EEN
HUWELIJK IN INDIË
DOOR
MINA KRUSEMAN
(Stella Oristorio di Frama, Cantatrice)
’S GRAVENHAGE
MARTINUS NIJHOFF
1873
J’ai commencé ma vie par aimer.
Puis j’ai souffert.
Puis j’ai haï.
Puis j’ai méprisé—Et même j’ai ri.—
Maintenant je pardonne.
Si je puis vivre quelques années encore, c’est probable que je
finirai par où j’ai commencé et qu’au lieu de l’instinct, ce
sera l’intelligence alors, qui aura compris le grand mot de la
nature
Amour.
Dit is geen boek vol kennis en geleerdheid, geen poëtische fictie, rijk
aan stoute droomen en onwaarschijnlijkheden, geen verhaal, geen roman,
geen novelle zelfs; maar alles en niets; want ’t is een droeve kreet
uit het werkelijke leven, een zwakke kopie van de fantastische
realiteit, een greep uit de natuur weêrgegeven vrij en grillig als de
waarheid.
New-York 1871–1872. M. K.
INHOUD
EERSTE DEEL
HOE ZIJ WAS
Hoofdstuk. Bladz.
I. Hoe Lina opgevoed werd 1
II. Het eerste voorgevoel 19
III. De gouvernante 22
IV. Meesteres en leerling 35
V. Een brief van huis 41
VI. Louise van Amerongen 44
VII. Een bal 52
VIII. Het bezoek van den resident 60
IX. De huwelijksaanvraag 63
X. Vader en dochter 73
XI. Het jawoord 70
XII. Het verlovingsfeest 91
XIII. Het eerste gesprek zonder getuigen 94
XIV. Hoe bruid en bruidegom over elkander denken 100
XV. Het offer aan eerzucht gebracht 108
TWEEDE DEEL
WAT ZIJ WERD
XVI. Te huis 113
XVII. Wie bij Louise waken komt 122
XVIII. De kinderen van Mina 129
XIX. De eerste receptie 136
XX. Een nieuw gevoel 153
XXI. Sympathie 157
XXII. Eenige bladzijden uit het leven van een dokter 169
XXIII. Hoe het kwaad ontstaat 195
XXIV. Gevoelen en begrijpen 201
XXV. Plannen 209
XXVI. Plicht 213
XXVII. Dood 220
XXVIII. Mevrouw Joly 225
XXIX. De gouverneur-generaal 227
XXX. Vrijdag avond. Werner 229
XXXI. Het tijgergevecht 235
XXXII. Felicita. De jachtpartij 246
XXXIII. Krankzinnig 269
XXXIV. Het bezoek der ouders 280
XXXV. De vlucht 293
DERDE DEEL
HOE ZIJ HAD KUNNEN ZIJN
XXXVI. Speranza 302
XXXVII. Lawson 311
XXXVIII. Geluk 321
XXXIX. Recht 324
XL. Lina’s huwelijk 326
XLI. Haat en minachting. Moederliefde 336
XLII. August van Langendijk 355
XLIII. Oude kennissen 360
XLIV. In het Haagsche Bosch 365
XLV. Academie vrienden 369
XLVI. Lina’s tusschenkomst 373
XLVII. De laatste brieven 375
EERSTE DEEL
HOE ZIJ WAS
LA FEMME AU XIXe SIÈCLE.
Un piège lui est tendu à chaque pas qu’elle fait seule.
Une insulte l’attend au bout de chaque réussite.
Et l’intérêt seul lui tresse sa couronne de gloire, qu’il lui pose
sur la tête avec un rire de mépris.
Le travail l’abaisse,
Le talent la déshonore,
L’indépendance la dégrade.
Il faut qu’elle ne soit rien pour être quelque chose. Ou bien
qu’elle tombe, pour avoir le droit de monter.
Lettre à M. Alexandre Dumas, fils, au
sujet de son livre L’Homme-Femme, par
Mlle Oristorio di Frama, Cantatrice.
EERSTE DEEL
HOE ZIJ WAS
EERSTE HOOFDSTUK
HOE LINA OPGEVOED WERD
Mijnheer Van Wageningen was eenige jaren geleden als ritmeester
gepensioneerd geworden. Niet lang daarna had hij zijn vrouw verloren,
een lief, flink, praktisch mensch, dat hem een ware steun, een hulp,
een troost in zijn, anders zwaar beproefd, leven geweest was, en hem
steeds had lief gehad met haar geheele hart en verstand.
Na den dood zijner vrouw was Van Wageningen van het tooneel der wereld
verdwenen. Zijn vrienden hadden hem even gemist, zijn kennissen hadden
zijn spoor verloren, en zijn bloedverwanten wisten niets meer van hem
dan dat hij zich ergens in Gelderland, in een afgelegen dorpje, een
huisje had gekocht, waar hij afgezonderd en zuinig van zijn klein
inkomen leefde, en zich geheel toewijdde aan de opvoeding van zijn twee
kinderen, die hij aan geen vreemde zorgen toevertrouwde.
Wat zijn zoontje betrof, had de man gelijk. Maar zijn dochtertje, een
aardig, vlug, verstandig ding van nog geen elf jaar, werd in het geheel
niet opgevoed zooals de mode of de gewoonte wilde dat een meisje van
haren stand opgevoed zou worden.
Lina was een goed, gevoelig, hartelijk kind, maar zóo rondborstig,
oprecht en vrij, dat zij de schrik was van allen die haar kenden.
»Later zal zij leeren zwijgen, laat zij eerst maar leeren oordeelen,”
was de leus van den vader, en bij het minst wat er voorviel, waren de
eerste woorden van den ritmeester: »Lina, mijn kind, wat zeg je
daarvan?”
Hierdoor had Lina dan ook zulk een zuiver en vlug oordeel verkregen en
zoo goed geleerd haar gedachten gemakkelijk en helder mee te deelen,
dat de kinderen van het dorp haar te geleerd, de dames (er waren er
twee) haar te wijsneuzig en de heeren haar te brutaal vonden, om zich
met haar in te laten; zoodat het arme kind bijna altijd met haar vader
alleen was, en tot tijdverdrijf of uitspanning, in de uren dat zij
niets beters te doen had, van hem schermen en exerceeren leerde,
evenals haar jonger broertje, om wat gezonde beweging te maken.
De notaris had den ritmeester eens om zijn schermmeesterschap bespot,
in het koffiehuis waar zij ’s Woensdagsavonds hun whistclub hadden,
maar de ritmeester had hem kalm laten uitlachen en hem toen al
mêleerende geantwoord:
»Die nooit in verlegenheid wil geraken, moet alles kennen; zóover
brengen wij het niet, dat is waar, maar we moeten toch trachten het zoo
ver mogelijk te brengen. Ik wou jou wel eens naar Afrika of Amerika
zenden, geheel alleen, zooals je daar vóor me staat, en je als je
schaduw volgen, om te zien hoe je ’t maken zoudt. Ik geloof dat ik
interessante kluchten beleven zou. En dat ik je nog wel eens zou hooren
zeggen: »had ik ook maar schermen en exerceeren geleerd! En zoo veel
andere dingen meer, die ik versmaad en bespot heb, omdat ik ze niet
kende.”—Docter ’t is aan u.”
