opéra-comique aria’s, geschreven voor een stem en niet voor een ziel,
en zong die met een vlugheid, lichtheid, stoutheid, die haar kunst op
eens met die van een clown of acrobaat gelijk stelde.
Louise volgde dien ongekenden »wonderzang” met de verbazing van een
kind, en klapte schaterend in de handen, toen de laatste noten als door
een vogelenkeel waren uitgestoten. »Bravo! Goed zoo, juffrouw Van
Wageningen. Mijn hemel welk een stortregen van nootjes hebt gij daar in
een oogenblik op ons neergeworpen,” riep zij hartelijk lachend.
Lina lachte ook, zij had haar doel bereikt. En toen de huisgenooten een
oogenblik later scheidden, om zich ter rust te begeven, reikten Lina en
mevrouw Stevens elkander met een wederzijdsch gevoel van genegenheid en
dankbaarheid de hand.
Den volgenden morgen vertrok Werner. En vreemd, Louise vond niets meer
zóo mooi, zóo bekoorlijk, zóo aantrekkelijk als gisteren. Maar het
regende ook en mogelijk scheen daarom alles grijs en donker. Dien avond
vielen alle musicale en andere plannen in duigen door een bezoek van
dokter Heisterman.
»Een goede, vervelende man,” dacht Louise, toen zij den eenvoudigen
filantroop zag binnenstappen.
»Een slachtoffer van schoonheid en fortuin,” dacht de dokter, het jonge
vrouwtje met zijn scherpen blik doorgrondende.
Het gesprek liep over allerlei onverschillige onderwerpen, totdat
Melatie op eens vroeg: »Dokter, hebt gij wel eens Zanoni gelezen, van
Bulwer?”
»Ja, lange jaren geleden,” antwoordde de dokter somber.
»Viola!—Juffrouw Van Wageningen, hebt gij ooit iemand gekend die Viola
heette?”
»Een mijner nichten moet zoo geheeten hebben, maar ik heb haar nooit
gekend.”
»Blond—slank—schoon als de dag en goed als een engel!” Hij zweeg een
oogenblik en vervolgde toen zachter:
»Was het uw vader niet die innig veel van haar hield?”
»Ja. Maar zij is jong gestorven. Zij hield van een ander....”
»Die ander ben ik. O veracht mij niet, want ik heb veel geleden!”
Lina’s verbaasde oogen bleven den dokter aanstaren alsof zij het
verledene op zijn gelaat wilde lezen. »Gij dokter?” vroeg zij
eindelijk. »O! dat hadt gij mij niet moeten zeggen....”
De dokter greep hare hand en fluisterde: »Ik zal u alles schrijven....
Gij gelijkt haar naar het uiterlijke, gij moet haar ook gelijken in uw
binnenste!”
Toen stond hij op, nam afscheid en ging heen.
Een dag later ontving Lina den beloofden brief.
TWEEENTWINTIGSTE HOOFDSTUK
EENIGE BLADZIJDEN UIT HET LEVEN VAN DEN DOKTER
Ik heb eens een hond gehad; een leelijk mager dier, met steile ooren en
een wonderlijken staart, dat geen enkel kunstje doen kon, verbazend
veel at en tegen mijn beste vrienden blafte.
Toch hield ik van het domme dier en noemde het, wanneer ik in een goed
humeur was, »mijn lieve engel met een staart.”
Wanneer mijn vrienden dat hoorden, lachten zij mij uit en dachten,
geloof ik, dat er een van de vijf bij mij aan het dwalen was.
Tusschenbeiden vond ik zelf iets overdrevens in mijn bewondering van al
wat leelijk was, en dan schopte ik Seraf de deur uit, om hem te toonen
dat niets hem het recht gaf de eerste plaats in mijn hart te bekleeden.
Maar verliet ik éen uur, twee uur, drie uur later mijn kamer, dan waren
het altijd Serafs’ trouwe oogen die mij het eerst weer tegenlachten,
en, uit medelijden of bewondering, mijn lieveling werd weer in genade
aangenomen in het heiligdom waaruit ik hem verstooten had.
