»Dat mooie jonge meisje! O gij moet mij nog veel van haar vertellen,

mijnheer Werner, want Lina van Wageningen is maanden lang een charme

van me geweest zonder dat ik haar persoonlijk kende.”

»Hoe dat, mevrouw?”

»Papa had naar Holland geschreven om een gouvernante voor mij en was

met juffrouw Van Wageningen in correspondentie geraakt. Mij beviel zij

in hare brieven bijzonder, ik hield zelfs zóo idolaat van mijn

onbekende gouvernante dat ik ongelukkig was als de mail geen tijding

van haar bracht. Maar mama had iets tegen haar: ik geloof dat het de

schuld van een mijner tantes in Holland was, die haar trotsch genoemd

had en coquette. Enfin ik weet niet wat er de reden van geweest is,

maar ik weet wel dat ik een andere gouvernante gekregen heb, een

leelijk, onaangenaam oud mensch, dat ik letterlijk weggekibbeld heb, en

dat juffrouw Lina, mijn charme, Samarang doorgetrokken is zonder zelfs

bij ons aan te komen. Papa wist dat zij in de stad was en twee dagen

bij de Langens, kennissen van ons, logeeren zou, maar hij heeft er mij

niets van gezegd vóor dat zij weer vertrokken was. Hij wist ook wel dat

ik anders niet te houden zou geweest zijn, dat ik mijn jufje had moeten

zien, en haar éens ten minste de hand drukken eer ze verder zou gaan.”

»’t Is jammer genoeg dat zij uw gouvernante niet geworden is, want haar

zoudt gij zeker niet weggekibbeld hebben. Gij zoudt in haar niet alleen

een bekwame leermeesteres hebben gevonden, maar ook zeker een trouwe

vriendin.”

»Dat dacht ik ook, ofschoon ik wel wat bang was voor zoo iets

buitengewoon knaps.”

»O neen, mevrouw, wanneer gij haar kennen leert, zult gij zien dat Lina

van Wageningen niet iemand is om bang voor te wezen. Zij is de goedheid

en de eenvoud zelve en heeft het zachtste, liefste, meegaandste

karakter dat men zich denken kan. En talent! O, gij zult haar hooren

zingen hoop ik. Heerlijk! verrukkelijk! Met een gevoel dat de diepste

snaren der ziel doet trillen. Ik heb menigen avond bij de familie

Oristorio di Frama doorgebracht, waarop ik volmaakt gelukkig was en

gevoelde dat ik beter werd in die atmosfeer van deugd, beschaving en

schoonheidsgevoel. Het is alsof die uitmuntende menschen het verward

gegons der wereld ontvlucht zijn, om op Felicità, zoo heet de fabriek,

dat ensemble eener volmaakte familie samen te stellen, zooals men ze,

vooral in Indië, maar hoogst zeldzaam aantreft.”

»Hoe?” vroeg Louise op eens, »galoppeert men?”

Werner begreep eerst de vraag niet, en wist toen niet recht wat hij

zag. »Het schijnt zoo,” antwoordde hij eindelijk. »Ik geloof wezenlijk

dat men een nieuwen dans begonnen is.”

Het was de derde reeds, sedert hij zijn wandeling met Louise te midden

der dansende paren aangevangen had.

»Het is alsof ik van avond bestemd ben om indiscreet te wezen,”

vervolgde hij. »Ik heb zoozeer misbruik van uwe goedheid gemaakt, dat

ik nauwlijks op vergeving durf hopen. Maar ik heb ook in het geheel aan

geen dansen meer gedacht!”

»Ik ook niet!” liet Louise zich ontvallen, maar zich terstond weer

herstellende, voegde zij er schielijk bij: »Wie zou ook geen dans

vergeten voor een familie Oristorio di Frama!”

Naar haar plaats terugkeerende, hoorde zij een cavalier tegen zijn dame

zeggen: »Het is half drie geslagen.”

En het speet haar dat het zoo laat was.

