van het zonderling gedrag van den dokter, dan Lina misschien, die den
ganschen avond stil en afgetrokken bleef en groote sympathie gevoelde
voor den vreemden man, met wien zij medelijden had.
VIERDE HOOFDSTUK
MEESTERES EN LEERLING
»Hu! juf een spin!” riep Melatie, en zij liep hard de kamer uit om een
bezem te halen, waarmee zij de spin wilde dooden. Maar toen zij terug
kwam, met den bezem in de hand, stond Lina haar in de geopende deur af
te wachten.
»Waarom wilt gij dat arme diertje dooden?” vroeg zij zacht.
»O! omdat het zoo leelijk is!”
»En omdat gij ook leelijk zijt, zou men u dus ook moeten dooden?”
»Maar jufje! Ik ben toch geen spin!”
»Neen, gij zijt geen spin, maar gij zijt toch ook zeer leelijk, en wat
hebt gij dan vóor boven die spin?”
»Wel dat ik veel verstandiger ben dan zij, en dat ik kan lezen en
schrijven en naaien—en dat kan die domme spin toch niet!”
»Neen dàt kan zij niet, maar daarentegen kan zij iets anders dat gij
niet zoudt kunnen, al wildet gij ook nog zoo gaarne.”
»Och! juf! En wat is dat?”
»Hebt gij ooit een spin haar webje zien maken?”
»Zoo’n vuil, leelijk spinneweb?”
»Ik vind het niet vuil en niet leelijk, Melatie. Hebt gij het wel ooit
van nabij beschouwd?”
»O! neen, lieve juf!”
»En waarom spreekt gij er dan met zulk een minachting over? Kom eens
even hier—maar zet eerst je bezem weer buiten de kamer, dan zal ik je
eens laten zien wat die domme spin kan maken, en hoe zij zelfs de
menschen nog van dienst kan wezen. Ziet gij dat leelijke spinrag hier
wel aan den zolder hangen?”
»Ja, jufje, dat had de baboe al lang moeten weghalen—maar zij heeft het
vergeten.”
»Kom nu eens mee in den tuin, dan zal ik je nog een spinrag laten zien,
en dat zult ge voorzeker zoo leelijk niet vinden.”
Melatie ging wel met haar gouvernante mede, maar zij lachte er toch om,
dat zij naar den tuin moest loopen om een webje te bewonderen.
»Welnu?” vroeg Lina, haar een spin wijzende, die midden in haar net
zat, »hoe vindt gij nu dat webje?”
»Och, juflief! Ik zie er niets bijzonders aan, ik vind het heel
gewoon.”
»Maar gij vindt mogelijk alles gewoon wat gij dagelijks ziet?—Neen,
mijn lieve Mela, zóo oppervlakkig moogt gij niet oordeelen. Alles is
waard met aandacht bezichtigd te worden en elk schepsel vooral, dat gij
dagelijks om u heen ziet leven, verdient uw opmerkzaamheid ten volle.
Gij hebt reeds dikwijls het garen gezien, waarmede gij dagelijks naait,
niet waar?”
»Ja, juf.”
»Hoe vindt gij dat? fijn of grof?”
»Fijn, heel fijn, jufje.”
»Net zoo fijn als de draden van dit webje?”
»Neen!—O! neen—lang niet zóo fijn!”
»Kent gij dan een anderen draad, die zóo fijn is als deze?”
»Zóo fijn als deze?—Neen jufje.”
»Ziet gij nu wel dat die leelijke spin nog zoo dom niet is als gij wel
zoudt denken, en dat de draden die zij kan maken vrij wat fijner en
fraaier zijn, dan die welke door menschenhanden gemaakt worden?”
»Ja, zoo’n draadje! Maar wat heeft men nu nog aan zoo’n draadje?”
»Wat men er aan heeft? Dat zal ik u zeggen. Zooals gij ziet, bestaat
een web uit een menigte rondloopende draadjes, die weer door
dwarsdraadjes, evenals aaneengeschakelde laddertjes aan elkander
verbonden zijn. Elk dezer fijne draadjes nu, dat gij slechts als éen
geheel kunt onderscheiden, bestaat weer uit zoovele, veel dunnere en
fijnere draadjes, dat gij die, indien men ze eens uitgespreid vóor u op
tafel kon leggen, zelfs met geen mogelijkheid zoudt kunnen tellen.”
