woord. Toen stelde hij zijn gasten voor, om op het geluk van zijn
dochter en op dat van zijn aanstaanden schoonzoon, resident Stevens van
Langendijk, hunne glazen te ledigen.
Een luid »hoerah!” begroette zijn woorden, en werd door de muzikanten
met het »Wien Neerlandsch bloed” besloten.
Daarop stond de resident op en beantwoordde naar behooren den toast
zijns aanstaanden schoonvaders. Nogmaals deed een vreugdekreet zich
hooren, weder klonk de krachtige muziek, en alles keerde terug tot de
gewone gonzende feestvreugde.
Klokslag twee ving de dans weer aan, om voort te duren tot aan den
morgen. De opkomende zon vernietigde het armoedig licht der lampen door
haar trotsche gouden stralen en maakte een einde aan het kwijnend
feest, dat weder voor geruimen tijd stof zou opleveren voor de
belangrijke gesprekken van Samarangs groote wereld.
DERTIENDE HOOFDSTUK
HET EERSTE GESPREK ZONDER GETUIGEN.
De heugelijke dag was eindelijk aangebroken, waarop Louise van
Amerongen en resident Stevens van Langendijk de eerste gelofte af
zouden leggen van levenslange gehechtheid en trouw. Het geheele huis
was groen gemaakt en met bloemen versierd, alle jongens en meiden
hadden hun beste kleeren aan, en mijnheer en mevrouw Van Amerongen, de
resident en eenige goede vrienden waren reeds in de binnengalerij
vereenigd. Louise alleen ontbrak nog. Zij was bezig de laatste hand aan
haar toilet te leggen, en toen zij gereed was riep zij Alima en Rosa
bij zich en zeide zacht:
»Op mijn tienden verjaardag wilde mijne moeder mij een geschenk van
waarde geven, en zij gaf mij u. Gedurende zes jaar hebt gij beide mij
geholpen en verzorgd zooals mijne moeder dit van u verwacht had, daar
ben ik u dankbaar voor. Weldra zal ik het ouderlijk huis verlaten en
dan zal uw taak wat mij betreft volbracht zijn. Maar ik wil niet
vertrekken zonder u een klein blijk mijner erkentelijkheid te geven....
Ziehier wat geld voor uw aanstaande huishouding.... en zie hier uw
vrijbrief.....”
Louise’s stem en hand beefden toen zij haar oudste gezellinnen aldus
haar afscheid gaf.
Rosa weende, terwijl zij het geld aannam en den vrijbrief op den grond
liet vallen.
Alima kruiste de armen over de borst en sloeg de oogen neder.
»Alima, zie hier uw vrijbrief,” herhaalde Louise nauw hoorbaar.
»Ampon! [23] nonna!” riep de jonge slavin, zich aan haar voeten
werpende. »Wat heeft Alima misdaan dat zij de nonna niet langer dienen
mag?”
»Gij hebt mij goed gediend, Alima, gij zijt altijd trouw en eerlijk
geweest en ik heb mij nooit over u te beklagen gehad, daarom wilde ik u
gelukkig zien....”
»Ampon, nonna!” herhaalde Alima luid snikkend.
Ook Louise weende, maar zij trachtte haar tranen te verbergen en liet
den vrijbrief vóor de knieën van Alima vallen.
»De nonna zal niet boos zijn.... en Alima niet van ondankbaarheid
verdenken!” riep de jonge slavin het papier oprapende. »Alima is niet
geboren om vrij te zijn—Alima zou ongelukkig wezen alleen in die groote
wereld, indien zij aan niemand toebehoorde!” Toen scheurde zij haar
vrijbrief in stukken en vervolgde zachter: »Ook de nonna zou haar
missen in die verre, vreemde stad, waar niets haar het huis harer
moeder herinneren zal!”
Toen Louise eenige oogenblikken later de galerij binnentrad, waar de
resident haar, met van bewondering vonkelende oogen tegemoet kwam, was
zij zoo onbewegelijk, zoo gevoelloos schoon, zouden wij bijna zeggen,
dat zelfs de resident zich als terug gestooten gevoelde. Een kouden
blik om zich heen werpende en achteloos de hand reikende aan hen die
haar omringden, was haar eerste vraag: »Waarom zijn Marie en Henri van
den Berg niet hier?”
