»O ho! Uw vriendin? Die zwarte Mathilde, met wie ik niet dansen wil

omdat zij te klein en te mager en te leelijk is.... Nu, dit kunt gij

mij toch niet kwalijk nemen, hé?”

»Hoor eens Willem, zij mag zoo leelijk zijn als gij wilt, dat kan ze

niet helpen, het arme schaap, maar ze is goed en dat is genoeg.”

»Maar dat is niet genoeg voor mij, om voor mijn plezier met haar te

dansen.”

»Dat behoeft ook niet, dans maar, en ik zal u niet vragen of gij het

voor uw plezier gedaan hebt.”

»Neen,” riep Willem, op zijn beurt kort af en naar de leelijke Mathilde

omziende, ten einde een lach te verbergen.

»Wilt gij niet?”

»Neen.”

»Goed.”

Willem bleef nog eenige oogenblikken zwijgend staan wachten, terwijl

Louise met haar waaier speelde.

»De dans begint.”

»Goed.”

»Bedenkt gij u niet?”

»Neen.”

»Dan blijf ik hier bij u zitten.”

»Hm.”

»Gij zult toch wel met mij willen spreken, hoop ik?”

»Neen.”

»Ook niet, wanneer ik met Mathilde gedanst zal hebben?”

»O! dan wil ik alles!”

»Dan krijg ik een dans?”

»Drie, als gij wilt!”

»Goed, maar ik zal ook niet behoeven te vragen of gij ze »voor uw

plezier” zult doen.”

Een gulle, ongedwongen lach was Louises eenig antwoord.

»Wie is zij, die ik daar zoo spotachtig zie lachen, schoon oud en jong

in de quadrille staat en zij alleen is blijven zitten?”

»Waar?.... Het is de Roos van Samarang, geloof ik! Juist zij is het!

Welke tinka (caprice) is dat nu weer?”

»Tinka?—Zou men haar gevraagd hebben, denkt gij?”

»Haar gevraagd? Wel, wel resident, nu toont gij dat gij vreemdeling

zijt! Kent gij Louise van Amerongen nog niet?”

»Is zij Louise van Amerongen? De kleine coquette die alle luitenants

het hoofd op hol brengt?—Een aardig kopje! Ik zou mij waarachtig

weleens aan haar willen laten voorstellen.”

»Nu, kom maar mede.”

»Ja, maar is het niet wat gek, hè? een resident... Dàt zal haar geheel

ongenaakbaar maken.”

»Ta, ta, ta, wat al gebluf! Kom maar mee, van dien kant hebt gij niets

te vreezen.”

»Juffrouw Van Amerongen, mag ik de eer hebben u resident Stevens van

Langendijk voor te stellen!”

Louise boog even, bood de heeren een stoel aan, en zweeg, den resident

vragend aanziende, om hem te kennen te geven dat hij aan het woord

was.—Dit is een gewoonte, vrij algemeen op Java, waar een dame bijna

nooit het eerst het woord tot een heer zal richten.

»Wat hebt gij daar een lief toiletje aan, juffrouw Van Amerongen.”

Louise, met een beleefd lachje: »vindt u?”

»O ja, en dat beelderige coiffuurtje! Zoodra gij de zaal binnen kwaamt,

hebt gij mij getroffen.”

»Ja?”

De resident kuchte eens.

»Ik heb zooveel over u hooren spreken,” begon hij weder, »dat ik

mijnheer Vrede terstond verzocht heb mij aan u te presenteeren, maar

gij zijt den ganschen avond zóo geëntoureerd geweest, dat wij geen

gelegenheid vinden konden om tot u door te dringen.”

»Hm!” met een lachje.

Hij kuchte weder.

»Verduiveld, hoe bête!” dacht hij bij zichzelven, zonder te letten op

de groote nonsense die hij zelf met zooveel emphase voordroeg.

»Woont gij reeds lang in dat prachtige huis aan den Bodjongschen weg,

juffrouw Van Amerongen?”

»Sedert drie jaar pas.”

»Gij gaat zeer veel uit, niet waar?”

»Ja, er wordt hier nog al eens gedanst.”

»En gij houdt niet van dansen, hè?”

»Ik? O, dol!”

»En gij zijt nu blijven zitten?”

