Arme, arme Louise! De groote stap is thans gedaan. Mor niet tegen

hetgeen geschied is, maar draag zorg voor de toekomst; wend de

verblindheid uws echtgenoots ten uwen voordeele aan: hij beminde u tot

heden zooals hartstocht, zooals begeerte alleen bemint, maar temper,

wijzig die liefde, leid haar met verstand opdat zij een bron van geluk

moge worden, voor u en voor den man wiens toekomst ook de uwe wezen

moet. Ontzie uw echtgenoot daar waar gij niet met hem overeen zult

stemmen, acht hem, zoo niet om zijnentwille dan uit achting voor u

zelve, en bemin hem, zoo niet met uw hart, dan toch met uw geweten;

want gij hebt hem gansch uw leven beloofd en zijt hem dus medewerking

en genegenheid verschuldigd. Leef, ja leef geheel voor hem, jonge,

schoone, rijke vrouw, en hij zal door uw deugden leeren u lief te

hebben, te achten en te eerbiedigen zooals hij nog nimmer een vrouw

vóor u lief gehad, geacht en geëerbiedigd heeft.

TWEEDE DEEL

HOE ZIJ WERD

Nous autres femmes nous ne demandons qu’à admirer et qu’à servir.

Le sentiment de notre infériorité ne nous blesse pas, il nous

charme au contraire. Ne vous étonnez donc pas si vous trouvez si

peu de soumission chez les femmes c’est qu’il y a fort peu d’hommes

dignes de la soumettre.

Éternité!

Quel droit avons-nous pauvres petits êtres, ignorants et

impuissants, de faire une promesse pour l’éternité?—Demain ne nous

appartient pas, comme l’éternité nous échappera!

Lettre à M. Alexandre Dumas, fils, au

sujet de son livre L’Homme-Femme, par

Mlle Oristorio di Frama, Cantatrice.

TWEEDE DEEL

HOE ZIJ WERD

ZESTIENDE HOOFDSTUK

TE HUIS

Tegen vijf uur des namiddags reed een gemakkelijk reisrijtuig met zes

paarden bespannen en door een eerewacht te paard omringd, de groote

laan in, die naar het residentiehuis te A. geleidde. De loopers

draafden naast de paarden, de wacht kwam in het geweer, alle bedienden

vlogen naar buiten en resident Stevens van Langendijk heette zijn jonge

vrouw welkom in haar nieuwe woning.

»Zorg voor de goederen,” riep hij de oppassers toe. En zijn vrouw bij

de hand vattende, geleidde hij haar de stoep op en het huis rond dat

voortaan het hare zou wezen.

»Wel, wat zeg je, mijn kind? Is het hier nu zoo kwaad?”

Louise wierp verwonderde blikken om zich heen en antwoordde zacht:

»Integendeel, ik vind dat gij prachtig ingericht zijt!”

»Niet waar? Ik ben ingericht zooals het behoort, rijk en net.”

»Zeer net.... dit is juist hetgeen mij frappeert.... een

jongeheerenhuishouden....”

»Aha! ondeugend ding! Denkt gij zóo over het jongeheerenhuishouden....

Wacht, dan zullen wij u nog iets anders laten zien.”

Toen bracht hij haar naar de slaapkamer, waar alles smaak, gemak en

weelde ademde.

»Zie hier je linnenkasten, lieve.”

»O, hoe netjes! Wie heeft dat alles zoo keurig geschikt?”

»Wel de meiden, Poes.”

»En hier deze deur?”

»Die komt in je kleedkamer uit, je heiligdom, waar je zoo vrij als een

vogel zult wezen.”

Hij stiet de deur open en Louise trad binnen.

Zij zeide niets.

»Nu?” vroeg de resident.

»Prachtig.”

Op eens wierp zij zich in zijn armen.

»Wat heb je? Waarom huil je?”

»Ik weet het niet,” snikte zij afgebroken. »Gij zijt zoo goed voor

mij.”

»En huil je daarom?” vroeg hij met een lach. »Kom kind, droog die

tranen af en geef mij een zoen. Zóo, goed zoo. Nu, dáar staat je

koffer, maak je nu eens mooi van avond, want er zal zeker wel de een of

ander komen om mijn mooi, lief vrouwtje te zien.”

