Maar nu kan ik hier heusch niet langer blijven!" brak hij eensklaps

haastig af, »want dat mocht argwaan wekken. En als onze betrekking eens

bekend werd, zou stellig een ander met de verzorging van u vieren belast

worden."

»Wat hebben ze eigenlijk met ons vóór?" vroeg Ros.

Willem haalde de schouders op: »Ik hoop het uit te vorschen," zei hij

onder het heengaan.

In den loop van den dag kwam hij terug. Hij wist te vertellen, dat zijn

meesteres de vier gevangenen had willen vrij laten, doch haar echtgenoot

was daarvoor niet te vinden. Hij vreesde, dan in moeilijkheden te komen.

Sommigen mopperden al, dat Marasof, zoo heette de koopman, een gedeelte

van den buit voor zich alleen behield, anderen daarentegen pruttelden,

dat hij heulde met de vijanden van het vaderland. Mocht dat gemopper

toenemen, dan was hij niet van plan het viertal nog langer te

beschermen, maar zou hun het lot der andere gevangenen doen deelen.

Dat zag er dus vrij bedenkelijk uit en daarom werd besloten, hoe eer

hoe liever te vluchten. Daar er bij de ontzettende wanorde die in het

terugtrekkende Fransche leger heerschte, voor Willem Stargardt niet het

minste gevaar bestond er zich insgelijks bij aan te sluiten, zou ook hij

mee gaan.

Te middernacht kwam Willem, volgens afspraak, de deur ontgrendelen,

waarop het viertal hem zoo stil mogelijk volgde. Na eenigen tijd met

de grootste behoedzaamheid te zijn voort gegaan, bracht hij hen op een

plaats waar een tweetal paarden, voor een Russische slede gespannen, aan

een boom stond vastgebonden.

Onder voorwendsel dat zijn meester plotseling naar het leger van Kutusof

moest afreizen was het Willem gelukt om, zonder achterdocht te wekken,

aan dat zoo hoognoodige voertuig te komen.

Zij wisten, dat Ney met de achterhoede pas den 17den Smolensk mocht

verlaten en hoopten dus, in den loop van den volgenden dag, diens leger

te bereiken.

Zoo snelden zij dus voort, in de richting van Krasnoé. Zij reden door

een groot bosch. De tamelijk heldere nacht en de sneeuw op den grond

maakten dat zij den weg zeer goed zien konden. Uren aanéén snelden zij

voort en met het aanbreken van den dag hadden zij den zoom van het woud

bereikt. Maar nu konden de paarden onmogelijk verder; de dieren waren òp

van vermoeidheid.

»Zouden wij de rest van den tocht maar niet te voet afleggen?" stelde

Jakob voor. »Me dunkt, in den loop van den dag zullen wij het corps van

Ney toch wel ingehaald hebben."

»Mij best," zei moeder Jane. »Ik ben verstijfd van de koû en een flinke

lichaamsbeweging zal goed doen!"

»En de paarden?" vroeg Reinier.

»Wel," zei Willem, »die zullen, zoodra zij uitgerust zijn, den weg naar

huis wel weer terug vinden. En als de slee met de paarden weer behouden

in 't dorp terug gekomen is, zullen de Russen een reden te minder

hebben, om ons te vervolgen."

Zij namen nu de weinige levensmiddelen die Willem des avonds had kunnen

inladen en na zich overtuigd te hebben, dat er geen vijand te zien was,

verlieten zij daarop het woud.

Weldra behoefden zij geen oogenblik te twijfelen, of zij zich wel op den

weg bevonden, dien het terugtrekkende Fransche leger genomen had, want

de bodem van ieder ravijn bleek bezaaid met wapens, helmen, schako's,

stukgeslagen kisten, kleedingstukken van allerlei aard, voertuigen en

kanonnen; sommige omgevallen; andere bespannen met neergestorte paarden,

waarvan er nog leefden en waarvan er half opgegeten waren.

Ros, Jakob en Reinier zochten zich een geschikt wapen uit; Willem,

vreezend dat zijn Russisch voorkomen hem bij het Fransche leger allicht

in moeilijkheid kon brengen, hulde zich in een gescheurden mantel;

daarop trokken zij weer voort.

Op het midden van den dag maakten zij halt om wat uit te rusten en iets

van hun levensmiddelen te nuttigen.

Nauwelijks echter waren zij weer op marsch, of zij hoorden eensklaps een

ontzettende ontploffing, gevolgd door het fluiten van tallooze kogels

boven hun hoofd. Verschrikt bleven zij staan... Die ontploffing had

plaats gehad vóór hen en in hun onmiddellijke nabijheid, op den weg zelf

en--wonderlijk!--toch zagen zij nergens een vijand.

Toen ze weer verder trokken vonden zij in een bocht van den weg twee

Fransche batterijen die, met munitie en al, waren achtergelaten; tevens

zagen zij over het naburige veld een bende kozakken vluchten, verschrikt

over hun eigen vermetelheid, die batterijen in brand te hebben gestoken

en over de geweldige ontploffing, die er het gevolg van was geweest.

Zorgelijk vroegen zij elkander, wat er wel moest plaats gehad hebben,

waardoor die algemeene ontmoediging ontstaan was en waarom men den

vijand geheel bruikbare wapens had achtergelaten. Zou er dan zelfs geen

tijd geweest zijn om de stukken te vernagelen en de munitie onbruikbaar

te maken?

Onder zulke kommervolle overdenkingen vervolgde het vijftal zijn weg.

Tot nog toe hadden zij slechts de sporen gevonden van een rampzalige

marsch. Thans echter was het anders geworden; wat zij nù zagen deed hun

het ergste vermoeden, want zij kwamen aan een plek, waar de sneeuw rood

zag van bloed, waar wapens, vuurmonden en verminkte lijken overal

verspreid lagen. De gesneuvelden gaven nog de stelling der gelederen

aan, hoe het gevecht had plaats gehad; zij toonden het elkander aan.

't Was niet de achterhoede van Ney maar het corps van prins Eugenius

geweest, waarmee zij zelf, in den vroegen morgen van den 15den, uit

Smolensk waren vertrokken. _Hier_ toch had de 14de divisie gestaan; aan

de nummers der schako's konden zij zien, welke regimenten het waren

geweest. Dáár had de Italiaansche garde gevochten; de uniformen der

gesneuvelden wezen het aan.

Maar wat zou wel het lot der overgeblevenen zijn geworden? Dit bloedige

veld, die vele ziellooze lichamen, de volkomen stilte in die woestijn

van ijs en dood; te vergeefs trachtten zij er uit te weten te komen, wat

er van hun kameraden geworden was en wat hunzelf zou te wachten staan.

Met spoed trokken zij die akeligheden voorbij; onverhinderd bereikten

zij de achterhoede, juist toen ze bivakkeeren ging. Zij vernamen,

hoe deze uit Smolensk vertrokken was met twaalf kanonnen, zesduizend

bajonetten en driehonderd paarden, terwijl zij er vijfduizend zieken

aan de edelmoedigheid van den vijand had moeten achterlaten. Ook

hoorden zij, dat Ney, zonder de kanonnen van Platof's kozakken en

het laten springen der vestingmuren, er nooit in zou geslaagd zijn, de

zevenduizend achterblijvers te ontrukken aan die stad, waar zij tusschen

de puinhopen een toevlucht hadden gevonden.

De soldaten, vertelden, hoe zij met den maarschalk naar Krasnoé trokken;

hoe zij alle overblijfselen van het leger op den weg voorbijkwamen; welk

een treurigen aanblik dit opleverde; hoe een wanhopige massa menschen

hen volgde en een andere troep die voor hen uitliep, door den honger

gedreven, zijn schreden verhaastte.

Een bleek maanlicht viel door de grijze wolken, toen de krijgslieden

opnieuw opbraken. Geen tromgeroffel of trompetgeschal verried den

afmarsch. In diepe stilte maakte men zich tot den moeilijken tocht

gereed. Ieder oogenblik toch verwachtte men een vijandelijken aanval.

Intusschen legde men verscheidene uren door de sneeuw af zonder op

eenige wijze verontrust te worden. De koude bleek eenigszins minder,

zoodat men er niet zooveel meer van te lijden had; het scheen zelfs,

dat men dooiweer kon verwachten.

Het corps was eindelijk een diep ravijn genaderd, waarin de weg

afdaalde, om vervolgens weer tegen een uitgestrekte hoogvlakte op te

loopen. Het was de hoogvlakte van Katova.

»Herken je dit terrein?" vroeg Jakob aan Ros.

De oude krijgsman keek opmerkzaam rond. De sneeuw toch had alles zoo'n

geheel ander aanzicht gegeven. Niettemin zag hij spoedig, waar zij

waren.

