tegenspraak opvattende, »moet ik u, hetgeen ik niet hoop, als een
onwaardige dochter leeren kennen, voor wie de dierbaarste wenschen
harer ouders niets beteekenen, moet ik u de goede, verstandige
raadgevingen uwer moeder met onverschilligheid in den wind zien slaan,
en de schoonste droomen uws vaders met ondank en tinkas [14] zien
beantwoorden, welnu dan zal ik genoodzaakt zijn om mijn toevlucht tot
het uiterste te nemen, en u geen gehoorzaamheid meer te vragen, maar te
gebieden.”
Nauwlijks had mijnheer Van Amerongen deze laatste woorden uitgesproken
of Louise sloeg haar vonkelende, zwarte oogen met een vreemde
uitdrukking van smart en kracht naar hem op.
»Ik zal gehoorzamen,” sprak zij besloten, en na eenige oogenblikken
zwijgens, vervolgde zij met vuur:
»Onthoud het wel, vader, dat gij het geweest zijt die dit huwelijk
gewild hebt... En zal die man zich eenmaal ongelukkig gevoelen, wijt
het dan niet aan mij maar aan u zelven.”
»Schaam u Louise! Wat heeft die man u misdaan? Hij biedt u zijn hand en
zijn leven aan, en daarvoor belooft gij hem ongelukkig...”
Louise’s oogen schoten vol tranen, en, haar vader verontwaardigd in de
reden vallende, hernam zij:
»Ik zal hem niet opzettelijk ongelukkig maken... maar...”
»Maar?”
»Ik weet het niet!” Zij boog het hoofd, en zweeg.
»Weet gij het niet?.... Kom, geef mij maar een zoen en zeg aan uw
moeder dat wij overmorgen feest zullen vieren. Hier hebt gij eenige
invitatiebriefjes; vraag verder zelve wie gij vragen wilt, en gedraag u
voortaan als een verstandig mensch.”
Voor het eerst van haar leven nam Louise de invitatiebriefjes haars
vaders met onverschilligheid aan. Zij begreep zelve niet, hoe zij op
eens zóo veranderd was.
»Wat heb ik toch?” dacht zij bij zichzelve. »Iedereen is goed en lief
voor mij, en toch zou ik den ganschen dag wel kunnen schreien.—Nog
nooit heb ik mij verveeld en nu verveelt mij alles... zelfs....” haar
oog viel op de briefjes welke zij pas weer als een blijk van liefde
ontvangen had. Zij beschuldigde zich zelve van wispelturigheid en
ondankbaarheid, wischte beschaamd haar tranen af en begaf zich zoo
vroolijk mogelijk naar haar moeder om deze met de heugelijke tijding
van het op handen zijnde feest bekend te maken.
Het arme kind gevoelde diep, maar had geen begrip van hetgeen zij
gevoelde. Zij had haar ouders gehoorzaamheid beloofd, en, ofschoon zij
dit als haar plicht beschouwde, zoo gevoelde zij toch dat zij anders
had moeten handelen dan zij gedaan had. Maar hoe?... Zij dacht er den
ganschen dag en den halven nacht over na, maar toen den volgenden
morgen de zon weer vroolijk in haar kamer scheen en de gelukkige
vogelen hun vrijheidslied ten hemel zonden, was zij nog even ver als
van te voren—zij wist het niet!
ELFDE HOOFDSTUK
HET JAWOORD
Wie een jaar of twintig geleden op Java geweest is, zal zich herinneren
hoe onbeschrijfelijk druk een huisvrouw het had, wanneer zij menschen
verwachtte. [15] Nergens was een kok, nergens een banketbakker te
vinden, bij wien zij voor geld of goede woorden een diner, souper of
collation bestellen kon. Op de blikjes, de ingelegde vruchten en eenige
soorten van gebakken na, moest alles, van de soep af tot het geringste
geleitje toe, in huis vervaardigd worden, en daar kokkie en toekan
passar [16] cum suis wel een gewonen daagschen pot [17] konden kooken,
maar weinig of geen verstand hadden van de uitheemsche gerechten, die
bij feesten verlangd werden, zoo kwam de grootste zorg en moeite op
Mevrouw en, zoo zij ze had, op haar vriendinnen neder. Daarbij kwamen
nog de kleedjes [18] der geheele familie (en dit zegt wat wanneer er
veel dochters zijn), die door mevrouw geknipt en geregen en daarna door
de meiden genaaid moesten worden. En het naloopen der bedienden, die
gelukkig zijn wanneer zij in een hoek »gedjonkokt” (gehurkt) op hun
gemak een pruimpje sirie kunnen kauwen. En het rangschikken der
plaatsen, het gereedzetten van het dessert, het schikken der bloemen en
duizend andere kleinigheden meer, die de oppervlakkige beschouwer niet
telt, maar waar het arme hoofd der huisvrouw dikwijls letterlijk van
omliep!