»Dezen keer—ja.”

»Bij preferen... bij verkiezing natuurlijk, want...”

»Ja, resident.”

Zóo spraken zij nog eenige minuten, tot dat de quadrille geëindigd was.

Toen werd Louise weder van alle kanten door bewonderaars omringd,

terwijl de resident met zijn vriend naar zijn speeltafeltje terugkeerde

en, recht voldaan over zich zelven, een lange redevoering hield over de

domheid, nietigheid en kleingeestigheid der vrouwen: »Zij zijn toch

allen gelijk, of men er éen ziet of honderd, er zit nooit iets bij.”

En wat antwoordde Louise, toen haar cavalier haar half lachend, half

verwijtend vroeg, »hoe de ongehuwde resident haar bevallen was?”

»Och, goed!”

»Dat meent gij niet.”

»Waarom?”

»Omdat gij het zóo niet zeggen zoudt, indien gij het meendet.”

»Maar wat wilt gij dan dat ik antwoorden zal, wanneer gij mij naar

iemand vraagt dien ik zoo even voor het eerst gezien heb?”

»Wel zeg mij hoe gij hem vindt, aangenaam of onaangenaam, aardig of

niet, verstandig of...”

»O neen, over zijn verstand althans kan ik niet oordeelen!”

»En waarom niet?”

»Omdat men een heer eenige malen met andere heeren ongestoord moet

hebben hooren spreken, om te weten of er wat bij zit of niet; met ons

dames zijn alle heeren dom.”

»O! dat zal ik mijn vriend terug vertellen!”

»De resident is uw vriend?”

»Ja juffrouw.”

»Goed.”

»Ik mag dus?”

»Och! waarom niet; het kan mij niet schelen.”

En zij danste weder voort, en sprak en lachte en was gelukkig als te

voren, zonder verder aan den resident te denken.

Nu kent gij Louise van Amerongen, wier schoonheid aller oogen boeide,

wier coquetterie aller tongen in beweging bracht. Coquetterie! ’t Arme

kind wist niet eens wat dat uitheemsche woord beteekende! Dat behoefde

ook niet. Zij was jong en schoon en rijk, en daarbij was zij vrij in

hare bewegingen en ongedwongen in haar gesprekken: wat is er meer

noodig om een vrouw coquette te noemen?

Louise, het vroolijke, zorgelooze kind, kende haren bijnaam en lachte

er om, terwijl zij onschuldig met de harten harer aanbidders speelde en

hare nijdige vriendinnen over haar wangunst bespotte.

O, vrouwen! zoo gij wist hoe gij uzelve benadeelt door al dat noodeloos

geschimp, door dat geringschatten van al wat uw sfeer te boven gaat!

Zoo gij wist hoe bespottelijk gij uw eigen nietigheid tentoonstelt,

door de meerderheid van anderen onzinnig te ontkennen, gij zoudt

zwijgen, geloof ik, al ware het ook slechts uit eigenbelang... Maar

neen, gij zoudt niets, zoolang gij uw arme ziel niet gereinigd hadt van

de duizende, kleine, lage hartstochten die in onkunde hun oorsprong

hebben en als égoïsme, haat en afgunst het leven verpesten van uzelve

zoowel, als van de onschuldige wezens die het ongeluk hebben van door u

opgemerkt te worden.

ACHTSTE HOOFDSTUK

HET BEZOEK VAN DEN RESIDENT

Den dag na het bal was Louise weder alleen in haar kamer. Ditmaal sliep

zij niet; zij lag in een dun wit morgengewaad op een rustbank

uitgestrekt en speelde met de donkere lokken die langs haar schouders

golfden en in dikke krullen tot op den vloer neder hingen. Hare oogen

staarden gedachteloos en haar lippen waren stijf op elkander geperst,

terwijl haar boek nog ongeopend naast haar lag. Plotseling sprong zij

uit hare half droomende, half wakende houding op, een koortsachtige

flikkering schitterde in haar somber oog en een diepe zucht ontsnapte

den geprangden boezem.

Toen wierp zij zich weder in de kussens en wachtte kalm en geduldig tot

dat Alima met de thee kwam om haar, als naar gewoonte, te wekken en te

helpen kleeden.