Hij drukte haar nog eens hartstochtelijk in zijn armen en toen verliet

hij haar, opdat zij zich ongestoord zou kunnen verkleeden.

Doch nauwlijks was zij alleen of zij sloot de deur harer kamer, wierp

zich op een rood fluweelen causeuse neder en weende bitter. Haar hart

was zóo vol dat het haar goed deed eindelijk een oogenblik te hebben

waarin zij haar tranen vrij kon laten vloeien.

De kamer waarin zij zich bevond was ruim en smaakvol gemeubeld. Alles

was er in harmonie en zóo geschikt dat men niets had kunnen wegnemen of

verplaatsen zonder het geheel een minder bekoorlijk aanzien te geven.

Een meubel slechts scheen misplaatst in het vroolijke, smaakvolle

vertrek, omdat het te groot, te donker was, te veel in het oog viel,

zouden wij kunnen zeggen. Het was een mahoniehouten hangkast, waarvan

een der deuren wijd open stond, terwijl de andere gedurig kraakte alsof

er iemand tegen aanleunde.

Dit gekraak trof eindelijk Louise’s oor. Zij herinnerde zich waarom zij

hier gekomen was, wischte haar tranen af en stond op om zich te

kleeden.

Onverschillig opende zij een houten kistje, wierp er eenige gouden

armbanden en een lange snoer bloedkoralen uit, trok daarna een licht

grijs zijden kleed bij éen mouw van onder uit haar koffer en klapte in

de handen om Alima te roepen.

Tien minuten later was zij gereed.

»Hoe laat is het?”

»Zes uur, mevrouw.”

»Goed. Gij kunt heengaan.”

Alima vertrok.

Toen kwamen de tranen weder, en weer sloot zij snel de deur opdat

niemand ze zien zou.

Maar, terwijl zij aan den eenen kant van de kamer stond met het gelaat

naar de deur gekeerd, vonkelde er een donker oog om de deur der

hangkast heen.... Een tweede oog, een fijnbesneden neus met beweegbare

neusvleugels, een half geopende mond met vast opeengeklemde tanden, een

lange uitgerekte hals volgden. Een jonge vrouw, bruin, slank, vlug,

levendig, hartstochtelijk, vlood als een hinde uit de kast langs den

muur, om de tafel, achter de rood fluweelen causeuse. Daar blijft zij

een oogenblik onbewegelijk zitten, met de eene hand op de borst gedrukt

als om de lucht terug te dringen die in een luide kreet dreigt uit te

barsten, met de andere krampachtig om het gevest van een kris geslagen,

dien zij in de plooien harer kabaai zoekt te verbergen.

Zij ziet Louise voor zich staan. Met éen blik meet zij den afstand

tusschen haar kris en het hart der jonge vrouw, en een lach vol haat

geeft voor een oogenblik een afschuwelijke uitdrukking van wreedheid en

wraak aan haar anders buitengewoon schoon gelaat.

Langzaam rijst zij op—sluipt zij voort—heft zij haar kris omhoog....

»Tjilakka!” [28] gilt zij op eens, en weenend zinkt zij aan Louise’s

voeten neder, terwijl zij haar kris naar het andere einde der kamer

werpt.

Louise ontstelt hevig, maar terstond haar schrik verbergende, vraagt

zij kalm en trotsch, op een schier bevelenden toon:

»Wie zijt gij? En wat doet gij hier?”

»Tjilakka!” herhaalt de jonge vrouw nog eens, en na een oogenblik

zwijgens, waarin de beide vrouwen elkander met een onverklaarbare

belangstelling, ja bijna sympathie beschouwen, vervolgt zij in

vreeselijke wanhoop:

»Mina is genoeg gewroken!—Njonja resident zal ook niet gelukkig zijn!

Maar toewan Allah zal rechtvaardig wezen!”

»Wie zijt gij?” vraagt Louise weder, deze keer zacht en medelijdend.

»Wie ik ben.—Wie—ik—ben?” herhaalt de jonge vrouw met bitterheid. »En

dat vraagt gij mij Hier? hier, in mijn eigen huis, in mijn eigen kamer?