Het was dus Woensdagmorgen, en de klok had nog geen acht geslagen, toen
de halve pandopo [19] reeds vol stond met hooge aarden komforen,
waarbij inlandsche vrouwen zaten te kiepas-kiepas [20] om het vuur aan
te houden.
Mevrouw Van Amerongen was aan het kneeden van deeg, en Louise en Marie
stonden gekookte agar-agar door een doekje te zeven.
»Ben je niet blij?” fluisterde Marie.
»Hm—m.”
»Een resident!”
»Moet de agar-agar bij de rum, mama?” vroeg Louise.
»Ja kind—neen, wacht even, geef mij—ik zal dat doen.”
»Wat doe je morgen aan?”
»Hm—dat weet ik niet.”
»Ja, Allah! hoor haar toch eens, mevrouw! Zij weet niet wat zij morgen
aan zal doen!”
»Zwijg toch Marie! Ik dacht aan wat anders.—Ik heb een wit kleedje van
papa gekregen.”
Mevrouw Van Amerongen had ook aan iets anders gedacht, haar deeg had
haar verhinderd het gesprek der meisjes te hooren.
»Tule of tarlatan?”
»Satijn.”
»Satijn!!! Mijn hemel hoe mooi!”
»Geef mij nu de agar-agar,” riep mevrouw.
»Komen de muzikanten, Louise?”
»Ik weet het niet.”
»Ja, tobat! Nu wordt het toch al te erg! Weet gij niet of er morgen
gedanst zal worden?”
»Neen, ik heb het vergeten te vragen.”
»Maar Louise?” vroeg Marie, met een schalksch lachje, »is het de
resident die u zoo vergeetachtig maakt?”
Louise wierp een lepel op den grond en raapte dien weer op.
»Wilt gij dansen, ga dan maar zelve naar papa, om het te vragen,” zeide
zij, een bord met boter opnemende en het een eind verder weer neer
zettende.
Marie sloeg haar vriendin opmerkzaam gade. »Wat heeft zij toch?” dacht
zij bij zichzelve, »zij is zóo strak, zoo afgetrokken, zoo
onverschillig.... Aha! zou dat het zijn? Wacht.... Louise!” fluisterde
zij zacht, »kan de resident niet dansen? En moogt gij het daarom ook
niet doen? Moet gij nu reeds deftig wezen?”
Louise zag verontwaardigd op, zij gevoelde zich gekrenkt door Marie’s
veronderstellingen.
»Wat!” zeide zij, »de resident! Gij weet immers dat hij mij nog niet
eens gesproken heeft. En buitendien, zoolang ik zijn vrouw niet ben,
ben ik vrij, en heeft hij niets over mij te zeggen!”
»Chut! chut! Louise! Wat zijn dat voor woorden?” riep mevrouw Van
Amerongen op eens. Louise had niet aan de tegenwoordigheid harer moeder
gedacht, maar nu deze toch eenmaal haar woorden gehoord had, gaf zij
zich de moeite niet van ze weder in te trekken.
»Waar spraakt gij over?” vroeg mevrouw Van Amerongen al kneedende.
»Och! over de partij van morgen. Marie dacht dat de resident niet
dansen kon, en het mij daarom ook niet toe zou staan.”
»Hoe komt gij daar aan?”
Louise schoof het bord met boter nog wat verder weg en zei: »Marie
vroeg of er gedanst zou worden.”
»Dit zal geheel van u afhangen. Zoo gij de muzikanten hebben wilt, moet
gij maar zelve aan papa vragen of hij ze bestelt.”