De resident greep haar hand en bracht die hartstochtelijk aan zijn
lippen.
»Schoone, bekoorlijke Louise!” sprak hij zacht.
Het meisje scheen hem noch te hooren, noch te zien, zij sloeg geen acht
op hem, maar herhaalde nogmaals: »Waar blijven Henri en Marie dan
toch?”
Te vergeefs trachtte de resident haar aandacht tot zich te trekken en
haar »aan het spreken te krijgen”. Niets mocht hem baten. Het jonge
meisje wierp zich met een zucht op een leuningstoel neder en staarde
naar de deur, alsof daarbuiten alles was wat haar ziel kon boeien.
Gelukkig voor hem had de resident te veel eigenliefde en te weinig
wantrouwen om aan jaloezie onderhevig te zijn, anders zou hij
ongetwijfeld geleden hebben onder Louise’s afgetrokkenheid.
Mevrouw Van Amerongen, hoogst verlegen over de houding harer dochter,
zond ongemerkt een der jongens naar Van den Berg, om de juffrouw te
smeeken toch zoo spoedig mogelijk te komen.
Een paar minuten later rolde een rijtuig het hek in, en traden mijnheer
Van den Berg, Marie en Henri binnen.
Louise sprong op als door een elektrieken schok geraakt, liep den ouden
heer schier omver en wierp zich in de armen harer vriendin.
»Eindelijk!” riep zij met een glimlach, zoo droevig, zoo lijdend, dat
hij Henri deed verbleeken en tranen in Marie’s zachte oogen riep.
»Kom, nu kan ik teekenen,” vervolgde zij met een doffe, vaste stem. »Nu
heb ik al mijn vrienden om mij heen. Zoo gij wilt, resident?”
De plechtigheid nam een aanvang en, toen zij statig en wel volbracht
was, had er een prachtig déjeuner plaats waarop het natuurlijk niet aan
toasten op het geluk van bruid en bruidegom ontbrak.
Mijnheer en mevrouw Van Amerongen schenen recht gelukkig en
verheerlijkt met den hooggeplaatsten schoonzoon, dien zij met
onvermoeiden trots prôneerden. De meeste gasten waren stil, maar de
resident was uitgelaten vroolijk en de jonge bruid bleef afgetrokken en
zwijgend alsof zij zich geheel vreemd gevoelde aan hetgeen om haar heen
voorviel. Slechts nu en dan, wanneer zij haastig een blik op Henri of
Marie wierp, kwam er een sombere gloed in haar donker oog of een lichte
blos op haar bleeke wangen.
Toen het déjeuner geëindigd was, brak er eindelijk een oogenblik van
vrijheid aan, waarin elk zijn weg ging en sprak met wien hem goed
dunkte. Ook Louise wilde van dat oogenblik gebruik maken en den
resident zacht op den arm tikkende, verzocht zij hem haar naar de
achtergalerij te volgen, waar zij ongestoord te zamen spreken konden.
De resident was eenigszins verwonderd over deze avance, zooals hij het
noemde, en volgde haar nieuwsgierig.
»Daar ik nu uw bruid ben,” begon zij, »zoo zal het mij mogelijk vergund
zijn u eindelijk een oogenblik zonder getuigen te spreken.”
De resident begreep niet recht; maar, ook zonder te begrijpen, sloeg
hij zijn arm om de slanke leest zijner schoone bruid en drukte hij een
vurigen kus op haar ijskoud voorhoofd. Louise onderging zijn liefkozing
met een kalmte en een onverschilligheid alsof zij er sedert jaren aan
gewoon was geweest, en toch was dit de eerste kus haars verloofden. Hij
had heden eenig recht op haar verkregen, dit gevoelde zij, en daarom
liet zij nu toe, hetgeen zij hem tot dusver halsstarrig geweigerd had.