»'t Is de plaats," zei hij, »waar wij, drie maanden geleden, Neverowskoi

hebben overwonnen en aan den Keizer de veroverde kanonnen hebben

getoond."

»Wat dunkt je, zouden we vandaag wéér overwinnen?"

Juist wilde Ros antwoorden, dat hij daar een zwaar hoofd in had, toen

eenigen van den ongewapenden bijsleep, die vooruit waren geloopen, in

groote haast terugkeerden. Zij riepen, dat de sneeuwvlakten zwart zagen

van vijanden. In 't zelfde oogenblik kwam een Russisch officier, een

witten doek wuivend, de hoogvlakte afrennen. Hij was alleen, richtte

zich tot maarschalk Ney en ried hem, zich over te geven, doch kleedde

zijn sommatie in de vleiendste termen.

Hij kwam, verklaarde hij, namens Kutusof. Zijn veldmaarschalk zou zulk

een wreed voorstel niet durven doen aan een krijgsman als hij, zoo hem

nog een enkele kans tot redding was gebleven. Maar tachtigduizend Russen

bevonden zich vóór hem en om hem heen; mocht hij er aan twijfelen, dan

stond Kutusof hem toe, iemand te zenden, die de gelederen langs kon

gaan en tellen.

Nog eer de Rus uitgesproken had, donderde eensklaps een salvo uit

veertig vuurmonden, die op de rechterflank van het vijandelijk leger

waren opgesteld, waardoor een hagel van kartetskogels door de lucht

vloog en de Fransche gelederen verscheurde.

Onmiddellijk werpt een Fransch officier zich op den Rus, om hem als een

verrader te dooden. Ney echter verhindert dat en roept den afgezant toe:

»Een maarschalk van Frankrijk gééft zich niet over; men onderhandelt

niet onder het vuur; u is mijn gevangene!"

De ongelukkige officier, die door de onvoorzichtigheid der zijnen op

deze wijze werd opgeofferd, gaf zijn degen gewillig over. Tegelijkertijd

opende de vijand van alle zijden het vuur; alle hoogten, die er een

oogenblik te voren nog doodsch en verlaten uitzagen, geleken eensklaps

op werkende vulkanen. Doch Ney werd er door in geestvervoering gebracht;

te midden van dat hevige vuur scheen die man van ijzer als in zijn

element te zijn.

Kutusof had hem niet bedrogen. Aan de Russische zijde stonden

tachtigduizend man aaneengesloten, in diepe, dreigende colonnes,

talrijke escadrons en een geduchte artillerie, die een sterke stelling

had ingenomen; kortom een gansche legermacht. Aan de zijde der

Franschen: vijfduizend soldaten, een uitgeputte, verbrokkelde colonne;

een onzekere, slepende marsch; onvoldoende, vuile wapens, waarvan de

meeste in die bevende, verzwakte handen niet veel kwaad meer konden

doen.

En evenwel dacht Ney er geen oogenblik aan zich over te geven, evenmin

om te sterven; wel om dóór te dringen, zich er doorheen te slaan, zonder

er bij in aanmerking te nemen dat hij een bovenmenschelijke poging

waagde.

Alléén, zonder eenigen steun, terwijl alles op hèm steunde, volgde

hij slechts de ingeving van zijn krachtige natuur en handelde met het

zelfvertrouwen van den overwinnaar, dien de gewoonte van zelfs in de

meest onwaarschijnlijke gevallen de zege te behalen, het geloof

geschonken had, dat hem àlles mogelijk was.

Ricardo bevond zich aan het hoofd met vijftienhonderd man. Ney laat hem

tegen den vijand aanrukken en de rest nakomen. Den weg volgende, daalt

de divisie in het ravijn af, maar nauwelijks aan de andere zijde er

weer uit te voorschijn komend, wordt zij door het vuur van de voorste

vijandelijke linie bijna geheel vernietigd. Zonder zich hierover

te verbazen of te veroorloven dat men er van ontstelt, verzamelt de

maarschalk het overschot, vormt er een reserve van en rukt er zelf mee

voorwaarts. Aan vierhonderd Illyriërs geeft hij last, den vijand op zijn

linkerflank aan te vallen; hijzelf tast hem met drieduizend man in het

front aan. Allen volgen hem. Zij vallen de voorste Russische linie aan,

dringen er doorheen, jagen haar uit elkaar en zonder zich op te houden,

willen zij zich op de tweede werpen, doch eer zij haar bereikt hebben,

komt een regen van ijzer en lood hen te gemoet. In een oogenblik ziet

Ney al zijn generaals gewond en de meesten zijner soldaten gedood; zijn

verzwakte colonne wankelt, begint te aarzelen, gaat terug en sleept hem

mee.

Ney begrijpt, dat hij het onmogelijke heeft beproefd; hij wacht af,

dat de vlucht der zijnen het ravijn tusschen hem en den vijand heeft

geplaatst; het eenige wat hem redden kan. Zonder hoop en zonder vrees

weet hij hen daar tot staan te brengen en deelt hen opnieuw in.

Tegenover tachtigduizend man kan hij er slechts tweeduizend stellen;

beantwoordt hij met zes kanonnen het vuur van tweehonderd!

En toch scheen Kutusof als met traagheid geslagen.

Er was slechts een uitbarsting van verontwaardiging van een enkel

Russisch corps noodig geweest om er een einde aan te maken; allen

vreesden echter, een beslissende handeling te doen; allen bleven op hun

plek, met een slaafsche onbeweeglijkheid, alsof zij slechts stoutmoedig

waren in het nakomen van bevelen en gehoorzamen hun eenige kracht was.

Ook de Illyriërs waren in volkomen wanorde teruggekeerd. Kutusof, die

meer op zijn kanonnen dan op zijn soldaten vertrouwde, trachtte thans

van uit de verte de overwinning te behalen. Zijn vuur bestreek zoodanig

het geheele terrein waar de Franschen zich bevonden, dat dezelfde kogel

die een man in het eerste gelid trof, nog slachtoffers maakte bij de

achterste voertuigen, waar zich de ongewapende mannen, vrouwen en

kinderen bevonden.

Onder dit moorddadige vuur sloegen de soldaten van Ney, die onbeweeglijk

staan bleven, met verwondering hun aanvoerder gade; ieder oogenblik

verwachtten zij van hem de uitspraak te hooren dat zij verloren waren,

dat er niets meer aan te doen was. Zonder te weten waarom, bleven zij

nochtans hopen, omdat zij te midden van dit uiterste gevaar hem daar

zagen staan met een kalmte van gemoed, alsof er niets bijzonders

gebeurde. Zijn gelaat stond zwijgend en beslist; hij hield het

vijandelijk leger in 't oog dat zijn flanken hoe langer hoe verder

uitbreidde om hem iederen uitweg af te sluiten.

Door de invallende duisternis begon men de voorwerpen moeilijker te

onderscheiden; de winter,--alleen in dit opzicht gunstig voor hun

terugtocht,--deed den nacht reeds vroeg aanvangen. Ney had er op

gewacht. Thans geeft hij aan zijn troepen bevel--op Smolensk terug te

trekken!

»Is de man krankzinnig geworden?" gromde de oude Ros.

»Het begint er op te lijken," antwoordde Reinier. »Teruggaan en weer

dieper de Russische wildernissen binnen dringen! Waarachtig, men moet

wel aan den maarschalk zijn verstand beginnen te twijfelen!"

»Nu," zei Jakob, die zich in dit oogenblik bij hen voegde, »je bent

heusch de eenige niet, die er zoo over denkt. Zelfs zijn adjudant kon,

naar ik hoor, zijn ooren niet gelooven; hij begreep er niets van; met

een ontsteld gezicht bleef hij zijn chef sprakeloos aanstaren. Maar de

maarschalk herhaalde dezelfde order nog eens; zijn stem klonk beslist en

gebiedend; zijn omgeving werd er door gerust gesteld. Ik geloof dan ook

vast en stellig, dat hij een doordacht plan heeft gevormd, dat hij een

uitweg heeft gevonden."

Na de eerste verbazing begon langzamerhand die overtuiging ook tot de

andere soldaten door te dringen. Hoe kritiek de toestand ook was, zij

kregen de zekerheid dat hij dien zou weten te beheerschen, en--zij

gehoorzaamden. Zonder aarzelen keerden zij den rug naar hun leger, naar

Napoleon, naar Frankrijk en trokken het noodlottige Rusland weer binnen.

Hun achterwaartsche marsch duurde een uur; zij zagen het slagveld,

aangeduid door de overblijfselen van het Italiaansche leger weer terug.

Hier bleven zij staan en voegde de maarschalk, die alleen in de

achterhoede was gebleven, zich weer bij hen.

