vertrouwen kunt, gij zult hem zenden naar de woning van Mina, en gij
zult hem zeggen dat hij zorgt dat de kinderen hier zijn tegen het
vallen van den avond. Dan zult gij ze hier in mijn kamer brengen en
zorgen dat niemand ze ziet.”
»Goed mevrouw.”
Dien avond tegen half zeven bracht Alima twee kleine jongens in
Louise’s kamer.
»Heeft njonja nog iets te bevelen?”
»Niets. Het is goed zoo.”
Alima ging heen.
Louise zag de beide jongens aan, zooals deze haar aanzagen, met groote,
nieuwsgierige, welwillende oogen; toen reikte zij beiden de hand en
plaatste ze naast zich, den een op de bank, den ander op een
rotangstoeltje.
»Zijt gij vermoeid van de reis?” was haar eerste vraag.
»Neen mevrouw,” antwoordden beiden te gelijk. »Wij zijn te paard tot A.
gekomen en toen hebben wij geloopen om niet herkend te worden,” voegde
de oudste er bij.
»Wij zijn achter door de heg in den tuin geslopen,” vervolgde de
jongste, »omdat wij bang waren dat....”
Een blik van den ander deed hem zwijgen.
»Dat?” vroeg Louise aanmoedigend.
»Dat papa ons zien zou,” antwoordde het kind gerustgesteld.
En Louise bloosde even als de beide kinderen over deze laatste woorden.
»Houdt gij van snoepen?” vroeg zij opstaande. »Hier heb ik wat manissan
en kwee-kwee voor u.”
Geen van beiden antwoordde, maar zij lachten en stonden op om de
bordjes aan te nemen, die Louise voor hen gereed had gemaakt.
Toen zij aan het eten waren, begon de jonge vrouw zich wat meer op haar
gemak te gevoelen, en eindelijk moed te krijgen om te vragen naar
hetgeen haar op het hart lag, naar Mina.
»Hoe gaat het uw moeder....”
De beide kinderen zagen haar zóo verbaasd aan, dat de woorden haar op
de lippen bestierven. Een oogenblik later hernam zij aarzelend:
»Heeft uw moeder u niets gezegd?—Heeft zij u geen boodschap gegeven
voor mij?”
»Moeder is weg gegaan, naar huis gegaan, en niet terug gekomen,” zei de
kleinste.
»Dood,” fluisterde de grootste Louise in het oor.
»Dood!” herhaalde zij verbleekend. »En sedert wanneer is zij dood?”
»Zij heeft een week geleden onze dessah verlaten, om naar huis terug te
keeren; toen heeft papa haar geslagen. Willem weet niet waarom, en den
volgenden dag werd zij in de dessah terug gebracht door mannen die haar
droegen in een joeli, omdat zij niet meer loopen kon. Den dag daarna,
tegen het ondergaan der zon zijn zij weer gekomen om haar weg te halen,
en te brengen naar den doodenberg, waar zij haar begraven hebben, met
fakkellicht. Ik heb het zelf gezien, want ik ben mee geweest. Ik liep
heel achter aan, ver weg, achterom de boomen, want zij hadden mij
opgesloten, met August, omdat ik niet zien mocht waar zij heengingen.”
Het kind zweeg even om adem te halen, hij was vermoeid van al dat
fluisteren, en toch had hij niet gewild dat August, die geheel verdiept
in zijn manissan was, iets hooren zou van hetgeen hij zeide.
»Mama heeft ons iets gezegd,” vervolgde hij overluid, »toen zij
terugkwam van huis, maar August is het vergeten en ik heb het niet aan
de Oppas durven zeggen.”
»Neen, ik weet het nog!” riep het kleintje, al etende.
»Nu zeg het dan?”
»Mama heeft gezegd, dat hier een andere mama gekomen was, die voor
August zorgen zou, als mijn mama niet terug zou komen.... En dat die
andere mama heel lief voor August wezen zou, en voor Willem ook—veel
liever dan papa.”