Eens kocht de ritmeester een veulen van een boer. Lina had het zien
mishandelen door twee lompe boerenjongens, die het sloegen en met
stokken prikten om het te doen steigeren. Met gloeiende wangen en
vonkelende oogen was zij binnen komen stuiven in de kamer van den
ritmeester. »Och Paatje!—Pa lief, kom toch!—Ik kan het niet aanzien!—Ze
mishandelen een veulen omdat ze ’t leelijk en koppig noemen, die
affreuse boeren!—Koop het Paatje! Och koop het toch.—Bij ons zal het
arme dier gelukkig wezen!”—De ritmeester was met haar mee gegaan, had
het veulen gezien en het, tot verbazing van den boer, gekocht.
»Wat mag die daar mee doen?” had de verkooper bij zichzelven gezegd,
»drie keer heb ik het naar de paardenmarkt gebracht en drie keer ben ik
er weer mee thuis gekomen, omdat ik het niet kwijt kon raken. Wat mag
de ritmeester er mee doen?” Hij telde met welgevallen het geld dat hij
pas ontvangen had (’t was meer dan hij op de markt had durven vragen)
en lachte, sous cape over zijn eigen slimheid. »De ritmeester beet
gehad!”
Bij den ritmeester in huis werd ook gelachen, het was er feest, ter
eere van het veulen, dat gras uit kinderhanden at en wortelen en
klontjes suiker.... Welk een geluk!
Eenigen tijd daarna ging Lina haar veulen een bezoek brengen in een
nieuwe wei; de vorige eigenaar had het in zijn wei niet langer willen
houden. Zij moest een boerderij langs, waar een groote hond voor een
hok aan een ketting lag; ’s nachts liep hij los, dan moest hij op de
bleek passen.
»Pas op, de hond zal je bijten!” riep een boer.
Lina lachte, zag het groote bruine dier flink in de oogen met haar
open, goedhartigen blik en lei haar hand op zijn kop.
Hektor kwispelde met zijn staart, drong zich dicht aan haar zijde en
lekte haar kleine hand.
»Ziet gij wel dat de kennis gauw gemaakt is? Wij weten wel dat wij van
elkander houden.” En, den hond een zoen op zijn kop gevende, vloog zij
de wei in om haar veulen te bezoeken.
De hond oogde haar na, zoolang hij kon. Dankbaarheid, vreugde, liefde,
droefheid, trouw—wat lag er al niet in dien hondenblik!
De boer ook oogde haar na, dom en wel, met open mond en half gesloten
oogen. »Ze zal er nog eens tegen aanloopen” mompelde hij half overluid
en keerde tot zijn ploeg terug.—Was hij geen boer geweest dan had hij
»excentrique” gezegd. Doch het was maar een boer. De hond zou zoo iets
nooit gezegd hebben.
»Randa!” klonk een kinderstem door de wei. Een veulen, dat bij een
beekje stond te grazen, spitste de ooren en zag om.
»Hier mijn Randa, kom je mee?”
In een oogwenk was hij naar haar toegesneld, en met zijn hoofd op haar
schouder, haar armen om zijn hals, stapte Lina met Randa het houten
brugje over, de wei uit. Toen zij de boerderij voorbijging, zag zij nog
even om naar den hond.
»Adieu Hektor! adieu!”
En Hektor wurgde zich half aan zijn zware ketting om haar weer te zien
en na te oogen en den hem eigenaardigen vriendschapsgroet te zenden,
dien hij anders slechts voor zijn meesters over had.
De boer zag om, hij dacht dat een zijner kinderen met zijn boterhammen
kwam, het was Lina maar.
»Zwijg!” riep hij van verre, hij wierp den hond met een steen en
hervatte zijn werk.
Toen het veulen groot en sterk genoeg was om bereden te worden,
dresseerde de ritmeester het zelf en gaf hij het aan Lina cadeau, die
er den volgenden dag het dorp op door draafde.
»Schande!” riepen de dames. »Van Wageningen is een ongehoorde
waaghals!” En zij haalden hare kinderen naar binnen, die op de stoep
speelden en licht door het slechte voorbeeld bedorven konden worden.
Eenige dagen later leerde Lina schieten met de buks. En toen zag men op
eens het huis van den ritmeester gesloten.
»God weet wat hij nu weer uit heeft gevoerd!” riepen de vrome
menschlievende dames; vroom en menschlievend waren zij, want zij
vergaten nooit te bidden en stuivertjes te geven voor de te bekeeren
Chineesjes in Afrika en Indiaantjes aan de Noordpool.
»Wat hij uit heeft gevoerd? Ik denk dat Lina den een of ander overreden
heeft.”
»Of doodgeschoten!”
»Ja, doodgeschoten! ’t Is best mogelijk.”
»O zeker.”
En den volgenden morgen twijfelde niemand in het heele dorp er meer aan
dat Lina iemand doodgeschoten had. Men wist zelfs het uur waarop en de
plek waar het feit had plaats gehad; den naam van den armen vermoorde
was men vergeten, maar die zou wel in de courant komen, wanneer de
justitie zich met de zaak bemoeien zou.
Veertien dagen later werd het huis van den ritmeester weer geopend, en
zag men Lina weer rijden en schieten, alsof er niets gebeurd was.
Niemand scheen zich het droevig voorval meer te herinneren, althans
niemand sprak er meer over als Lina, die het ten laatste ook gehoord
had en er braaf om lachte.
Zoo waren er nog een paar jaren verloopen, toen de ritmeester zijn
dochter eens in den tuin riep en haar vriendelijk zeide:
»Lina, kindlief, ik moet eens een ernstig woordje met je spreken. Je
bent nu oud en wijs genoeg om zelve te oordeelen, en daar het je eigen
toekomst geldt, wil ik ook dat je zelve zult beslissen.”
Lina ging naast haren vader op de tuinbank zitten en wachtte geduldig
op hetgeen er volgen zou.
»Wij zijn niet rijk, dit weet ge, kind,” hernam de ritmeester; »maar
gelukkig zijn wij niet arm ook, daar wij genoeg hebben en het u en den
kleinen Eduard, zoolang ik leef, aan niets behoeft te ontbreken. Maar
kom ik vandaag of morgen te sterven, dan houdt mijn pensioen op, en dan
zal uw inkomen zóo gering wezen, dat gij er niet van leven kunt. Wat
wilt ge dan beginnen?”
»Dan zal ik werken,” antwoordde Lina vast besloten.
»Uw oom en tante te Utrecht, bij wie wij een paar jaar geleden veertien
dagen doorbrachten, hebben mij verzocht u te zeggen, dat gij bij hun
leven nooit voor de toekomst bezorgd behoefdet te wezen, daar gij hun
huis steeds als dat uwer ouders beschouwen kondet. Na hun dood zijt gij
en Eduard hun eenige erfgenamen.”
Er blonken groote tranen in Lina’s oogen. »Oom en tante zijn wel goed
voor ons, maar ik zou toch noch liever weinig verdienen dan veel
krijgen,” zeide zij.
»Goed kind! Dus bij oom en tante wilt gij niet wezen. Maar wat wilt gij
dan? Wilt gij gouvernante worden? huishoudster? katechiseerjuffrouw?”
»Wat kan ik nog meer worden?” vroeg zij, alsof de opgenoemde
betrekkingen haar niet bijzonder toelachten.