Ik heb vele menschen met mooie oogen gekend, enkelen zelfs met lieve
oogen, nooit heb ik iemand met zulke goede, trouwe oogen gezien, als
mijn zielsvriend Seraf had. Daar lag iets in dat mij wonderlijk maakte,
iets dat ik nooit in andere oogen weergevonden heb. Weet gij wat? Neen,
gij kunt het niet weten, want ik weet het zelf niet. Toch wil ik
trachten, u een denkbeeld te geven van den invloed van die oogen op
mijn dwazen geest.
Eens was ik op een Zondagmorgen, door een stortregen naar de kerk
geweest, op hoop van onder het zingen een blik van Julia op te vangen,
of bij het uitgaan een handdruk van Mathilde te krijgen. Noch Julia
noch Mathilde had mij opgemerkt. Natuurlijk was ik buiten mij zelven
van kwaadheid. Een parapluie die droop, een jas die droop, een broek
die droop, een paar laarzen dat »tjiek” zei bij elken pas dien ik deed,
niets dan een paar drooge schouders en een drooge hoed, waarvan ik den
rand gedeukt had tusschen duim en voorsten vinger. De sleutel van de
voordeur vergeten! Gescheld! De bel kapot getrokken! Geklopt, getrapt,
gestompt, tegen die beroerde deur, die doof scheen! Dat was genoeg om
den zachtsten mensch der wereld uit zijn vel te doen springen.... Dát
deed ik niet eens.... maar ik nam mij voor....
De deur ging open!
Met een tienmijlsvaart stoof ik den gang door, mijn kamer in; de
parapluie op tafel, de bijbel in de prullenmand, mijn hoed, mijn
laarzen, mijn jas, mijn handschoenen, alles danste de kamer door.
Een noodkreet! Seraf huppelde jankend weg en sprong op de vensterbank,
vanwaar zijn lieve oogen mij vriendelijk tegenlachten, terwijl hij een
zijner vierkante pooten omhoog hield, en zijn wonderlijke staart de
gordijnen heen en weder wuifde.
Dadelijk was ik bedaard.
Waarom weet ik niet, maar ik geloof dat ik mij schaamde omdat Seraf mij
zóo goedig aankeek.
Bij mijn binnenkomst was hij mij verblijd te gemoet gesneld; hij had
mij geliefkoosd, gelekt, alle beleefdheden aangedaan, die een meester
met mogelijkheid van zijn hond verlangen kan, en tot eenigen dank had
ik hem een laars tegen een zijner pooten gesmeten!—Het domme dier was
gekwetst, het had pijn, toch bleef het nog vriendelijk zwaaien met zijn
staart en keek het mij zoo smeekend aan met zijn goede, trouwe oogen,
dat gij of een ander, zonder iets van mijn rampzaligen kerkgang af te
weten, gedacht zoudt hebben, dat hij de beleediger en ik de gekwetste
geweest was.
Dat zult gij mogelijk een laagheid van hem vinden? Ik niet. Wij hadden
beiden tegenspoeden gehad, ik twee kleintjes en hij éen groote. Ik had
geraasd en getierd als een dwaas, hij was zichzelven gelijk gebleven en
had zijn vriend vergeven.
Waarachtig, ik schaamde mij voor mijn hond, want ik gevoelde mijn
minderheid....
Eerst wilde ik het niet erkennen. Een mensch is trotsch. Ik vischte
mijn bijbel uit de prullemand, raapte mijn kleeren bij elkaar.... later
heb ik het toch erkend!
Ik ben eens geëngageerd geweest: zes weken lang! Viola heette mijn
meisje. Zij was een wees, jong en schoon en natuurlijk een engel. Veel
geest had zij niet naar het scheen, maar wel veel geld en vele
aanbidders. Mij had zij uitverkoren boven allen, omdat zij mij liefhad
en haar geheele ziel behoorde aan haren »goeden genius” (dat was ik).
Nooit in mijn leven heb ik zooveel van iemand gehouden? Viola! Viola!
Altijd Viola! Overal Viola! Meer dan veertien dagen lang was ik
letterlijk suf van geluk! Ik kon niet lezen, niet werken, niet denken,
niet spreken zelfs, als het niet over Viola was. Ik vergat alles, mijn
Seraf, mijn studies, mijn vrienden, mijn zieken, alles, alles!—Liep ik
de stad door, dan zag ik Viola overal, op de pleinen, in de straten, in
de huizen, op den kerktoren, in de sneeuwvlokken die neerdaalden.