»Is het zoo goed, nonna?” vroeg de jonge slavin, toen het weelderige

haar gevlochten en opgemaakt was. »Vindt nonna de bloemen frisch

genoeg?”

»Bloemen! O neen, geen bloemen vandaag!”

Alima wierp de met zooveel zorg geschikte rozen ter zijde.

»Is het nu naar uw zin, nonna?”

»Hm—m.”

En zonder zelfs een blik in den spiegel te werpen, stond Louise op en

liet zij Alima ongestoord haar toilet voltooien alsof het haar niet

schelen kon hoe zij er uit zou zien.

Voor dien avond had resident Stevens van Langendijk belet laten vragen

bij mijnheer en mevrouw Van Amerongen, en Louise, die deze eer

verbazend vervelend vond, had een rijtuig laten inspannen om Marie van

den Berg te halen, met wie zij den ganschen avond half fluisterend zat

te praten om den resident niet in zijn gesprekken te stooren, die nu,

met opzet, in het geheel niet dom of onbeduidend waren.

»Zij is verduiveld mooi!” dacht de resident bij zichzelven, terwijl hij

zich uitsloofde om de aandacht van het jonge meisje op de een of andere

wijze tot zich te trekken. »Zij zou wel goed voldoen in het groote

residentiehuis—aan het hoofd van de tafel—naast den Gouverneur-Generaal

bij voorbeeld—als mijn vrouw: Louise Stevens van Langendijk—dat klinkt

nog zoo slecht niet. En een meisje met fortuin... Enfin, daar kunnen

wij altijd nog wel toe komen.—Eén woord en ik heb haar!”

»Wat is hij leelijk!” waren bijna op hetzelfde oogenblik Louise’s

gedachten. »Zoo’n rood gezicht—en zulke grasgroene oogen, met zulk

lichtgeel haar! Net boeloe jagong!—Ik kan mij best begrijpen dat hij

niet getrouwd is.—Wie zou ook zoo’n man willen hebben!”

Eindelijk sloeg het elf uur en ging de resident naar huis. Ieder kreeg

een handje, Louise alleen werd met een stijve buiging afgescheept.

»Niet beleefd!” fluisterde zij Marie lachend in het oor, terwijl zij

het hoofd van hem afwendde en zich, zonder verder over hem te spreken,

ter ruste begaf, tevreden over hare opzettelijke onverschilligheid en

hoogst voldaan over de halve onbeleefdheid van den resident.

Vreemd vrouwelijk instinkt! Louise was gelukkig over den weinig

gunstigen indruk dien zij op den resident scheen gemaakt te hebben, en

toch beving haar een soort van huivering wanneer zij aan die koude,

stijve buiging dacht.

En waarom?

Zij wist het niet. Zij kon zich geen rekenschap geven van het vreemd

gevoel waarmede zij te worstelen had, telkens wanneer zij zijn naam

slechts hoorde. Toch had zij eigenlijk niets tegen den resident, en kon

zij geen enkele reden vinden om hem minder genegen te wezen dan iederen

anderen vreemdeling, met wien de omstandigheden haar in kennis

brachten.

»Ik ben bang voor dien man!” dacht zij bij zichzelve, en hoewel zij

zich moeite gaf hem te vergeten of haar kinderachtigen afkeer van hem

te overwinnen, toch was haar laatste gedachte telkens weder:

»Ik ben bang voor hem!”

NEGENDE HOOFDSTUK

DE HUWELIJKSAANVRAAG

»Is nonna Louise t’huis?” vroeg Marie van den Berg, den volgenden

morgen reeds om half negen uit haar palankijn [12] stappende.

»De nonna is in hare kamer, nonna.”

»Goed. Gij kunt heengaan, Drono. Mijnheer Van Amerongen zal mij van

avond wel naar huis laten brengen.”

Drono reed weg en Marie begaf zich naar Louise’s kamer, waar zij haar

vriendin met loshangend haar, op een matje op den vloer vond zitten,

bezig met een kleinen zwarten aap in de kleeren harer pop te steken.

»Wat doe je daar?” vroeg zij lachend. »Ja, kassian! Arm Keesje! Wacht,

ik zal je helpen, hier, hier is een speld.”

»Dank je. Och, Marie, je neemt niet kwalijk dat ik niet opsta....”