Zij volgden al zijn bewegingen. Wat zal hij gaan beginnen? En welk ook

zijn voornemen mag zijn, hoe zal hij zijn schreden kunnen richten zonder

gids, in een onbekend land?

Doch hij, met zijn krijgsmansinstinct, begeeft zich naar een ravijn van

zulk een diepte, dat er waarschijnlijk op den bodem een beek vloeit. Hij

laat er de sneeuw opruimen en het ijs stuk slaan. Toen, den loop van het

water nagaande, roept hij uit: »Het is een zijstroom van den Dnieper,

hij zal ons tot gids dienen; hem moeten wij volgen totdat hij ons aan

de rivier brengt; wij zullen haar overtrekken; onze redding is op den

anderen oever."

Hij laat nu onmiddellijk, in de aangewezen richting, den nachtelijken

marsch vervolgen. Op eenigen afstand van den grooten weg, dien hij nu

verlaten heeft, doet hij halt houden in een dorp, verzamelt er zijn

troep en laat vuren aanleggen, alsof hij er bivakkeeren wil. De kozakken

die hem volgden, doet hij dit ten minste gelooven en zonder twijfel gaan

zij Kutusof reeds inlichten omtrent de plaats waar den volgenden dag een

Fransch veldmaarschalk zijn wapen zal overgeven.

Ney echter laat den marsch voortzetten. Intusschen waren zijn Polen op

onderzoek uitgegaan. Een kreupele boer bleek de eenige bewoner dien zij

konden ontdekken. Toch was dit een onverhoopt geluk. Hij deelde mee, dat

de Dnieper slechts een mijl daarvandaan stroomde, doch dat hij niet te

doorwaden was, wijl het ijs niet vast zat.

»Dat zal het wel," antwoordt Ney en toen men hem er opmerkzaam op

maakte dat het was gaan dooien, liet hij er op volgen: »Het doet er niet

toe; we zullen er toch wel over komen; een anderen uitweg hebben we

niet!"

Tegen acht uur kwam men aan een dorp; het ravijn hield hier op en de

kreupele moejik die aan het hoofd marcheerde, bleef staan en wees op

de rivier. Ney en de eersten die hem volgden, begaven zich er heen.

De ijsschotsen bleken hier door een scherpe bocht tusschen de oevers

bekneld geraakt, de winter had ze aan elkaar doen vriezen; doch alleen

op _dit_ punt:--beneden- en bovenwaarts er van was de rivier in

beweging. Deze vreugdevolle ontdekking werd echter weldra gevolgd door

een gevoel van ongerustheid: Dit ijsvlak kon van een bedriegelijke

sterkte zijn.

Jakob Stargardt bood aan, zich er op te wagen ten einde dat te

onderzoeken. Men zag hem met moeite den anderen oever bereiken. Hij kwam

terug en meldde, dat de menschen en misschien eenige paarden er over

konden, doch het overige zou men moeten achterlaten; bovendien moest men

zich haasten, wijl door den dooi het ijs al tamelijk dun was geworden.

Doch daar men bij dezen nachtelijken tocht zoo stil mogelijk te werk had

moeten gaan en buiten de wegen had moeten marcheeren, was die colonne

van uitgeputte mannen, van gewonden en vrouwen met hun kinderen, uit

elkaar geraakt, waren er groote tusschenruimten ontstaan en had men in

de duisternis niet altijd elkanders spoor kunnen volgen. Zoo bemerkt Ney

dan ook, dat hij slechts een gedeelte van zijn troep bij elkaar heeft.

Hij stond daarom drie uren toe, om zich te verzamelen en zonder zich

te laten beheerschen door ongeduld of door gevaar dat dit wachten

kon opleveren, wikkelde hij zich in zijn mantel en bracht die drie

gevaarlijke uren door aan den oever der rivier in een diepen slaap; hij

toonde dat hij het gestel bezat van een buitengewoon man; een sterke

ziel in een krachtig en volkomen gezond lichaam.

Eindelijk, tegen middernacht, begon de overtocht, doch de eersten die

zich van den wal hadden verwijderd waarschuwden, dat het ijs onder hen

boog en wegzakte; dat zij tot aan de knieën in het water liepen en het

duurde dan ook niet lang, of men hoorde dien zwakken bodem aan alle

zijden op een onrustbarende wijze kraken, welk geluid zich tot in de

verte voortplantte, alsof de rivier kruien ging.

Verschrikt bleven allen staan.

Ney gelastte, dat men er slechts één voor één over mocht; behoedzaam

schreed men nu voorwaarts, in de duisternis dikwijls niet wetend of men

den voet zette op een ijsschots of in een tusschenruimte. Op sommige

plaatsen moest men over breede scheuren heen en van de eene schots op

de andere springen, op gevaar af van tusschen die beide in te vallen en

voor goed te verdwijnen. De voorsten aarzelden, doch van achteren riep

men hun toe zich te haasten.

Als men dan na veel inspanning en gevaar den anderen oever had bereikt

en zich gered dacht, had men nog tegen een steile helling op te

klauteren, die geheel bedekt was met ijs, wat het beklimmen bijna

onmogelijk maakte. Verscheidenen gleden weer naar beneden en kwamen

terecht op het ijs, dat door dien val brak of waardoor zij zelf iets

braken.

Jakob Stargardt had zich naar den ongewapenden bijsleep van het corps

begeven, waar hij zijn moeder en zijn broer Willem wist. Afgrijselijk

was hier de ontsteltenis en de wanhoop der vrouwen en zieken nu zij, met

hun bagage, het overschot moesten achterlaten van al hun bezittingen,

van hun levensmiddelen, kortom van hun hulpbronnen, zoowel voor nu als

voor de toekomst. Jakob zag ze hun eigen bezittingen plunderen,

voorwerpen uitzoeken, wegwerpen en weer opnemen en eindelijk van

uitputting en wanhoop op den bevroren oever neerzijgen.

Toen Jakob er eindelijk in geslaagd was, Willem en zijn moeder te

vinden, geleidde hij beiden door de steeds toenemende verwarring naar de

plaats, waar men de rivier over moest. En nu ving ook voor hen de

angstwekkende, gevaarvolle tocht aan.

Na ontzettende inspanning bereikten zij echter, één voor één, behouden

den anderen oever. Maar nog rilden zij bij de herinnering aan hun

omzichtige schreden en noodwendige sprongen op die verraderlijke

ijsvlakte, aan het gekraak als er van hun tochtgenooten uitgleden en

vielen, aan de angstkreten dergenen die er doorzakten en--wat het ergste

was--de wanhoopskreten der gewonden, die van hun voertuigen, welke men

over dezen zwakken overgang niet durfde te wagen, de handen uitstrekten

naar hun metgezellen en hun smeekten om hen toch niet achter te laten.

Eindelijk besloot Ney het te beproeven en eenige voertuigen met deze

ongelukkigen over te brengen. Doch in het midden der rivier gekomen, kon

het ijs den last niet meer dragen en brak... Aan den oever hoorde men

hun hartverscheurende en gillende angstkreten... daarna eenig steunen

dat weldra uitstierf...; eindelijk een huiveringwekkende stilte... Allen

waren in de diepte verdwenen!

Sedert den vorigen dag waren vierduizend achterblijvers en drieduizend

soldaten dood of vermist; alle kanonnen en de bagage was verloren;

nauwelijks bleven er van Ney nog een drieduizend strijders over en

evenveel achterblijvers.

Nadat al die verliezen waren geleden en alles wat den anderen oever

had kunnen bereiken weer verzameld was, werd de marsch voortgezet; de

verraderlijke stroom was nu hun bondgenoot en gids geworden.

Op goed geluk af en tastende ging men verder. Plotseling gleed Jakob uit

en kwam op den grond terecht. Hij ontdekte nu, dat de weg reeds begaan

was en deelde zijn bevinding met bezorgdheid aan Reinier en Ros mee. Zij

bukten zich, voelden met hun handen over den grond en riepen verschrikt

dat zij versche sporen vonden van een groote menigte kanonnen en

paarden.

»We hebben dus het eene vijandelijke leger slechts ontloopen," zuchtte

Reinier, »om het andere te gemoet te gaan!"

»Nauwelijks zijn we in staat ons nog voort te sleepen, en nu moeten we

zoowaar al weer vechten!" klaagde Ros.

»Moet het dan overal oorlog wezen!" riep Jakob moedeloos.

In ieder geval, men diende den maarschalk te waarschuwen en Jakob bracht

hem rapport van zijn bevinding. Ney echter werd er in 't minst niet door

getroffen en zijn aarzelende manschappen voorwaarts drijvende, volgde

hij koelbloedig het dreigende spoor.