»Willen wij het samen gaan vragen?” fluisterde Marie, die in haar hart
reeds danste.
»Het is mij wel.... als gij het woord doet.”
»O! dat heb ik er gaarne voor over.”
»Spreek toch niet meer over den resident, wat ik je bidden mag, Marie,”
begon Louise zoodra zij zich aan het oog harer moeder onttrokken had.
»Papa en mama zijn zoo verschrikkelijk met hem ingenomen....”
»En gij?”
»O! ik ook... natuurlijk,” antwoordde zij koel, »maar ik heb hem pas
twee keer gezien.”
»Ja? Is het geen gek gevoel om met zoo’n wild vreemden man geëngageerd
te zijn?—Mij dunkt, ik zou in uw plaats niet weten hoe ik mij houden
moest tegenover hem.”
»Ik geloof dat ik dat ook niet weet. Och! Als ik maar niet alleen met
hem behoef te wezen, dan kan het mij niet schelen. Hier is papa, gij
doet het woord hoor,—ik wil niet om de muzikanten vragen.”
Marie deed het woord en mijnheer Van Amerongen beloofde dat er gedanst
zou worden. Uit dankbaarheid vloog Marie hem om den hals en liet Louise
zich een zoen welgevallen, juist op het oogenblik dat een der jongens
[21] binnentrad met de woorden:
»Toewan resident.”
De meisjes wilden vluchten, maar mijnheer Van Amerongen greep zijn
dochter bij den arm en beval haar te blijven. Marie was de deur reeds
uit, toen een wanhopige blik van Louise haar zóo dringend smeekte om
terug te keeren, dat zij zich weder aan haar zijde plaatste.
Mijnheer Van Amerongen, die den resident eenige schreden tegemoet was
gegaan, kwam hand in hand met hem terug. »Mijn dochter,” zeide hij met
een onderdanig lachje, »bevond zich juist hier toen gij u liet
aandienen, en daar zij zich gelukkig acht u in persoon mede te deelen
hoezeer zij zich vereerd....”
»Het is dus geklonken?” viel de resident hem in de rede, een
hartstochtelijken blik op Louise werpende.
»Het is geklonken! mijn waarde aanstaande schoonzoon!”
De resident wilde zijn arm om Louise’s hals slaan en de verloving
terstond met een kus beginnen, doch Louise trok zich terug en boog
onder den arm van den resident door.
»Hoe is het?—Vriend of vijand?—Hoe staan de zaken eigenlijk?”
»Goed, uitmuntend!” riep mijnheer Van Amerongen, na zijn dochter een
woedenden blik toegeworpen te hebben. »Louise is wat bloode—dat zal er
later wel uitgaan. Ze is ook nog zoo jong,” voegde hij er
verontschuldigend bij.
»Dat is waar,” stemde de resident lachend toe. »De hand dan maar
Louise, omdat je nog niet aan me gewoon bent! Later zal die blooheid
wel slijten.”
Louise sloeg de oogen neder en reikte den resident haar hand, die hij
gretig aannam en aan zijn lippen bracht. Louise had het wel willen
uitschreeuwen van pijn. Nog nooit had iemand haar zoo ruw een hand
gegeven.
»Resident!” riep zij zacht.
»Stevens, als je blieft, mijn schoone Louise.”
»A propos, Stevens blijf je déjeuneeren van daag?”
»Het spijt mij verduiveld,” antwoordde de resident, met een blik op
Louise, »maar ik heb den overste mijn woord gegeven en daar kan ik
moeilijk af.”
»Dat spijt mij ook, maar dan kom je toch van avond?”
»Helaas, neen. Voor van avond heb ik reeds vier dagen geleden een
invitatie bij mijn vriend Van Bliesten aangenomen.”
»Resident?” vroeg Louise zacht, na verscheidene vergeefsche pogingen
gedaan te hebben om haar hand uit de zijne los te wringen.
»Maar morgenavond zijt gij dan toch vrij, dat weet ik, en daarom hebben
wij eenige menschen gevraagd....”
»God in den hemel! Alweer een feest!” riep de resident, op eens
Louise’s hand loslatende. »Gij zult toch geen omslag maken, hoop ik? Ik
had, om je de waarheid te zeggen, veel liever een avond en famille bij
je doorgebracht.”