Onder het dak van hem, dien ik tien jaar lang gediend heb als mijn

meester, dien ik lief heb gehad als den vader van mijn kinderen....

voor wien ik gezorgd heb als voor mijn eigen broeder, voor wien ik

gewerkt heb als voor mijn eigen vader!—Maar hij heeft mij

verstooten—verstooten voor u, verstooten omdat ik arm ben.... omdat ik

hem niets dan liefde geven kan—niets dan dat! En dat was niet genoeg

voor hem.... Hij wilde geld hebben—geld voor zich alleen—niet eens voor

zijn kinderen! Want die heeft hij verstooten als mij!—Hij was

vertrokken naar Samarang, om papieren te halen; want Mina zou zijn

vrouw worden en haar kinderen zouden Stevens heeten.... En toen de

kinderen vroolijk waren en Mina gelukkig was en vertrouwde op hem....

toen kwam er een vreemde om te zeggen dat de resident getrouwd was!....

Hij bracht geld voor de kinderen en een bevel voor Mina om zich te

verbergen in de bovenlanden, opdat njonja resident niet weten zou dat

er ooit een Mina bestaan had....

»Maar de kinderen speelden met het geld en Mina geloofde niet aan het

bevel.... Toen werden de kinderen heimelijk weggevoerd, Mina werd

verjaagd uit het huis dat haar lief was.... En njonja resident kwam....

»Mina zat verscholen in het bloembed vóor het huis—zij zag njonja

resident het rijtuig uitstappen en leunen op den arm van haren

Heer.—Mina sloop het huis in, door de achtergalerij, in haar eigen

kamer. Zij had een kris gekocht voor het geld van haar kinderen....

Maar zij zag tranen in de oogen van njonja resident en zij had kassian

[29] met haar!”

Louise had zich lang goed gehouden, nu echter begaf haar de

zelfbeheersching en half bewusteloos zonk zij op een stoel neder.

De inlandsche vrouw stond op, schonk een glas water in en bood het

Louise aan, die het met een blik vol wantrouwen van zich stiet.

De oogen der jonge vrouw schoten vol tranen.

»Drink gerust, njonja resident,” sprak zij zacht. »Gij hebt niets van

Mina te vreezen—het is water uit uw eigen gindie.” [30]

En na een oogenblik wachtens vervolgde zij krachtiger:

»Dáar ligt mijn kris—gij kunt mij aangeven als gij wilt. En de

oppassers die mij voorheen als hun meesteres gehoorzaamden en

eerbiedigden, zullen mij aangrijpen en wegvoeren, en de resident zal de

moeder zijner kinderen als moordenares ter dood brengen!”

Louise snikte overluid.

»Arm, ongelukkig schepsel!” sprak zij zacht, terwijl zij de handen der

verstooten vrouw in de haren nam en met kussen overdekte. »Kan ik iets

voor u doen? O! zeg mij wat?”

»Niets, njonja resident.”

»Niets? Maar voor uw kinderen dan?”

»Niets mevrouw.”

»Neem dit voor uw kinderen. Ik heb op het oogenblik niets anders hier.

Maar later, als mijn goed gekomen zal zijn, kom dan terug en ik zal u

alles geven wat gij voor uw kinderen noodig kunt hebben.”

Mina legde de gouden armbanden, welke Louise afgedaan had om ze haar te

geven, op de tafel neder, toen nam zij de diamanten knoopjes uit de

mouwen harer kabaya en de soebings uit haar ooren, deed de gouden

pendieng af die om haar lendenen gegespt was en nam de brillanten

haarpennen uit haar kondeh.

»Dit alles heb ik van toewan resident gekregen,” sprak zij nauw

hoorbaar, »en ik heb het gedragen zoolang ik voor toewan resident leven

mocht....”

Zij kon niet verder spreken.

Louise sloeg haar arm om Mina’s hals en fluisterde vleiend:

»En indien njonja resident u vriendelijk verzocht die kleinodiën te

blijven dragen en ze als bruidschat uwer kinderen te beschouwen?”

»Njonja resident is goed,” sprak de jonge vrouw medelijdend. »Maar Mina

heeft leeren werken en zal geen gebrek lijden zoolang Toewan Allah haar

de gezondheid niet ontnemen zal.”

Er werd aan de deur geklopt.

»Wie is daar?” vroeg Louise zonder te openen.