»Naaister of juffrouw van gezelschap, anders schiet er ook al niet veel
meer voor de vrouwen over tegenwoordig. Tenzij gij millionair waart,
dan zouden alle carrières voor je openstaan, die je slechts bekoren
konden. Nu moet gij een keuze doen uit die welke weinig kosten om ze te
leeren, en toch een geschikt bestaanmiddel aanbieden. Om het ver in
muziek of schilderen te brengen, daarvoor zijt gij reeds te oud. En een
kruk moogt gij niet worden. Doe wat je wilt, maar doe het goed. Ik heb
meer achting voor een schaarslijper die zijn vak verstaat dan voor een
halfmislukt geleerde.”
»Ja, waren de kinderen maar niet altijd zoo bang voor mij, dan zou ik
gaarne gouvernante willen worden.”
»Goed, gouvernante dus. Maar een gouvernante moet kunde hebben, en, wat
meer zegt, zij moet menschenkennis bezitten. Zij moet weten wat er in
de wereld omgaat. Zij moet het goede kennen om het uit te oefenen en
het kwaad om het tegen te gaan. Zij moet karakterkunde en
fisionomiekunde bezitten, om bij den eersten oogopslag te zien wie zij
vóor heeft, en hoe zij met de menschen om moet gaan. Daarbij moet zij
een karakter hebben, vast en onwrikbaar, want zij moet doen wat recht
en billijk is, en geheel leven voor het welzijn van hare medemenschen.
De kinderen, wier verstandelijke, wier geestelijke opvoeding geheel aan
hare zorgen wordt toevertrouwd, zijn haar vreemd, zij moet ze leeren
kennen en liefhebben, als of het de haren waren. Zij moet een goed
humeur, een edel hart, een sterken geest, een helder oordeel hebben,
wil zij dien heilzamen invloed op hare leerlingen uitoefenen dien zij
alleen door eigen voorbeeld verkrijgen kan. Als ik vrouw was, zou bij
mijn leven, nooit een kind van mij in handen van een vreemde komen.”
Lina liet haar hoofd op den schouder van haar vader vallen en vroeg
zacht: »Paatje, hoe zou ik aan menschenkennis kunnen komen, ik die geen
menschen ken?”
»Logisch! Zeer logisch, kind. Maar nu gij gouvernante worden wilt, zal
ik u in de gelegenheid stellen te leeren al wat gij daarvoor kennen
moet.”
Een maand later woonde ritmeester Van Wageningen met zijn kinderen in
Parijs, waar Lina alle soorten van meesters en meesteressen had in
vreemde talen en schoone kunsten.
»Hier zijn wij bij de oppervlakkigheid,” had de ritmeester gezegd, »en
aangezien de oppervlakkigheid een hoofdrol in de wereld speelt, zoo
zijn wij hier goed.” Het daarbij houdende, dwaalde hij met zijn
dochtertje geheel Parijs door. Het kind moest alles zien van de
Catacombes af, tot het vondelingenhuis en Bicètre toe.
Eens terwijl zij in een restaurant aan tafel zaten, kwam er een dame op
krukken binnen. Zij was alleen. Een oogenblik bleef zij in de deur
staan om naar een plaats te zien.—Haar oog viel op Lina die haar
aankeek.
»Mooi!” dacht de eene.
»Lief,” zei de andere.
En de lieve kwam naast de mooie zitten.
Het duurde niet lang of een gesprek werd aangeknoopt. De nieuw gekomene
was jong en, zonder juist een schoonheid te zijn, bekoorlijk. Zij had
dat zachte, dat lijdende, dat goedhartige over zich, wat wij gewoon
zijn sympathiek te noemen. En wanneer zij sprak kwam er tusschenbeide
zulk een gloed in hare donkere oogen, speelde er zulk een fijne lach om
hare dunne lippen, dat Lina haar tout simplement een »beauté” noemde.
Gedurende eenige dagen bleef de kennismaking bij samen eten en samen
praten. De beauté was elken dag op hetzelfde uur in den restaurant
gekomen, op eens bleef zij weg.
»Ze is zeker ziek,” zeide Lina. »Als ik wist waar zij woonde ging ik
haar opzoeken.”
»Waar zij woont? Wel dat zal een van de garçons mogelijk wel weten.”
Alle garçons wisten het.
»Mlle Salvita? Rue Lafayette No....” riepen zij van alle kanten.
De ritmeester reed er dadelijk met zijn dochtertje heen.
Zij vonden de deur van Mlle Salvita’s kamer open, en zagen het jonge
meisje voor haar piano zitten, het hoofd in de handen gezonken, bitter
weenende.
De ritmeester wilde aankloppen, maar Lina was reeds binnen, en lag in
de armen harer nieuwe vriendin.
»Quel ange d’enfant vous êtes! Et vous aussi, mon cher monsieur, comme
vous êtes bon!”
»Je vous ai cru malade,” zeide Lina.
»Et je le suis en effet. Voilà ma maladie.” Zij wees met de hand op de
muziek die vóor haar lag. »J’aime le chant, je l’aime passionnément et
mon amour me tue!”
Lina begreep niet recht, de ritmeester begreep ook niet.
»Il y a six mois,” vervolgde zij, »j’étais chanteuse dramatique à
l’opéra. Que de peines, que de souffrances, que de misères pour en
arriver là!—Et comme j’étais heureuse alors!—Le succès coûte cher,
toujours et partout—une de mes camarades, jalouse de mes triomphes, me
fit tomber un soir, en jetant des pelures de pommes dans un escalier
que je devais descendre rapidement. Depuis lors toute ma vie n’a été
que souffrances. Ma jambe, cassée d’abord, puis mal remise, mal
soignée, fut enfin amputée.—Adieu théâtre!—Adieu rêves de gloire et de
bonheur!—”
Zij snikte overluid en bleef een oogenblik met het hoofd op de piano
rusten. Toen lachte zij door haar tranen heen en vroeg zacht:
»Chantez vous Mademoiselle?”
»Non madame, je touche un peu du piano, c’est tout.”
»Voyons, si elle a de la voix?”
En of Lina wilde of niet, zij moest de noten aangeven.
»Quelle voix splendide! Venez me voir tous les jours, je vous
apprendrai le chant. Ne dites pas non, car je suis triste et
malheureuse, je suis seule au monde, c’est une oeuvre de charité que je
vous demande.”
Zóo leerde Lina zingen in Parijs.—En toen de familie Van Wageningen zes
maanden later naar het vaderland terug was gekeerd en zich in de
hofstad gevestigd had, werd Mlle Salvita gepresenteerd als de
gouvernante van Lina.
De ritmeester werd weder van krankzinnigheid beschuldigd.
»Waarom menschen?” vroeg hij lachend, toen de critique, na geheel den
Haag doorloopen te hebben, ook hem ten laatste het men zegt in het oor
kwam fluisteren.
»Waarom menschen? Omdat ik anders handel dan gij gedaan zoudt hebben?
Wel, daar moest je me des te meer om achten! Maar je begrijpt me niet.
Tant pis pour vous!”
»Eene actrice!” gilt de wereld.
»Een mensch,” antwoordt de ritmeester. »En een mensch dat goed is, dat
verstandig is, en dat geleden heeft.”