»Papa zal ook goed voor u wezen,” zeide Louise, met tranen in de oogen,
en, de beide kinderen omhelzende, vervolgde zij levendiger: »Ik ben die
andere mama, van wie uw moeder u gesproken heeft, en ik zal lief voor u
zijn, zoo lief als uw moeder u gezegd heeft dat ik voor u wezen zou. Ik
beloof het u.”
Op dat oogenblik werd de deur geopend en trad Stevens binnen.
De kinderen sprongen verschrikt op. Louise werd nog bleeker dan zij
reeds was, en de resident bleef onbewegelijk op dezelfde plaats staan.
Hij geloofde niet aan hetgeen hij zag. »Mina’s kinderen met Louise aan
tafel!”
Toch zag hij ze, en zijn verbazing was zoo groot, dat hij geen pas kon
doen, geen woord kon uiten.
»Ga papa een zoen geven,” fluisterde Louise zacht, en de kinderen
slopen schoorvoetend naar hem toe en boden hem hunne gezichtjes tot
kussen aan.
Stevens omhelsde ze stug weg, en liep hen voorbij om zijn vrouw de hand
te geven.
»Hoe komen die kinderen hier?” vroeg hij wrevelig.
»Hunne moeder is gestorven,” antwoordde Louise zacht. »Kassian! arme
kinderen! Mag ik hun moeder zijn?”
Stevens gevoelde zich vernederd door die eenvoudige woorden, en toch
trokken zij hem aan. Zonder een woord te spreken greep hij de beide
jongens bij de hand en wierp ze in Louise’s armen.
Van dat oogenblik af kwam er iets anders in de verhouding van den
resident tegenover zijn vrouw. Louise wist meer van zijn vorige
levenswijze af, dan zij hem bekennen wilde, dit gevoelde hij, maar wat
wist zij? Hoe diep was hij gezonken in de achting der vrouw, over wier
lippen hij nog nimmer een klacht of een verwijt had hooren komen. Meer
dan eens was hij op het punt geweest van het haar te vragen, maar
wanneer die donkere oogen hem dan zoo kalm, zoo ernstig, zoo
vastberaden aanzagen, begaf hem de moed en bleef hij zwijgen,
onwillekeurig buigend voor dat groote sterke karakter dat hij
bewonderde en dat hem nijdig maakte omdat hij het niet doorgronden kon.
Ook die kinderen van Mina, altijd om en bij Louise, die zij lief
hadden, waren hem een doorn in ’t oog. En de genegenheid die zij hen
voor hun vader inprentte, o! dat was de grootste bespotting die zijn
vrouw hem kon aandoen.
Louise van haar kant, gevoelde zich zoo ver boven den resident
verheven, dat zij het beneden zich achtte, den armen man nog kleiner te
maken dan hij reeds was. Daarom zweeg zij over al wat niet meer
hersteld kon worden, en verborg zij zijne gebreken, zelfs die welke
haar het meest griefden, zooveel zij vermocht.
NEGENTIENDE HOOFDSTUK
DE EERSTE RECEPTIE
Eenige dagen later bevond Louise zich in den grooten lommerrijken tuin;
het was bijna avond en, terwijl de halve stad aan het wandelen en
toeren was, zat zij alleen onder een ouden Weringinboom te spelen met
de kinderen van Mina.
Wat waren die kleinen gelukkig! En wat was Louise vroolijk te midden
van die vliegers en knikkers, terwijl die lachende kinderstemmen haar
hare eigene jeugd herinnerden en haar in zachten weemoed terug voerden
naar de onbewolkte dagen harer kindsheid, waarin zij, evenals Willem en
August, met haar geheele ziel aan de vlucht van een vlieger hing, of
met een schaterlach haar grootste leed vergat in ’t rollen van een
bonten knikker.
De resident is zoo pas van een rit te paard teruggekeerd, en loopt,
door een oppasser gevolgd, de lange lanen door om zijn vrouw te zoeken.
Louise hoort hem naderen, maar blijft afgetrokken op een knikker
staren, totdat hij naast haar staat.
»Wel,” vraagt hij, half lachend, half wrevelig, »hoe gaat het?”
Langzaam heft zij het hoofd naar hem op, en hem de hand reikend zegt
zij zacht:
»Gij zijt niet lang uitgebleven, dunkt mij.”