»Ik mevrouw,” antwoordde een onbekende stem. »Toewan resident laat

vragen of njonja voor wil komen; er zijn gasten.”

»Terstond!” en zich tot Mina wendende vervolgde zij gejaagd: »Waar zult

gij nu blijven? Gij kunt de kamer niet uitkomen, zonder gezien te

worden.—En ik wil niet dat iemand hier in huis iets van het

voorgevallene vernemen zal.”

Mina antwoordde niet. Droevig zag zij de kamer rond, die zoolang de

hare was geweest. Haar oog bleef even op de hangkast rusten, doch zij

had den moed niet om te vragen of zij in haar vorigen schuilhoek terug

mocht keeren, totdat er een gunstig oogenblik komen zou om in de

duisternis den tuin in te sluipen.

»Blijf hier!” sprak Louise, na zich een oogenblik bedacht te hebben.

»Ik zal Alima roepen en haar zeggen dat zij vóor de deur gaat zitten en

niemand binnenlaat.—Vrees niets, ga op de banko (causeuse) liggen,

wanneer gij vermoeid zijt, en slaap gerust.”

Mina dankte haar met een weemoedigen lach en Louise verscheen in de

voorgalerij, schoon en koud als een marmeren beeld.

De resident stelde haar den dokter en den adsistent-resident voor.

»Mijne huisvrienden,” zeide hij en Louise reikte de beide heeren de

hand.

Eerst was zij stil en afgetrokken, maar weldra kwam er glans in haar

oogen, gloed op haar wangen, geest in haar woorden. En toen de twee

heeren dien avond laat naar huis gingen, waren zij opgetogen van

bewondering over de onvergelijkelijk schoone residentsvrouw, wier

lieftalligheid en geest haar schoonheid evenaarde.

Ook de resident was uitgelaten van vroolijkheid en zóo trotsch op zijn

bekoorlijke Louise, dat hij haar opgewondenheid voor vreugde hield en

haar overspanning voor geluk, haar volmaakt tevreden achtende met haar

gloeiend hoofd en haar verbrijzeld hart.

Louise had zich intusschen zoozeer vermoeid, dat zij om half twaalf in

haar kleedkamer terugkeerende, nauwelijks meer loopen kon en zich om

zoo te zeggen niets meer herinnerde noch van de heeren die zij

gesproken had, noch van hetgeen er dien avond voorgevallen was.

Mina, altijd Mina, niets dan Mina!

»Ik heb den ganschen avond aan u gedacht!” waren haar eerste woorden,

toen zij Mina weerzag. »Eer ik naar de andere kamer ga, moet gij mij

een belofte doen, want morgen vind ik u hier niet meer misschien.”

»Wat verlangt njonja resident van mij?”

»Beloof mij, dat gij u, indien gij iets noodig zult hebben, nooit tot

een ander zult wenden dan tot mij.”

»En wanneer njonja resident iets noodig zal hebben?.... Alle menschen

kunnen ongelukkig worden....”

»Dan zal ik hulp zoeken bij u.”

»Ik beloof het, njonja.”

En nogmaals drukte Louise een hartelijken kus op het koude voorhoofd

der verstooten vrouw, die zich weder in de kast verborg toen Alima haar

meesteres ontkleeden kwam, en eerst in het holle van den nacht haar

schuilhoek verliet, om als een dievegge het huis uit te sluipen dat

eenmaal het hare was geweest.

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK

WIE BIJ LOUISE WAKEN KOMT

»Nauwlijks veertien dagen gehuwd en nu reeds krank, reeds stervende! O

God! heb medelijden met mij! Spaar haar! Red haar! O, mijn Vader

hergeef mij mijn schoone Louise!”

En luid snikkend stond Stevens aan het ziekbed zijner echtgenoote, wier

laatste uur nabij scheen en wier zachte, afgebroken ademhaling hem

reeds meer dan eens aan haar leven had doen twijfelen.

»Louise hoort gij mij? Kent gij mij nog?—Weet gij.... O! God, zij

sterft!—Zij sterft....”