»Eene actrice!” galmt de echo noch.
En de ritmeester hoort dien nagalm en lacht hem uit,
»De opvoeding mijner kinderen ligt mij het naast aan het hart,” zei Van
Wageningen eens, toen men hem naar de gezondheid zijner schijfschietende
dochter vroeg. »De helft van den dag besteedt zij aan hare studies, de
andere helft is aan lichaamsoefeningen en uitspanningen gewijd, de
avonden brengt zij in theaters, concerten of gezelschappen door—studie
naar het leven—menschenkennis! altijd menschenkennis op den
voorgrond.—Alle standen moet zij doorworstelen, en daar zij met den
boer begonnen is, zoo moet zij met den Koning eindigen. Wat zij leeren
kan dat moet zij leeren, van schijfschieten en zwemmen af, tot kooken,
deklameeren en borduren toe. Zóo alleen kunnen wij vrouwen, zóo alleen
kunnen wij moeders krijgen.
»Uw boeren koebeesten, uw middelstandsche werkezels, uw deftige
onbekwaamheden en uw adellijke modepoppen bevallen mij niet.
Leeghoofden, zelfonbewustheden, die met moeite het leven doorkruipen,
omdat gij haar het gaan belet.”
Mogelijk had de man gelijk, maar zeker had hij het niet moeten zeggen,
daar hij niemand tot zijn denkwijze overhaalde, en hij uitgelachen werd
door zijn vrienden, die hem doorgaans de gouvernante en zijn dochter de
ritmeester noemden.
Eens, het zal zoo wat twee jaar later geweest zijn, kwam Lina aan haar
vader zeggen dat zij gereed was haar examen voor hoofdonderwijzeres af
te leggen. »Ik ben nu al achttien jaar,” voegde zij er ernstig bij, »en
het wordt dus hoog tijd dat ik voor mij zelve ga zorgen.”
»Goed kind,” was het antwoord, »ga, en vertrouw op God, die al wat goed
is zegent.”
Lina ging, deed haar examen en kwam er met glans door.
Een der examinatoren, een gemoedelijk, oud mannetje, had haar vóor het
examen gevraagd of zij niet bang was. »Neen,” had zij lachend
geantwoord. »Ik weet wel dat ik er goed door zal komen.”
»Kleine, pedante wijsneus!” dacht de oude examinator bij zichzelven,
»hoe jonger hoe verwaander, is het tegenwoordig!”
Maar Lina was er inderdaad goed doorgekomen, en toen moest de oude
erkennen dat er meer waarheid en meer eenvoud in hare kalmte gelegen
had, dan in den angst en onrust der overige geëxamineerden, die bijna
allen bleek en bevend aan de groene tafel verschenen waren en geen van
allen zoo goed voldaan hadden als zij.
Noch dienzelfden winter werd Lina voorgesteld aan het hof. Ook daar
bleef zij niet lang onopgemerkt. Zij was grooter dan gewoon en had een
meer dan gewone vrouwelijke schoonheid. Men had gepraat over hare
excentriciteit en gelachen over haar origineele opvoeding en men had
daarbij niet gedacht aan frissche jeugd, gezondheid, schoonheid.
Sympathique! dat was het eenige woord dat door de bonte menigte gonsde;
toen eindelijk het wezen zelf verscheen, waarvan reeds zoovele
karikaturen in het licht gegeven waren. En of het vreemd is of niet,
dit was zeker niet tegen te spreken, dat de eenvoudige, kalme Lina meer
gefêteerd werd, dan menig hooger geplaatst meisje, dat het zeker meer
verwacht had dan zij.
Toen de winter half ten einde was, hield er een prachtig rijtuig stil
vóor het huis, waar Van Wageningen op kamers woonde, en een oogenblik
later trad graaf Henri d’Artonges het woonvertrek des ritmeesters
binnen, om hem de hand zijner dochter te vragen voor zijn eenigen zoon.
De ritmeester stond op en belde.
»Antje,” zeide hij, »verzoek juffrouw Lina even hier te komen.”
En zich tot den graaf wendende, vervolgde hij:
»Mijnheer d’Artonges, ik ben gewoon mijn dochter in al haar handelingen
vrij te laten. Zij kent uwen zoon; acht zij hem en deelt zij zijn
liefde, dan zal het mij gelukkig maken onze kinderen eenmaal vereenigd
te zien.”
Een oogenblik later trad Lina binnen. Mijnheer d’Artonges herhaalde
zijn aanzoek, er bij voegende dat hij de toestemming haars vaders reeds
verkregen had.
Lina had hem vrij verwonderd aangehoord. Toen stond zij op, reikte hem
de hand en sprak zacht:
»Neen, wij zouden elkander niet gelukkig maken—onze karakters loopen te
veel uiteen.” Zij wachtte een oogenblik en vervolgde toen, met tranen
in de oogen:
»O! denk daarom niet dat ik hem niet hoog acht, of dat ik hem niet
dankbaar ben voor het vertrouwen dat hij in mij stelt! Neen, ik ken
hem, en ik weet hoe goed hij is—maar ik kan zijn liefde niet
beantwoorden zooals zij verdient beantwoord te worden, daar ik meer
bewondering dan sympathie voor hem gevoel.”
Mijnheer d’Artonges deed nog eenige pogingen om Lina tot andere
inzichten te brengen, maar toen hij overtuigd was dat haar besluit vast
stond, vertrok hij, na haar herhaaldelijk zijn diep leedwezen verzekerd
te hebben, dat zij zijn schoondochter niet worden zou.
»Gij hebt goed gehandeld mijn kind,” zeide de ritmeester, zoodra hij
zich met zijn dochter alleen bevond. »Het geld brengt veel geluk aan in
de wereld, maar het hart kan koud blijven en de ziel onvoldaan te
midden der grootste rijkdommen,—en gij gevoelt niets voor den jongen
d’Artonges, nietwaar?”
»Niets,” antwoordde Lina met een licht hoofdschudden.
Een oogenblik bleven vader en dochter zwijgen, toen zag Lina hem
uitvorschend aan met hare groote heldere oogen, en vroeg zij zacht:
»Papa, is Herman Wagner nog niet bij u geweest?”
De beurt van uitvorschend aanzien kwam aan den ritmeester.
»Neen,” zeide hij verwonderd, »maar indien er eenig verband in den loop
uwer gedachten bestaat, dan zou ik geneigd zijn te vragen: Gevoelt gij
ook meer voor hem dan voor den jongen d’Artonges?”
»Ja,” antwoordde Lina nauw hoorbaar, zich half weenend half lachend in
de armen haars vaders werpende.
De ritmeester trok haar zacht naar de canapé en ging naast haar zitten.
»Lief kind,” begon hij, na een oogenblik, »ik geloof dat Wagner een
beste, brave, oppassende jongen is. Ik billijk je keuze dus ten volle.
Maar Wagner is luitenant en bezit niet veel meer dan zijn traktement.
Hebt gij er dus op gerekend dat er nog menig jaartje zal moeten
verloopen, eer er aan een huwelijk gedacht zal kunnen worden?”
»Ja,” antwoordde Lina weder.
»Weet Wagner dat ook gij geheel ontbloot zijt van fortuin?”