»Stevens,” hernam zij weder, het was de eerste maal dat zij hem anders
noemde dan »resident,” en het kostte haar blijkbaar moeite den man, die
over een paar weken haar echtgenoot zou zijn, bij zijn naam te noemen.
»Stevens, binnen korten tijd zal ik uw vrouw zijn en nog nooit hebt gij
mij gevraagd of ik het wezen wilde.”
De resident zette groote oogen op, maar glimlachte, als dacht hij bij
zichzelve: »Wat doet uw wil ter zake, kind?”
»Ik heb u mijn hand toegezegd,” vervolgde zij, »omdat mijne moeder het
verlangde en mijn vader het mij beval.”
Zij wachtte even, als om den resident tijd tot antwoorden te geven,
maar toen zij zag dat hij zwijgen bleef, hernam zij met meer vastheid:
»Ik moet natuurlijk mijn ouders gehoorzamen, en daar ik niemand
bijzondere genegenheid toedraag, is het mij om het even aan wien mijn
ouders mij afstaan.”
»Liefste, liefste Louise!” riep de resident opgetogen. »Nog nooit hebt
ge iemand lief gehad, zegt gij?”
»Niemand, zelfs u niet, resident.”
»Dat zal later wel komen als wij eenmaal getrouwd zullen zijn.”
»Ik hoop het, voor u en voor mij,” antwoordde Louise kalm. »En mocht
het anders wezen, dan zal de resident zich herinneren dat zijn vrouw
hem gedwongen haar hand geschonken heeft.”
»Maar ik zal alles doen om u gelukkig te maken, om u het leven te
veraangenamen, Louise, en wij zullen het minder aangename van vroeger
vergeten, niet waar?”
Louise zeide niets. De resident vatte haar hand in de zijne en vroeg
met eenige onrust:
»Haat gij mij, Louise?”
»Gij zijt mij onverschillig.”
Een lange stilte volgde.
»Gij weet nu, wat ik meende dat gij vóor ons huwelijk weten moest,”
zeide zij eindelijk, »handel verder met mij naar goedvinden.”
Er lag een wanhoop in haar onderwerping en een kracht in haar zwakheid,
die den resident onwillekeurig deden huiveren, doch weder viel zijn oog
op haar schoon en kalm gelaat en alles werd vergeten in een kus.
Louise liet zich deze tweede liefkozing welgevallen als de eerste en
beantwoordde haar met de woorden:
»Zoo gij er niets tegen hebt, resident, zullen wij naar het gezelschap
terugkeeren.”
VEERTIENDE HOOFDSTUK
HOE BRUID EN BRUIDEGOM OVER ELKANDER DENKEN
Nauwlijks was de resident dien avond vertrokken of Louise begaf zich
naar haar kamer, ontkleedde zich schielijk, zond haar slavinnen weg en
wierp zich op haar geliefkoosden rotangstoel neder, om ongestoord te
kunnen nadenken over hetgeen er dien dag voorgevallen was. Twee malen
sprong zij op, liep met haastige schreden de kamer op en neer en ging
weder zitten.
»Neen,” dacht zij bij zichzelve, »de resident moet zelf weten wat hem
te doen staat. Geeft hij mij mijn woord niet uit eigen beweging terug,
dan zal ik er hem ook niet meer om vragen. Hij weet dat hij er mij een
dienst door zou bewijzen, doet hij het dus niet dan toont hij genoeg
dat hij meer om zijn eigen trots geeft dan om mij.... Morgen
diner—overmorgen bal—na overmorgen thé dansant in de societeit, daarna
een bal bij den resident en een bij Van den Berg en dan nog kleine
partijen zonder ophouden in het verschiet....”
Zij gaapte als een mensch van zestig jaar op het denkbeeld van al die
vermakelijkheden.
»Maar hij zal het niet doen... welnu, dan word ik zijn vrouw... wat kan
het mij schelen?—Hij of een ander... hij is ten minste goedig, een
ander zou er mogelijk nog kwaad bij zijn. Hij trouwt mij omdat hij mij
mooi vindt, en ik hem omdat mijn ouders het hebben willen. Wij staan
dus gelijk—wij houden niet van elkander en hebben elkaar dus niets te
verwijten.... Maar, mijn hemel, waarom trouwen wij dan?—Ik moet, ik zal
hem nog eens spreken, mogelijk.... Neen, ik wil niet.”