Nog éen quadrille slechts zou er gedanst worden, een monster-quadrille,

waarin zoo mogelijk het gansche bal vereenigd zou zijn. Louise danste

met den resident, tegenover hen stond Werner met Lina van Wageningen,

omdat mijnheer Joly, de vis-à-vis van den resident, plotseling met

zware hoofdpijn van het bal verdwenen was en er niemand anders meer

overbleef dan Werner, die met Lina zat te praten omdat hij geen

vis-à-vis had kunnen vinden.

Louise vond het heel aardig dat zij Lina eens van nabij bekijken kon,

maar het hinderde haar dat Werner tegenover haar stond. Waarom? Dit

wist zij zelve niet. Het was haar als schaamde zij zich voor hem. En

waarover? Ook dit wist zij niet.

De resident was weer uitgelaten vroolijk en onbeschrijfelijk

luidruchtig. Hij gaf zelf de figuren op, moedigde de muzikanten aan,

riep elk oogenblik »en galop!” en was zoo opgewonden en druk dat zijn

vroolijkheid aanstekelijk werd en de gansche quadrille eindelijk

lachend in het honderd liep. Toen riep hij nog eens: »en galop! En

galop voor finale!” en die galop was zoo wild en woest, dat de meeste

paren zich zoo schielijk mogelijk terugtrokken en, onder daverend

handgeklap, den resident en zijn vrouw eenparig de zegepraal toekenden,

toen zij eindelijk, hijgend en afgemat, het laatst van allen naar hun

plaatsen terugkeerden.

TWINTIGSTE HOOFDSTUK

EEN NIEUW GEVOEL

Den volgenden morgen was de resident reeds sedert eenige uren op zijn

bureau en nog had Louise haar kamer niet verlaten. Zij was vermoeid en

had behoefte aan rust, en de resident had bevolen dat men haar rust

eerbiedigen zou.

De dienstboden spraken geen woord en slopen als schimmen door het huis,

omdat mevrouw sliep. En mevrouw zat intusschen in kaïn kabaya, met

loshangend haar, op een rotangstoel door de half geopende jalousiën in

den tuin te staren. Zij keek naar het lustig springen der vogels op de

dunne takjes der tamarindeboomen, en volgde met een glimlach de snelle

bewegingen der kleine, fijne blaadjes, terwijl zij dacht aan het bal

van gisteren....

Aan het bal?—Neen, eigenlijk niet zoozeer aan die golvende, verwarde,

bonte menschenmassa, aan dat schuivend, sleepend, gonzend, zingend en

trommelend geraas, als wel aan het eenige dat zij in dien chaos

opgemerkt had.

Werner!

Werner was een zonderlinge verschijning voor haar geweest. Zij zag hem

nog. Zij hoorde hem, verstond hem, bewonderde hem. Het was of hij den

afstand tusschen den resident en haar nog grooter had gemaakt, en alsof

er geheel geen afstand bestond tusschen Werner en haar.

Ziedaar voor het gevoel.

Voor het verstand was Werner niet anders als een ander, niets meer dan

een vreemdeling. Iemand dien men toevallig ontmoet, met wien men danst

en spreekt, dien men goed vindt en..... vergeet!

Verstand en hart waren nog niet tot elkander gekomen, daarom begreep

het eene niet wat het andere gevoelde.

Louise zag de bladeren bewegen, glimlachte en besefte niets.

Zij kende Werner niet, en toch was het haar alsof hij sedert jaren

reeds een vriend van haar geweest was. Die man moest weten wat er in

hare ziel omging: dat gevoelde zij.

»Die man weet niets!” riep het kalm berekenend verstand.

»Die man is edelmoedig en groot en niet in staat iemands vertrouwen te

misbruiken. Hij is beter dan de beste mannen die gij tot dusver ontmoet

hebt, en volmaakter dan allen die gij ooit ontmoeten zult!” klopte weer

het hart.

»Zij die zich het beste voordoen, zijn dikwijls de slechtsten,” hernam

het hoofd.

En Louise glimlachte voort, met Werners naam op de lippen, en besefte

nauwlijks welke haar gedachten waren.