»Resident,” begon Louise weder, »Mama wacht mij, u neemt niet
kwalijk....” en met een neiging was zij verdwenen eer de resident nog
tijd tot antwoorden had.
Marie volgde uit louter verwondering haar voorbeeld en liep haar na.
»Louise! Och, Louise!” riep zij geheel buiten adem, »wacht toch even op
mij!”
Maar Louise snelde voort tot in haar kamer, dáar wierp zij zich op de
sofa, wachtte lachend Marie af en vroeg haar kalm: »Nu, wat zeg je van
die eerste ontmoeting in ons engagement?”
»Niets,” antwoordde Marie, haar vriendin scherp aanziende, »ik zeg
niets, om niet te veel te zeggen.”
»O! geneer je niet, ge kunt gerust alles zeggen wat u goed dunkt; het
kan zóo slecht niet wezen of ik kan er tegen, dit weet gij van ouds.”
»Ja, maar gij zijt nu niet meer zooals gij vroeger waart... Ik moet u
guluit bekennen dat ik u van daag niet meer ken—en dat spijt mij,
Louise.... Van klein af hebben wij als zusters met elkander omgegaan,
nooit heb ik een enkele gedachte voor u verborgen gehouden, ook gij
zijt altijd oprecht en openhartig in uw vriendschap geweest.... en nu
is het mij op eens alsof wij elkander geheel vreemd zijn geworden....
Hoe komt dat Louise?”
Louise trok even de schouders op terwijl zij Marie met verbazing bleef
aanstaren.
»Hoe kunt gij dat alles zoo uitleggen?” vroeg zij zacht. »Ik gevoel dat
gij gelijk hebt, maar ik had het nooit kunnen zeggen. Ik weet niet wat
ik sedert eergisteren heb. Maar wacht even, ik zal de deur sluiten, dan
kan niemand ons beluisteren. Zoo, nu zijn wij vrij.”
»Marie!... weet jij wat liefde is?”
»Ik heb er dikwijls over gelezen, en er Henri over hooren spreken, maar
meer weet ik er niet van.”
»Ik ook niet.”
»Wat bliefje?”
»Hm?”
»Wat zegt gij daar?”
»Ik?—Ik weet niets—niets.”
»Weet gij niet wat liefde is, Louise? En waarom hebt gij u dan
geëngageerd?—Waarom wilt gij de vrouw van den resident worden, indien
gij hem niet lief hebt? Gij, die altijd zeidet: »Ik trouw nooit, als ik
geen man vind dien ik lief kan hebben meer dan alle roem en eer, meer
dan alle schatten der aarde, meer dan mijn ouders, bloedverwanten,
vrienden, meer dan mij zelve...””
»Gekheid!—Zulke liefde bestaat niet... En bestaat zij al, welnu, dan
zal ze zeker niet voor mij zijn weggelegd. Ik ben rijk, de resident
heeft een hooge betrekking—hij zegt veel van mij te houden en ik heb
niets tegen hem—er bestaat dus geen enkele reden waarom wij te zamen
niet gelukkig zouden zijn.”
»Heeft uw vader u dit gezegd?” vroeg Marie verwijtend, »of hecht gij
inderdaad zóoveel waarde aan den rang en aan de liefde van den
resident, dat gij hem daarvoor uw fortuin en geheel uw leven geven
wilt?—Hebt gij......”
Louise legde haar hand op den mond harer vriendin.
»Luister Marie,” sprak zij ernstig, »veroordeel mij niet... Ik zal u
alles zeggen, maar spreek er met niemand over, vooral niet met Henri.
Toen gij eergisterenmorgen den resident gezien hebt, is hij bij Papa
geweest om mij ten huwelijk te vragen, vandaag moest hij antwoord
hebben en overmorgen gaat hij naar zijn residentie terug, veertien
dagen daarna komt hij weer hier, zoo mogelijk, met een maand verlof,
dan kunnen wij, getrouwd zijnde, nog een dag of acht te Batavia
doorbrengen alvorens voor goed naar A. te gaan.”
»Maar Louise!” riep Marie met wijd opengespalkte oogen.
»Dit is vlug, niet waar?” vroeg Louise met een zonderlingen lach.