Een diepe stilte volgde. Stevens lag geknield ter aarde en de jonge

vrouw scheen deze wereld voor een betere verlaten te hebben. Haar oogen

waren gesloten, haar lippen strak en blauw en haar handen koud als

marmer. Stevens klemde haar dunne vingers krachtig in de zijnen en

drukte ze vurig aan zijn hart, terwijl zijn gloeiende lippen zich aan

het ijskoude voorhoofd vastklemden, en zijn betraande oogen met den

gloed der wanhoop vonkelden.

»Louise! Louise!” weergalmde de forsche stem in het stille sombere

vertrek, »Louise zijt gij ongelukkig geweest? Hebt gij reden gehad u

over mij te beklagen? Hebt gij mij gevreesd? of gehaat?.... Ja, gehaat!

Gehaat heeft zij mij, omdat ik haar lief had en omdat zij beefde voor

een liefde, die te krachtig was, om door een zwakke vrouw, als zij,

begrepen te worden.... Louise! Louise! O, herstel!.... Leef! Haat mij!

Veracht mij! Regeer mij! Maar verlaat mij niet!.... O! alles, alles wil

ik, alles zal ik voor u doen, alles.... Maar gij sterft! Gij wilt niet

blijven? Gij zijt te schoon voor deze wereld! Te goed voor mij!”

Hij snikte overluid, een vloed van tranen stroomde langs de bleeke

handen der stervende en een scherpe kreet van wanhoop ontsnapte den

beknelden boezem des residents.

Een uur later.

»August!....” fluisterden de koude lippen der kranke. »August!—O

kom.... Ik sterf.... Koud!.... Koud!”

Stevens drukte haar al dichter tot zich, maar sprak niet. Het was hem

niet mogelijk in deze oogenblikken van spanning en smart een enkel

woord te uiten. Hij beefde voor den toestand waarin hij zich bevond en

huiverde voor dien welke volgen zou.

»Louise,” vroeg hij ten laatste. »Mijn kind, ik ben bij u, wat verlangt

gij?”

»Red mij!”

»Gij zijt gered!—Niet waar, gij zijt weer beter? Gij wilt mij immers

zóo spoedig niet verlaten?”

»O! dáar.—Dáar zijn zij!——Red mij!—Red mij dan toch!——Gij zijt gezond

en sterk——vlucht met mij!”

En zij sloeg haar armen krampachtig om zijn hals, terwijl zij zich met

een kracht, als die eener waanzinnige, van haar leger ophief.

»Dáar!—Dáar ginds!” vervolgde zij angstig omziende. »Kijk dan

toch!—Daar staat hij.——O! mijn kind!—Het is het mijne, Henri!”

Stevens sidderde op het hooren van dien naam, toch antwoordde hij:

»Henri zal u geen kwaad doen, Louise.... en een kind? Daar is geen

kind!”

»O God! Het valt.... dáar—dáar.... ’t Is dood!”

En met een rauwen gil zonk de jonge vrouw aan August’s voeten neder.

Wanhopig knielde hij aan haar zijde, ondersteunde haar brandend hoofd

met de eene hand en trok met de andere een kussen uit het bed om op

haar verstijfde voeten te leggen.

Lang nog zwegen beiden. Louise scheen uitgeput van vermoeidheid en

Stevens durfde zich nauwlijks bewegen, uit angst haar een rust te

ontrooven, die mogelijk heilzaam voor haar wezen kon.

Toen zij eindelijk haar zwakke oogen weder ophief, trok zij haastig

haar hand uit de zijne terug.

»Moordenaar!” sprak zij nauw hoorbaar, en, terwijl zij het hoofd met

moeite van hem afwendde, trachtte zij zich los te wikkelen uit den

sterken arm die haar omklemd hield.

Toen haar pogingen mislukten, greep zij Stevens hand stijf tusschen

haar dunne vingers en zich naar hem toekeerende, om hem strak in de

oogen te zien, riep zij koortsachtig:

»Mijn kind is dood! Dat weet gij—maar alles weet gij nog niet.... ik

heb nog lang niet alles gezegd.... Ik heb het vermoord!—Weet gij het?