»Ik heb het hem gezegd, lang vóor dat hij mij zijn liefde verklaarde,
en ...”
»En?—wat verder?”
»Gisteren toen wij wandelden en gij met zijn broeder ons eenige
schreden vooruit waart, heeft hij mij gevraagd of ik genoeg van hem
hield om te wachten tot hij kapitein zou zijn. Ik heb »ja” gezegd, en
nu is hij van plan over te gaan bij het leger in Indië, in de plaats
van éen zijner vrienden, die liever in Europa wilde blijven en hem
dezen ruil had voorgesteld.—En nu had ik van mijn kant ook een plan
gemaakt—dat gij zult goedkeuren, niet waar?”—voegde zij er vleiend bij.
»Want het zou uw Lina gelukkig maken!”
»Spreek kind, en wanneer het tot de mogelijkheden behoort, zal ik u
helpen om het plan ten uitvoer te brengen. Want goed is het zeker,
anders zoudt gij het niet gemaakt hebben.”
Lina schoof wat dichter naar den ritmeester toe, greep zijn beide
handen in de haren, zag hem aan alsof zij in het diepst zijner ziel
wilde lezen en zeide zacht:
»Mevrouw Van Hoorn zoekt een gouvernante voor een fatsoenlijke, brave
familie in Indië..... zoudt gij het ondankbaar van mij vinden, indien
ik u verlaten ging?”
De ritmeester bedacht zich een oogenblik. »Neen,” zeide hij, »van
ondankbaarheid kan hier nooit sprake wezen, daar wij een jaar of drie
geleden immers reeds overeengekomen zijn dat gij, wat ouder geworden,
een betrekking als gouvernante zoeken zoudt.—Gisteren dacht ik nog aan
Indië—en ik vond u te jong om u zoo geheel alleen de wijde wereld in te
zenden. Maar de vrouw, die waarachtig lief heeft, is ouder dan hare
jaren en sterk door hare liefde; de deugd is haar een behoefte, want
zij is haar steun en hare belooning tevens. Ga dus, mijn kind! ga,
betracht uw plicht en wees gelukkig!”
Drie maanden later werden er groote koffers uit het huis van den
ritmeester gedragen en verzonden naar het schip Antonia dat te
Rotterdam in lading lag voor Java.
En acht dagen daarna werd Lina van Wageningen naar boord gebracht door
haren vader, Wagner, en Richard haar broeder.
Toen zij weder t’huis gekomen waren, reikte Mlle Salvita den ritmeester
zwijgend de hand. Zij begreep wat er in het hart van den armen vader
omging en zij vond geen woord van troost voor den braven,
zelf-opofferenden man, die in de wereld alleen stond en niets dan spot
of onverschilligheid in vreemde oogen las.
»Zij heeft gelijk dat zij ver weg gaat,” sprak hij nauw hoorbaar, »want
in haar eigen land had ze nooit een conditie gevonden.—»Excentrique!”
heeft haar dorpje gezegd en »excentrique” heeft de hofstad nagegalmd.
»Excentrique” gilt de wereld al verder en verder, en de kring, gevormd
door een droppel in een waterplas, wordt dagelijks grooter en
grooter!—Domme wereld die een lof tot een schimpnaam maakt, zonder te
begrijpen dat het toch een lof blijft.—Niet gewoon is buitengewoon dus
meer dan gewoon.—God zegene alle excentrieke menschen! O! mocht het
hedendaagsch gewoon vernietigd en het excentrieke gewoon worden. Welk
een reuzenstap zou dan de menschheid op het gebied van vooruitgang
gedaan hebben!”
TWEEDE HOOFDSTUK
HET EERSTE VOORGEVOEL
Zij zat aan den voet van een ouden weringinboom in het mollige gras te
spelen. Een jonge poedel dartelde vroolijk om haar heen, duizende
bloemen geurden aan haar voeten en veelkleurige vlinders omdartelden
het vriendelijke kinderkopje, terwijl de vogels het bosch van hun
liefelijke tonen deden weergalmen en de eenzaamheid die toovermacht
uitoefende, welke tot zelfs op het gemoed van het onnadenkend zorgeloos
kind inwerkt en een zweem van overpeinzing doet geboren worden in de
ziel die nog nimmer heeft gevoeld door nadenken, of nagedacht over
hetgeen zij gevoelde.
Vreemd voorwaar is het oogenblik van ontwaken, wanneer men zóo ontwaken
kan; maar groot, maar heilig is dat oogenblik voor de toekomst, en
machtig werkt het op het jeugdig hart, dat in de vrije, rijke natuur
het eerst met zichzelf bekend is geworden. En later, wanneer de wereld
zich met hare schijntooneelen somber aan het menschenoog vertoond
heeft; wanneer teleurstelling en bedrog elke illusie, elk ideaal, ja,
somtijds zelfs elken wensch vernietigd hebben; wanneer vrees de plaats
van hoop, en mistrouwen die van menschenliefde heeft ingenomen; wanneer
het denkbeeld van geluk door een spotlach wordt verdreven; wanneer
deugd en godsdienst als bittere schimpwoorden, in de dichtste plooien
van het versteende hart teruggedrongen worden, en smart of haat de
eenige tonen opwekken die nog weerklank vinden in de droeve, kranke
ziel,—o, dan is het goed een gelukkige kindschheid gehad te hebben! Dan
is het heilzaam een blik in het verledene te kunnen werpen en dáar de
heldere, klare dagen weer te vinden, die ons in het tegenwoordige
ontbreken; dáar de deugden in ons zelve aan te treffen, die wij thans
in onze medemenschen ontkennen willen: dáar te herleven, terwijl het
tegenwoordige ons dreigt te dooden.
Maar hieraan dacht de kleine Melatie niet. Zij was nog in den aanvang
des levens en haar aandacht was niet op het verledene gevestigd. Het
was de toekomst die zij gevoelde, het was het menschelijk instinkt, dat
in het kind ontwaakte.
Zij had gezongen en gespeeld en versjes opgezegd voor haar getrouwen
poedel. Maar plotseling nam het spel een einde, de lieve kinderstem
bleef zwijgen en het »Zou ik niet mijn moeder eeren” werd door een
tranenvloed gesmoord.
»O! maatje! maatje!” snikte zij luid, »zal Mela altijd bij u
blijven?—O! sterf toch niet!—sterf nooit—of neem uw kleine Mela mee!”
Zij weende lang en staarde treurig vóor zich.... Maar poedel kwam,
lekte ’t lieve kind de kleine natte handjes, sprong tegen ’t rood
geschreid gezichtje op en ging weer lustig aan het stoeien.
Weg met Van Alphen! Weg met de tranen! Weg met elke gedachte die niet
recht vroolijk was!
Dáar sprong zij op. Weer plukten de kleine handjes de geurigste
bloemen, weer speelde een gulle lach om het bevend onderlipje, weer
blonk een straal van hoop in ’t nog betraande oog. En vlug trippelden
de voetjes weer voort over ’t mollige frissche gras.