»Hé jufje, en daar zie ik niets van!”
»Ja, mijn kind, gij kunt niet alles zien wat bestaat; er is nog zóoveel
in de natuur waarvan gij u geen denkbeeld kunt vormen, maar daarom
juist moet gij niets onopgemerkt laten voorbijgaan, en moet gij nooit
iets met minachting behandelen, of met onverschilligheid beschouwen,
omdat gij het niet kent of omdat gij het niet begrijpen kunt.—Maar weet
gij mij nu ook te zeggen, lieve Mela, waarom die spin dat kunstig
weefsel maakt en waarmede zij de menschen van dienst kan wezen?”
»Neen jufje.”
»Zooals gij nu dat net dáarvoor u ziet, dient het hoofdzakelijk tot het
vangen van vliegen en andere insekten, waarmede de spin zich voeden
moet, terwijl zij de menschen alzoo tevens van een werkelijke plaag
bevrijdt. Later, wanneer zij haar eieren gelegd heeft, waaruit weder
andere spinnetjes te voorschijn moeten komen, spint zij ook die
eiertjes geheel in een webje, om ze op deze wijze te behoeden tegen de
aanvallen van weer en wind, waardoor zij anders beschadigd of geheel
vernield zouden worden. En wat zegt gij nu wel van die leelijke, domme
spin, Melatie? Wilt gij haar nu nog met uw bezem dooden, omdat gij haar
zoo leelijk vindt? Ziet gij nu nog niets bijzonders aan dat webje?
Vindt gij die dunne, fijne draadjes nu nog zóo gewoon?”
»Neen, neen, jufje! Nu vind ik ze mooi, en nu vind ik de spin zelve ook
niet half zoo dom meer als vroeger. En nu ik weet dat zij van vliegen
en andere nare beesten moet leven, verzeker ik u dat ik nooit meer een
enkele spin zal plagen of dooden, want ik heb een vreeselijken hekel
aan vliegen!”
»En toch moogt gij ook zelfs geen vliegje verachten: dit hebt gij aan
de spin gezien. Elk diertje, hoe klein en hoe gering het u ook moge
toeschijnen, bestaat omdat het moet bestaan, omdat de goede God het een
leven gaf en een werkkring op onze aarde aanwees, waarvoor het berekend
en geschapen is. Ziet gij dus later mogelijk nog eens een diertje dat
gij leelijk vindt, of waarvan gij om de een of andere reden een afkeer
hebt, ontzie het dan, lieve Mela, spaar het en bescherm het, omdat het
een schepsel is dat door denzelfden Schepper gemaakt is die u het leven
gaf en die nog dagelijks voor u en voor uw ouders zorgt, zooals Hij ook
verlangt dat Zijn schepselen onderling voor elkander leven zullen en
voor elkander zullen zorg dragen.”
»Altijd, jufje?”
»Ja zeker, altijd.”
»En de menschen schieten elkander dood, met groote geweren, zooals
mijnheer Werner heeft.”
»Dat mogen zij niet doen.”
»Een mooie officier met dikke [2] épauletten en een grooten sabel heeft
zelf aan Mama verteld, dat hij acht menschen in éen uur dood gemaakt
had, en dat zeide hij, dat zoo goed was.”
»Neen Mela, dat is niet goed; maar de menschen weten niet wat goed is
en daarom handelen zij verkeerd. Al wat eenig leed veroorzaakt, is
kwaad, en al wat beter of gelukkig maakt is goed,—vergeet dat nooit, en
als gij het een of ander doen wilt, waarvan gij niet weet of het goed
of kwaad is, vraag dan u zelve dit: »Maak ik iets of iemand beter? Wie
maak ik gelukkig?”—En zoo gij niets beter maakt of niemand gelukkig,
doe het dan niet, want dan is het kwaad.”
Melatie sloeg de oogen neer en zag twee kippen vechten om een muis.
»Jufje!” riep zij zenuwachtig, »red die arme muis!”