»Niet lang? Wel kind, ik ben meer dan twee uur aan het dwalen geweest,
en noem je dat niet lang? Maar wat zie ik? Ben je nog niet gekleed? En
ik dacht dat wij van avond receptie zouden hebben?”
»Juist daarom ben ik niet gekleed. Ik heb nog voor gebakken moeten
zorgen, en toen was ik zoo vermoeid dat ik hier wat rust ben komen
zoeken, met plan om mij na het eten te kleeden.”
»Na het eten? Dat is veel te laat!”
»Neen, stellig niet, ik heb zooveel tijd niet noodig voor mijn toilet.”
»Maar ik verlang dat gij mooi zult zijn, Louise, en gij zoudt mij
pleizier doen met u terstond naar uw kamer te begeven en u aan te
kleeden, ten einde in tijds gereed te zijn om de honneurs van uw huis
waar te nemen.”
Louise stond zwijgend op en begaf zich met wankelende schreden naar
haar kamer, waar zij half uitgeput op een stoel neerzeeg en Alima beval
haar te kappen.
»Taroe banjak kembang di saya poenja ramboet [32],” zeide zij met de
ellebogen op de tafel geleund en het hoofd in de beide handen rustende,
en »sedijak saga poenja kleed njang paling bagoes [33], Alima.”
De jonge meid sloeg dadelijk de handen aan het werk, en na haar
meesteres met witte rozen gekapt te hebben, opende zij de deur van de
hangkast om er een geschikte japon uit te krijgen. Mevrouw had gezegd:
»Mijn fraaiste kleed”, het oog der meid viel op haar witte bruidskleed,
en zonder zich een oogenblik te bedenken, nam zij dàt en wierp het haar
meesteres over het hoofd.
»De resident stuurt de groeten aan mevrouw en laat vragen of mevrouw
aan tafel wil komen,” kwam een der oppassers zeggen.
»Zijt gij gereed, Alima?” vroeg Louise, die, tegen de deurpost geleund,
zich met een grooten, vederen waaier wat koelte zocht te verschaffen.
»Saaya njonja.”
En zonder zelfs éen blik in den spiegel geworpen te hebben, verscheen
Louise aan tafel.
»Zoo, goed zoo! Zoo mag ik het zien!” riep de resident, haar met
welgevallen beschouwende. »Wel kind, je kunt niet te mooi zijn van
avond. Je eerste receptie! Je entrée in onze wereld, om zoo te zeggen.
Je moet van avond de heele stad verliefd op je maken, oud en jong, arm
en rijk. Jongens, jongens wat zullen zij mij mijn vrouwtje benijden!”
Louise zag nu eerst wat zij aan had.
»Mijn hemel, mijn bruidskleed.... Hoe kan die meid zoo dwaas zijn! Ik
in het wit! Ik moet er dunkt mij uitzien als een geest.”
»Volstrekt niet, volstrekt niet, gij ziet er uit om te stelen.”
»O neen! Laat mij na het eten wat anders gaan aandoen. Ik ben nu te
bleek en te mager voor dit toilet!”
»Integendeel, ik verlang dat gij zoo blijven zult. Die zware zijde
staat rijk, zij doet uw dun middeltje betooverend uitkomen, en die
dikke ronde plooien hebben zulk een heerlijken gloed bij het lamplicht,
dat ik niet weet welk toilet u meer zou kunnen flatteeren dan dit.”
Louise antwoordde niet, zij zette zich in haar bruidsgewaad aan tafel
en bleef dien avond zoo.
Al wat eenigszins in de termen viel van bij den resident ontvangen te
kunnen worden, verscheen dien avond op de receptie. Men had te A.
zooveel van Louise’s buitengewone schoonheid gehoord, en de
adsistent-resident en de dokter hadden zooveel ophef over haar
vroolijkheid en haar bevalligheid gemaakt, dat er bijna niemand in A.
gevonden kon worden die niet om de een of andere reden verlangend was,
persoonlijk kennis te maken met de jonge residentsvrouw.