»Welnu, eergisteren kende ik al deze besluiten over mijn toekomst
reeds—en zoo even heb ik den resident voor het eerst gesproken. Alles
is dus buiten mij om gegaan. Begrijpt gij nu waarom ik, ook zonder
liefde, de vrouw van den Resident zal worden?”
»Uw ouders dwingen u!”
»Dwingen is het woord niet. Maar aangezien mijn ouders reden schijnen
te hebben om bijzonder op dit huwelijk gesteld te zijn en ik eigenlijk
geen reden heb om er tegen te wezen, zoo....”
»Maar mijn beste Louise, zoo gij later eens meer van een ander gingt
houden dan van den resident..... Alle dingen zijn mogelijk——wie weet
welke mannen gij nog in uw leven ontmoeten zult en hoe....”
»Ja, dáar heb ik ook reeds aan gedacht,” antwoordde Louise met een
bedenkelijk hoofdknikje, »maar indien de resident goed voor mij is,
waarom zou ik dan meer van een ander gaan houden?”
»Ik weet het niet.... Henri spreekt altijd van liefde als over iets dat
u zoo maar aan komt waaien, zonder dat gij het zelf helpen kunt.... en
mij dunkt ik voel dat zoo iets mogelijk is.”
»O! spreek mij niet van gevoelen. Ik weet niet wat ik tegenwoordig
gevoel. Mijn hoofd gloeit tusschenbeide alsof er vuur in zit. En mijn
hart? Mijn arm hart bonst alsof het uit elkaar zal springen. Dan heb ik
koorts, dan beef ik, dan is het alsof mijn spieren tintelen, alsof het
bloed in mijn aderen kookt, dan ben ik zoo sterk, zoo woedend dat ik,
geloof ik, den resident verscheuren zou indien ik hem....”
»Mijn God! Louise!”
»Het is niets: een oogenblik later ben ik weer kalm en dan eindigt
alles in een tranenvloed.... Ik ben zeer veranderd niet waar?”
vervolgde zij, haar vriendin met een weemoedigen lach de hand reikende.
»Maar ik kan het niet helpen, Marie—ik lijd er zelve het meest
onder—geloof mij!”
»O! Ik geloof u, lieve, beste Louise,” riep Marie, zich weenend in hare
armen werpende. »Ach kon ik iets voor u doen! kon ik...”
»Neen, Marie, gij kunt niets voor mij doen. Gij kunt niet beletten dat
mijn karakter verandert, evenmin als ik er zelve iets tegen doen kan.
Ik heb nooit tot de kalmsten behoord,” vervolgde zij met een glimlach,
»ik ben nu wat meer opgewonden dan naar gewoonte: dat is al, het heeft
niets te beteekenen, volstrekt niets. Ik kan mij beheerschen, als het
noodig is.—Kom, ween nu toch niet. Ik ben immers gelukkig—en ik zal nog
gelukkiger worden.—Njonja resident! Met een gouden pajong [22] toeren!
Ik zal de eerste dame van A. zijn. Alle hooggeplaatste personen zullen,
te A. komende, bij mij logeeren! Ik zal alles hebben wat ik slechts
verlangen kan! De fraaiste rijtuigen, de beste paarden! O, gij weet
niet hoeveel ik van paarden houd! En apen, katten, honden, vogels!
Koeien wil ik ook houden! En schapen! En geiten moet ik hebben! O,
jonge geitjes! Kijk, dat zijn engeltjes! Nu, de resident mag wel
oppassen dat ik zijn geheele residentie niet in een menagerie
herschep.”
Marie lachte door haar tranen heen, toch begreep zij wel dat Louise zoo
gelukkig niet was als zij wel schijnen wilde.
Eenige oogenblikken nog bleven de beide meisjes zwijgen, toen stelde
Louise voor om naar de pondopo terug te keeren en mevrouw Van Amerongen
verder te gaan helpen aan de toebereidselen voor het feest.
Marie bleef den ganschen dag stil en afgetrokken. Zij deed al wat er te
doen was als in een droom en handelde omdat er gehandeld moest worden,
zonder zelve recht te weten hoe. Al haar gedachten waren met Louise
bezig. Zij verstond de vriendin harer kindschheid niet meer, en toch
wilde zij weten wat er in die half gesloten ziel omging. Zij gevoelde
dat er iets aan het geluk van Louise ontbrak en kon niet uitvinden wat.