Plotseling sprong zij op: zij had in de binnengalerij de voetstappen

van den resident gehoord. In verwarring snelde zij naar de deur, doch

even verward keerde zij weer naar haar plaats terug, blozende en

verwonderd over haar eigen ontsteltenis.

De resident trad nauw hoorbaar de kamer binnen, om zijn vrouw niet in

haar slaap te storen, maar toen hij haar klaar wakker naar zich toe zag

komen, ving hij haar luid lachend in zijn armen en plaatste haar naast

zich op de rustbank, terwijl hij vriendelijk vroeg:

»Nu, hoe gaat het, Poes? Zijt gij eindelijk uitgerust van de

vermoeienissen van gisteren? Weet gij wel hoe laat het is? Bij half

twaalf! Verbeeld je!”

»Bij half twaalf?”

»Ja, bij half twaalf. Gij hebt zoo wat een uur of acht aan éen stuk

doorgeslapen! Wat zegt gij daarvan?”

»Dat het mij zeker goed zal doen!”

»Komt gij straks aan tafel? Of wilt gij liever wat eten in uw kamer

hebben? Dan behoeft gij u niet te kleeden, want de secretaris blijft

van daag.”

»O! ja, stuur mij als je blieft maar wat eten hier, en excuseer mij bij

den secretaris, die toch zeker liever met u alleen zal zijn.”

»Neen, neen! Daar ben je van de wijs! Metman blijft juist, op hoop van

je te zien. Hij is smoorlijk verliefd op je. Hij vindt je zóo mooi dat

hij den ganschen morgen bij mij op het bureau gezeten heeft zonder een

oogenblik op te houden uw éloges te maken!”

»Dat waren de uwen ook.”

»Natuurlijk.”

»Maar wie is Metman ook weer? Ik kan mij in het geheel niet herinneren

wien gij mij gisteren als den secretaris voorgesteld hebt.”

»Wel, zoo’n klein, zwart kereltje, met levendige oogen en....”

»O ik weet het. Net een muisje dat men half verdronken bij zijn oortjes

uit het water heeft gehaald!”

»Die is unique! Ik zie er hem in! Wacht dat zal hem leeren verliefd

zijn op de vrouw van een ander! Ja, zóo zijn de vrouwen, zoo spreken

zij over de arme drommels die zich de moeite geven van haar éloges te

maken!

»A propos, Louise, ik heb mijnheer Oristorio di Frama gisteren beloofd,

dat wij hem morgen een bezoek op Felicità zouden brengen; ik heb reeds

een span paarden vooruit gezonden, en den koetsier gezegd dat hij

morgen ochtend vóor zessen gereed zou zijn om af te rijden. Zorg dus

dat gij op uw tijd klaar zijt, dan zullen wij eens een prettig

uitstapje maken.”

De resident drukte nog even Louise’s hand in de zijne en keerde naar

zijn bureau terug.

Louise’s hart klopte schier hoorbaar. Zij zou naar de familie Oristorio

gaan! En dat reeds morgen! Verscheidene dagen mogelijk, zou zij te

zamen zijn met de vrienden van Werner!

Zij wist zelve niet wat zij gevoelde en waarom zij op eens zoo gelukkig

was. Voor het eerst sedert haar komst te A. speelde er een hoopvolle

lach om haar lippen en daalde er een ongekende vreugde in haar hart.

Toen dacht zij aan het kleed dat zij aan zou doen, aan het kapsel dat

haar het beste stond, aan de kleuren die haar het meest flatteerden,

aan alles, in éen woord, dat haar gisteren nog volkomen onverschillig

was en nu haar hart deed bonzen met een onstuimigheid, waarvan zij zich

geen rekenschap kon geven.

EENENTWINTIGSTE HOOFDSTUK

SYMPATHIE

Het was bij tienen toen de resident en mevrouw Stevens van Langendijk

den volgenden morgen op Felicità aankwamen, waar mijnheer en mevrouw

Oristorio di Frama in de voorgalerij gereed stonden om hen te

ontvangen.