Overal, overal, elk paard, elk kind, elk muschje, zag ik door de
golvende lokken van Viola heen!
Nooit van mijn leven ben ik zoo gauw van een liefde genezen geweest. Ik
geloof dat ze uitgeput was. Ik had te veel aan Viola gedacht, te veel
naar haar gezien, te veel over haar gesproken.... Zij verveelde mij.
Mijn engagement woog mij zwaar op het hart, het moest verbroken worden;
ik kon Viola niet meer uitstaan! Ik berispte haar over alles; bespotte
haar wanneer zij mij haar »goeden genius” noemde, vergat haar
invitaties, verscheurde haar brieven, beantwoordde ze een dag te laat,
of verloor ze in haar bijzijn.
Niets hielp. Viola bleef altijd zacht en goedig. Wel werd zij stiller
en bleeker en verloor zij haar gullen lach; eens zelfs geloof ik dat
haar oogen vochtig waren, maar zij zeide niets, klaagde nooit, deed mij
geen enkel verwijt.
Dat was iets onverdragelijks!
De eene helft van den dag liep ik mij suf te denken op honderde kleine
grieven en hatelijkheden, die ik haar de andere helft van den dag zou
aandoen. Zij verdroeg alles, bleef zwijgen en scheen mijn bedoeling
niet te begrijpen.
Die domheid maakte mij wanhopig! En eindelijk, een kloek besluit
nemende, greep ik papier en pen en zette mij tot schrijven neder.
»Hartelijk geliefde Viola!”
Wat de gewoonte doet! En ik ging haar zeggen dat mijn liefde voor haar
versleten was!... Weg met dat briefje! Een ander:
»Beste Viola!”
»Mijn liefde voor u is in de laatste dagen zoo zeer verflauwd, zoo
zeer....”
Nonsens! Dat klonk immers niet! Maar wat dan? Wat dan?.... Wacht....
»Viola!”
»Er kan, er mag geen liefde meer bestaan tusschen ons. Vraag mij naar
niets, want het is mij niet mogelijk u iets meer te zeggen.—God geve
ons kracht om dezen zwaren slag met onderwerping te dragen.”
»Uw goede Genius,” had ik bijna gezet, maar ik bedacht mij nog in tijds
en zette eenvoudig
»Dr. E. Heisterman.”
Ik las nog eens:
»Viola!
»Er kan, er mag geen liefde meer bestaan tusschen ons. Vraag mij naar
niets, want het is mij niet mogelijk u iets meer te zeggen. God geve
ons kracht om dezen zwaren slag met onderwerping te dragen!”
»Dr. E. Heisterman.”
Dat had ik knap gedaan! Ik begreep zelf niet hoe ik het zóo verzonnen
had!—Een engagement te verbreken zonder uw meisje te beleedigen, zonder
haar te zeggen dat gij geen liefde meer voor haar hebt, zonder haar
zelfs het recht te geven, u rekenschap van uw handelingen te vragen. Ik
beken het ronduit, ik was verstomd over mijn eigen vindingrijkheid! En
ik was zoo trotsch over mijn kort en bondig epistel, dat ik zonder
handschoenen, zonder stok, zonder hoed zelfs, op mijn pantoffels de
deur uitvloog om het naar den post te brengen.
Voor het eerst zag ik Seraf dien avond weer. Het was mij alsof ik het
goede dier in geen zes weken gezien had.... Ik vond hem nog magerder,
nog leelijker geworden,—nog vriendelijker als het kon.
Had ik hem inderdaad niet gezien in al dien tijd?—Maar hij was toch in
huis geweest.... Wie had hem dan verzorgd, gevoed, gestreeld, zooals ik
gewoon was te doen?—Niemand?—Dat kon niet zijn!—Ik zelf misschien, nu
en dan eens, machinaal, uit pure gewoonte zonder zelf te weten wat ik
deed.
Mijn geheugen kwam mij eindelijk te hulp en bevestigde mij in die
meening.
Arme Seraf!
Dien avond gaf ik hem een extra kluifje, toen had hij mij niets meer te
verwijten.