»Ik kom bij je zitten. Wel mijn goed best Keesje! Hoe gaat het? Wat

ziet hij er uit, het stumpertje. Hier is zijn kleedje. Gedécolleteerd

nog al! En wat een mager, zwart, ruig halsje, zal daar uitkomen!”

»En die zevenmijls handjes en voetjes!”

»O! Wat is Keesje nu mooi! Ja, kassian! Wat houdt hij zich stil! Wat is

hij deftig! Wat loopt hij trotsch! Net de vrouw van Pieter Papelaya!

hè?”

»Ja, ja, precies Kakamia Papelaya! maar toch zóo leelijk niet!”

En Kees kreeg op elke wang een zoen en een pisang [13] tot belooning.

De meisjes hadden dolle pret, en nauwlijks was de pisang op, of zij

grepen Keesje ieder bij een poot en begonnen een wandeling door de

achtergalerij.

»Wij moesten eigenlijk een wagentje hebben,” begon Marie, »dan konden

wij den tuin met hem rondrijden.”

»Een wagentje? Ja—wacht—wilt gij hem even vasthouden dan zal ik den

ouden mandewagen gaan zoeken, die moet hier of daar in de bijgebouwen

staan, geloof ik. De kinderen van den koetsier hebben er laatst mee

gespeeld.—Ha! daar zie ik Rosa! Rosa, haal den mandewagen!”

»De mandewagen Nonna? Daar zijn de voorwielen af.”

»Dat is niets, haal hem maar.”

Een oogenblik later kwam Rosa met een ouden mandewagen aangeloopen,

dien zij zeer voorzichtig aan den vóorkant ophield om hem niet verder

te vernielen.

»Wel zóo gaat het goed!” riep Marie, verrukt over de twee achterwielen,

die nog vastzaten en ronddraaiden. »Als gij ons nu een kussen kunt

geven, dan zult gij Keesje eens deftig in zijn equipage zien zitten.”

Rosa bracht een gehaakt canapé-kussen uit Louise’s kamer, Keesje werd

er op gezet en zoo nam de toer een aanvang.—Kees liet zich de pret

geduldig welgevallen, zoo lang hij bijna geen beweging gevoelde, maar

toen de meisjes, dat langzaam loopen moede, het op een draven begonnen

te zetten zonder aan het ontbreken van de voorwielen te denken, toen

werd de arme Kees zoodanig heen en weer geschokt dat hij uit pure

wanhoop den wagen uitsprong en wegvlood zoo goed en zoo kwaad als zijn

wijde kousjes en zijn sleepjapon het hem veroorloofden.

»Kees is weg!” riep Louise, half uitgeput op den hoek van een

schelpenpad staan blijvende.

De beide meisjes tuurden den tuin door en zagen eindelijk het schelmpje

met groote moeite de stoep der achtergalerij opstrompelen.

»Daar is hij! Pak hem!” riepen beiden, en zij renden den tuin door, de

stoep op, de achtergalerij in, de binnengalerij door, naar voren...

»Goeden morgen, dames!” klonk het op eens. Marie was reeds verdwenen,

maar Louise die niets gezien had vóor het te laat was, stond onthutst

en blozend tegenover den resident Stevens van Langendijk.

»Ik had niet durven hopen het genoegen te hebben van mejuffrouw Van

Amerongen al zóo vroeg in den morgen te ontmoeten.”

De resident sprak zóo ernstig dat Louise het waagde haar groote zwarte

oogen naar hem op te heffen.

»Het is toevallig,” sprak zij nauw hoorbaar; toen wierp zij een blik in

den tuin vóor het huis. Daar sprong iets wits in een mangaboom rond,

terwijl er zeer zacht in de binnengalerij gehoest werd. Louise bloosde

weder en sloeg de oogen neer terwijl zij zich boog om den resident een

stoel aan te bieden, en een lach aan zijn stijven blik te onttrekken.

»Neem plaats, resident... zoo gij een oogenblik wilt wachten, zal ik

papa....”

»Gaarne, zeer gaarne, ik heb een dringend verzoek aan uw vader te

doen.”

Louise verdween. Mijnheer Van Amerongen kwam zelf vóor om den resident

te verzoeken hem naar zijn kamer te volgen.