Louise was opgetogen van bewondering over de heerlijke gezichten, die

zich op reis onophoudelijk voor haar oog ontrold hadden. Zij sprong het

eerst het rijtuig uit, reikte mijnheer Oristorio de hand, vloog mevrouw

om den hals en vroeg terstond naar Lina en Melatie.

»De meisjes zullen dadelijk te huis komen, hoop ik,” antwoordde mevrouw

di Frama, Louise bij de hand naar binnen geleidende. »Zij zijn even

uitgegaan om bloemen te plukken, daar Melatie beweerde dat gij te jong

waart om een kamer te betrekken die niet behoorlijk met bloemen

versierd was.”

»Zij heeft gelijk, en weet mogelijk bij ondervinding, dat bloemen

vrienden zijn, die wij altijd blij zijn weer te vinden, omdat ze ons

vriendelijk welkom heeten, waar wij ze ook op onzen weg ontmoeten!”

Lina trad binnen, gevolgd door Melatie, die, op Werners arm geleund,

een vreemde bloem bewonderde, welke beiden vasthielden.

»Kijk mama....”

Zij zag mevrouw Stevens, zweeg, trok haar hand uit Werners arm terug en

liet de bloem los, die ook Werner vallen liet.

Louise stond op om de nieuwgekomenen te groeten, reikte hun de hand,

maar sprak geen woord en kon haar oogen niet afwenden van de jonge,

gelukkige Melatie, wier buitengewone schoonheid schier een onaangenamen

indruk op haar maakte. Nog nooit had zij iemand iets benijd en nu

benijdde zij dat vroolijk, lachend kind haar open oog en haar

verstandig voorhoofd! Zij schaamde zich het onbestemd gevoel van

wangunst, dat zich plotseling van haar meester had gemaakt, en wilde

het overwinnen door Melatie nader te leeren kennen. Zij trok het meisje

naar zich toe, vroeg haar hoe oud zij was, of zij van uitgaan hield, of

zij gaarne naar A. ging enz. enz. en eindigde zelfs met haar te

logeeren te vragen. »Als gij er lust in hebt en uw ouders er niets

tegen hebben, kunt gij morgen avond met ons meegaan.”

»Als ik lust heb?” herhaalde Melatie opgetogen. »O ik zou dol gaarne

met u meegaan mevrouw, maar ik ben nog nooit alleen uit logeeren

geweest.”

»Welnu, dan zal het voor het eerst wezen, indien uw mama u ten minste

aan mijn zorgen toevertrouwen wil. Ik beloof dat ik goed op u passen

zal en dat wij u zelven weder te huis zullen brengen om zeker te zijn

dat gij goed terecht komt.”

Melatie wierp een smeekenden blik op haar moeder, daarna op haar vader,

eindelijk op haar gouvernante, en vloog toen met een kreet van vreugde

mevrouw Stevens om den hals.

»Ik mag! ik mag! Lieve mevrouw, wat maakt gij mij gelukkig!” riep zij

met zulk een geestdrift, dat Louise haar in de armen sloot en

plotseling die krachtige sympathie, die hartelijke genegenheid voor

haar gevoelde, welke slechts door de innige overeenstemming van

verwantschapte zielen ontstaan kan.

Van dat oogenblik af waren mevrouw Stevens en Melatie onafscheidelijk.

Telkens zaten zij te zamen te fluisteren of wierpen zij elkander

blikken van verstandhouding toe, door die vriendinnen van éen

oogenblik, verstaan en beantwoord alsof zij haar leven lang bij

elkander waren geweest en nimmer nog een andere taal dan die samen

gesproken hadden.

Melatie, die in een atmosfeer van sympathie en liefde te huis behoorde,

begreep terstond de aantrekkingskracht die mevrouw Stevens voor haar

had, en gaf zich geheel aan de inspraak van haar hart over, met den

eenvoud en de oprechtheid, zoo eigen aan haar ongekunstelde vrije

natuur. Louise daarentegen begreep niets, en zij verwonderde zich over

de zonderlinge gevoelens, die Werner en Melatie sedert een paar dagen

bij haar hadden opgewekt. Nog nooit was zij zoo opgeruimd en gelukkig

geweest als op dit oogenblik, en toch lag er iets dat aan weemoed

grensde, in het vriendelijk oog der jonge vrouw, terwijl er iets dat

naar medelijden geleek, uit den half weerhouden lach van het jonge

meisje sprak.

