door de meeste dames van A. En wij

weten ook dat Werner rijk was, en dat mevrouw Joly vijf dochters had.

VIERENTWINTIGSTE HOOFDSTUK

GEVOELEN EN BEGRIJPEN

Na dien dag werd de naam van Werner noch door Louise noch door den

resident meer genoemd, totdat Willem eens den ongelukkigen inval had

van aan tafel te vragen:

»Hè mama, wat is mijnheer Werner er in lang niet geweest!”

»Toevallig,” antwoordde Louise, maar eer zij verder spreken kon was de

resident van zijn plaats opgestaan en had hij het kind een klap om de

ooren gegeven en bij een arm de achtergalerij uitgeslingerd, zoodat het

met het hoofd op den grond in den tuin was neergestort.

»Dat zal u leeren te vragen naar hetgeen u niet raakt!” riep hij, rood

van woede naar zijn plaats terugkeerende.

Het kind weende niet, schreeuwde niet, zeide geen woord, maar kwam

bedaard de stoep weder op. Nog altijd met zijn lepel in de hand, een

buil op zijn voorhoofd, een scheur in zijn kieltje, plaatste hij zich

tegen een pilaar vlak bij de tafel, en staarde mevrouw Stevens aan,

alsof hij zeggen wilde:

»Verdedig mij!—Het is uw plicht.”

Louise was bleek en bevend van haar stoel opgesprongen, maar toen zij

het kind daar zóo trotsch, zoo onbewegelijk tegenover zijn vader staan

zag, was het haar alsof zij zijne moeder zag. Die sombere blik, die

gebiedende houding, die koude, onverschrokken uitdrukking van het

gelaat, alles bracht haar de schoone fiere Mina voor den geest, en het

was haar niet mogelijk een enkelen pas te doen.

»Schaam u!” schreeuwde de resident, bijna stikkende in een hap drooge

rijst.

»Neen,” antwoordde het kind hem met vlammende blikken aanziende.

»Slaag te krijgen in tegenwoordigheid der bedienden!” ging zijn vader

schimpend voort.

»Omdat ik te klein ben om mij te verdedigen, slaat gij mij; gij hebt

mijn moeder ook geslagen—gij zoudt den gouverneur-generaal niet slaan!”

Gelukkig was Louise het kind terstond ter hulp gesneld en met hem naar

haar kamer gevlucht, daar er bijna op hetzelfde oogenblik een regen van

messen, lepels, vorken, glazen, borden, flesschen, op de plek

neerstortte waar de kleine Willem gestaan had.

»Waarom zegt gij zulke dingen ook?” vroeg Louise met tranen in de

oogen, zoodra zij zich met het kind in veiligheid bevond. »Gij weet

immers dat uw vader driftig is, ontzie hem dan toch en spreek hem niet

tegen. Indien hij u zonder reden straft handelt hij verkeerd, maar

indien gij uw vader niet eerbiedigt, doet gij mij verdriet aan,

Willem.”

Het kind zag haar een oogenblik aan alsof het haar woorden niet recht

begreep. Toen drongen er groote tranen in zijn oogen, wierp hij zich

luid snikkend in haar armen en bedekte hij haar gelaat met kussen.

»Ik zal het nooit weer doen!” riep hij afgebroken. »Ik beloof het u.”

En van dat oogenblik af kon Louise door zachtheid alles gedaan krijgen

van het trotsche, onbuigzame kind, dat nog nooit voor een hard woord

bevreesd was geweest, of voor een pak slagen terug was gedeinsd.

»Slaan is goed,” zeggen sommige menschen, en zij deelen zooveel klappen

uit als zij slechts kunnen, zonder gevaar te loopen van er eenigen

terug te krijgen. Vraagt gij hun waarvoor het goed is, dan geven zij u

ten antwoord: »voor alles”. En verzoekt gij hen, u een enkelen persoon

op te noemen, die door slaag goed geworden is, dan kunt gij bijna zeker

wezen altijd te hooren: »Ik zelf. Ik verzeker u dat ik menigen oorveeg

gekregen heb, die mij goed heeft gedaan.”

»Van wie?” vraagt gij verder, indien gij er den moed toe hebt.

»Van mijn vader, van....”

»Genoeg. Om bij uw vader te blijven. Hebt gij uw vader ooit lief gehad,

geacht, vertrouwd vooral, zooals gij wenschen zoudt dat uwe kinderen u

liefhebben, u achten, u vertrouwen zouden?”

De meesten zullen u op deze vraag het antwoord schuldig blijven.

Enkelen zullen »Neen” zeggen; niet éen zal »Ja” antwoorden. Waarom?

Omdat een kind, boven alles, behoefte heeft aan liefde. Het gevoelt

zijn zwakheid, zijn afhankelijkheid, zijn hulpeloosheid, zonder zelf te

weten wat het gevoelt. Het zoekt instinctmatig een steun, een leidsman,

een beschermer. Zijn ouders zijn natuurlijk degenen van wie hij dien

steun, die leiding, die bescherming verwacht, en hij is gereed hun

daarvoor zijn bewondering, zijn gehoorzaamheid, zijn dankbaarheid, zijn

vertrouwen, zijn gansche ziel te schenken.

Sla hem nu.... Sla hem, wanneer hij u niet begrijpt, omdat gij u niet

begrijpelijk voor hem maken kunt.

Sla hem, omdat hij kwaad doet, dat voor hem geen kwaad kan wezen.

Sla hem, omdat hij op een ongelukkig oogenblik iets zegt, waarover gij

een oogenblik te voren gelachen zoudt hebben.

Sla hem, omdat hij een les niet kent die niet voor zijn verstand

berekend is. Omdat hij op zijn beurt, een jonger broertje of zusje

slaat, zooals papa hem gisteren sloeg. Omdat hij schuld bekent wanneer

hij iets misdreven heeft. Omdat hij liegt uit angst van slaag te

krijgen. Omdat.... Ja, om nog honderde dergelijke redenen meer, die

voor het arme kind even zooveel raadselen zijn, even zooveel grieven

worden zullen. En verwonder u, als gij kunt, wanneer uw kind later

beven zal op het hooren uwer voetstappen, of lachen zal om uw

gestrengste kastijdingen, of koud zal blijven voor uw dringendste

beden.

Een huwelijk in Indië · 第 10 / 20 段