Maar de arme Louise was niet meer, wat zij eenmaal geweest was. Geen
wonder dus dat de hooggespannen verwachting werd teleurgesteld. Men had
Louise beschreven als een lief, vriendelijk, lachend kind, wier gansch
uiterlijk leven, geest en spotlust teekende, en zij die dáar met
statigen ernst haar gasten verbeidde, geleek niets naar die
beschrijving.
Louise was slank en buigzaam van gestalte, haar houding was fier en
haar gang statig, daarbij waren haar bewegingen langzaam, terwijl haar
oogopslag rustig was, en de lijdende treurige uitdrukking van haar
gelaat iets onbeschrijfelijk zachts en innemends gaf aan haar geheele
persoonlijkheid.
Toch was zij bij den eersten aanblik menigeen tegengevallen, die te
vergeefs naar vroolijkheid gezocht had in die diepliggende oogen of
naar spotlust in dien fijn besneden mond. Maar nauwelijks had zij
eenige woorden gesproken, of haar lieve zachte stem, haar droeve lach
vooral, deden haar terstond de harten winnen zelfs van hen wier oogen
zij het minst had kunnen bevredigen.
De resident geleidde een dame van meer dan middelbaren leeftijd binnen.
»Mevrouw Joly,” zeide hij, haar aan zijn vrouw voorstellende, »de
adsistent-resident, haar echtgenoot, is u bekend, Louise.”
Mevrouw Joly nam naast Louise plaats en zat haar van ter zijde op te
nemen.
Daarop volgden een vijftal café-au-lait-kleurige schoonen, de jonge
dames Joly, haar dochters, die allen in het wit gekleed waren met
donkerroode bloemen in het gitzwarte haar, zóo keurig opgemaakt, zoo
glad, zoo glimmend, dat het aan vernis deed denken.
»Mooi, ja?” vroeg Antje de jongste der gezusters, zoodra zij met haar
vijven op een rijtje hadden plaats genomen.
»Hek!” antwoordde de oudste, Lotje, die de g niet uit kon spreken als
het noodig was.
»Niet lief,” zeide Fietje, de derde.
»Hek”, herhaalde de oudste weer. »Net precies as bruid zoo mooi, en zij
hebruik sleep net as hoeverneursvrouw. Hek!”
»Mag ik u mevrouw Oristorio di Frama voorstellen, Louise,” ging de
resident weer voort. »Uw onbekende vriendin, die gedurende uw
ongesteldheid zooveel belang in u gesteld heeft en die gij zoozeer
verlangdet persoonlijk te leeren kennen.”
Louise bleef midden in haar neiging steken, hief haar groote oogen naar
de nieuw gekomene op en reikte haar de hand.
»O mevrouw, wat zijt gij goed voor mij geweest!” riep zij met een dier
glimlachen pijnlijk om aan te zien, »zoo ik nogmaals mijn moeder missen
zal, wilt gij dan weder haar plaats bij haar arme Louise innemen?”
Mevrouw Oristorio beantwoordde haar woorden met een handdruk, terwijl
de resident mejufvrouw Lina van Wageningen en mijnheer George Werner,
een landheer of planter uit den omtrek, aan zijn vrouw voorstelde.
Zij neigde even voor Werner, zonder acht op hem te slaan, en reikte
Lina de hand met de woorden:
»Ik heb reeds zooveel over u hooren spreken, juffrouw Van Wageningen,
dat het mij bijzonder aangenaam is u hedenavond hier te zien.”
De jonge gouvernante ging aan Werner’s arm naar het lagere einde der
zaal, terwijl Louise langzamerhand door de voornaamste dames der stad
omringd werd, met wie zij weldra in gesprek gewikkeld was over de
prijzen van rijst en olie, en het aantal en den ouderdom van alle
mogelijke lieve kleinen der haar onbekende gasten—onderwerpen die haar,
gul uit gezegd, in het minst niet schelen konden.
»Een lief vrouwtje dunkt mij,” zeide Lina tegen haar cavalier, »en
beelderig mooi.”
»Een vrouwtje dat diep gevoelt,” antwoordde Werner met een zucht.
Lina zweeg een oogenblik.
»Denkt gij dat er vanavond gedanst zal worden?” vroeg zij, van
onderwerp veranderende.