Het voerde hem naar een dorp, Gusina genaamd, waar men onverhoeds

binnenviel, zich van alles wat er zich bevond meester maakte en waar men

alles aantrof wat men noodig had, hetgeen sedert Moscou niet voorgekomen

was: bewoners, levensmiddelen, warme huizen en een honderdtal kozakken

die als gevangenen ontwaakten. Hun mededeelingen en de noodzakelijkheid

om wat rust te genieten alvorens verder te kunnen gaan, deden Ney

besluiten er eenigen tijd te vertoeven.

Omstreeks tien uur in den morgen had men twee andere dorpen bereikt en

was er gaan uitrusten, toen men eensklaps in de omliggende bosschen

overal beweging bemerkte. Terwijl men elkaar waarschuwt en zich

verzamelt in het gehucht dat het dichtst bij den Dnieper gelegen was,

komen duizenden kozakken tusschen de boomen te voorschijn en omsingelen

dezen ongelukkigen troep met hun lansen en kanonnen.

Het was Platof met zijn geheele bende, die den oever van den Dnieper

volgden. Zij hadden het dorp in brand kunnen steken, den zwakken troep

van Ney er uitjagen en afmaken, doch in plaats daarvan bleven zij drie

uren lang onbewegelijk staan; men wist niet waarom. Later vernam

men, dat zij geen orders ontvangen hadden; dat hun aanvoerder op dat

oogenblik niet in staat was ze te geven en dat men in Rusland niets op

eigen verantwoording ondernemen durfde.

De houding van Ney hield hen in toom; hij met enkele soldaten waren

daartoe voldoende; zelfs gaf hij de overigen gelegenheid, om met hun

maaltijd voort te gaan. Tegen den nacht gaf hij bevel, om zoo stil

mogelijk op te breken, elkaar voorzichtig te waarschuwen en gesloten te

blijven. Daarop zetten zij zich in beweging, doch de eerste schrede die

zij deden was als een signaal voor den vijand; zijn stukken gaven vuur

en al zijn escadrons kwamen te gelijk te voorschijn.

Ney wist echter den oever van den Dnieper te bereiken, waardoor althans

zijn linkerflank aangeland was; aldus marcheert hij voorwaarts, van het

eene bosch naar het volgende en van de eene terreinplooi naar de andere

en van alle verhevenheden in het terrein gebruik makende. Dikwijls is

hij genoodzaakt zich van den stroom te verwijderen, wat Platof dan

gelegenheid geeft hem van alle zijden in te sluiten.

Zoo bleven gedurende twee dagen en onder het afleggen van twintig

mijlen, voortdurend zesduizend kozakken heenzwermen om de flanken der

colonne, die tot vijftienhonderd gewapenden inkromp.

De nacht bracht eenige ontspanning aan; met een zeker gevoel van vreugde

zag men dan ook de duisternis te gemoet, als iemand ook maar een

oogenblik achterbleef om van een kameraad die gewond of uitgeput

neerviel, een laatste afscheid te nemen, liep men veel kans het spoor

der anderen kwijt te raken. Er waren dan ook wreede oogenblikken,

en wanhopige tooneelen vielen er voor; evenwel, schoon hongerig en

doodelijk afgemat, bereikte men ten laatste toch Orcha, waar, na

bloedige gevechten, de deerlijk gehavende Corpsen van Napoleon, Prins

Eugenius en Davoust reeds vroeger waren aangekomen. De Keizer was er

binnengetreden met zesduizend man gardetroepen, het overschot van vijf

en dertig duizend; Eugenius met achttienhonderd man, het overschot van

twee en veertig duizend; Davoust met vierduizend, het overschot van

zeventig duizend!

Zelf had deze maarschalk alles verloren; hij bezat geen linnengoed

meer en was uitgehongerd. Gretig nam hij een brood aan, dat een zijner

wapenbroeders hem aanbood en verslond het als 't ware. Men gaf hem een

zakdoek om zijn gezicht, dat bedekt was met rijm, te kunnen afvegen. Hij

riep uit, dat alleen menschen van ijzer tegen dergelijke lotgevallen

bestand waren, dat het uithoudingsvermogen zijn grenzen had en de

grenzen der menschelijke kracht overschreden waren.

Te Orcha echter trof men vrij goed gevulde magazijnen met levensmiddelen

aan, verder een pontontrein van zestig pontons met toebehooren, die

echter alle op Napoleons bevel verbrand moesten worden, en zes en dertig

bespannen vuurmonden, welke verdeeld werden tusschen Davoust, Eugenius

en Maubourg.

Het rampzalige overschot van Ney's troepen werd met vreugde verwelkomd,

want men had den maarschalk reeds verloren geacht. Zoo spoedig

mogelijk werden de uitgeputte manschappen onder dak gebracht en van

levensmiddelen voorzien. Om den bijsleep van het corps werd echter niet

gedacht en zonder Jakob Stargardt en zijn beide vrienden zouden moeder

Jane en Willem er dan ook slecht aan toe geweest zijn. Thans werd

natuurlijk voor beiden behoorlijk gezorgd.

Toen Napoleon, die zich alweer op twee mijlen van Orcha bevond, de

tijding vernam dat Ney terecht was, sprong hij op van blijdschap en

riep: »Ik heb dus mijn vleugels gered! Drie millioen uit mijn eigen kas

had ik willen geven, om het verlies van zulk een man te voorkomen!"

Veertiende Hoofdstuk.

De doodssnik van het Groote Leger.

Den 22sten November begon voor het Fransche leger de vermoeiende

marsch van Orcha naar Borizof. De weg was bedekt met smeltende sneeuw,

waaronder een dikke modderlaag. De zwakkeren waren niet in staat er

doorheen te komen; velen bleven liggen. Allen, die te Smolensk in de

verwachting dat de vorst niet zou ophouden, hun wagens tegen sleden

hadden verwisseld en nu niet verder konden, vielen in handen der

kozakken.

Het leger van Oudinot, dat niet naar Moscou was geweest, maar toch

eveneens terug had moeten trekken, zou thans de voorhoede vormen. Den

volgenden morgen, op drie mijlen voor Borizof, stootte deze maarschalk

op de Russische voorhoede, die hij krachtig terugwierp, waarbij hem een

heele bagage-trein van den vijand in handen viel. Meer dan duizend

bespannen wagens met levensmiddelen en uitrustingstukken van allerlei

aard werden zijn buit. Reusachtig was de hoeveelheid ham, worst, gerookt

vleesch, scheepsbeschuit, die werd gevonden. En dan die duizenden paren

schoenen! Verscheidene soldaten hebben zich toen voor vijf en twintig

dagen van voedsel voorzien. Dit, en de buitgemaakte schoenen hebben

menig armen krijgsman het leven gered.

Ongelukkig genoeg werd echter door het overschot van dit corps, bij het

doortrekken van Borizof, de brug over de Berezina vernield. Napoleon

zelf bevond zich nog op drie dagmarschen van de stad, toen hem de ramp

bericht werd. Hij stampte met zijn stok op den grond van woede. Daarop

liet hij zich de positie van Borizof beschrijven. Men verzekerde hem,

dat op dit punt de Berezina niet alleen een rivier, doch een meer was

van drijvende ijsschotsen; dat de brug een lengte had van driehonderd

vademen en deze zoodanig vernield was, dat herstelling ondoenlijk bleek

en een overgang daardoor onmogelijk.

De Keizer zag zich thans van alle kanten ingesloten en opdat geen zijner

standaards als zegeteeken in handen van den vijand mocht vallen, liet

hij de adelaars van alle corpsen verzamelen en verbranden.

Den 24sten vernam Napoleon, dat de overtocht alleen mogelijk zou zijn

bij Studianka, waar de stroom slechts 54 voet breed en zes voet diep is,

doch dat men op den anderen oever in een moeras terecht kwam, onder het

vuur van den vijand, die daar een zeer overheerschende stelling had

ingenomen.

De Keizer begaf zich nu onverwijld met zijn leger in de donkere en

uitgestrekte bosschen van de provincie Minsk, waar slechts enkele

gehuchten en ellendige woningen hier en daar nauwelijks een open ruimte

hadden gelaten. Het kanon van Witgenstein deed zich daar hooren. Deze

Rus, van het Noorden komend, trok op de rechterflank van het stervende

leger aan; tevens begon het weer te vriezen. Het dreigend kanongebulder

verhaastte den tocht. Veertigduizend mannen, vrouwen en kinderen volgden

het leger door deze bosschen, zoo snel als hun zwakte en het ijs dat

zich weer vormde, hun veroorloofde.