Den volgenden morgen ontving ik eenige kleine geschenken terug, die ik
Viola gedurende de zes weken van ons engagement gegeven had. Er was een
muziekboek bij, waaruit wij samen gezongen hadden..... een portretje
van mij, waarop zij aan de achterzijde geschreven had: »Mijn goede
Genius E. H.,” en een pakje brieven van mij, dat ik verbrand heb zonder
er een van na te willen lezen.
Geen lettertje van haar!
Eén dag, twee, drie dagen waren verloopen, en nog geen briefje van
Viola?—Dat had ik niet verwacht. Ik had niet gedacht dat zij zou lang
zonder mij had kunnen leven. Ik had een smeekschrift verwacht, of een
brief met harde woorden. Maar niets, in het geheel niets. Daar had ik
niet op gerekend! Dat was waarachtig een teleurstelling voor me! Ik was
beroerd, ik verveelde mij! Den vierden dag reeds sloeg ik Seraf, omdat
ik kwaad was op Viola, toen ging ik naar een bal en danste tot den
morgen.
Een mijner vrienden vroeg mij naar »mijn meisje”. Ik had den moed niet
hem te zeggen door welk meesterstuk ik een eind aan mijn engagement
gemaakt had.
»Wèl, heel wèl,” gaf ik hem stotterend ten antwoord. »Ik heb haar
sedert gisteren niet gezien.”
Het was de vierde dag reeds na mijn briefje.
Een mensch doet dikwijls iets wat bij van daag goed vindt, maar morgen
niet bekennen wil!
Zóo verliep de eene dag na den andere, zonder mij eenige tijding van
Viola te brengen.
Eerst had ik alle concerten, comedies en partijen nagejaagd; ik was
zelfs verder gegaan en had geluk gezocht overal waar verstrooiing,
verdooving, vergeten, te vinden was. Doch nergens had ik voldoening
gevonden en mijn vrienden hadden zoo den spot gedreven met mijn
vervlogen liefde voor Viola, dat ik geëindigd was met naar mijne kamer
terug te keeren en mij, even als ik gedurende de zes weken van mijn
engagement gedaan had, geheel van de buitenwereld af te zonderen.
In die dagen kwam een oud-oom mij bezoeken.
Hij feliciteerde mij met mijn engagement en verzocht mij dringend om
hem, zoo spoedig mogelijk, aan Viola voor te stellen, van wie hij, door
mijn brieven, zoo veel goeds en liefs gehoord had.
Ik had hem twee maanden geleden het laatst geschreven.
»Mijn engagement is af,” zei ik kregel, Seraf een schop gevend, omdat
ik mijn oud-oom niet schoppen kon.
»Af!”
De goede man stikte haast in dat woordje.
»Ja,—oom—af!”
Toen moest ik een predicatie slikken van meer dan een half uur lang,
die daarop neerkwam dat ik een ezel zijn moest om een engagement met
een schatrijk meisje, dat mooi en goed was en mij lief had boven alles,
te verbreken zonder reden!
»Zonder reden!”
Ik dacht dat het mijn oud-oom in zijn hoofd scheelde.
»Gij hadt er het recht niet meer toe.”
»Het recht!”
Ik proponeerde mijn oud-oom een wandelingetje buiten de stad, om hem
wat tot bedaren te brengen.
Seraf moest thuis blijven omdat hij gaarne mee wilde.
Die wandeling was vrij vervelend.
Oom zeide niets. Ik neuriede een deuntje en sloeg met mijn stok elk
voorwerp dat ik voorbij liep; eens onder anderen, een kind dat ik met
een cent tot zwijgen moest brengen omdat het »Vader!” en »Moeder!”
gilde.
Viola!
Mijne knieën knikten—het bloed stolde mij in de aderen—mijn hart hield
op te kloppen.
Viola!... De laan inkomende, voor ons, vijftig, veertig schreden van
ons af,—mager, bleek, gebogen, leunend op den arm van haar
gezelschapsjuffrouw.
Zij zag op. Hare oogen ontmoetten de mijnen. Ook hare knieën knikten,
ook haar stolde het bloed in de aderen, ook haar hart moet een
oogenblik opgehouden hebben te kloppen.—Ik zag het. Zij beefde en
verbleekte nog meer. Doch zij herstelde zich, hief het hoofd op en zag
mij aan alsof zij in het diepst van mijn ziel wilde lezen.