Maar de muis was verdwenen en de kippen stapten voort, kalm en tevreden
evenals de mooie officier, die dapperheid en heldenmoed met een
doodenregister staafde. Men kon het ze aanzien, die fiere kippen, dat
ze een nuttig werk verricht hadden, een gevaarlijken vijand verslagen
en de aarde van een ondier verlost hadden. Wat zou er van de wereld
geworden zijn, als die kippen er niet geweest waren?
»Arm muisje!” riep Mela. »’t Was zoo vlug en zoo vroolijk daareven! Hu!
Foei! leelijke, stoute kippen! Ik hoop dat je ’t eerst geslacht zult
worden!”
Zóo eet de een den ander op, en toch vinden allen dat opeten verkeerd,
als ’t een ander is die eet....
Lina gevoelde grooten lust tot lachen, maar hield zich goed voor haar
leerling en plukte een hand vol gras voor een geitje, om een andere
wending aan het gesprek te geven dat wat al te scabreux begon te
worden. Melatie volgde haar voorbeeld en kwam met haar schortje vol
gras aanloopen om jufje te helpen.
VIJFDE HOOFDSTUK
EEN BRIEF VAN HUIS
Mejufvrouw L. Van Wageningen. Adres:
den WelEd. Heer Oristorio, enz., enz.
Liefste Lina!
Wel mijn kind, wat waren wij gelukkig toen wij heden morgen de tijding
ontvingen van uw goede aankomst in Oost-Indië! Richard is den ganschen
dag zóo wild geweest van vreugde dat er geen huis met hem te houden
was, Ella Salvita was te opgewonden om te ontbijten, zelfs om mij
suiker in mijn thee te geven, nu ik beken je ronduit dat ik het niet
bemerkt had vóor dat zij zelve het zag, en mij lachend verweet dat ik
even ongeduldig en zenuwachtig was als zij! Je oude poes begreep niets
van de consternatie, maar Bijoux scheen je ganschen brief met ons te
lezen, en deelde in de vreugde alsof hij tot de familie behoorde.
Mietje alleen kwam vrij nuchter uit den hoek met haar: »Och! heetje! Is
de juffer nou in dat verre land! Wel, wel, ’t is wat te zeggen!” En dan
beweren de geleerden dat Mietje meer ziel heeft dan Bijoux. ’t Is
mogelijk, maar ik geloof het niet. En indien het zóo is, welnu dan acht
ik er den hond des te hooger om, daar hij beter gebruik van de zijne
maakt dan zij van de hare.
En nu heb ik je wat nieuws mee te deelen, namelijk dat ik je wijzen
raad gevolgd en Ella ten huwelijk gevraagd heb. Zij was in deze
omstandigheid weer eenvoudig groot, zooals zij in alle anderen geweest
is.—»Neen,” was haar eerste woord. »Ik ben de vrouw niet die geluk in
een familie brengen kan.”—»Wie kan die vrouw zijn, indien gij haar niet
zijt?” vroeg ik haar. »Waar is verstand en ziel en wil vereenigd als in
u? Waar liefde tot een hoogeren graad van volmaaktheid opgevoerd dan in
de zelfverloochenende grootheid die de grondtrek van uw karakter
uitmaakt.”
Zij zag mij aan, met haar groote dankbare oogen en schudde weemoedig
het hoofd, terwijl zij zacht en ferm zeide: »Neen, ritmeester, gij hebt
kinderen, voor wie gij den heiligen moedernaam zuiver en onbevlekt
bewaren moet..... Een actrice vernedert de kinderen die haar »moeder”
noemen, verlaagt hem die onder zijn naam de minachting tracht te
verbergen, die aan den hare verbonden is.... Spreek nooit meer van een
huwelijk. Laat mij bij u blijven en gelukkig zijn en bekommer u niet
verder over een leven dat, God geve het, niet lang meer duren zal.”
Zij glimlachte, en verliet de kamer met een kalmte die ieder ander dan
mij, had doen denken dat zij ongevoelig was.
Ik oogde haar na toen zij den gang doorging, den trap op, in hare
kamer.... en toen alles stil was, volgde ik haar.