»Ik zal residentsvrouw worden en dan zal ik vrij zijn. Ik zal mijn
huishouden geheel naar mijn zin inrichten en hem het leven zoo
aangenaam mogelijk maken.—Hij zal goed voor mij zijn. En eigenlijk—wat
kan ik meer begeeren?... Ik ben nu bijna zestien jaar oud en nog nooit
heb ik voor iemand een liefde gevoeld zooals men die in boeken
beschreven leest. Daar zal ik niet vatbaar voor wezen.... Henri?.... O!
foei, Henri! Neen, dat zou al te gek zijn. Ik houd heel veel van Henri,
maar toch niet meer dan van Marie. Neen, hetgeen men liefde noemt moet
nog iets anders wezen.... En de resident?—Hij zegt mij lief te
hebben..... Zou dat mogelijk wezen? Maar indien hij mij waarachtig lief
had dan moest hij mij meer beminnen dan zichzelven, dunkt mij.... O! ik
geloof niet dat ik voor eenig offer terug zou deinzen indien het ’t
geluk gold van iemand dien ik waarachtig lief had.... Hij zal het niet
doen..... en toch trouwt hij mij uit liefde....”
Zij lachte afgetrokken. »Och, zulke roman-liefdes bestaan mogelijk niet
eens. Ik heb er ook nooit van gehoord in het werkelijke leven....”
Zij stond op, nam een boek uit haar kast, sloeg het open bij een vouw
en las:
»Osez me l’arracher! Demandez-lui s’il m’aime,
Dit-elle; le voilà pour répondre lui-même.
Parle, Jocelyn, dis s’il est vrai que ton coeur
A trahi ton ami, ton amante, ta soeur!
Dis-leur si de ce sein où Dieu m’avait jetée,
Sur la pierre à leurs pieds tu m’as précipitée?
Dis-leur si cet amour, notre vie en ce lieu,
Tu l’aurais renié, même à la voix de Dieu!
Un Dieu! S’il était vrai, si je doutais encore,
Je le détesterais, autant que je t’adore!”
Met een treurigen glimlach sloeg Louise het boek dicht, maar een tweede
vouw ziende, opende zij het weder om verder te lezen:
»Je me repens de tout, hors de l’avoir aimé!
Et si devant ce Dieu mon amour est coupable,
Que dans l’éternité sa vengeance m’accable!
Je ne puis m’arracher du coeur, même aujourd’hui,
Le seul être ici-bas qui m’ait fait croire en lui;
Et dans mes yeux mourants son image est si belle,
Que je ne comprends pas le ciel même sans elle.
Oh! s’il était là, lui! Si Dieu me le rendait!
Même à travers la mort, oh! s’il me regardait!
Si cette heure à ma vie eut été réservée,
Si j’entendais sa voix, je me croirais sauvée:
Sa voix m’adoucirait jusqu’au lit du tombeau! [24]
»O neen! zulke liefde kan niet bestaan!” sprak zij met tranen in de
oogen. »En toch.... indien zij eens bestond?”
Zij had zonder het te bemerken eenige bladzijden omgeslagen, en
toevallig viel haar oog op de woorden:
»J’ai trahi par faiblesse, ou bien par dévoûment,
Mon enfant, mon amour, mon bonheur, mon serment.”
Zij las niet verder. Zij wierp het boek weg en sprak met een nog
treuriger lach dan zoo even: »Ik hoop dat ook dit overdreven zal
wezen!”
Toen begaf zij zich ter ruste, doch sliep bijna niet dien nacht, en
toen den volgenden morgen de eerste zonnestralen in haar kamer drongen,
gevoelde zij zulk een behoefte aan ruimte en lucht dat zij zich zonder
hulp harer slavinnen aankleedde en den tuin invloog.