»Gedanst? Ja, ja, er wordt gedanst, maar de muzikanten zullen eerst
tegen negen uur komen, omdat de resident er op gesteld is dat het van
avond geen bal zal heeten.”
»Zou mevrouw Stevens dansen?”
»Ik denk het wel, alle dames dansen hier, tot de oude mevrouw Joly toe,
die ik laatst nog met haar vijf dochters in dezelfde quadrille zag
staan.”
»Louise, mag ik het genoegen hebben je overste Van Ellenburg voor te
stellen, die de eerste wals met je wenscht te doen?”
Louise antwoordde den resident met een wenk op de oude mevrouw Joly die
naast haar zat en stotterde iets van »ter nauwernood
hersteld—excuseeren—vermoeid.”
De resident wierp haar een blik toe die de woorden op haar lippen deed
besterven en antwoordde voor haar, dat zij »volgaarne het vriendelijk
aanbod aannam.”
De resident en de overste hadden als civile en militaire autoriteiten,
naar gewoonte weder eens met elkaar overhoop gelegen. Natuurlijk over
een kleinigheid, een aanmatiging van de eene zijde en een onheusche
weigering van de andere. Eerst sedert een paar dagen waren zij weder
met elkander verzoend; daarom moest Louise, die niets van de zaken des
residents behoefde af te weten, en ook inderdaad niets wist, haar
eerste wals aan den overste geven. Zóo zouden de menschen kunnen zien
dat de quaestie uit de wereld was.
De overste vond zijn jonge danseuse allerbekoorlijkst. Daarom
presenteerde hij haar drie keer eau de Cologne en vroeg hij haar zes
keer of zij ook vermoeid was. Toen was de dans geëindigd.
Had de overste kunnen handelen naar de inspraak van zijn hart, dan zou
hij terstond naar de whisttafel van den resident gesneld zijn, om zijn
ouden vijand eens ter dege »af te rossen”, want: »Is dat een vrouwtje
voor zoo’n kerel! Een engel van zachtheid en onderwerping voor zoo’n
brut als hij!”
De overste was zoo verontwaardigd in zijn bewondering van Louise, dat
hij in een vlaag van afgunst en wanhoop zijn sabel vroeg en ... naar
huis stapte.
Louise danste intusschen onafgebroken voort. Zij had een enkelen galop
overgeslagen omdat zij bijna niet meer voort kon van vermoeidheid. Maar
toen was de resident van zijn speeltafeltje opgestaan en had haar
verzocht om zich terstond weder in de vreugde te mengen daar iedereen
haar »gracieuse wijze van dansen bewonderde”. »O Louise!” vervolgde
hij, »gij weet niet hoe trotsch ik van avond op u ben! Alle menschen
zijn opgetogen over de schoonheid van mijn vrouwtje!”
Louise bloosde, trok haar hand uit die van den resident en voegde zich
bij een groepje dames.
De resident lachte van welgevallen over den indruk dien zijne woorden
op zijn vrouw schenen gemaakt te hebben.
»Zij kon haar blijdschap ternauwernood verbergen,” dacht hij bij
zichzelven, »men kan toch alles van een vrouw gedaan krijgen, indien
men haar ijdelheid slechts weet te vleien!”
En Louise?
Zij had zich gekrenkt gevoeld door de woorden van den resident. Zij was
zwak en vermoeid en toch moest zij dansen, toch moest zij zich nog meer
vermoeien, omdat haar echtgenoot verlangde dat zijn vrouw bewonderd zou
worden.
»Besta ik dan enkel om bewonderd te worden?” vroeg zij zichzelve met
bitterheid af, en toen rees er voor haar geest een chaos van
denkbeelden die haar deden huiveren van angst en afgrijzen. Op dat
oogenblik vroeg Werner haar voor een wals.
»Een wals? .... Een wals?.... O gaarne!” riep zij verward, en zij wierp
zich met een soort van dankbaarheid in zijn armen, om in de verdooving
van den dans elke gedachte te vergeten.