Louise zou, wel is waar, in het huwelijk treden met een man dien zij
geen eigenlijke liefde toedroeg, maar die man beminde haar en zij had
niets tegen hem, terwijl haar ouders dit huwelijk verlangden, wat kon
zij dus beter doen dan haar hand te schenken aan hem, die haar een goed
standpunt in de maatschappij en een gelukkig, zorgeloos leven
beloofde?—Marie vond dat Louise goed handelde, en het speet haar dat
zij dit erkennen moest.
Louise scheen niets van de afgetrokkenheid harer vriendin te bemerken;
zij wijdde haar aandacht geheel aan de gebakken die aan haar zorg waren
toevertrouwd en was, als zij een oogenblik niets te doen had, vroolijk
en spraakzaam als altijd. Zij spotte met alles, sprak als mevrouw D.,
liep als mijnheer G., danste als de jonge Z. en dreef haar
uitgelatenheid zelfs zoo ver dat zij groette als de resident. Hij had
het eens moeten zien, de groote Heer, hoe zijn stijve buiging van dien
zekeren avond in een bespottelijk daglicht werd gesteld. Hij had Louise
eens moeten zien, zooals zij dáar stond met een taartenschotel voor
hoed in de hand, het lichaam in tweeën gebogen, het hoofd zooveel
mogelijk omhoog en de armen naar achteren, terwijl zij lachend vroeg:
»Wie heeft mij zóo gegroet, Marie?” En toen Marie niet dadelijk
antwoordde, greep zij haar bij de hand, kneep haar zoo hard zij kon en
vervolgde: »De hand dan maar Louise, omdat je nog niet aan me gewoon
bent. Later zal die blooheid wel slijten!”
»Foei, Louise!” riep Marie, »gij spot ook met alles en ontziet
niemand.”
»Let op morgenavond,” vervolgde Louise weder, »dan moet hij het bal met
mij openen, daar zit geen lieve moeder op! Of hij dansen kan of niet,
de eerste dans moet ik van hem hebben! En of hij vóor of achterover
buigt, dat kan mij niet schelen, maar dansen zal hij! En galoppeeren
nog al! Ik zal wel zorgen dat wij met een heerlijk vliegenden galop
beginnen. En dan zult gij eens zien hoe trotsch ik u allen aan den arm
van mijn resident voorbij zal zweven, in mijn nieuw satijnen kleed! O
ja, ’t is waar ook, gij hebt mijn nieuw kleedje nog niet eens gezien.
Kom maar mee, de meiden zitten er drok aan te naaien.—Hier in de
kleedkamer van mama. Nu, ga maar binnen, geneer je niet.—Kijk! Wel wat
zeg je er van? Mooi hè? Het wit satijnen kleed alleen kost honderd twee
en dertig gulden, wat de tulle kost weet ik niet. Hier heb je de
bouquet voor de berthe, dit is om den rok mee te garneeren en hier heb
je mijn hartelijk geliefd coiffuurtje! Neen, maar kijk dan toch! Gij
staart zoolang op hetzelfde! Kijk dan toch hier, mijn heerlijke krans
rozenknopjes met dauwdroppen er op, is het niet beelderig?”
»Beelderig,” herhaalde Marie, en verstomd over het toilet harer
vriendin, vervolgde zij aarzelend:
»Maar, Louise, wit satijn met tulle?....”
»Het is wat oud voor mij, wilt gij zeggen, niet waar? Dat vond mama ook
toen papa het gisteren te huis zond, maar nu ik geëngageerd ben, ziet
gij—dat veroudert....”
»Dat veroudert?”
»Zeker.”
»Het is waar. Gij zijt nu niet meer de vijftienjarige Louise van
Amerongen, maar de aanstaande echtgenoote van een resident,” antwoordde
Marie bitter.
»En voor de aanstaande echtgenoote van een resident is niets te oud,
niet waar?” vroeg Louise lachend. »Mijn eerste aankoop in mijn huwelijk
zal dan ook een zwart fluweelen kleed zijn, met een langen sleep om met
gepaste statigheid den Gouverneur-Generaal te ontvangen, wanneer Zijn
Excellentie over eenige maanden bij mij te A. logeeren komt!”