Er lag zoo iets lijdends en toch zoo iets onbeschrijfelijk fiers en
edels in dien blik, dat ik mijn oogen neersloeg en, met de hand aan den
rand van mijn hoed, bleef staan, zonder de kracht te hebben haar te
groeten.
Zij was voorbij.
Dien avond bekende ik mijn oom dat hij gelijk had, dat ons engagement
nooit verbroken had moeten worden.
Ik smeekte hem mijn voorspraak bij Viola te wezen, haar te zeggen wat
hij wilde, maar niet te rusten vóor zij mij vergeven zoude hebben.
Hij ging. Het was op een Maandag morgen. Ik zie hem nog, met zijn
dikken stok en zijn wijden overjas. Seraf en ik stonden voor het raam
hem na te oogen.
Hij bleef een uur uit, op de minuut af. Dat is het langste uur van mijn
leven geweest.
Ik lachte toen ik hem eindelijk terug zag komen, over het smalle gele
brugje tegenover mijn huis.
Hij lachte niet.
Ik snelde hem te gemoet.
Hij duwde mij naar binnen. Hij had een briefje in de hand, geschreven
door Viola! Ik greep er naar, maar hij trok het terug, stapte mijn
kamer binnen, wierp zich neder op mijn eenige fauteuil en plaatste,
langzaam als oude menschen, zijn stok tusschen zijn beenen, zijn hoed
er op, zijn handschoenen daarop.... Ik greep de heele pyramide en wierp
haar op tafel.
»Eduard,” begon hij, »ik geloof dat gij een gevaarlijk spel gespeeld
hebt met de eenige vrouw, die u mogelijk ooit oprecht heeft
liefgehad....”
»Dat briefje, oom!—In Gods naam, geef mij dat briefje!”
»Nog niet. Luister eerst. Viola is ongesteld—zij lag te bed toen ik mij
liet aandienen. Zij is opgestaan op het hooren van uw naam en beneden
gekomen om mij te woord te staan. Ik heb haar gezegd wat ik wist en
haar gesmeekt u uw dwaling te vergeven, u verontschuldigende zooveel in
mijn vermogen was. Zij heeft mij aangehoord ten einde toe, en toen ik
zweeg, heeft zij mij de hand gereikt, met de woorden: »Gij zijt goed,
mijnheer Van Ranzen. Ik dank u voor hetgeen gij voor mij gedaan hebt.
Maar ik heb te veel van Eduard gehouden om nu nog gelukkig met hem te
kunnen zijn. Hij heeft zelf ons engagement verbroken,—laat het zóo
blijven, het is goed zóo.” Ik kon haar geen ongelijk geven. Toch vroeg
ik haar nog: »Maar indien gij zóoveel van hem gehouden hebt, gevoelt ge
nu dan niets meer voor hem?”—»Niets dan angst,” antwoordde zij zacht.
»Ik begrijp hem niet meer, ik versta hem niet meer, ik ken hem niet
meer, hij is mij vreemd geworden.” Ik stond op om heen te gaan. »Neen,
nog niet,” vroeg zij smeekend, mij naar mijn stoel terugwijzend. »Gij
hebt nog wel een oogenblikje tijd, niet waar?—Ik wil hem
schrijven—zelve—dan kan hij niet meer twijfelen.” Zie hier hetgeen zij,
in mijn bijzijn, voor u geschreven heeft.”
Ik wierp mij met een kreet op het briefje, scheurde het mijn oud-oom
uit de hand, en had weer hoop zoodra ik het schrift mijner Viola
herkende.
Zij had te veel van mij gehouden, zij moest mij vergeven, indien ik het
wilde.
Zie hier wat ik las:
»Waarde Heisterman!”
Ik had simpeltjes »Viola” gezet, dat begin was beter dan het mijne.
»Waarde Heisterman!
»Er ligt een geheim of een onwaarheid tusschen ons, misschien een
misdaad. Ik heb u liefgehad zoolang ik u vertrouwde, maar mijn
vertrouwen is weg, en uwe liefde is niets meer voor mij.
Viola.”