Wat waren zij samen gelukkig! Zij speelden piano, zongen duo’s die

wegstierven in een schaterlach, vlogen op het heetst van den dag den

tuin in om lelies te plukken aan den waterkant, kleedden zich toen in

dezelfde kamer aan en lachten om den resident, die in de voorgalerij

zat te pruttelen over de onbezonnen wildheid zijner vrouw.

Zóo vloog de dag voorbij tot dat tegen half zes des namiddags de

deftigheid hersteld werd door een wandeling, waaraan alle huisgenooten

deel namen.

Mijnheer en mevrouw Oristorio riepen Melatie ter zijde om haar onder

het oog te brengen dat haar vrijpostigheid de grenzen der

welvoegelijkheid te buiten begon te gaan. »Vergeet niet,” dus eindigde

haar moeder, »vergeet niet dat mevrouw Stevens de vrouw is van den

resident van A.”

Maar Melatie die een oogenblikje sip gekeken had, zag vragend om naar

haar nieuwe vriendin en fluisterde haar moeder zacht in ’t oor: »Zij

houdt veel meer van mij dan van den resident, mama, en ik houd ook veel

meer van haar dan van hem.”

Een veelbeteekenend »chut!” van vader en moeder tegelijk, deed Melatie

gelukkig nog in tijds zwijgen, daar de resident hand in hand met zijn

vrouw kwam aanloopen om lachend aan mevrouw Oristorio te vragen, of zij

ooit een kinderachtiger residentsvrouw gezien had dan Louise was?

»Nog nooit,” antwoordde de gastvrouw vriendelijk, »maar ik heb ook nog

nooit een residentsvrouw van de jaren van mevrouw Stevens

ontmoet,—evenmin als een resident van uw leeftijd.”

Melatie had intusschen Werner in een der tamarindelanen ontdekt. Met

een kreet van vreugde snelde zij hem te gemoet, vatte hem bij de hand

en vertelde hem, geheel buiten adem door het loopen, dat mevrouw

Stevens haar vriendin geworden was. »O, zij is zoo lief,” fluisterde

zij lachend. »Zoo vroolijk en zoo goed! Zij heeft mij beloofd van avond

quatre-mains met mij te spelen, en dan zal jufje zeker zingen. Gij

blijft bij ons, niet waar, mijnheer Werner?”

»Ja, uwe ouders hadden mij verzocht een paar dagen langer te blijven;

maar ik moet morgen naar de fabriek terug, waar mijn bezigheden mij

wachten. Heden avond kan ik dus nog van uw aller talenten genieten.”

Daarna werd het gesprek algemeen en wandelde het gezelschap tot een

kleine hoogte voort, welke men beklom om van dáar een blik te werpen

over de omliggende vlakten en dessahs.

De resident klapte in de handen van bewondering toen hij, het eerst

boven gekomen, zijn oog liet weiden over het prachtige landschap dat

aan zijn voeten lag.

»Jongens! jongens! Wat is dat hier toch een rijk land!” riep hij

uitgelaten. »Kom gauw kijken, Louise! Hier, zie eens even die

rijstvelden. Dáar dat riviertje dat tusschen al die dessahs

doorkronkelt! Die hooge bosschen daar ginder! Die bergen op den

achtergrond! Mijn God! mijn God! Het verwondert mij niet dat jelui,

landheeren, hier allen fortuin maakt. ’t Zou wel vreemd zijn, als het

anders was. Dom geluk!”

Louise wierp een blik in de richting door den resident aangewezen.

»Mooi, hè?” vroeg hij, zijn arm om haar middel slaande.