»Mijnheer Van Amerongen,” dus begon de resident de deur achter zich

dicht trekkende, »ik ben smoorlijk verliefd op uw dochter en, om geen

onnoodige woorden te verspillen, zal ik je maar dadelijk vertellen dat

gij mij hier ziet om u haar hand te vragen.”

»Resident!” riep mijnheer Van Amerongen verbaasd, »mijn dochter? Maar

mijn dochter is nog...”

»Zoo jong, wilt gij zeggen. Wel mijn vriend, dat is geen gebrek! Ik

houd niets van oude vrouwen, en als dit dus uw eenige zwarigheid is,

verontrust u dan niet, ik beloof u, dat ik voor haar een echtgenoot en

een vader tevens wezen zal.”

Mijnheer Van Amerongen kon geen antwoord vinden, hij stotterde iets van

»onverwacht geluk” en »eer”, maar verder kwam hij niet.

»Het is zóo dus gedécideerd,” hernam de resident, op een toon die geen

tegenspraak duldde. »Gij zult mijn voorspraak bij uw dochter wezen en

ik zal over een paar dagen terugkomen om uw antwoord te vernemen.”

»Goed resident... zeer goed,” stemde de vereerde vader toe, recht

verheugd dat de resident zichzelven geantwoord had.

»Maar resident...” vroeg hij aarzelend toen mijnheer Stevens de kamer

reeds bijna verlaten had, »twee dagen, ik geef u in bedenking...

dat...”

»Ja, man! Ik weet wel dat men bij gelegenheden als deze, doorgaans bij

acht of veertien dagen zweert, maar wij hebben vandaag Maandag en

Vrijdag moet ik weer in mijn residentie zijn, wat kan ik daaraan doen?”

De resident lachte zeer vriendelijk, reikte mijnheer Van Amerongen de

hand en stapte in zijn rijtuig.

»Tot Woensdag dus!”

»Tot Woensdag resident.”

Het rijtuig rolde weg. Koortsachtig vlug spoedde mijnheer Van Amerongen

zich naar de kamer zijner vrouw.

»Nieuws! Groot nieuws Henriette,” riep hij, half buiten adem

binnenstuivende. »Louise, onze Louise,——residentsvrouw!—Stevens van

Langendijk, hier geweest!——Louise gevraagd!”

Hij stikte haast in de blijde boodschap. Henriette begreep maar half.

»Wat bedoelt gij?” vroeg zij zacht, terwijl haar hart bonsde alsof het

van elkaar zou springen.

»Louise!—Resident Stevens van Langendijk heeft Louise ten huwelijk

gevraagd!”

Mevrouw antwoordde niets. Zij wierp zich in zijn armen en zag hem, door

haar tranen heen, zoo verheugd, zoo dankbaar aan, alsof het zijn schuld

was dat een resident verliefd op hun dochter was geworden.

»Waar is Louise?”

»In den tuin, met Marie.”

Mijnheer Van Amerongen klapte in de handen, floot, riep Drono, Saït,

Bonsoe, Siedin, en maakte zooveel lawaai dat de jongens uit alle hoeken

van het huis gelijktijdig de kamer kwamen binnenstormen.

»Nonna Louise?”

Allen zwegen.

»Ik weet niet waar de nonna is,” antwoordde eindelijk de moedigste van

allen.

»Zoek haar en zeg haar dat ik de nonna oogenblikkelijk wensch te

spreken.”

De woordjes wij en ons worden op Java zelden gebezigd, doorgaans hoort

men echtgenooten spreken van mijn huis, mijn wagen, mijn kind, alsof zij

ieder afzonderlijke huizen, wagens en kinderen hadden.

Louise en Marie zaten onder een grooten boom achter in den tuin te

spelen met het aangekleede Keesje, dat alle moeite deed om een doekoe

machtig te worden, welke vrucht de meisjes aan een koord door het gras

trokken.

Zij ontstelden niet weinig op het gezicht van den zwerm bedienden die

in allerijl op haar af kwam.

»Wat moet gij?” vroeg Louise opspringende. »Is er een ongeluk

gebeurd?—Spreek!”

»Neen, niets nonna. Mijnheer wenscht de nonna oogenblikkelijk te

spreken.”