En het was Viola, Viola zelve, die mij zulk een briefje schreef! Ik kon
mijn oogen niet gelooven! Ik herlas het, bekeek het, betastte het,
herlas het weder. Eindelijk geloofde ik. Toen zonk ik luid snikkend op
een stoel, terwijl het briefje uit mijn handen gleed. Seraf hapte er
naar en zette er een poot op, maar mijn oud-oom nam het hem af en
vroeg:
»Mag ik?”
Ik knikte toestemmend.
Hij las het en gaf het mij weder, zeggende:
»Dat meisje heeft gelijk. Zij is ook veel te goed voor u.”
Hij wendde het hoofd van mij af, greep zijn hoed, vergat zijn stok, en
liep met zijn handschoenen in de hand, de deur uit.—Toen hij het raam
voorbij kwam, meende ik een traan in zijn rechteroog te zien.
Mijn oud-oom was een braaf, rechtschapen man, een van die zeldzame
menschen, die met opgeheven hoofd en vasten tred het leven doorstappen,
van de wieg tot het graf, zonder ooit te wijken of te buigen, brekende
al wat den rechten weg verspert, vertrappende al wat kruipt of naar
beneden trekt; een van die bijzondere menschen voor wien een booswicht
beeft, voor wien een braaf mensch zijn minderheid erkent.
Geen wonder dus dat zijn woorden mij geweldig hinderden. Terstond na
zijn vertrek gevoelde ik dat hij gelijk had. Viola was te goed voor mij!
Maar juist omdat zij te goed voor mij was, en omdat zij mijn liefde
versmaadde, had de hare waarde voor mij verkregen, en zwoer ik bij mij
zelven dat zij eenmaal de mijne zou zijn!—Vroeg of laat zou Viola mij
toebehooren! Nooit zou een ander eenig recht verkrijgen op de vrouw,
die mij eenmaal uit liefde alleen, haar gansche leven beloofd had!
Vroeger had ik haar om mijnentwille liefgehad, omdat ik iets
aangenaams, iets streelends vond in het denkbeeld van over iemand te
heerschen, die mij als een vriend, een beschermer, een voorbeeld, een
volmaaktheid beschouwde, en zelve als het ware niet leefde, niet
bestond dan door haar grenzenlooze liefde voor mij.
Nu gevoelde ik dat Viola zich aan mijn heerschappij onttrokken had, dat
zij zich boven mij verheven achtte, dat zij mij haar liefde niet meer
schenken wilde. En het was om harentwille dat ik haar lief begon te
krijgen!
Viola, goedig, zacht, aanhalig, vriendelijk, eenvoudig, de Viola van
vroeger, voor wie ik een afgod was geweest, had ik als mijn eigendom
beschouwd, als een bezitting, waarop geen ander ooit eenige aanspraak
zou kunnen maken.
De fiere, onbuigzame Viola van thans, was vrij. Zij gevoelde haar
onafhankelijkheid, en verkoos die boven alles, zelfs boven den man,
dien zij eenmaal zoo innig, zoo waarachtig lief had gehad.
Welk een triumf voor mij, dien trots, dien hoogmoed, te doen buigen
voor mijn wil!
Mijn eerste bezoek den volgenden morgen was bij Viola.
Ik kreeg belet.
Ik plaatste mij onder een boom tegenover hare woning en bleef daar
staan, vijf uren lang, met het oog op het venster van haar kamer
gericht.
Ik had gehoopt dat zij uit zou gaan; maar zij vertoonde zich niet.
Tegen drie uur begon het te regenen, en ging ik naar huis.
Den volgenden dag herhaalde ik mijn poging. Ik kreeg weer belet en
bleef eenige uren onder den bewusten boom staan, zonder iets van Viola
te bespeuren.
Veertien dagen waren er op die wijze voorbij gegaan, toen ik eens, om
drie uur naar huis terug keerende,—ik was altijd op het uur van mijn
eerste regenbui naar huis gegaan—achter mij hoorde hoesten.
Ik zag om en herkende Viola!
Zij kwam uit een zijstraat en leunde op den arm van haar
gezelschapsjuffrouw. Zij was nog bleeker, nog magerder dan de laatste
maal dat ik haar gezien had. Hare oogen waren grooter geworden, haar
lippen smaller, haar houding gebogener, haar gang langzamer, zij
hoestte.....
Zij had mij niet gezien. Eerst toen zij naast mij was gekomen, zag zij
mij, bloosde even, wendde het hoofd van mij af en vervolgde haar weg
naar huis.