Ik vond haar op de sofa, met het gelaat in de handen, bitter
schreiende. Ik had de deur zóo zacht geopend dat zij mij niet had
hooren inkomen en dat ik naast haar zat eer zij het wist. »Ella,” sprak
ik nauw hoorbaar. »Kom, wisch die tranen weg en laat ons openhartig
samen spreken.” Zij zag mij een oogenblik ontsteld aan, liet toen het
hoofd op mijn schouder zinken en snikte zenuwachtig zonder een woord te
kunnen uiten. Toen zij eindelijk tot bedaren was gekomen en haar hoofd
half lachend op had gericht met de woorden: »Laat ons nu over iets
anders spreken,” gaf ik haar uw brief van de Kaap de Goede Hoop, en
liet ik haar zelve lezen wat gij omtrent een huwelijk tusschen haar en
mij geschreven hadt.
Toen zij gelezen had, gaf zij mij met bevende hand den brief terug.
»Verlangt gij liefde, ritmeester?” vroeg zij aarzelend.
»Neen. Ik verlang van u niet meer dan een jonge vrouw kan geven aan een
man van mijn leeftijd: achting, welwillendheid, vriendschap.—” Zij
zeide niets, opende een schrijfportefeuille, kreeg er een paar oude
brieven uit en overhandigde mij die met de woorden: »Hier is mijn
liefde.—De vrouw aan wie deze brieven gericht waren is dood, haar
zuster zond ze mij terug, toen zij gestorven was, en als de weemoedige
herinnering aan lang vervlogen gouden droomen, heb ik ze bewaard, niet
denkende dat zij mij ooit te pas zouden komen.—Lees ze en verscheur ze
dan—mijn verleden is dáar.—Later zullen wij over de toekomst spreken.”
Ik was gereed de brieven terstond te verscheuren en zeide haar dat ik
haar verleden als het mijne aannam, zonder onderzoek en zonder twijfel;
maar zij smeekte mij zoo dringend aan haar verzoek te voldoen, dat ik
gehoorzaamde en haar niet weerzag vóor etenstijd.
Wanneer gij deze letteren ontvangt, zal Ella mijne vrouw zijn, en dan
mijn kind zult gij een moeder hebben, op wie gij trotsch kunt
wezen.........
ZESDE HOOFDSTUK
LOUISE VAN AMERONGEN
Het was in het midden van den goeden moesson. De zon wierp hare stralen
loodrecht op de huizen, waarvan de daken gloeiden en de witgekalkte
muren verblindend schitterden, terwijl de jalousieën zorgvuldig
gesloten waren en niemand zich meer in de galerijen bevond. Ook de
straten waren bijna geheel verlaten, slechts nu en dan deed zich nog
het rateltje van den Klontong [3] hooren, of het gekraak van het
bamboezen juk van den koeli [4] die, gebogen onder zijn zwaren last,
zijn weg vervolgen moest, terwijl alles rust en uitputting ademde.
Zelfs de vrouwen in de warongs [5] sliepen bij hare nassie [6] of
kwee-kwee, [7] en de wisselaarsters op de hoeken der straten hadden
slechts eenige duiten vóor zich liggen om des te rustiger onder den
half gescheurden pajong [8] op de kleine gevlochten tikar [9] te kunnen
voortdommelen, gedurende de weinige uren dat de groote warmte alles,
tot zelfs het geld, bijna vergeten deed.
’t Is nog te vroeg, maar wacht even, en wij zullen met de ondergaande
zon in deze schijnbaar uitgestorven stad het lachend Samarang
herkennen. Dan zullen wij alle huizen geopend zien, alle wegen bezocht
vinden, dan.... maar wacht nog even, het is nauwlijks drie uur geslagen
en de europeesche bevolking is nog grootendeels in rust.
In den tuin, vóor een smaakvolle villa aan den Bodjongschen weg loopt
een jonge slavin, in haar kort wit baadjoe en rood geruiten sarong, die
met een gouden band om het middel wordt vastgehouden, onophoudelijk van
het eene bloembed naar het andere. Zij knipt de schoonste knoppen af,
plukt de geurigste rozen, maar schudt nog steeds ontevreden het hoofd,
alsof zij hetgeen zij zocht, niet vinden kon. Eindelijk keert zij
schoorvoetend naar huis terug.
»Wat zal Nonna [10] boos zijn. Geen enkele witte roos van daag!” denkt
zij bij zichzelve en nauw hoorbaar sluipt zij een groote kamer binnen,
waar zij de bloemen in een blauw glazen kommetje op een smaakvolle
toilettafel plaatst.