Deze geforceerde marschen, die bij het aanbreken van den dag begonnen

en bij het vallen van den avond nog niet ophielden, deed den weinigen

samenhang, die er nog bestond, geheel verdwijnen. In de duisternis dier

onmetelijke bosschen en der lange nachten, raakte men elkander kwijt.

Des avonds werd er halt gehouden; tegen het aanbreken van den dag begaf

men zich weer op marsch, in de duisternis, op den gis en zonder het

signaal af te wachten; wat er nog van de corpsen overgebleven was, bleek

niet meer bijeen te krijgen; in de grootste verwarring liep alles door

elkaar.

In dit laatste stadium van verzwakking en wanorde in de nabijheid van

Borizof gekomen, hoorde men in de verte luide kreten. Het was het leger

van Victor, dat door Witgenstein langzamerhand naar de rechterzijde van

de Fransche hoofdarmee toegedrongen was. Het wachtte het voorbijtrekken

van Napoleon af. Dit leger bestond nog in zijn geheel en verkeerde in

een goeden toestand. Het zag zijn Keizer terug en begroette hem met den

gebruikelijken uitroep, die bij Napoleons krijgers zelf reeds lang

vergeten was.

Men was daar van hun tegenspoeden onkundig gebleven; zij waren

zorgvuldig verborgen gehouden; zelfs voor de officieren.

Toen zij dan ook in plaats van het zegevierende leger van Moscou,

achter Napoleon dien sleep van uitgeputte gedaanten ontwaarden, gekleed

in lompen, vrouwenpelzen, stukken tapijt of smerige mantels, verschroeid

door het bivakvuur en vol gaten, terwijl de meesten hun voeten hadden

omwikkeld met vodden van allerlei aard, werden zij er ten hoogste door

ontsteld. Met schrik zagen zij die ongelukkige, uitgemergelde soldaten

voorbijtrekken, met vuile gezichten, afschuwelijke baarden, zonder

wapens, zonder schaamte, zich met moeite voortslepende, met hangende

hoofden, de oogen op den grond gevestigd, zwijgend als een troep

gevangenen.

Wat het meest verwondering wekte, was het zien van de talrijke

verspreide, alleenloopende kolonels en generaals, die zich enkel met

zichzelf bemoeiden en wier eenig doel nog was, hun persoon te redden;

zij marcheerden te midden van soldaten, die hen niet eens bemerkten, die

zij niets meer te bevelen hadden; alle banden waren verbroken, alle

rangen uitgewischt door de ellende.

De soldaten van Victor konden hun oogen niet gelooven. Hun officieren,

door medelijden bewogen, hielden met tranen in de oogen hun kameraden,

die zij herkenden, staande. Zij ondersteunden dezen met levensmiddelen

en kleeren; vroegen hun waar hun corps was gebleven. En wanneer het hun

dan gewezen werd, zagen zij in plaats van zooveel duizend man, slechts

een zwak peloton officieren en onderofficieren om een chef; zij moesten

er nog naar zoeken.

En evenwel twijfelden zelfs de ongewapenden, de stervenden niet aan de

overwinning, hoewel zij er niet onkundig van waren, dat zij een rivier

over moesten en zich door een nieuwen vijand hadden heen te slaan.

Het was niet meer dan de schaduw van een leger, doch het was de schaduw

van het Groote Leger. Men voelde zich slechts overwonnen door de natuur.

Het gezicht van hun Keizer gaf hun nog vertrouwen. Sedert lang was men

al niet meer gewend op hem te rekenen om te kunnen leven, doch wel om te

overwinnen. Het was de eerste noodlottige veldtocht, en er waren zoovele

gelukkige gevoerd. Als men nog maar de kracht had om hem te volgen, kon

hij alleen hen nog redden.

In de achterhoede marcheerde thans de generaal Victor met vijftien

duizend man; de voorhoede van vijfduizend man, onder Oudinot, was reeds

tot aan de Berezina genaderd; de Keizer bevond zich tusschen beiden in

met zevenduizend man, veertigduizend achterblijvers en een langen sleep

van voertuigen en artillerie. Zoo bereikte het leger de Berezina.

Onder bevel van den generaal der genie Eblé rukt nu het overschot der

pontonniers, ongeveer vierhonderd man, benevens enkele sappeurs, naar de

aangewezen plaats voor den overtocht, om hier het werk, door Oudinot's

mannen reeds begonnen, te voltooien. Van het pontonmateriaal, dat

men bij Orcha op Napoleon's bevel moest vernielen, had Eblé zes

voorraadwagens met gereedschap, spijkers, klampen, in één woord al de

benoodigdheden voor den bouw van twee schraagbruggen, benevens twee

veldsmidsen, alle voertuigen goed bespannen, alsmede twee karren met

steenkolen weten te redden. De huizen van Studianka zouden het noodige

hout leveren.

In den namiddag van den 25sten kwam dit detachement ter plaatse aan.

Een compagnie was bij Oukoholda achtergelaten, die al het mogelijke

moest doen om den vijand van Studianka weg te lokken en in den waan te

brengen, dat men bij eerstgenoemde plaats den overgang beproeven wilde.

Deze schijnbeweging, meesterlijk uitgevoerd, had het gewenschte

resultaat; de vijand liet zich er door verschalken.

Napoleon, in zijn ongeduld, had verlangd dat de bruggen nog dien avond

gereed zouden zijn. Met geen mogelijkheid echter kon hieraan worden

voldaan, want ondenkbaar waren de moeilijkheden, waarmee de pontonniers

bij hun arbeid hadden te kampen. Vermits er hoegenaamd geen vaartuig

voor handen was, moesten zij vier aan vier telkens met een schraag te

water gaan en deze in de modderige en ongelijke rivierbedding zóódanig

bevestigen, dat de kopstukken van al de schragen zich in hetzelfde vlak

bevonden om het daarover te brengen dek de vereischte horizontale

richting te geven. Het kostte een ongehoorde inspanning. Want tot

overmaat van ongeluk was, door het wassen van de rivier, de doorwaadbare

plaats zoo goed als geheel verdwenen. De beklagenswaardige kerels

moesten soms tot aan den hals in het water de ijsschotsen van zich

afhouden, die met den stroom kwamen afdrijven. Verscheidenen hunner

stierven reeds onder den arbeid van koude of werden door het ijs, dat

door den hevigen wind werd voortgestuwd, reddeloos meegesleept.

Eblé is later te Koningsbergen van uitputting gestorven. Van zijn

dapperen, meerendeels Hollanders, hebben geen twaalf het vaderland

teruggezien. Opgeofferd hebben zij zich, die mannen! Zij hadden dan ook

met alles te kampen, behalve met den vijand. Het weer was juist streng

genoeg om den overtocht zoo bezwaarlijk mogelijk te doen zijn, zonder

dat het ijs er door ging vastzitten of dat het moerassige terrein waarin

men terecht kwam, er meer vastheid door verkreeg.

Twee bruggen zouden worden geslagen, ongeveer tweehonderd meter van

elkander, de rechter voor de ruiters en de voetgangers, de andere voor

de voertuigen en het geschut. Hoewel zij geen ander voedsel kregen

dan een stuk gekookt paardevleesch zonder zout, hoewel het water zich

op hun armen, beenen en borst als ijskorsten vastzette en hun hevige

pijn veroorzaakte, bleven de pontonniers onafgebroken aan het werk.

Drieentwintig schragen werden voor elke brug te water gebracht, waarover

vervolgens een dekvloer werd gelegd van balken en planken, die echter de

vereischte afmetingen niet hadden en dus nieuwe moeilijkheden gaven. Met

boomschors, hennep en hooi werd eindelijk de dekvloer belegd, om sterkte

en samenhang te geven aan het geheel.

Den volgenden dag, om één uur, was de eerste brug voltooid; de overtocht

kon beginnen. Een divisie kurassiers opende den trein, dan kwamen drie

Zwitschersche regimenten. De enkele kozakkenposten, die zij aantroffen,

werden over de kling gejaagd of verstrooid. Op ernstigen weerstand werd

aanvankelijk nergens gestooten.

Onafgebroken werd de overtocht nu voortgezet. Op den rechteroever kwam

Oudinot al spoedig in gevecht met een Russische divisie, welke zich in

allerijl tegenover hem begon te ontwikkelen doch teruggedreven werd.

Zembin met de lange bruggen door het moeras aldaar werd vervolgens

bezet. De veilige terugtocht van het Fransche leger was hiermee

voorloopig verzekerd.