Ook de resident had dien nacht geen rust kunnen vinden. Hij had, ’s
avonds thuis komende, zijn jongen de deur uitgeschopt, omdat hij, als
altijd, onder de tafel lag te slapen, omdat het nachtlampje niet meer
licht gaf dan naar gewoonte, omdat de laarzen, die hij aanhad, hem
knelden, omdat het warmer was in zijn kamer dan in de open lucht, en om
nog vele andere redenen meer, die slechts in de verhitte verbeelding
van driftige menschen zonden van onschuldigen worden.
Nu liep hij met rassche schreden zijn kamer op en neer, dan bleef hij
voor het geopende venster staan en hief zijn oogen naar omhoog, zonder
iets van den prachtigen sterrenhemel te zien die zich over Samarang
uitstrekte; nu eens wierp hij zich moedeloos op een bank, een oogenblik
later sprong hij weder op, balde de vuisten, verschoof eenige stoelen,
verplaatste het nachtlichtje, de gindie [25] met water, zijn cassette,
in éen woord al wat hij vinden kon, wierp de jalousiën dicht wanneer ze
open waren, of opende ze wanneer hij ze een oogenblik te voren gesloten
had, stampvoette, lachte, geeuwde, sprak overluid, was nu eens hoogst
gelukkig dan weer diep rampzalig, dacht aan alles en toch aan niets....
Zóo werd het eindelijk dag en de resident zag met verbazing de zon in
zijn kamer schijnen.
»Wat duivel is dat?” sprak hij bij zichzelven, »heb ik mij gisteren
niet uitgekleed? Ik zou mij schamen voor mijn jongen als hij ’t zag!”
Hij ontkleedde zich zoo goed en zoo kwaad als hij het zonder hulp van
Siedin doen kon, stak een sigaar op, wierp zich te bed en floot.
Siedin trad binnen. »Wat verlangt toewan resident?”
»Hoe laat is het?”
Hij had een halve minuut geleden nog op zijn horloge gezien.
»Bij zessen, mijnheer.”
»Leg mijn kleeren gereed, ik wil uitgaan—dadelijk.”
Siedin was buiten zichzelven van verbazing, maar vertrok geen spier en
gehoorzaamde stilzwijgend.
Toen de resident eindelijk weer in de kleeren was, sprak hij haastig:
»Haal mij een kop koffie en een stuk brood, en zoek mij een gezadeld
paard.”
Siedin antwoordde kalm: »Saja toewan”, maar wist volstrekt niet waar
hij een gezadeld paard van daan zou kunnen halen, daar de ongelukkige,
magere dieren van het logement, volgens zijn oordeel niet geschapen
waren om een resident te dragen.
Het ontbijt verscheen spoedig genoeg, maar de resident had al ruim een
kwartieruurs gelaarsd en gespoord op de stoep gestaan, eer zijn
gezadeld paard kwam opdagen.
»Monjet! [26] Waar heb je zoolang gezeten?” vroeg hij rood van
ongeduld.
»Ik heb het rijpaard van toewan secretaris....”
»Stommeling!” bromde de resident opstijgende; hij gaf het paard de
sporen en reed weg.
»Oentoeng! Toewan resident kloewar [27]!” dacht Siedin bij zichzelven
en recht gelukkig dat hij vrij af had, begaf hij zich naar zijns
meesters kamer en lei zich in diens plaats ter ruste.
De resident reed in gedachten verzonken den Bodjongschen weg op.
»Neen,” sprak hij bij zichzelven, »neen, niets daarvan.... Wat raakt
het haar?—Zij is een kind, een aardig poppetje; maar daarom behoeft zij
nog niet alles te weten. En buitendien, wat zou het baten, of zij het
al dan niet wist; dat zou niets aan de zaak veranderen.
»Het is, geloof ik, een koppig ding, zoo onderworpen als zij zich
voordoet.... Nu, en die onderwerping! Zij wil wel zóo, anders zou ze
ook zoo gehoorzaam niet wezen.... Een mooi kopje! Een lief figuurtje!
Maar gisteren was zij toch verduiveld bij de hand.... En een tongetje,
zoo scherp.... zoo rad....