»Hoe laat Alima?” roept een zachte stem uit het groote ledikant,
waarvan de dunne neteldoeksche gordijnen langzaam door een fijn wit
handje op zijde worden geschoven.
»Bij vieren, Nonna.”
»Bij vieren! gauw de thee! Mijn hemel! Hoe kom ik nog klaar! Gooi de
jalousieën open! Roep Rosa! Kap mij! Raap mijn boek op! Geef mijn
kousen! Laat zien de bloemen! Gauw! Gauw! Ik heb haast! Rosa! Rosa!”
Alima raapte dood bedaard, eerst het boek op, dat hare jeugdige
meesteres in haar drift uit bed had laten vallen, schoof toen een
grooten rotangstoel voor den toiletspiegel en opende eindelijk de
jalousieën, om daarna achtereenvolgens alle verdere bevelen ten uitvoer
te brengen, terwijl Louise van Amerongen met haar boek op den grooten
stoel neerviel en Eugène Sue’s »Orgueil” half liggend vervolgde, zooals
zij die een uur te voren half slapend begonnen was.
Toch was Louise niet lui, noch heerschzuchtig, noch wispelturig, maar
zij was verwend. Zij was de eenige dochter van een schatrijken koopman,
de oogappel, de afgod, de geheele toekomst harer ouders, die haar lief
hadden en bedierven met een verblindheid welke alle perken te buiten
ging. Tusschenbeide had het mevrouw Van Amerongen wel eens gehinderd
dat hare dochter zoo langzaam in hare bewegingen, zoo kortaf in hare
antwoorden, wezen kon; maar mevrouw Van Amerongen was een Europeesche
vrouw, terwijl haar dochter geboren en opgevoed was in Indië, waar
onverschilligheid en opvliegendheid elkander steeds de eerste plaats in
het hart der meeste vrouwen betwisten; zij begreep dus dat zij hier met
een kwaal te worstelen had, waarvan haar kind niet dan met de grootste
moeite te genezen zou zijn. Buitendien was Louise rijk en bevallig
genoeg dat men haar zulke kleine gebreken vergeven kon. Heeft niet
ieder mensch het een of ander in gewoonte of manieren dat wel anders
wezen mocht? En verder werd er niet aan de verbetering van de oogappel
gedacht.
Louise was nauwelijks vijftien jaar oud, maar zij was groot voor haar
leeftijd en geheel ontwikkeld; daarbij was zij schoon met haar fluweel
zwarte oogen, haar golvend haar en hare schitterend witte tanden, haar
slanke leest en haar kleine welgevormde handen en voeten. Ook was er
iets vreemds, iets aantrekkelijks in hare bevallige ronde bewegingen,
in haar statigen langzamen gang, terwijl haar fiere houding, gevoegd
bij haar zachte welluidende stem, aan haar geheele persoon iets
boeiends en meesleepends gaven.
En het hart?—Het hart was goed en sloeg voor al wat groot en edel is.
Ook het hoofd was goed, maar ’t was niet goed bestuurd geworden, en
hierdoor werd dáar waar het scherpe oordeel van het kind tekort schoot,
helaas! maar al te dikwijls de koude rede van den
»gedésillusionneerden” mensch geloofd.
Alima kwam eindelijk terug met een kopje koude thee en een paar
schoteltjes kwee-kwee. Rosa, een meisje van een jaar of dertien, volgde
haar, plaatste zich zwijgend tegen den muur en wachtte.
»Waarop wacht gij?” vroeg Louise.
»Ik ben bij nonna Van den Berg geweest, nonna.”
»En?”
»Nonna Van den Berg zal tegen half zes te paard hier zijn.”
»Goed.”
»Toewan ketjil [11] laat vragen of hij de nonnas vergezellen mag?”
»Hm—m,” toestemmend geluid.
»Moet ik antwoord zenden, nonna?”
»Neen, kap mij.”
Rosa maakte een zestal breede vlechten van het weelderige, zwarte haar
en schikte ze in sierlijke lussen om het fraaie kopje harer meesteres.