Veertien dagen lang had ik gehoopt haar te zien, had ik slechts éen
wensch gehad: haar te spreken! Nu eindelijk zag ik haar, vóor mij,
naast mij..... En ik zei niets.... geen woord.... Ik zag haar de stoep
opgaan, aanschellen, binnentreden....
De deur sloeg dicht.
Van dien dag af staakte ik mijn pogingen om door haar ontvangen te
worden en ging ik eerst tegen het vallen van den avond onder den boom
tegenover het venster staan.
Dan zag ik licht door de reten van de luiken schijnen. Maar het licht
verdween elken avond wat vroeger.... totdat eindelijk alles duister
bleef.
Zou Viola ongesteld wezen, zwaar ziek, stervende mogelijk?
Ik schelde aan.
De gezelschapsjuffrouw deed mij open.
»Viola wacht u. Ga binnen.”
Mijn God, welk een geluk! Ik had wel aan de voeten van de juffrouw neer
willen zinken om haar te danken voor die woorden. Maar Viola wachtte
mij. Zij vergaf mij dus, zij zou de mijne zijn, zij behoorde mij reeds
toe!
En, zonder naar de juffrouw om te zien, stapte ik haar voorbij om bezit
te nemen van mijn eigendom.
Viola!
Het was mij alsof de aarde onder mijn voeten wegzonk en de hemel over
mijn hoofd in donkere golven voortrolde.
Viola in die diepte!
Viola op die golven!
Een oogenblik was alles duister.
»Dank je Eduard!”
Die bekende lieve stem, die zachte handdruk riepen mij in de
werkelijkheid terug.
Viola lag op een zwart fluweelen canapé, haar oogen rustten op de
mijnen, haar lippen lachten.
Mijn God, welk een blik en welk een lach waren dat!
Wat ik op dat oogenblik gevoelde, weet ik niet: het was mij alsof er
niets meer bestond, niets dan mijn eigen ziel en die leed geweldig!...
Hoe ik geknield naast de canapé ben gekomen, weet ik ook niet. Ik
herinner mij niets meer van dat bezoek dan dat Viola’s stem mij in de
ooren klonk en dat ik woorden gehoord heb die mij altijd bijgebleven
zijn.
»Verwondert het u dat ik sterf, Eduard?... Maar gij wist immers dat ik
zonder u niet leven kon...
»Uwe liefde was mij een levensbehoefte geworden... dit weet gij.... En
toch hebt gij mij uwe liefde ontnomen....
»Toen uw oom mij spreken kwam, had ik bloed opgegeven.... De dokter had
mij gezegd dat ik genezen kon, indien ik naar Italië of het Zuiden van
Frankrijk wilde gaan.... Maar ik was hier te gelukkig geweest... ik kon
mijn stadje niet verlaten. Ik gevoelde toch dat ik sterven moest. En ik
wilde sterven waar ik u had liefgehad...”
Wat ik haar gezegd heb weet ik niet, maar zij antwoordde:
»Neen Eduard, gij zijt jong, gij zijt gezond en sterk, het leven moet
nog lang voor u zijn. Uwe toekomst kan nog zóo schoon, nog zóo gelukkig
wezen! En wat kunt gij nog veel goed doen, nog veel nut stichten in de
wereld....
»Vergeet mij niet, Eduard!.... En wanneer gij weer een vrouw zult zien,
die gij schoon vinden, die gij lief hebben zult, denk dan nog eens aan
de arme Viola, en beloof haar uw liefde niet, wanneer gij haar later te
leur zoudt kunnen stellen....”
Verder herinner ik mij van dien avond niets meer, dan dat ik, t’huis
komende, Seraf bij ongeluk op zijn staart trapte en hem toen met tranen
in de oogen een zoen gaf.
Nog nooit had ik zooveel van Viola gehouden.
Arme Viola!
Tweemalen ging ik haar nog bezoeken. Zij had mij alles vergeven. Toen
ik de derde maal kwam, stond zij geheel gekleed in het midden van de
kamer.
O, dien dag vergeet ik nooit!
Ik zie haar nog, met haar licht blauw gewaad, met haar goudblonde
lokken en haar lieven zachten lach.