»Hm—m!” antwoordde zij afgetrokken. Toen wikkelde zij zich uit zijn arm

los en begaf zich naar de andere zijde der hoogte, van waar men de zon

in volle pracht zag ondergaan, achter een der schoonste landschappen

die men zich denken kan. Dáar bleef zij staan, als vastgenageld aan den

grond, met vonkelende oogen, half geopenden mond en saamgevouwen

handen, opgetogen, verrukt, meegesleept, zich badend in zielsgenot.

Zóo zag Werner haar en de bewondering die hij voor haar gevoelde, moet

geleken hebben naar die welke zij voor de natuur gevoelde.

Naar gelang de wolken haar gouden randen verloren en de laatste

zonnestralen wegzonken achter het uitgestrekt gebergte, verminderde ook

Louise’s opgetogenheid. Langzamerhand verloren haar oogen hun glans,

sloten haar lippen zich, boog zij het schoone hoofd neder. Haar armen

hingen machteloos, groote tranen trilden aan de lange zwarte pinkers en

een diepe zucht ontsnapte den geprangden boezem.

»Ha! ha! ha!” klonk de schelle stem van den resident. »Is dat nu uw

manier van bewonderen? Ik lach als ik iets zie dat mij bevalt, en gij

huilt er om!”

Louise begreep niet recht. Zij sloeg haar groote, donkere oogen treurig

op, wierp een teleurgestelden blik om zich heen en bleef zwijgen.

»Kom, kom, weg met die tranen! En nu vroolijk en welgemoed naar huis

terug, niet waar mevrouw di Frama?”

Dit zeggende greep hij Louise bij de hand en trok haar mede den berg

af.

Louise lachte even, maar dat lachje was zoo diep weemoedig, dat het

Werner als een droeve klacht in de ziel drong en hem haastig het hoofd

van haar deed afwenden.

Louise echter had den traan gezien dien hij voor haar verbergen wilde

en ook zij wendde haastig het hoofd van hem af. Met een soort van

afschuw trok zij plotseling haar hand uit die van den resident terug;

maar met de eigenaardige scherpzinnigheid der vrouw, bijna op hetzelfde

oogenblik gevoelende dat zij verkeerd handelde, volgde zij de eerste

gedachte die zich aan haar verwarden geest voordeed en riep lachend:

»Wie van ons beiden het eerst beneden is, Mela!”

Eer iemand nog begrepen had wat er gebeuren moest, was zij reeds met

het jonge meisje in het kreupelhout verdwenen, en een oogenblik later

vond men haar weer aan den voet van den berg, de beide handen vol

klimop, waarmede zij bezig was Melatie op te sieren. Zij bloosde licht

toen zij Werner het eerst van het slingerpad zag afkomen, maar zich

spoedig herstellende, wierp zij de klimop om Melatie’s hals, liep toen

haastig den resident tegemoet en legde haar hand op zijn arm, hem

lachend vergiffenis vragende voor de onstuimigheid waarmee zij hem

verlaten had. »De gelegenheid was al te schoon,” riep zij spottend, »ik

kon den lust geen weerstand bieden om nog eens even kind te wezen. Toe,

vergeef het mij maar?”

Hij vergaf het haar en allen vergaven het haar en men werd weer even

spraakzaam en vroolijk als van te voren.

Werner alleen bleef stil en afgetrokken. Hij liep met Lina achter aan

en deed zijn best om het gesprek gaande te houden, dat grootendeels

door Lina alleen gevoerd werd, terwijl hij zich hield alsof hij

aandachtig luisterde naar de woorden welke hij maar half verstond. Zij

hadden het over planten en bloemen gehad, zij hadden het schoone

landschap en de opkomende maan bewonderd, zij hadden gefilosofeerd over

het menschelijke leven en gezweefd in de hooge sferen van kunst en

poëzie, en toen zij eindelijk te huis kwamen en verblind werden door

het schitterend licht der lampen, was Werner verwonderd zich niet meer

op den berg te bevinden, waar hij nog altijd een schoone vrouw in

verrukking dacht te zien.