Werner meende wanhoop te zien in de koortsachtige wijze waarop de jonge
vrouw zich aan hem overgaf. »Zij is niet gelukkig,” dacht hij bij
zichzelven, en toen, een oogenblik later, zijn oog op Louise’s
verbleekt gelaat, op haar hijgenden boezem rusten bleef, gevoelde hij
zulk een diep medelijden met haar, dat hij plotseling ophield met
dansen en haar in de grootste verwarring vroeg:
»Mijn God, wat deert u mevrouw?”
Zij zag hem met verbazing aan. »Niets mijnheer,” antwoordde zij zacht:
»Ik ben volkomen wel.”
»O neen, gij lijdt!—Gij lijdt vreeselijk! ... Maar mogelijk wilt gij
het niet bekennen, uit beleefdheid voor uw gasten?—O! mevrouw, vergeef
mij, gij zult mij mogelijk indiscreet vinden, maar .....”
»Maar?” herhaalde Louise.
»Gij zijt slechts sedert kort van een zware ziekte hersteld, mogelijk
vermoeit u die drukte om u heen en verlangt gij naar rust. Wilt gij mij
veroorloven uw gasten te verzoeken zich wat vroeger huiswaarts te
begeven, dan men hier gewoon is? De partijen eindigen hier meestal niet
vóor drie uur in den morgen.”
»O! neen, neen. Ik dank u voor uw goedheid, maar ik ben hier nog te
weinig bekend om nu reeds tegen een aangenomen gebruik te zondigen.”
»Men zal u gaarne die zonde vergeven, indien zij u van nut kan wezen,”
antwoordde Werner dringend.
»Och neen, laat mij geen vreugdeverstoordster wezen! Drie uurtjes toch
zijn spoedig om, en morgen zal ik tijd genoeg tot rusten hebben. Maar
wilt gij mij een genoegen doen, mijnheer Werner? Wilt gij u een kleine
opoffering voor mij getroosten?”
»Voor u? Alles mevrouw!”
»Laat ons dan liever wat rondwandelen, dan dansen, ik word zoo duizelig
door het walsen.”
»Wilt gij ook liever gaan zitten, mevrouw?”
»O neen, zitten niet!—Loopen of dansen!”
Er was zoo iets wilds in den toon waarop zij dit zeide, dat Werner het
gesprek plotseling afbrak en haar schijnbaar onverschillig vroeg: »Zijt
gij hier reeds met het land bekend, mevrouw?”
»Neen, ik ben nog niet verder dan den tuin geweest, en die bevalt mij
bijzonder.”
»Maar het land is hier prachtig! De omstreken van A. troffen mij zoo
toen ik pas hier kwam, dat ik de eerste veertien dagen letterlijk geen
oogenblik in huis geweest ben. Dagen achtereen dwaalde ik te voet of te
paard in de bosschen en het gebergte rond, en nu nog, ofschoon ik hier
al bijna tien jaar woon, nu nog geniet ik, als ik nu en dan eens mijn
werkzaamheden ontvluchten kan, om mij in het beschouwen der rijke,
grootsche natuurtooneelen te verlustigen die zich in duizend nieuwe
vormen aan het bewonderend oog ontrollen! Zoo gij altijd in de
benedenlanden geweest zijt, zult gij hier zeker menig genotvol uurtje
opgetogen van dankbaarheid in de vrije natuur doorbrengen, waarin gij
ondervinden zult, welk een onuitsprekelijk geluk het is zich als geheel
alleen op aarde te kunnen beschouwen, alleen met die heerlijke natuur,
die ons onze tegenwoordige nietigheid en onze toekomstige volmaaktheid
gevoelen doet. Zulke oogenblikken zijn heilzaam voor alle menschen;
want is men droefgeestig of ongelukkig dan geven zij kracht en troost
aan het zwakke half gebroken hart, en heeft men geluk en fortuin, dan
doen zij de dartele, oppervlakkige ziel ontwaken, brengen haar tot
nadenken en leeren haar waardeeren zelfs dat wat zij eerst slechts....”
»Dat heb ik ondervonden!” riep Louise, hem plotseling in de rede
vallende. »Ik geloof dat ik gestorven zou zijn, indien ik hier geen
grooten lommerrijken tuin gevonden had, waarin ik vrij kon wezen! Vrij,
zooals ik heel mijn leven geweest was!”