TWAALFDE HOOFDSTUK
HET VERLOVINGSFEEST
Den volgenden avond werd het bal door Louise van Amerongen en den
resident Stevens van Langendijk met een vliegenden galop geopend. De
resident vreesde wel eenigszins zijn waardigheid te compromiteeren door
dat onzinnig in de rondte springen, maar hij was te Samarang weinig
bekend en kon zich dus deze kleine uitspatting als de verloofde van
Samarangs roos bij deze bijzondere gelegenheid wel veroorlooven. Men
kon het hem aanzien dat hij de beste danser van het bal wilde zijn, hij
danste zonder ophouden voort, van de eerste noot der muziek af, tot den
laatste toe, en toen hij eindelijk genoodzaakt werd op te houden, waren
zijn eerste woorden: »Kijk nu, wij waren juist zoo goed aan den gang!”
Dat was een stap nader tot den vrede.
»Hij danst heerlijk!” fluisterde Louise eenige oogenblikken later Marie
in het oor. »Ik hoop dat hij nog om een dans zal komen; ik heb nog
nooit zoo’n goeden cavalier gehad.”
Den volgenden dans, een quadrille, deed Louise met Henri van den Berg.
De resident en mevrouw Van Amerongen stonden tegenover hen. Henri had
gaarne wat verder uit de buurt harer moeder gestaan, ten einde van
Louise zelve te vernemen hoe zij over haar engagement en over haar
aanstaanden echtgenoot dacht, nu echter durfde hij naar niets te vragen
en Louise zeide niets.
Toen eindelijk de dans geëindigd was en hij haar naar haar plaats terug
had geleid, vroeg hij aarzelend: »Zoo gij nog geen cavalier voor het
souper hebt aangenomen Louise, mag ik dan het genoegen hebben van u aan
tafel te brengen?”
Louise bedacht zich een oogenblik eer zij antwoordde.
»Ja Henri, zooals gij weet ben ik sedert gisteren met resident Stevens
van Langendijk geëngageerd, zoo hij mij dus voor het souper komt
opeischen, kan ik uw vriendelijk aanbod niet aannemen, maar brengt hij
mama of een andere dame aan tafel dan wil ik gaarne uw buurvrouw zijn,
om nog eens over den ouden tijd te praten.”
»Dus zijt gij dan toch werkelijk geëngageerd, Louise?”
»Stellig, feliciteer mij maar.”
»Van harte, kind, van ganscher harte! God geve dat gij gelukkig moogt
zijn, en dat gij in den resident moogt vinden, al wat gij u verhevens
en idealisch gedroomd hebt in uw leven!”
»Dank je Henri.”
Er lag iets droevigs in dat: »Dank je Henri” en in de wijze waarop zij
hem bij deze woorden de hand reikte. Ook Henri gevoelde dat zij niet
gelukkig was, maar evenals Marie dacht hij te vergeefs op een middel,
om haar hare vorige onbezorgde vroolijkheid weer te geven en haar van
een engagement te ontslaan, dat haar reeds nu ongelukkig scheen te
maken. Toch vroeg hij maar niets, daar hij wel wist dat Louise de
persoon niet was om te klagen en onnoodige confidences te doen. Hij
kende haar fieren, sterken geest beter dan iemand anders, hij wist
hoeveel fijn gevoel, hoeveel kracht, hoeveel geestdrift, dat schijnbaar
loszinnig, oppervlakkig kind bezat. Hij had Louise van klein af gekend
en bestudeerd en, daar hij vele jaren ouder was dan zij, had hij
gelegenheid gehad, om de geringste schakeeringen harer ziel, met het
geduld en de volharding eener innige genegenheid op te merken en te
doorgronden. Hij verstond dat weinig begrepen karakter, en hij beminde
schier afgodisch die krachtige, edele, poëtische vrouw met haar
onbezorgd, wispelturig, spelend kinderhart.
Aan het souper zat Louise naast den resident, die haar aan tafel had
gebracht, en Henri aan het lagere einde der zaal, van waar hij haar
onafgebroken gadesloeg.