Het souper en het theeuurtje waren vroolijker dan ooit. Louise vooral

was uitgelaten en haar vreugde was aanstekelijk, want een ongekend

gevoel van geluk doortintelde haar boezem. Haar hart, haar gansche

ziel, sprak uit haar kinderlijken lach, uit den blos harer wangen, uit

den gloed die haar groote oogen nog schooner maakte. De resident scheen

betooverd door zijn bekoorlijke Louise, die hij nog slechts éenmaal, op

zeker bal waar hij haar voor de eerste maal ontmoet had, zóo gezien had

als zij nu was, vroolijk, goedig, ongedwongen, in éen woord gelukkig!

Ook mijnheer en mevrouw di Frama, Lina van Wageningen en Melatie

deelden in Louise’s vreugde en gevoelden zich aangetrokken en

meegesleept door een geluk dat zoo duidelijk uit elk woord, uit elken

blik, uit elke beweging sprak. Zelfs Werner vergat zijn »schoone vrouw

in verrukking” voor de lachende Louise, wier eigenaardige wijze van

verhalen, fijnheid van opmerking en gevatheid in het antwoorden, hem

tusschenbeide tranen deden lachen.

Nog nooit had men op Felicità zulk een genoegelijken avond

doorgebracht; allen waren even opgeruimd en tevreden geweest, niemand

had er aan gedacht dat het reeds bij twaalven was. Toch moest Lina nog

zingen, had Melatie nog niet gedeclameerd, was de quatre-mains van

Louise en Melatie nog niet aan de beurt geweest en had de viool van

Werner nog geen toon doen hooren. Maar het was nu veel te laat geworden

om al die goede plannen ten uitvoer te brengen, welke men in den

vooravond gemaakt had; daarom werd er besloten dat Lina nog eens even

zou zingen en dat het overige gedeelte van het programma tot morgen zou

worden uitgesteld.

Werner accompagneerde Lina op de piano en Melatie sloeg de bladen om.

De resident had om een »vroolijk deuntje” gevraagd en het was een

vroolijk deuntje dat zij gezongen had, maar nauwlijks waren de laatste

tonen met een daverend applaudissement begroet geworden, of Werner

greep een stuk muziek van de piano en verzocht Lina het te zingen.

Reeds bij de eerste tonen verdween de lach van Louise’s gelaat, de

resident zweeg en mijnheer en mevrouw di Frama zagen elkander aan, met

een onmiskenbare uitdrukking van bewondering en welbehagen.

Het was het groote air uit de Freischütz, dat Werner uitgekozen had, en

dat Lina met een kalmte, met een eenvoud aanhief, die Louise de tranen

in de oogen riep. Nog zelden had Louise goede muziek gehoord en nooit

was die goed uitgevoerd geworden te Samarang, waar men in het geheel

geen opera en slechts een paar weinig beteekenende concerten in de

laatste jaren gehad had. Geen wonder dat de zuivere, krachtvolle stem,

die de jonge gouvernante, met zooveel kunst en smaak wist te leiden,

een diepen indruk op Louise maakte. Medegesleept door haar gevoel hing

zij met haar gansche ziel aan de ongekende heerlijke tonen, die haar

betooverden, verrukten en tot een soort van extase opvoerden, waaruit

men te vergeefs poogde haar in de werkelijkheid terug te brengen. Zij

lachte door haar tranen heen, hijgde, beefde en antwoordde zóo

koortsachtig, zóo gejaagd, zóo verward op alle vragen, dat de resident

haar met zijn gewone onbegrijpelijkheid uitlachte, en verwijtingen

deed, die zij niet scheen te verstaan.

Lina begreep terstond wat er in de fijngevoelige ziel der jonge vrouw

omging, en vreezende voor een overspanning, die haar diep geschokt

zenuwgestel niet langer scheen te kunnen dragen, gaf zij Werner een

wenk en begon een dier melodieuse, weemoedige liederen te zingen, die

in Duitschland alleen te huis schijnen te behooren.

Louise lachte eerst, maar langzamerhand werd die lach kalmer,

droeviger, totdat hij eindelijk in een luid snikken wegstierf.

Een huwelijk in Indië · 第 8 / 20 段