Gelukkig de jaren der kindsheid, waarin een traan in een lach, waarin
een zucht in een vreugdekreet kan wegsmelten! Gelukkig de mensch die
zulk een kindsheid gehad heeft en die zich haar ten nutte heeft gemaakt
om in zijn hart de dankbaarheid jegens zijn Schepper aan te kweeken
zooveel in zijn vermogen was. Gelukkig de sterveling die zich ook in de
jaren van ondervinding en smart in zijn jeugd kan spiegelen en nooit de
gelijkenis verliest, die tusschen het beeld van het kind en dat van den
mensch bestaan kan en bestaan zal, zoolang de ziel haar oorspronkelijke
reinheid behouden heeft, en het verstand ontwikkeld is geworden, zonder
dat het hart door deze ontwikkeling verwaarloosd is of gedood.
DERDE HOOFDSTUK
DE GOUVERNANTE
De kleine Melatie was nog geen zeven jaar oud toen haar moeder haar op
een morgen een fleschje eau de Cologne en een stukje zeep gaf om in de
kamer van de »juffrouw” te brengen.
Trotsch op de gewichtige taak welke zij volbracht had, kwam zij een
oogenblik later terug en zei ernstig:
»De juffrouw zal tevreden zijn over Melatie, want Melatie heeft hard
gewerkt vandaag.”
»Zoo? Wat heb je dan gedaan?”
»Ik heb bloemen geplukt voor de juffrouw en ze in haar bed gestrooid.”
»En als de juffrouw nu eens niet hield van bloemen in haar bed? Want
daar zijn de menschen in Holland niet aan gewoon?”
»Zal ik ze weer weghalen, moesje?” vroeg het arme kind teleurgesteld,
maar terstond weer vroolijk lachende, vervolgde zij vleiend: »Mag ik
met papa meegaan, om de juffrouw uit de stad te halen?”
»Ja, dat moogt ge, maar laat Sarina je eerst netjes aankleeden en
gedraag je dan verstandig, anders krijgt de juffrouw nog berouw van
hier gekomen te zijn en al hare familie en vrienden verlaten te hebben,
alleen voor het geluk van de kleine Melatie.”
Het goede kind beloofde dat zij zoet zou wezen en de nieuwe gouvernante
heel lief zou vinden, en reed toen, netjes aangekleed, met mijnheer
Oristorio di Frama, naar A., om Lina van Wageningen, de nieuwe
gouvernante, af te halen.
Lina was nog niet bij de familie Joly aangekomen, bij wie mijnheer di
Frama haar rendez-vous gegeven had.
Na geruimen tijd al pratende gewacht te hebben kwam er eindelijk een
reisrijtuig met koffers beladen het hek inrollen. Mevrouw Joly, haar
vijf meisjes, waarvan het oudste veertien jaren telde, mijnheer
Oristorio, de kleine Melatie, allen snelden naar voren om de jonge
gouvernante te verwelkomen, die niet wist welke hand zij het eerst zou
vatten, welke vraag zij het eerst moest beantwoorden.
»Dag jufje!” klonk eindelijk een kinderstemmetje tusschen al die
drukte. »Dag jufje! Krijgt Melatie geen zoentje van je?”
Lina zag het arme kind de handjes naar haar uitstrekken en haar bij
haar japon grijpen om niet door de groote menschen verdrongen te
worden.
»Kom hier mijn zoete, lieve Melatie!” sprak zij met tranen in de oogen,
en het kind in hare armen sluitende, drukte zij het tegen haar hart,
overlaadde het met kussen en vervolgde zachter:
»O zulk een ontvangst had ik nooit durven verwachten! Wat zijt gij
allen goed voor mij!”
Spoedig vertrokken mijnheer Oristorio, Lina en de kleine Melatie naar
Felicita, alwaar mevrouw di Frama met ongeduld de jonge gouvernante
wachtte, die zij zonder eenige plichtplegingen omhelsde en bij de hand
naar haar kamer geleidde.
»Wij zijn allen gelukkig u in ons midden te zien,” sprak zij goedig.
»Zoo gij u in de eenzaamheid kunt schikken, geloof ik dat gij hier
tevreden zult wezen, en hoop ik dat gij uw ouderlijk huis niet te veel
zult missen in een familie die gij geheel als de uwe beschouwen kunt.”
»O! dat gevoel ik!” antwoordde Lina aangedaan. »Gij zult allen goed en
lief voor mij zijn, daar twijfel ik niet aan! Mijn vurigste wensch is,
mij die goedheid waardig te maken en voor dat lieve kind te wezen....”
Zij kon niet verder spreken en borst in een luid snikken uit.
Mevrouw di Frama leidde haar zacht naar een rotanbank waarop zij naast
haar plaats nam, en liet haar ongestoord uit weenen.
Toen zij tot bedaren was gekomen, sprak zij met haar over haar reis,
haar aankomst te Batavia, haar kortstondig verblijf in Java’s
hoofdstad. Zoo werden de tranen, al pratende, weggewischt, en toen de
huisgenooten een half uur later aan het diner vereenigd waren, klonken
de gesprekken zóo ongedwongen en vertrouwelijk dat niemand
verondersteld zou hebben dat zich een nieuweling in dien kleinen
vriendenkring bevond.
»Och! er zijn geen vreemdelingen,” zeide Lina lachend, »voor mij ten
minste bestaan ze niet!”
»Voor mij ook niet!” riep mijnheer Oristorio, »dat zijn wij alweer
éens. Dien ik niet dadelijk ken, ken ik nooit!”
»En dien ik niet dadelijk ken, verlang ik niet te kennen ook,” gaf Lina
ten antwoord. »Ik heb reeds zooveel tegen sympathie en antipathie
gestreden en ik heb er mij nog nooit goed bij bevonden. Daarom ben ik
nu ook tot de conclusie gekomen, dat wij wijs zouden doen indien wij
dat onverklaarbaar, waarschuwend instinkt, in plaats van het tegen te
werken en langzamerhand te vernietigen, liever met zorg aankweekten en
zuiver hielden.....”
»Hetzelfde wat ik altijd zeg! Niet waar Julie?” vervolgde mijnheer di
Frama, zich tot zijn vrouw wendende, »Heb ik niet altijd gezegd, de
mensch weet meer dan hij zelf weet, maar zijn hoogmoed gaat zóo ver,
dat hij alles weten wil en per slot van rekening door zijn waanwijsheid
zijn weten verleert. Bleven wij toch maar eenvoudig waar, ongekunsteld
oorspronk....”
»Toewan Werner,” kondigde een der jongens aan, en op hetzelfde
oogenblik trad een jong mensch de achtergalerij binnen.
»Onze huisvriend,” zeide de gastheer, »onze gouvernante,” vervolgde
hij, Werner een stoel aanbiedende tusschen zijn vrouw en Lina.
De nieuw gekomene was een slank jongman, met golvend blond haar en
groote blauwe oogen, een hoog voorhoofd, een fraaien neus en fijne
welgevormde lippen, nauwlijks overschaduwd door de kleine blonde
knevels. Bij den eersten aanblik was men geneigd hem vroolijk te
noemen; maar, sloeg men hem aandachtig gade, dan vond men meer
geestdrift en meer denken in die beweegbare trekken, dan eigenlijke
vroolijkheid. Buitendien teekende zijn geheele persoon kalme
vastberadenheid, zachtheid en kracht. Hij had iets hoogs, iets
vorstelijks over zich, dat vreemd overeenkwam met zijn jeugd, daar hij
nauwlijks eenentwintig jaren bereikt kon hebben. Toch was er harmonie
in zijn voorkomen en, zooals mijnheer di Frama gewoonlijk zeide:
»charme.”