Om vier uur was ook de andere brug gereed. De zwakke constructie, het

gebrekkige materiaal, de slappe bodem en de geweldige vrachten die zij

te torschen kreeg waren echter oorzaak, dat zij in de volgende dagen bij

herhaling onbruikbaar werd; dat stukken er van met schragen, voertuigen

en al, door het water werden verzwolgen en dat de pontonniers telkens

uit hun welverdienden slaap moesten opgewekt worden, om weer in het

ijskoude water af te dalen en de schade te herstellen. De eerste brug

behield haar samenhang onder den last der overtrekkende troepen; maar

herhaaldelijk moest de dekvloer hersteld worden, wijl de paarden er

doorheen trapten.

Intusschen had Maarschalk Victor in last, om met zijn corps den

overtocht tegen de aanvallen der Russen te beschermen. Zijn generaal

Partouneaux was met een divisie in Borizof door hem achtergelaten om er

den aandringenden vijand te keeren, de talrijke achterblijvers die zich

in de stad bleven ophouden, voor zich uit te drijven en zich tegen den

avond weer met het corps van Victor te vereenigen. Tot deze divisie

behoorden ook twee Hollandsche regimenten en Ros, alsmede Jakob

Stargardt en Reinier Vermaat, de beide ritmeesters zonder ruiterij,

waren met nog andere Hollanders, daarbij ingedeeld. Willem en moeder

Jane, in de verwachting daar veiliger te zijn dan onder de tallooze

ongewapende achterblijvers, hadden zich bij deze Hollandsche krijgsmacht

aangesloten. Zij vermoedden niet, evenmin als de soldaten zelf het

deden, dat deze troepen bestemd waren om opgeofferd te worden.

In den namiddag bemerkte Partouneaux, dat de voorhoede van Witgenstein

reeds tot op den weg tusschen Borizof en Studianka was doorgedrongen,

en dat hij dus was afgesneden. Ofschoon hij slechts over drie kanonnen

en 3500 man beschikken kon, besloot hij onmiddellijk, zich er doorheen

te slaan; hij nam zijn maatregelen en begaf zich op marsch.

Aanvankelijk had hij te kampen met een glibberigen weg, die geheel

ingenomen was door voertuigen en vluchtelingen, met een hevigen,

ijskouden wind waar men recht tegen in moest, bovendien met de

duisternis. Weldra kwamen nog duizenden schoten van den vijand, die de

hoogten aan zijn rechterhand bezet had, zijn tegenspoed vermeerderen.

Zoolang hij van terzijde werd beschoten, bleef hij zijn marsch

vervolgen, doch het duurde niet lang of hij ontving ook vuur in front

van een talrijken vijand, die zich daar opgesteld had en wiens kogels

niet alleen het hoofd maar ook den staart zijner colonne troffen.

De ongelukkige divisie bevond zich in de laagte; een lange trein

van vijf- tot zeshonderd voertuigen belemmerden zijn bewegingen;

zevenduizend achterblijvers, huilende van ontzetting en wanhoop, drongen

zich tusschen zijn zwakke gelederen. Zij verbraken ze, veroorzaakten

wanorde in de pelotons en sleepten in hun verwarring nieuwe soldaten

mee, die den moed begonnen te verliezen. Om zich te verzamelen en een

betere opstelling te zoeken, moest men weer omkeeren, doch hierdoor

stootte men op de kozakken van Platof.

Reeds was de helft der soldaten bezweken, terwijl de vijftienhonderd

overblijvenden zich ingesloten zagen door drie legers en een rivier.

Toch wil Partouneaux nog een laatste poging wagen en zich een bloedigen

weg naar de bruggen banen.

Dáár ontvangt hij uit zijn voorhoede de tijding, dat de bruggen bij

Studianka in brand staan. Partouneaux gelooft dit onjuiste bericht,

hij acht zich verlaten, overgeleverd en laat nu zeggen dat men, onder

begunstiging van de duisternis, bij kleine groepjes langs 's vijands

flank moet trachten te ontkomen.

Jakob Stargardt en de zijnen behoorden dien ten gevolge tot een groep

van een man of vijftien, die een steile, boschrijke hoogte hadden

beklommen, hopende in het donker door het leger van Witgenstein heen te

kunnen sluipen en zich met Victor te vereenigen.

Doch waar zij zich ook wenden, van alle kanten bespeuren zij den vijand.

Lange colonnen van voertuigen en benden ordelooze soldaten vluchtten

langs verschillende richtingen naar Studianka. De kleine schare, door

een dezer meegesleept, vergiste zich in den weg en daar zij zoodoende

den weg dien het leger gevolgd had rechts lieten liggen, kwamen zij

geheel bij toeval aan den oever der Berezina. Zij hóórden het aan het

op elkander schuren der ijsschotsen. Zij volgden nu de rivier langs al

haar bochten en begunstigd door het gevecht van hun minder gelukkige

kameraden, door de duisternis en zelfs door de moeilijkheden in het

terrein, wisten zij in stilte den vijand te ontkomen. Veilig bereikten

zij de plaats van overgang, maar op dat oogenblik heerschte daar de

afschuwelijkste verwarring.

Het Groote Leger had twee dagen en twee nachten beschikbaar gehad voor

den overtocht. In den eersten nacht was de brug voor de voertuigen

tweemaal stuk geraakt; bij gebrek aan bouwstoffen had dit den overtocht

zeven uur vertraagd. Omstreeks vier uur in den namiddag van den 27sten

brak zij voor de derde maal. Opnieuw werd zij hersteld. Maar in plaats

van den overtocht nu voort te zetten, bleven de bruggen geheel verlaten.

De achterblijvers hadden zich naar het dorp Studianka teruggetrokken; al

de houten huizen waaruit het bestond gesloopt en alzoo het geheele dorp

in een onmetelijk bivak veranderd. Honger en koude hadden er die

ongelukkigen heen getrokken. Het was onmogelijk hen er vandaan te

krijgen en zoo ging opnieuw weer een gansche nacht voor den overtocht

verloren.

Toen, in den morgen van den 28sten, deden plotseling de vereenigde

Russische legers op de armzalige krijgsmacht der Franschen een hevigen

aanval. De achterblijvers, bevangen door een wilden schrik, vluchtten

thans in dolzinnige haast naar de bruggen. Van alle zijden drongen zij

op elkaar in en weldra vormde die ontzettende menigte daar aan den

rivieroever, met de talrijke paarden en voertuigen, een geweldige

versperring. Tegen den middag sloegen de eerste vijandelijke kogels in

dien chaos neer; zij waren het signaal tot een algemeene wanhoop.

Het was in dit oogenblik, dat de kleine troep van Jakob Stargardt en de

zijnen het terrein van den overgang was genaderd. Dicht aaneengedrongen

bleven zij aanvankelijk stilstaan op den oever, met angstige bezorgdheid

het gunstige oogenblik bespiedend, om zich te midden van den golvenden

stroom van menschen, paarden en voertuigen te wagen, die aanhoudend naar

de bruggen vloeide.

Zij zagen hoe sommigen, woedend en niets ontziende, zich met de sabel in

de hand een afschuwelijken doortocht openden. Anderen zagen zij een nog

wreeder weg zich banen; met hun voertuigen reden zij onbarmhartig door

die menigte van rampzaligen heen, die zij verpletterden. Door walgelijke

hebzucht gedreven, offerden zij hun metgezellen in het ongeluk op, ter

wille van hun bagage. Anderen, door een weerzinwekkende vrees bevangen,

schreiden, jammerden en bezweken; de schrik had hun laatste krachten

uitgeput.

Huiverend van koude bracht ons troepje verscheidene uren door met op en

neer van de eene brug naar de andere te gaan en twintig en meermalen,

dicht aaneengedrongen, opnieuw den overtocht te beproeven. Maar iederen

keer weken zij terug, wanneer een nieuwe onweerstaanbare menschenmassa

vooruit stroomde en het ontzettend gedrang nog vermeerderde.

Velen van die zich vooraan bevonden in die massa vertwijfelden en van de

brug afgedrongen werden, beproefden haar langs de kanten te beklimmen,

doch de meesten kwamen in het water terecht. Zij zagen vrouwen met hun

kinderen in de armen te midden van ijsschotsen, hen omhoog heffende

naarmate zij zonken; reeds ondergedompeld, trachtten zij ze nog met hun

verstijfde armen boven water te houden.