»Maar mogelijk—Ha! daar begin ik weer! Daar ben ik nu den ganschen
nacht reeds over bezig geweest, alsof haar woorden iets te beteekenen
konden hebben! Louise is een kind—en een bedorven kind nog al, zij
heeft zich gekrenkt gevoeld door mijn wijze van handelen, dat is al.
Had ik haar een week of wat het hof gemaakt, alvorens mij tot haar
ouders te wenden, dan zou het nufje zeer vereerd geweest zijn. Nu is de
jonge dame beleedigd....—Ik hoor haar nog: »Stevens, binnen korten tijd
zal ik uw vrouw zijn en nog nooit hebt gij gevraagd of ik het wezen
wilde.” Dat waren harde woorden voor mij.... mogelijk ware het beter
indien.... neen, neen! Wat drommel, waar denk ik toch aan! Louise zal
mijn vrouw worden—en zij zal mij liefhebben ook, anders....
»»Ik hoop het voor u en voor mij,” gaf zij mij gisteren ten antwoord,
toen ik haar van liefde in ons huwelijk sprak; »maar mocht het anders
wezen, dan zal de resident zich herinneren dat zijn vrouw hem gedwongen
haar hand geschonken heeft.” Verduiveld! die woorden deden mij toch
aan. Het was mij, alsof zij een vloek over mijn toekomst uitsprak! Het
was een oud mensch dat sprak, geen zestienjarig meisje meer. Die
kalmte, die vaste, ik zou bijna zeggen, die dreigende wijze van
spreken.... Als man van eer moest ik haar haar woord terug geven.... En
haar de vrouw van een ander zien worden! Nooit. Alsof een ander haar
meer lief kon hebben, dan ik? Alsof.... Gekheid! Non sense! daar komt
niets van in!—Het mankeert er nog maar aan dat resident Stevens van
Langendijk daarvoor hier gekomen zou zijn! Wat zouden zij mij uitlachen
als ik zonder vrouw te A. terugkwam!—Ik—een man van rang, van vermogen,
bedankt door een wispelturig kind! En dat nogal nadat de geheele wereld
geweten heeft dat zij mijn bruid geweest is! Wat zou men daar wel van
zeggen.... Neen, neen; dat gaat niet. Alles is goed en wel, maar ik
moet niet ridicuul gaan worden op mijn ouden dag!” Zoo dacht de
resident nog een groot uur voort en toen hij eindelijk vermoeid en warm
te huis kwam, was hij nog niets verder gevorderd dan toen hij uitreed.
Alles was verwarring in zijn hoofd zoowel als in zijn hart.
Hij was verliefd op Louise, zij was zijn bruid, zij moest zijn vrouw
worden. Wel zeide zijn geweten hem dat hij verkeerd handelde, maar zijn
hoogmoed, zijn ijdelheid, zijn eigenliefde, ja zelfs zijn achting voor
zichzelven gedoogden niet dat hij zijn wil zou doen buigen voor die van
een afhankelijk kind.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK
HET OFFER AAN EERZUCHT GEBRACHT
Wij vinden Louise van Amerongen weder in een prachtig wit zijden
bruidskleed; een lichte kanten sluier is smaakvol om het schoone hoofd
geplooid, en omzweeft als een dunne wolk de fijne, ranke gestalte.
Kostbare paarlsnoeren kronkelen om den blanken hals en armen, en een
fraaie krans van oranjebloesems en witte rozen ligt op een stoel aan
haar zijde. Haar gelaat is bleek, haar oogen schitteren en haar handen
zijn wit en koud. Overigens is zij kalm en geen woord, geen beweging
verraadt wat er in haar ziel omgaat.
De resident treedt met een glimlach om de lippen de voorgalerij binnen
en beeft licht terwijl hij de hand zijner bruid in de zijne vat.
»Zal zij mij gelukkig maken?” vroeg hij zichzelven met eenige
twijfeling af, en toen hij zijn oog vragend op zijn schoone Louise
vestigde, ging hem een koude rilling door de leden, terwijl hij
zichzelven verzekerde dat haar buitengewone schoonheid ruimschoots
vergoeden zou hetgeen zij aan verstand of hart ontbreken mocht.