»Juffrouw Van Wageningen, is dat een vreemdeling?” vroeg mijnheer
Oristorio, op Werner wijzende.
»Neen mijnheer, dat is een kennis.”
»Op weg om een vriend te worden, hoop ik? Hij speelt viool en zingt,
soms declameert hij ook, maar daar is hij karig mee, zeker omdat hij
zijn auditorium niet op de hoogte van zijn talent acht. Maar nu het
publiek met een artiste vermeerderd en dus verbeterd is, sedert de
komst van de juffrouw, zal hij zich zeker minder laten bidden en
ons....”
»Neen mijnheer di Frama, dat moogt gij niet zeggen! De juffrouw zou nog
gaan denken dat ik talent had en ik kan toch werkelijk niets.”
»Kom, kom, geen valsche schaamte, als je blieft. Gij hebt meer talent
in uw kleinen pink, dan er in geheel A. te vinden is.”
»Och! neen, geloof dat niet juffrouw,” hernam Werner levendig. »Ik ben
maar een arme verwaarloosde jongen die eigenlijk niets goed, grondig
geleerd heb.—Ik heb vroeg mijn ouders verloren, en mijn voogden lieten
zich nooit veel aan mij gelegen liggen. Toen zij mij vroegen wat ik
worden wilde, zeide ik »zeeman”, omdat ik eens met een mijner vrienden
een dag te Scheveningen doorbracht, en het gezicht van de zee mij zoo
had getroffen dat het dweepen met de golven en de kleine vaartuigen mij
drie dagen van mijn werk hield en mij veel straf bezorgde. Op mijn
zestiende jaar deed ik mijn eerste reis als adelborst en daarna werd ik
voor vijf jaren naar Indië gezonden. De zee beviel mij, maar het
zeemansleven had ik mij gansch anders voorgesteld, en ik was zoo
gelukkig hier iemand te vinden die er mij van verloste. Het was te
Samarang. Ik stond in de sociëteit met een paar officieren te praten,
toen een man van middelbaren leeftijd, bruin, verbrand, met een
donkeren oogopslag en een forsche stem, mij plotseling op den schouder
klopte met de vraag: »Wel jonker, hoe bevalt je het zeemansleven?”
»Slecht, mijnheer.”
»Dat dacht ik wel. En als je ook nog geen berouw hadt over de keuze van
je vak, dan zou ik je zeggen dat je het weldra krijgen zoudt. Je liefde
of liever je bewondering voor de zee heeft je het scheepsleven over het
hoofd doen zien, niet waar? En nu je eenmaal in het schuitje bent, vaar
je voort, omdat je geen kans ziet er weer uit te komen.”
»Juist mijnheer,” antwoordde ik lachend, eenigszins verwonderd over den
familjaren, kortafgebeten en toch goedhartigen toon van den
vreemdeling.
»Heeren, je permiteert me?” vervolgde hij, de officieren groetende en
mij zonder complimenten bij den arm de galerij uitvoerende.
»Luister jonker, je bevalt me. Ik heb op mijn fabriek iemand noodig die
vlijtig en eerlijk is, en meer gezond verstand en oordeel heeft, dan
vernuft en geleerdheid. Ik geloof dat ik in u gevonden heb wat ik zoek;
een bruikbaar mensch. Wil je de zeedienst vaarwel zeggen en bij mij
komen, dan kun je beginnen met ondergeschikt werkzaam te zijn, en later
kun je administrateur worden. Of je eenmaal deelhebber of eigenaar zult
worden, dit zal geheel van je zelven afhangen. Om te beginnen kun je
rekenen op een inkomen van tweehonderd ’s maands, vrij woning, vrij
brandstof enz. enz.— —Neem je mijn aanbod aan?”
»Dat weet ik niet, mijnheer.”
»Je bent voorzichtig. Dat bevalt me ook. Máar waarom weifel je? Heb je
ouders wier toestemming je denkt noodig te hebben?—Dan zal ik wachten
tot je die verkregen hebt.—Of denk je dat épauletten meer waarde aan
een mensch geven dan een pen of een schop? Dan vergis je je. Of is je
traktement niet hoog genoeg? Dan zal ik het.....”
»O! neen mijnheer, niets van dat alles! Mijn eenige vrees is dat ik
niet berekend ben voor de betrekking die gij mij zoo loyaal aanbiedt.”
»Daar ben je vrij wat beter voor berekend dan voor de betrekking, die
je thans vervult.—Maar ik dring je niet. Ik wil zelfs volstrekt niet
dat je met overijling over je levenslot beschikken zult. Hier heb je
mijn kaartje—wacht heb je ook even een potlood voor me?—Zóo—en hier heb
je het adres van mijn vriend bij wien ik logeer.—Als je iets besloten
hebt, kom mij dan zien; je kunt informaties naar me inwinnen bij wie je
wilt—heel Samarang kent me—au revoir!”
Hij had mijn hand gegrepen en was verdwenen, eer ik nog recht tot
bezinning gekomen was.
Wat bewoog dien man om dus te handelen? Ik begreep er niets van. Maar
er lag zóo iets goedigs, opens en vertrouwelijks in zijn donkere oogen,
dat ik nog dienzelfden avond naar Bodjong reed, om hem te zeggen dat ik
mijn ontslag had ingediend.
»En welke informaties heb je van me ingewonnen?”
»Geen, mijnheer.” Ik was trotsch dát te kunnen zeggen.
»Geen? Dat is onvoorzichtig jonker, want je kent me niet, je weet niet
wie ik ben en waartoe ik in staat ben.”
»Ik weet niets, mijnheer, dat is waar. Maar ik ken hier niemand en ik
heb dus geen reden om iemand anders meer te vertrouwen dan u, de eenige
persoon die mij werkelijk belangstelling betoond heeft.”
»Daar heb je gelijk in, en ik hoop je later ook te toonen dat ik je
vertrouwen waardig ben.”
»Zóo kwam ik hier op de fabriek van den heer Van Romberg terecht, waar
ik nu als administrateur een gelukkig, kalm, werkzaam leven lijd.
Mijnheer Van Romberg is eenige maanden geleden, tot herstel van
gezondheid, naar Europa vertrokken, en nog dagelijks mis ik den
hartelijken, vertrouwlijken omgang van den braven man, dien ik
langzamerhand als een vader heb leeren hoogachten en liefhebben.”
»En dien je weldra in zijn zaken zult opvolgen,” ging mijnheer
Oristorio voort. »Zeg nu alles maar, want deelhebber is hij reeds
sedert eenigen tijd, en als de zaken zóo blijven voortgaan, als ze tot
dus ver gegaan zijn, dan kan hij over twee, drie jaar de fabriek vrij
hebben, en voor zijn eigen rekening de zaken voortzetten.”
»En mijnheer Van Romberg?” vroeg Werner angstig.
»Van Romberg zal niet terugkomen. Hij is naar Europa vertrokken
hoofdzakelijk omdat hij het heimwee naar zijn oude moeder had en omdat
hij zijn vaderland terug wilde zien, zijn gezondheid was eigenlijk pas
de derde reden.”
»Maar mijnheer, dat heeft hij mij nooit gezegd!”