»Alima, krijg mijn amazone uit de kast, en al wat ik verder noodig heb,
leg alles op bed bij elkaar.”
De slavin liep eenige keeren de kamer op en neer, haalde hier het
rijkleed, daar den hoed, ginds de handschoenen en plaatste zich, toen
alles gereed lag, naast Rosa, achter den stoel harer meesteres om op
nieuwe bevelen te wachten.
Louise echter was geheel in l’Orgueil verdiept, en hoorde of zag niets
van hetgeen er om haar henen voor viel.
De pendule sloeg weer éen, daar werd zij wakker.
»Ja! Allah! half vijf!”
L’Orgueil ging op den grond, de koekjes moesten
weg, de thee stortte over het blad, alles ging het onderste boven om
nonna spoedig in de kleeren te helpen... Eindelijk was zij gereed, en
met een lichten blos van het reppen, trad zij in haar sierlijk
rijkleed den hoogen stoep af, onderaan welken Henri van den Berg, de
broeder harer vriendin, gereed stond om haar bij het te paard stijgen
behulpzaam te zijn.
»Waar blijft Marie?” vroeg zij lachend.
»Zij zal volgen met papa en met Willem Nieland, dien wij juist tegen
kwamen toen wij het hek uit reden.” En hij zag haar aan alsof hij voor
haar antwoord vreesde.
»Wij zullen hen te gemoet gaan,” sprak het meisje spotachtig. Henri
boog zwijgend en reikte haar de hand tot opstijgen.
Wat was de jonge lachende Louise schoon, toen hare donkere oogen van
hoop en leven schitterden en hare slanke buigzame gestalte zoo sierlijk
uitkwam op den fieren Arabischen Isabel die, trotsch op zijn schoonen
last, het edel hoofd nog hooger ophief en in vollen galop het hek
uitvloog.
Louise’s ouders oogden haar na en konden den glimlach niet bedwingen,
die zoo duidelijk zeide hoe zij hun eenig kind bewonderden en
liefhadden, met al den trots hunner ziel.
»Henri verraadt zich toch gedurig,” sprak mijnheer Van Amerongen.
»Louise houdt zich goed,” antwoordde mevrouw.
»Zij zal het niet opmerken.”
»O, haar ontgaat niets!”
»Henri is een beste, brave jongen, maar toch voor Louise...”
»O, Louise kan wel betere partijen doen.”
»Dat geloof ik!”
»Louise ik begrijp u niet!” sprak Henri.
»Dat verlang ik ook niet.”
»Maar... Kom, antwoord mij eens wat duidelijker... Zeg mij, bid ik
u...”
»Éens Henri, maar éens vooral, hoor! Ik houd niet van herhalen, dat
weet gij. Gij wilt weten of ik u lief heb, niet waar?”
»Ja,” antwoordde hij nauw hoorbaar.
»Welnu, ik heb er velen lief als u.”
»En acht gij mij?” vroeg hij verder.
»Meer dan alle anderen te zamen.”
»En toch...”
»Uw vrouw, nooit, dat weet gij.”
»Maar Louise!”
»Geen woord meer.”
»Maar welke toekomst droomt gij u dan? Wat verlangt gij...”
»Ik denk aan geen toekomst en ik verlang niets. Niets dan vrij te
blijven en mijn rechten op mij zelve te behouden.”
»Altijd?”
Louise wendde lachend het hoofd van hem af.
»Zijn die rechten op u zelve u zoo dierbaar, dat gij ze levenslang
zoudt wenschen te behouden?”
»Oude jonge juffrouw!” riep het meisje als verschrikt, en zij lachte
zóo hartelijk dat Henri onwillekeurig met haar mede deed. »Neen, neen,
dat nooit!”
»Wat dan?”
»Niets.”
»Louise, Louise, waar...”
»Ik ben jong en gelukkig Henri, waarom...”
»Gij hebt gelijk. Gij zijt jong en gelukkig! Geniet! Geniet zoo lang
het u mogelijk zal zijn; blijf vroolijk en onbezorgd voortleven in de
weelde en in de liefde die u omringen en droom u een toekomst zóo
schoon en zóo heerlijk als uw fantastische verbeelding ze u slechts
voor kan spiegelen.”
»En in de werkelijkheid?”