»Zal het mij mogelijk zijn dien man gelukkig te maken?” waren ter
zelfder tijd de gedachten der bruid, en toen zij haar donker oog
onzeker over de menigte liet weiden, trof haar de zachte, treurige
uitdrukking van Henri’s edel gelaat en ook haar ging een koude rilling
door de leden, terwijl zij haar blikken nedersloeg en zichzelve
ontkende immer iets om haren neef gegeven te hebben.
Arm meisje! Hoevelen handelen als gij, en werpen zich met een bloedend
hart in de armen van een man die haar onverschillig is! Hoevelen
brengen, als gij, aan een fortuin, aan een rang het geluk van gansch
haar leven ten offer en verloochenen, vergeten, versmaden zichzelven en
anderen voor een denkbeeldige grootheid, die haar waarde verliest
zoodra men gevoelt haar bereikt te hebben!
En gij, dwaze man! gij die de menschen kent en voor wien de wereld niet
nieuw meer is, gij die geen jeugd, geen onervarenheid, geen plichtbesef
ter uwer verontschuldiging kunt bijbrengen, hoe kunt gij u aan een
woesten hartstocht overgeven waartegen uw verstand u waarschuwt en
geheel uw ziel zich verzet? Hoe kunt gij, die alles gezien, gekend,
genoten hebt, wien niets onthouden is geworden, zelfs niet de rampen
die kracht geven en de teleurstellingen die tot nadenken brengen, hoe
durft gij thans op een gelukkige toekomst hopen?
Toch zijn er velen als gij, die op een gevorderden leeftijd een jonge
bruid naar het echtaltaar voeren zonder een oogenblik aan het geluk der
aanstaande levensgezellin gedacht te hebben. Die haar uit eigenliefde,
hoogmoed of pronkzucht, het jawoord als afpersen en haar van haar
ouders afbedelen of koopen om het nietig genot te hebben van der wereld
toe te roepen: »Zij, die de mijne is geworden, was te goed voor allen,
de grootsten waren te gering voor haar en de rijksten te arm; maar zij
heeft mij haar leven en haar toekomst toevertrouwd, mij heeft zij haar
jeugd en haar schoonheid geschonken.”
Het leven is een leerschool, heeft men meer dan eens gezegd, en toch,
hoevelen hollen dat leven door, zonder omzien, zonder nadenken, zonder
vergelijken, zonder berekenen; verblind door al wat schittert,
medegesleept door al wat kracht heeft, voortgestuwd door al wat buiten
hen is. Zij zien alles en begrijpen niets, gevoelen alles en kennen
niets, ondervinden alles en doorgronden niets. Uitgelaten vroolijk in
voorspoed, zijn zij hopeloos in droefheid en verwoed over de geringste
teleurstelling. Niets is blijvend voor hen; wat zij heden liefhebben,
versmaden zij morgen; wat zij gisteren deugd noemden, is heden misdaad
voor hen. Zij leven geheel voor het oogenblik, gevoelen zonder
herinnering en handelen zonder aan een toekomst te denken. Vandaar dan
ook dat men er zoo velen ziet die in de werkelijkheid grijs geworden
zijn om hun leven in een illusie te eindigen.
In de kerk knielde de jonge bruid aan Stevens zijde neder, zijn oogen
zochten de haren, de haren bleven onafgebroken neergeslagen. En toen de
plechtigheid geëindigd was en zij op zijn arm geleund de kerk verliet,
verried een hoog rood een onbestemd gevoel van schaamte en berouw dat
zich onwillekeurig van haar meester maakte.
De resident gevoelde iets dergelijks, maar begreep het niet. Zijn oog
viel op het bekoorlijke schepsel dat hem toebehoorde, en half bevend
fluisterde hij haar in het oor:
»O Louise, mijn engel! Thans zijt gij de mijne voor eeuwig!”
Nu eerst gevoelde het meisje, welk een vreeselijke band er tusschen
haar en dien man gelegd was geworden. Nu verstond zij eerst recht die
ijselijke woorden, die een oogenblik te voren nog bloote klanken voor
haar geweest zouden zijn.