»Dat weet ik wel, maar hij heeft het mij geschreven. Wacht, ik zal u
zijn brief laten lezen. Julie, waar is hij? Wij hebben hem gisteren in
de pianokamer gelaten, niet waar?—Siedin, tjobak liat apa tr’ada satoe
soerat di atas piano?” [1]
Siedin kwam met den brief terug, waaruit mijnheer di Frama het volgende
voorlas:
»Ik ben rijk genoeg. Waarom zou ik nog langer in den vreemde blijven,
terwijl mijn oude moeder gelukkig is mij bij zich te hebben? En terwijl
ik zelf hier alles gevonden heb wat ik met billijkheid verlangen kan?
Intusschen regretteer ik nog ons heerlijk Indië, maar men kan niet
overal te gelijk zijn, en nu ik kiezen moet, hier blijven of
terugkeeren, heb ik maar besloten, een einde aan alle quaesties te
maken, door hier te blijven. Met de volgende mail schrijf ik aan
Werner. Zonder hem had ik zoo spoedig mijn zaken niet verlaten, want ik
heb hart voor mijn land en hart voor mijn volk, dat ik zoo maar niet
aan den eersten den besten had willen overgeven, voor een miserable
hand vol banknoten.—Wat Werner betreft, zijn eenig gebrek is dat hij
zóo jong is (maar dat zal wel beteren), overigens is hij geheel de man,
berekend voor het besturen eener groote possessie. Hij is werkzaam en
stipt, goedhartig en ferm, meegaande en plichtlievend; en Goddank,
heeft hij enthousiasme en poëzie genoeg om zich in de eenzaamheid niet
dood te kniezen. Als ik in mijn riet niets dan suiker had gezien en in
mijn suiker niets dan geld, dan was ik krankzinnig geworden, lang vóor
dat ik rijk was geweest!—En zóo is het met hem ook gesteld.—Het eenige
wat ik hem toewensch, is een lieve, verstandige, brave vrouw, die met
hem denken en gevoelen kan—maar—waar hij die vinden zal?—Of hij haar
zelfs ooit zal vinden?—Er zijn naturen in de wereld, die geschapen
schijnen om alleen te staan. Zijn ze te goed, te hoog, te fier, te
rein?—Wat zijn ze?.... Ik weet het niet. Maar ik weet wel dat ze hier
op aarde ronddoolen om gelukkig te maken en niet om gelukkig te zijn.
Ik houd Werner voor éen van die lichtzuilen in de duisternis. De
menschheid heeft mooi golven en woelen, bruisen en opstuiven tegen den
rotsklomp die tot voetstuk dient, de zuil staat vast en kalm, en het
licht blijft schijnen en waarschuwen en goed doen, tegen alle
mishandeling in.—Ik ken nog iemand die tot de lichtzuilen behoort; ik
bedoel onzen armen dokter, die ook als een dwaalster alleen het leven
doorgaat, troost en verlichting brengt, waar hij komt, en voor
zichzelven geen geluk kan vinden. Arme Heisterman! Ik wou dat hij hier
was, om mijne moeder te troosten, als zij haar aanvallen van rhumatisme
krijgt, waaraan de dokters beweeren dat niets gedaan kan worden. Arme
menschheid die zoo veel moet lijden, omdat ze zoo weinig weet! Enfin,
dáar zijn wij dan ook maar menschen voor, enz. enz.”
»Gij ziet dus,” vervolgde mijnheer Oristorio den brief dichtvouwende,
»dat Van Romberg geen plan heeft om terug te komen.”
»Dat spijt mij. Niets kan mij de vriendschap vergoeden van den edelen
man, die mij heeft voortgeholpen, onderwezen, aangemoedigd alsof ik
zijn eigen zoon geweest was.”
»Gij hadt hem liever zien terugkomen, dan uwe positie te verbeteren
door zijn afwezigheid?”
»O zeker!” riep Werner, ter sluiks een traan wegpinkend. »Ik geef niet
om geld,” vervolgde hij, Lina aanziende, »daar ben ik waarschijnlijk
nog te jong voor. Dat zal de juffrouw wel begrijpen.”
»Ja dat begrijp ik volkomen. Ik gevoel ook niets voor geld.”
»Chut! gij spreekt als kinderen, die niet weten wat er in de wereld
omgaat. Geld is de groote spil, waarom alle gelukken en gelukjes
draaien, vervolgd, verdrongen, beknepen door hoop, teleurstelling en
intrigue. Zonder geld is er geen geluk mogelijk.”
»En alle ongelukken zijn mogelijk met geld, niet waar?” riep Werner
lachend.
»Bijna allen... ja...”
»Och! geluk is zoo denkbeeldig!” zei Lina. »Zoo als de eene mensch
geschapen schijnt om onder alle omstandigheden gelukkig te wezen, zoo
schijnt de andere voorbeschikt tot altijddurend zuchten en klagen.”
»Ja, dat zien wij aan Heisterman, die zijn gansche leven door met
ongelukken en soesahs te kampen heeft gehad en altijd even opgeruimd en
tevreden is.”
»O! ho! dat is niet altijd zóo geweest!” riep een vreemde stem.
»Heisterman heeft ook droefheid en wanhoop gekend..... Pardon....
Mejuffrouw!...”
De dokter zag nu eerst dat er een vreemde dame aan tafel zat, die hem
met groote, vragende oogen aanstaarde en naar zijn woorden luisterde
met een nieuwsgierigen lach, waardoor hij geheel van zijn stuk raakte.
»Ga voort, Heisterman, ga voort, geneer je niet. Juffrouw Van
Wageningen kent je al sedert een uur en is dus waarschijnlijk blij je
te zien.”
»Ja, dat ben ik,” antwoordde Lina, »zelfs zijt gij niet vroeg genoeg
gekomen naar mijn zin, daar ik reeds tijd gehad heb naar uw
kennismaking te verlangen.”
De dokter bleef haar zwijgend aanstaren en nam werktuigelijk aan hare
zijde plaats.
»Juffrouw Van Wageningen!” sprak hij half overluid—en haar steeds
aanziende herhaalde hij nog zachter:
»Juffrouw Van Wageningen!—Ritmeester Van Wageningen——zijn
dochter?——Lina?—”
»Ja dokter.”
Hij bedekte zijn gelaat met beide handen en bleef een oogenblik in
gepeins verloren zitten.
»Waar blijft de tijd!” riep hij eindelijk, het hoofd weer opheffende.
»Vergeef mij,” vervolgde hij zachter, »ik moet u wel krankzinnig
toeschijnen.—Mogelijk ben ik het ook—want ik leef met de dooden alsof
ze levend waren—en dikwijls met de levenden alsof zij dood waren.”
»Dat schijnen ze ook wel, al zijn ze ’t niet!” antwoordde Lina lachend.
Verrast staarde hij haar weder aan.
»Zóo had ze moeten zijn!” dacht bij overluid. En als hadden zijn eigen
woorden hem verschrikt, zóo sprong hij van zijn stoel op, greep zijn
hoed, vatte Lina’s hand....
»Tot weerziens—ik moet weg—ik heb geen tijd—tot morgen—au revoir!”
En weg was de dokter.
»Wat heeft hij?”
»Wat is hij raar van avond!”
»Welk een vreemde man!”