»Is het anders niet,” riep zij lachend, en, haar zakdoek boven haar

hoofd houdende bij wijze van parasol, liep zij zoo hard als zij kon

naar binnen.

Mijnheer Van Amerongen ving haar in zijn armen op.

»Goed, lief, gelukkig kind!” riep hij met tranen in de oogen. Ook

mevrouw omhelsde haar, drukte haar aan haar hart en riep: »Goede,

lieve, beste Louise!”

En Louise, verstomd over dezen plotselingen aanval van ouderliefde,

sloeg angstig haar oogen neder en was bang zonder zelve te weten

waarvoor.

»Maar begrijpt gij het dan niet?” vroeg mijnheer Van Amerongen

eindelijk, toen de eerste uitboezemingen van geluk voorbij waren.

»Ik begrijp niets—volstrekt niets,” antwoordde Louise half fluisterend.

»En gij zelve hebt hem ontvangen, zoo even....”

»Wie? Wie heb ik ontvangen?”

»Maar den resident!”

»O! den resident! Ja, dien ben ik toevallig tegen het lijf geloopen

toen ik den aap nazat,” antwoordde het meisje meer gerustgesteld.

»Toevallig?—En wat heeft hij u al zoo verteld, klein ding?—Ja, dal zult

gij ons niet zeggen, hè? Hij houdt maar wat veel van u die

resident....”

»De resident?” herhaalde Louise, weder geheel tot haar vorige verbazing

terugkeerende. »Ik heb haast niet met hem gesproken—ik heb hem een

stoel aangeboden—dat is al—toen ben ik u gaan roepen. Ik was niet

gekleed—ik schaamde mij dood, om met loshangend haar....”

»Kom, kom, allemaal gekheid, als gij zijn vrouw zult zijn, zal hij u

nog wel eens meer met loshangend haar zien....”

»Ik!” riep Louise, geheel buiten zichzelven van verwondering.

»Ja, gij! gij, mijne Louise, gij mevrouw Stevens van Langendijk! Gij,

de vrouw van den resident van A. Gij de eerste dame van de plaats, zoo

jong als gij zijt. De rijkste, de schoonste, de eerste van allen! Hadt

gij u ooit een dergelijk geluk durven droomen?”

Louise antwoordde niet.

Mevrouw Van Amerongen vatte haar zacht bij de hand en trok haar naast

zich op een bank.

»Wat hebt ge Louise?” vroeg zij vriendelijk.

»Ik wil de vrouw van den resident niet worden!” riep het meisje met een

koortsgloed op de wangen en een flikkering van toorn in de oogen. »Ik

ben bang voor dien man!” vervolgde zij zachter, zich weenend in de

armen harer moeder werpende.

Een diepe stilte volgde.

Mijnheer Van Amerongen gaf zijn vrouw een wenk, dien deze met een

toestemmend hoofdknikje beantwoordde en daarop verliet hij de kamer.

»Kom Louise,” hernam mevrouw, zoodra zij zich met haar dochter alleen

bevond, »kom kind, gedraag u nu eens als een verstandig meisje en droog

die tranen af. Zeg mij nu kalm wat u op het hart ligt, uw vader is weg

en voor mij behoeft gij toch geen geheimen te hebben. Gij weet wel dat

uw ouders niets dan uw geluk verlangen, en wanneer gij een gegronde

reden hebt om den resident uw hand te weigeren, dan zullen wij u immers

ook niet dwingen tot een huwelijk dat u ongelukkig zou maken.”

»O ongelukkig maakt het mij zeker... en hem er bij!” riep Louise

hartstochtelijk, terwijl zij van de bank op en naar het venster vloog.

Haar moeder volgde haar.

»Hebt gij iets tegen den resident?” vroeg zij zacht.

»Heeft mijn vader u ten huwelijk gevraagd, evenals de resident mij?”

»Hoe meent gij dat, mijn kind?”

»Ha, ik zie het al! Gij zoudt hem bedankt hebben, zoo hij zich buiten

uw voorkennis tot uw ouders had gewend,... u als koopwaar had

behandeld. Als een paard verkocht—weggegeven als een hond, zonder...”

»Louise, Louise, bedaar toch mijn kind.—Gij moet niet vergeten dat uw

ouders eenvoudige burgerlieden waren, terwijl de resident een man van

de wereld is, en dat men in de groote wereld de toestemming der ouders

hebben moet, eer men een meisje met zijn liefde bekend mag maken.”