Begrijpt gij wat ik meen? Ik, zijn moeder, heb het levend verbrand

omdat het zijn kind was!—Een kind van den vreemdeling! Van hem aan wien

ik toebehoor.—Van hem die mij gekocht heeft om mijn lichaam, om dat

lichaam dat dáar voor hem ligt, verminkt, aan stukken gesneden, over de

heele wereld verspreid! Maar mijn hoofd is weg, dat heb ik meegenomen

en weggegeven en hij zal het nooit weerzien, want dat heeft hij niet

willen betalen—dat gold niet mee, ofschoon het toch goed was, mijn arm,

arm hoofd!....”

»Maar nog iets heeft hij niet gekregen—Chut! weet gij wat?—mijn

hart!—dat heb ik begraven, eer ik met hem meeging—niemand weet

waar.—Maar ik weet het—en ik kan het opgraven wanneer ik het noodig zal

hebben.—Maar, chut!—Stil!—Zeg het hem niet, want dan zou hij het willen

hebben, omdat het van goud is—omdat het gelukkig kan maken.—En hij

krijgt het niet.... Nooit.... nooit! Al wordt hij ook duizend jaar

oud!”

»Louise! mijn lieve Louise! Ach, mijn God! red haar uit dezen

vreeselijken toestand!”

»Die stem!—Henri! Hebt gij haar gehoord?—Herkent gij haar?—Het is de

zijne.—De vreemdeling!—Hu! daar is hij!”

En zich met een rauwen kreet uit Stevens armen losrukkende, vlood zij

naar het andere einde der kamer, en zonk dáar voor dood op een matje

neder.

Het is nacht. Alles rust in het groote residentiegebouw. Louise, door

zwakte en vermoeidheid uitgeput, is van een flauwte in een zachte

sluimering overgegaan. De resident ligt in een der logeerkamers te

ronken alsof hij de gelukkigste man der wereld was. Ook Alima, de

getrouwe Alima, is, na drie nachten niet van het leger harer meesteres

geweken te zijn, bezweken voor de eischen der natuur, en slaapt gerust

op haar gevlochten matje met een gevouwen kaïn [31] tot hoofdkussen.

Toch is er iemand die waakt over de arme, verlatene Louise.

Het is Mina.

Zij zit gehurkt achter het ledekant, verborgen in de plooien der witte

neteldoeksche gordijnen, te wachten, te hopen op het oogenblik waarop

zij van nut zal kunnen zijn.

Niemand weet dat zij zich hier bevindt, zelfs Louise niet.

Het was ver weg, in de dessah geweest, dat de menschen haar verteld

hadden, dat njonja resident stervende was.

»Kassian!” had zij gezegd, en tegen het vallen van den avond had zij

haar kinderen verlaten en was zij naar A. gegaan »om te helpen.”

Louise ontwaakt. Zij vraagt om drinken. Alima hoort het niet. Zij

slaapt. Maar Mina is dáar. Zij luistert en zij waakt, zij helpt en

verzorgt de jonge vrouw alsof zij haar zuster was, den ganschen nacht

door tot aan den morgen.... Nog altijd blijft Alima slapen.

Plotseling wordt de deur geopend en treedt Stevens binnen. Mina staat

naast het ledikant met een lepel medicijnen in de hand. De resident

dringt haar ter zijde, zonder acht op haar te slaan. Hij buigt zich

over Louise heen, drukt haar een kus op het voorhoofd en vraagt bijna

zacht:

»Hebt gij goed geslapen, Poesje?”

De jonge vrouw is te zwak om te antwoorden.

»Hoe heeft mevrouw het van nacht gemaakt?” vraagt hij de meid die naast

hem staat.

»Goed.—Maar njonja resident heeft behoefte aan stilte en rust.... en de

harde stem van toewan hindert haar.”

De resident springt drie voet achteruit:

»Gij!”

Hij grijpt Mina bij den arm en sleurt haar mede naar het venster, dat

hij wijd open gooit om te zien of zijn gehoor hem ook misleid kan

hebben.

Mina glimlacht even in het heldere licht dat op haar valt, en dat haar

holle oogen, haar ingevallen wangen, haar vermagerde gestalte

beschijnt, als om den resident het scherpste verwijt te doen, dat hem

in deze kamer, en op dit oogenblik met mogelijkheid gedaan kon worden.

Toch twijfelt hij nog.

»Mina!—Hier, bij Louise!—Niet mogelijk!”