»Zult gij mogelijk een beter man gelukkig kunnen maken, een edeler
mensch uw liefde kunnen schenken dan ik ben.”
»Neen, dat nooit!”
Die woorden waren haar ontvallen, want nauwlijks had zij ze gesproken
of een hoog rood steeg haar tot aan het voorhoofd, en, zich snel
voorover buigende, liet zij haar paard den vrijen teugel en rende zij
voort tot dat zij mijnheer Van den Berg met Marie en Willem Nieland
ontmoette.
ZEVENDE HOOFDSTUK
EEN BAL
In de dagen der verpachting telde Samarang de meeste feesten. De
resident, de kolonel, nog een paar hooggeplaatste personen en eenige
rijke partikulieren waren er op gesteld de vreemde residenten
beleefdheden te bewijzen en hadden dus reeds van te voren met elkander
overlegd, over welke dagen ieder van hen te beschikken zou hebben.
Wat al vreugde voor de jonge meisjes, die weder haar balkleederen in
gereedheid konden brengen en menigen vroolijken avond in het
vooruitzicht hadden. Maar welk een vreugde voor Louise van Amerongen
vooral, die weder zou schitteren en uitblinken boven allen en reeds
vooraf verzekerd kon wezen van nieuwe en onafgebroken triomfen!
Wat was zij schoon toen zij ’t open rijtuig uitsprong en het helder
licht der dammers haar vriendelijk gelaat bescheen! Toen het vol orkest
haar met de groote trom aan ’t hoofd, begroette, en zij lachend haar
net geganteerde hand aan Albert van den Hove reikte, om op zijn arm
geleund de lange galerijen van het residentiegebouw te doorloopen,
eerst haar opwachting bij de gastvrouw te maken en vervolgens haar
plaats in te nemen aan het lagere einde der zaal, waar zij terstond
door een aantal heeren omringd werd, die elkander verdrongen voor een
dans, een lach, een blik van de »Roos van Samarang”.
Wat was zij schoon toen ze eindelijk drong door den dichten drom van
aanbidders die haar den weg versperde, en licht en vlug de wals begon,
welke zij volhield, van den eenen danser naar den anderen overgaande,
tot dat de muziek verstomd was en het laatste paar van vermoeidheid
uitgeput tot staan was gekomen.
Hoe velen hadden haar opgemerkt, hoe velen hadden haar nageoogd en door
hoe velen was zij weder bewonderd of benijd geworden?
Zij wist het niet; maar het kon haar ook niet schelen. Zij die gewoon
was opgemerkt te worden, zag niet meer dat zij nageoogd, bewonderd en
benijd werd. Het wufte kind van het oogenblik bleef koud voor de
lofuitingen der wereld, terwijl haar hart schier hoorbaar klopte en
haar oogen schitterden van geluk bij het denken aan een tweede wals!
Lach maar kind! De ware wijsheid is geluk. De wereld biedt tranen
genoeg en zorgen in overvloed aan den rijpen leeftijd; lach gij maar
voort zoolang gij lachen kunt. De vroolijkheid is het schoonste sieraad
der jeugd. Geniet zoolang gij slechts kunt, dans voort, en volg de
inspraak van uw hart, zoolang die uit kinderlijken eenvoud en
oprechtheid voortspruit; wees wispelturig zelfs, als gij wilt... de
wispelturigheid op uw jaren is geen gebrek, wanneer zij met
goedhartigheid gepaard gaat.
»Neen, ik blijf zitten,” zei ze.
»Maar Louise, gij die nooit wilt blijven zitten!”
»Al zou het dan ook enkel voor de variatie wezen.”
»Een quadrille is toch niet vermoeiend, die kunt gij even goed mee doen
als...”
»Vermoeiend! En wie spreekt daarvan? Ik ben nooit vermoeid!”
»Nu, kom dan mede?”
»Neen.”
»Maar Louise!”
»Neen.”
»Gij zijt al zeer kort af, van avond.”
»Ik ben ook heel boos op u.”
»Op mij?”
»Ja.”
»Maar waarom dan? Wat heb ik u gedaan?”
»Mij? O! mij niets. Mij kunt gij niets doen! Maar mijn vriendin hebt
gij beleedigd en dat vergeef ik u niet licht.”