Te midden van die ontzettende verwarring zakte de brug voor de

artillerie in elkaar. Zij, die er zich op bevonden, wilden terugkeeren,

de ontzaggelijke menschenstroom die achter hen was en het ongeluk niet

bemerkte, luisterde niet naar de angstkreten der voorsten, drong hen

vooruit en in de opening, waar zij op hun beurt in geduwd werden. Toen

snelde alles naar de andere brug. Een groot aantal kruitwagens, zware

voertuigen en vuurmonden kwamen van alle zijden aanrijden. Door hun

geleiders voortgedreven, reden zij van een steile, oneffen helling in

sterken gang plotseling door die menschenmassa heen, vermorzelden de

ongelukkigen die zich in hun weg bevonden, terwijl anderen door den

schrik van de been geraakten en in hun val sloegen en grepen naar

degenen die in hun nabijheid waren. Geheele rijen radelooze menschen

vielen zoodoende op elkaar, raakten in elkaar verward en werden vertrapt

door anderen, die evenzoo werden opgedrongen; men vernam slechts kreten

van smart en woede. In het ontzettend gedrang stelden zij, die onder den

voet waren geraakt en bijna stikten, zich wanhopig te weer met nagels en

tanden. Zonder medelijden sloegen en stompten de aangevallenen van zich

af, alsof zij met vijanden te doen hadden. Het afgrijzelijk rumoer dat

uit die wriemelende menigte opsteeg, vermeerderd met het loeien van

den storm, het gedonder van het geschut, het springen van granaten, het

uitbraken van verwenschingen en vloeken, maakte die ordelooze bende doof

voor de klachten der slachtoffers die zij vertrapte.

Eindelijk toch scheen voor Jakob Stargardt en de zijnen het gunstig

oogenblik daar, om te trachten, den overkant te bereiken. De kloeksten

van den hoop vormden de spits: als een wig moesten zij door de woelende

menigte klieven. Zij bereiken de brug. Met den stormpas rukken zij nu

vooruit. In een oogenblik zijn zij een tiental schreden voortgedrongen.

Onweerstaanbaar wringt zich de kleine schaar in den dichten, verwarden

hoop, maar weldra stuit zij in die wriemelende menschenmassa; zij golft

met haar heen en weer, machteloos worstelend tegen den drang, die haar

gelederen dreigt te breken, in den stroom te werpen, of onder den voet

te treden.

Over hoopen gewonden, halfgestikte vrouwen en kinderen, duwden de

volgenden hen vooruit. Vergeefs dat moeder Jane met gillende angstkreten

haar beide zoons toeriep, waarvan zij zich plotseling zag losgerukt en

die zij onmogelijk weer bereiken kon. Zij strekte de armen naar Jakob en

Willem uit, smeekte om haar dóór te laten en zich weer bij haar kinderen

te mogen voegen; doch links en rechts door de menigte opgedrongen, aan

alle kanten geduwd en gestompt, viel zij neer als zoovele anderen.

Maar de oude Ros, die ook van het troepje was afgescheurd, wist haar te

grijpen en met haar voort te dringen. Jakob strekte zijn handen nu naar

zijn moeder uit en werkelijk gelukte het hem, haar weer met hun troepje

te vereenigen. Maar in 't zelfde oogenblik werd Ros door een kanonskogel

allervreeselijkst verminkt. Jakob poogde hem op te vangen; de oude

krijgsman kon echter geen woord meer uitbrengen; enkel bewoog hij met

moeite de lippen en zijn machtelooze hand sloot zich om die van zijn

meester en vriend met een zachten druk. Een smartelijk lachje zweefde

over zijn bleek gezicht, toen zonk hij zielloos neer.

Op dit oogenblik bevond de kleine troep zich midden op de brug. Dáár

klinkt eensklaps, boven het rumoer van zoo vele duizenden jammerstemmen,

boven den aanhoudenden donder van het geschut en het geknetter der

geweren van Victor's korps, strijdende met Witgensteins macht,--een

doordringende kreet: »~De cavalerie!~"

Ongeveer dertig ruiters van alle wapens, en daaronder vele officieren,

stuiven de brug op, met opgeheven sabel; zij drijven hun vermagerde

paarden met spoorslagen in de op elkaar gedrongen menigte; houwen links

en rechts om ruimte te maken; werpen alles voor zich neer en zijn in

een oogwenk midden op de brug. Maar daar worden zij in hun woeste vaart

gestuit. Als een niet te ontwarren kluwen staan de veertien vereenigden

rug aan rug tegen elkaar gedrongen, vast besloten tot een wanhopige

verdediging. De moedige houding van het hoopje bleek ontzag in te

boezemen; maar in zijn gevaarlijken toestand, daar zoo midden op de

brug, kon de weifeling bij den ruitertroep niet lang duren.

»~Vooruit!~" klonk een gebiedende stem: »~Er op in!~"

Nu volgde een gevecht, waarbij de gevechten met den vijand in

verwoedheid niet waren te vergelijken.

Jakob streed als nog nooit te voren; hij had zich voor zijn moeder

geplaatst, om haar met zijn lijf te beschutten. Een oogenblik verloor

de marketentster het evenwicht, struikelend door een verschoven plank

of een opening in den dekvloer. Zij dreigde te midden der woelende

ijsschotsen in het donkere water te storten, dat al zoo menig

slachtoffer verslonden had. Maar Willem sloeg zijn arm om haar heen en

redde haar nog tijdig uit dit gevaar.

De worsteling duurde slechts een oogenblik; de ruiters, op ~hun~ beurt

gedrongen door de massa die achter hen opzette, hieuwen als razenden

er op in, en--braken een bres in den kleinen phalanx. Sommigen van het

veertiental werden overhoop gereden; anderen stortten in de rivier;

Jakob bleef als een schaduw zijn moeder nabij; opgestuwd raakten beiden

steeds verder voort door het gedrang. Nog waren zij slechts een tiental

schreden van den overliggenden oever verwijderd--daar voelde Jakob een

schok in zijn rug, die hem bijna voorover wierp en hem zijn moeder deed

loslaten. Door een schier bovenmenschelijke inspanning gelukte het

hem, zich overeind te worstelen. Maar op hetzelfde oogenblik drong een

kurassier zijn reusachtig ros op hem in en scheen hem onder den voet te

willen rijden.

Jakob greep de teugels van het paard en deed het eenige schreden

achteruit wijken. Maar de ruiter gaf het dier de sporen en deed met

zijn lange sabel een woedenden houw naar zijn tegenstander. Deze echter

ontweek den slag en rukte zoo geweldig aan den teugel, dat het paard een

oogenblik op zijn achterbeenen werd neergedrukt.

Terwijl de zóón op die manier worstelde met den ruiter, geraakte de

móeder opnieuw in het gedrang. Zij hield echter met de kracht der

wanhoop een punt van zijn kleeren in de hand, en zoolang Jakob die hand

voelde, bleef hij omzichtig verkennen hoe hij zijn moeder zoo goed

mogelijk door alle gevaren zou heenvoeren.

Maar opeens, terwijl hij den teugel van het ros nog vasthield, klonk,

vlak bij hem, een doordringende vrouwengil, die hem door merg en been

ging. Hij wendde het hoofd en zag iemand van de brug in het water

storten--het was Willem! Een gevoel als zonk eensklaps het waggelend

bruggedek met hem in diepte, overviel Jakob op dat vreeselijk gezicht;

het bloed vloog hem naar het hoofd, bruiste en kookte in zijn hersenen

en benevelde zijn blik... Hij liet den teugel glippen.

De kurassier dreef zijn paard aan; het dier sprong onder de felle

spoorslagen stijgerend op, gereed om over Jakob Stargardt en zijn moeder

en al wie zich maar in den weg bevinden mocht, naar den oever te rennen.

»Ellendige hond!--dat zal je ontgelden!" riep Reinier nu woedend. Met

de kracht der razernij omklemden zijn armen het been van den ruiter en

hij wierp den man letterlijk uit het zadel. Het paard werd door zijn

berijder, die de teugels krampachtig in zijn vuist besloten hield, mee

getrokken, en ruiter en ros stortten over elkander in den stroom.

Juist in dit oogenblik sloegen er opnieuw eenige kanonskogels in de

verwarde, weerlooze menschenmenigte neer. Een wilde opstuwing was er het

gevolg van; en geperst en mee gesleurd kwamen Reinier, de marketentster

en Jakob daardoor, over lijken en stervenden, aan den anderen oever.

Daar vonden zij Willem die, door den korten afstand, er in geslaagd was

den kant te bereiken. Hij klappertandde van koû en zijn natte kleeren

begonnen reeds te bevriezen, waarom het viertal besloot, zoo spoedig

mogelijk naar Zembin te gaan, waar het overschot van het Groote Leger

heen trok of zich reeds gedeeltelijk bevond.

Eerst laat in den avond kwam een einde aan het gevecht, dat herhaalde

malen in een gruwelijk handgemeen ontaard was. De Russen gingen terug;

zij waren op alle punten geslagen, ja, half vernietigd. Om negen uur

begon Victor den afmarsch over de bruggen, nadat zijn soldaten zich

met geweld een weg hadden moeten breken door de gillende, jammerende

menschenmassa die zich, met voertuigen en losse paarden bont dooreen,

aan de toegangen verdrong en die den kostbaren tijd om de rivier over te

komen den vorigen dag had laten verloren gaan.