Louise zag haar moeder zwijgend aan.

»Hebt gij anders niets tegen den resident?”

»Ik weet niet wat ik tegen hem heb,” antwoordde het meisje somber,

»maar ik weet wel dat ik zijn vrouw niet worden wil.”

»Wil ik u zeggen wat gij tegen hem hebt, Louise? Gij zijt verwend, gij

zijt bedorven door al die loszinnige jonge heertjes, die u steeds met

hun complimenten en hofmakerijen vervolgen en u van liefde en

huwelijken spreken, alsof gij geen ouders in de wereld hadt....”

Louise glimlachte, maar weerstond den blik harer moeder, en antwoordde

kalm: »En wat hebben zij er bij gewonnen, denkt gij? Niets, dan dat ik

mij door hen op mijn wenken laat bedienen,—verder sla ik geen acht op

hen.”

Mevrouw Van Amerongen was heimelijk recht gelukkig over de bekentenis

harer dochter. Toch riep zij: »Foei Louise! En omdat gij zooveel mannen

aangetroffen hebt, die laag genoeg waren om zich als uw knechts te

laten gebruiken, daarom weigert gij de hand van den eerste, den eenigen

man die zijn eigenwaarde gevoelt en de uwe eerbiedigt; die u niet

alleen lief heeft, maar ook genoeg acht, om zich jegens u geheel te

gedragen zooals de man zich in de groote wereld jegens een vrouw van

aanzien gedragen moet?”

Louise bloosde licht. »Mogelijk heb ik den resident niet goed

beoordeeld,” zeide zij; »maar ook, al was hij de beste, de volmaaktste

man op aarde, dan nog zou ik bang voor hem wezen, dan nog zou ik zeggen

dat ik nooit zijn vrouw wil worden!”

»Wat zijt gij toch nog kinderachtig!”

»Veel te kinderachtig voor een residentsvrouw,” antwoordde Louise, die

gevoelde dat zij veld begon te winnen.

»Nu, ga maar weder spelen, ik zal aan uw vader zeggen, dat hij nog wat

geduld met u hebben moet, dat gij nog wat wachten wilt. Bedenk u

intusschen goed: als gij mijn raad op wildet volgen, zoudt gij den

resident zoo spoedig mogelijk aannemen, en niet het geluk van geheel uw

leven verwerpen in een vlaag van opgewondenheid en drift, waarover gij

later berouw zult hebben.”

Louise ging schoorvoetend heen.

»Laat Marie van het voorgevallene niets weten,” riep mevrouw haar na,

»en bedenk u goed!”

TIENDE HOOFDSTUK

VADER EN DOCHTER

Den volgenden morgen, dadelijk na het ontbijt, moest Louise mijnheer

Van Amerongen naar zijn kamer volgen.

»Ik hoop dat gij u bedacht hebt, mijn dochter,” begon hij op een hoogst

plechtigen toon, »en dat gij u heden wat minder dwaas en kinderachtig

zult aanstellen dan gij gisteren gedaan hebt. Gij moet doordrongen

wezen van het denkbeeld dat uw ouders u innig lief hebben, en dat zij

dus niets van u verlangen dat strijdig met uw belangen en met uw plicht

zou wezen. Ook moet gij weten dat de eerste plicht van kinderen jegens

hun ouders, gehoorzaamheid is, en dat er geen grooter zonde denkbaar is

dan die van ondankbaarheid jegens de personen die de Voorzienigheid

zelve als leidslieden aan uw zijde heeft geplaatst. Gij zijt nu, dunkt

mij, oud en wijs genoeg om dit zelve te beseffen.”

Mijnheer Van Amerongen zweeg een oogenblik, maar Louise zeide niets.

»Deze punten dus afgehandeld zijnde,” hernam hij, »verzoek ik u, ook

namens uw moeder, den resident zonder verder tegenstreven uw hand te

schenken en hem morgen, als uw aanstaanden echtgenoot, vriendelijk en

hartelijk te ontvangen.”

Weer wachtte hij. Louise bleef nog altijd zwijgen.

Een huwelijk in Indië · 第 3 / 20 段