Hij siddert, verbleekt, staart haar aan alsof hij een spookverschijning

ziet, bevoelt haar, trekt haar naar zich toe, stoot haar terug.

»Mina!” roept hij op eens, hijgend van kwaadheid en angst.

»Mina!” antwoordt de jonge vrouw kalm, hem uittartend in de oogen

ziende.

»Hoe komt gij hier, en wat doet gij hier?” vraagt hij, tandenknarsend

van woede.

»Mina komt ongeluk brengen over het huis, dat vervloekt is geworden

door de vrouw die gij bedrogen hebt, door de kinderen die gij

verstooten hebt.”

»Gij hebt haar vermoord, vergiftigd!” roept hij bijna gillend, en,

geheel buiten zichzelven van woede, grijpt hij Mina bij de keel, sleurt

haar naar de binnengalerij, werpt haar neder, slaat, stompt, schopt,

trapt haar, totdat zij levenloos voor de deur van Louise’s kamer liggen

blijft.

»Oppas!” schreeuwt hij, een ander voorwerp zoekend om zijn drift op te

koelen dan die gevoellooze massa, die den spot schijnt te drijven met

zijn machtelooze woede. »Oppas! Wie uwer heeft die vrouw in huis

gelaten?”

Niemand antwoordt.

»Hier, zeg ik, neem op, breng weg, en zorg dat zij verdwijnt. De duivel

hale je, indien zij ooit weer onder mijn oogen komt!”

ACHTTIENDE HOOFDSTUK

DE KINDEREN VAN MINA

Acht dagen later zat Louise voor het eerst op haar rotangstoel bij het

open venster te lezen. Of neen, eigenlijk las zij niet. Haar

uitgeteerde vingers speelden met de bladen van een boek, en haar oogen

dwaalden rond van een bloem naar een kind of van een kind naar een

bloem, zonder dat zij zelve wist wat zij zag. Reeds een groot half uur

had zij zóo gezeten; haar vingers hielden op met bladeren, haar oogen

bleven neergeslagen....

Plotseling stond zij op, en, met wankelende schreden naar de deur

gaande, klapte zij in de handen om Alima te roepen, die een oogenblik

later binnentrad.

»Alima, doe de deur eens dicht,” sprak zij zacht, »ik heb u een geheim

te openbaren dat niemand weten mag—zelfs de resident niet.”

Alima sloot de deur en wachtte.

»Hebt gij nooit,” begon Louise, »van een vrouw gehoord, die Mina heet,

en die vóor mijn komst hier, bij toewan resident geweest moet zijn?”

»Neen, njonja.”

»Die vrouw moet kinderen hebben, twee of drie: dat zijn de kinderen van

den resident.”

»Alima kent die kinderen niet, mevrouw.”

»Ik ken ze ook niet, maar zij zijn door mijn komst ongelukkig geworden.

Ik heb hun moeder beloofd dat ik voor hen zorgen zou, wanneer zij mijn

hulp ooit noodig zouden hebben.”

»Wil njonja dat Alima die kinderen zal opzoeken?”

»Neen, maar ik wil dat die vrouw en die kinderen nooit weggezonden

zullen worden, wanneer zij hier zullen komen om mij te spreken.”

»Er zijn eenige dagen geleden een paar kinderen hier geweest. Zij

vroegen naar njonja, maar de resident heeft ze weg laten jagen door de

Oppas.”

»Gij moet mij morgen weten te zeggen wie die kinderen waren, Alima. Ik

wil het weten, hoor? Hoe zij heeten, waar zij wonen, en waarom zij hier

zijn geweest.”

»Goed mevrouw.”

Den volgenden morgen werd er zacht aan de deur van Louise’s kamer

geklopt.

»Binnen.”

Het was Alima.

»Njonja moet niet kwalijk nemen,” begon de jonge slavin, »dat Alima

ongeroepen komt, maar Alima heeft gevraagd naar de kinderen die gekomen

waren om njonja resident te zien, en de Oppas hebben haar gezegd dat

het de kinderen van Mina waren.”

»En wat verlangden zij?”

»Dat wilden zij aan niemand zeggen dan aan njonja zelve.”

»Waar wonen zij?”

»Zeven paal van hier, in het gebergte, den weg op naar B.”

Een huwelijk in Indië · 第 6 / 20 段