Zij gevoelde dat zij te veel gezegd had, en wilde haar woorden
verbeteren door er bij te voegen:
»Want hoe gelukkig men ook is, toch zijn er oogenblikken waarin niets
ons een volkomen vrijheid vergoeden kan, en die oogenblikken heeft men
alleen wanneer men hetgeen men de »wereld” noemt vergeet.”
Het was Werner als duizelde hij, toen hij deze woorden der
zestienjarige Louise hoorde. Zulk een kalme, sombere onderwerping als
er in ieder van haar woorden en blikken lag, zulk een diep lijden als
haar geheele persoon verraadde, deden hem huiveren voor de toekomst der
jonge, schoone, gevoelvolle vrouw, verbonden aan een man wiens geheele
leven, voor zoover het hem bekend was, een aaneenschakeling van
pronkzucht, eigenwaan en toomelooze drift geweest was.
»Kent gij hier reeds eenige families?” vroeg hij, weder van onderwerp
veranderende.
»Neen, niemand dan den dokter,” antwoordde Louise met een glimlach. »Ik
ben van avond meer vreemdelinge in mijn eigen huis dan ik nog ooit in
dat van een ander geweest ben.”
»Kent gij de familie Oristorio di Frama nog niet? Zelfs niet bij naam?”
»Ik heb haar heden avond voor het eerst gezien; maar mevrouw is
gedurende mijn ongesteldheid zoo allerliefst voor mij geweest, dat ik
waarlijk niet weet, hoe ik haar mijn dank zal kunnen betuigen.”
»Door haar lief te hebben, mevrouw, en dat zult gij zeker, want mevrouw
Oristorio di Frama is een dier zeldzame vrouwen, die alles in zich
vereenigen, deugd, schoonheid, poëzie, kennis, geest, alles in éen
woord wat den mensch aan een volmaakt geluk hier op aarde zou kunnen
doen gelooven. Ook mijnheer di Frama is waarlijk een goed mensch. Kalm
maar ferm, verstandig, menschlievend en joviaal. Hij heeft de goede
hoedanigheden van den Italiaan behouden en de gebreken van zijn natie
tegen het nadenken en de vastberadenheid van de onze verwisseld. En hun
dochtertje, de dertienjarige Melatie, is het vroolijkste, het
aanvalligste kind dat men zich denken kan. Verbeeld u mevrouw, een
meisje van dertien jaar dat vijf talen spreekt, het maleisch niet
medegerekend: hollandsch, fransch, engelsch, duitsch, en italiaansch.
En dat hier in Indië!”
»Mijn hemel, welk een wonderkind! Hoe heeft zij dat alles hier kunnen
leeren?”
»O zeer gemakkelijk. Mijnheer Oristorio di Frama, een Italiaan van
geboorte, spreekt met vrouw en kind altoos zijne moedertaal en met zijn
kennissen fransch of maleisch, daar hij de medeklinkers van het
hollandsch nooit goed heeft kunnen leeren uitspreken. Mevrouw di Frama
is een engelsche dame, maar heeft jaren lang met haar ouders in
Nederland gewoond, waar zij gedeeltelijk haar opvoeding genoten heeft.
Toen zij het ongeluk had, haar beide ouders te verliezen, kwam zij als
gouvernante bij een familie te Batavia, bij wie zij gebleven is tot
haar huwelijk. Zij nu spreekt nooit anders dan hollandsch of engelsch
met Melatie, terwijl juffrouw Van Wageningen zich met haar
hoofdzakelijk op de duitsche taal heeft toegelegd.”
»En juffrouw Van Wageningen,” vroeg Louise nieuwsgierig, »weet gij ook
iets bijzonders van haar?”
»Ja zeker, mevrouw! Lina van Wageningen is hier in het begin als een
ware curiositeit beschouwd geworden omdat zij excerceeren en schermen
kon als de beste militair.”
»O ho!” riep Louise lachend, geen woorden vindende om haar verbazing
uit te drukken.
»Daarbij komt nog,” vervolgde Werner, »dat zij voorzeker de beste
amazone van Indië is en de eenige vrouw die hier in het land
gymnastische oefeningen tot eene kunst verheven heeft.”