Om één uur in den nacht had de laatste afdeeling van Victors mannen

den overkant bereikt. Slechts eenige duizenden achterblijvers bevonden

zich toen nog ongewapend op den linkeroever; en den volgenden morgen om

half negen liet Eblé, die uit medelijden met al die rampzaligen met de

uitvoering van 's Keizers bevel zoo lang maar eenigszins mogelijk was

gewacht had, de bruggen in brand steken. Een uur later bestonden zij

niet meer.--Toen kwamen de kozakken met hun ijzingwekkend _hoera!_...

Op dezelfde wijze liet de Keizer handelen met de bruggen bij Zembin

door de moerassen aldaar; doch de vorst viel weer in en maakte al zijn

pogingen om zich de Russen hierdoor van het lijf te houden doelloos.

Deze naderden thans over het ijs.

Na den tocht over de Berezina kwam het Fransche leger zoo goed als

volslagen tot oplossing. Binnen drie dagen slonk het effectief der

strijdbare manschappen weg tot beneden de negenduizend. Ney voerde weer

de achterhoede aan.

Niet ver van Molodecno, den 3den December, zagen de vier Amsterdammers

Keizer Napoleon voor het laatst van hun leven. Hij droeg een pels van

marterbont en had een bonten muts op het hoofd. Zijn koets volgde op

korten afstand. Zij herkenden hem door eenige officieren, die in zijn

omgeving waren. Geen enkel »leve de Keizer" waaraan de groote veldheer

zoo gewend was, werd gehoord.

In Molodecno wisten zij eenige levensmiddelen te bekomen. Het was toen

een heldere winterdag en de koude was dragelijk. Tot hiertoe was de weg,

hoewel moeilijk, niet door een zoo talrijk aantal lijken afgeteekend

als vóór de Berezina. Deze vermindering was te danken aan Ney, die den

vijand op een afstand wist te houden, aan de meer dragelijke natuur, aan

eenige hulpbronnen die een minder verwoeste landstreek opleverde en ten

slotte aan de omstandigheid, dat het de krachtigsten waren, die de

overzijde van de Berezina hadden weten te bereiken.

De groote massa vluchtelingen had zich reeds lang verdeeld in kleine

troepen van hoogstens acht tot tien man. Verscheidene dezer beschikten

nog over een paard, dat bepakt was met hun levensmiddelen of, bij gebrek

hiervan, zelf daartoe moest dienen. Lompen, eenig keukengereedschap, een

zak en een stok, dit was de uitrusting, de bewapening van de meesten

dier ongelukkigen. In niets geleken zij meer op soldaten, zij bezaten

geen uniform, geen wapens meer; noch den wil, andere vijanden te

bestrijden dan honger en koude; het eenige wat hun nog restte was de

standvastigheid, de gewoonte om gevaren en lijden te verdragen, zoo ook

een steeds vaardigen geest om in hun toestand van alles zoo veel

mogelijk partij te trekken.

Te Smorgoni schreef de Keizer eigenhandig zijn laatste bulletin, het

29ste, en verliet daarna in den vroegen morgen zijn stervend leger.

Bezorgd, om bij een gevreesden afval der Pruisen tegengehouden te

worden, snelde hij, in een eenvoudige slede en vergezeld van slechts

weinigen, door Polen, Silezië en Saksen, naar den Rijn en verder naar

Parijs, waar hij in den nacht van den 18den December onverwachts

aankwam, twee dagen na de verschijning van zijn 29ste bulletin.

Eén reusachtig, hartverscheurend drama vormde de terugtocht van het

Groote Leger over Wilna naar den Niemen, nadat Napoleon was heengegaan.

Aan honderden, die door zijn tegenwoordigheid tot nog toe zedelijk waren

geschraagd, ontzonk thans eensklaps de moed. Velen vervloekten hem.

Anderen keurden zijn handelwijze volkomen goed. Het leger redden stond

niet meer in zijn macht; dit leger was gedoemd om onder te gaan en bij

een veldheer en een vorst als hij behoorde, meenden zij, het belang van

den staat te gaan boven het gevoel.

Van krijgstucht was echter thans geen schijn of schaduw meer. Reeds in

den nacht van Napoleons vertrek had een generaal geweigerd, om aan Murat

te gehoorzamen, en weldra nam niemand meer bevelen aan--ieder meende

verplicht te zijn, voor zichzelf te zorgen. Geen menschelijkheid, geen

verbroedering meer; de honger had alle gevoel verstompt. Zooals onder de

wilden de sterksten de zwakkeren berooven, zoo wierp men zich op zijn

stervende metgezellen, meermalen niet wachtend zelfs op hun laatsten

snik. Als een paard neerstortte, zou men gemeend hebben een troep

hyena's te zien; tal van ongelukkigen verdrongen er zich omheen, rukten

het in stukken en betwistten ze elkaar als verscheurende dieren.

En toch waren er nog enkelen, die ondanks al hun ellende, de zwaksten

beschermden en ondersteunden, doch dezen waren zeldzaam.

Den 6den December, den dag nadat Napoleon vertrokken was, werd

plotseling de koude weer feller dan ooit. Het vroor zóó hard, dat vogels

verstijfd en dood op den grond vielen. Vooral Willem had er veel onder

te lijden. Na het ijskoude bad in de Berezina was hij nooit recht gezond

meer geweest en zijn weerstandsvermogen bleek dan ook lang zoo groot

niet als van de drie anderen. Weldra kon hij geen schoenen meer dragen

omdat van zijn beide voeten de teenen waren bevroren: hij moest ze toen

vervangen door hazenvellen en oude lompen. Tot overmaat van ongeluk

kreeg hij den volgenden dag een geweerkogel in het rechterbeen; de

wond was echter niet van zoo ernstigen aard, of hij bleef dien dag

met de anderen voortsukkelen; doch onder steeds heviger pijn. Want de

vellen en lompen om zijn voeten, doorweekt met het bloed uit zijn wond,

waren spoedig bevroren. 's Avonds, bij het bivakvuur, was dan ook zijn

eerste werk, zijn voetlappen los te maken, want de pijn was in 't laatst

ondragelijk geworden.

[Illustratie: ... en ruiter en ros stortten over elkander in den

stroom.]

Hij bevond zijn teenen in een ellendigen staat; de wond in zijn been

bleek echter van weinig beteekenis. Jakob nam nu het hemd, dat hij nog

schoon in zijn ransel had, scheurde het aan strooken en verbond daar

Willems voeten mee. Dit scheen hem heel wat op te frisschen zoodat hij

er eenige rust door genoot. Den volgenden morgen echter kon hij niet

voortgaan, zonder beurtelings ondersteund te worden door de anderen; en

nog geen dag later was de ongelukkige reeds van vermoeidheid, koude en

ontbering bezweken.

Treurig en met de wanhoop in 't hart vervolgden de drie overgeblevenen

hun weg... In den dampkring was niet de minste beweging; het scheen of

alles in de natuur, zelfs de wind, door de felle koude was aangetast

en als verstijfd door een algemeenen dood. Hun volharding en

uithoudingsvermogen werden op een zware proef gesteld; nu eens zakten

zij in de sneeuw weg, dan weer bood de spiegelgladde oppervlakte geen

enkelen steun; bij iederen stap gleden zij dan uit en moesten onder

gedurig vallen voorwaarts zien te komen; het was alsof die vijandige

bodem weigerde hen te dragen, en hun weg met opzet bemoeilijkte om de

ongelukkigen over te leveren aan de nog maar altoos hen vervolgende

Russen of aan de barheid van het klimaat.

Hun oogen waren rood en ontstoken door gebrek aan slaap, door die

aanhoudende witheid van sneeuw om hen heen en den rook der bivakvuren.

Zwijgend en somber gingen de drie zwervelingen naast elkander voort;

ook om hen heen hoorden zij thans geen stemmen, geen gemor meer; in dit

rijk der dooden bewoog men zich als rampzalige schimmen voorwaarts: het

gedempt en eentonig geluid hunner schreden, het gekraak van de sneeuw

en de zwakke zuchten der stervenden, waren het eenige wat die algemeene

stilte verbrak. Nu geen toorn, geen verwenschingen meer; nauwelijks

bezat men nog de kracht, om hulp te smeeken; de meesten van hen die

niet meer verder konden vielen neer zonder kreet of klacht, hetzij uit

zwakte of uit berusting.

Moeder Jane voelde met den dag haar krachten slinken en met angst nam

zij waar, hoe ook haar zoon en hun vriend al zwakker, al magerder

werden.

En toch, geen hunner durfde rusten, zoolang hij nog maar éénigszins

voort kon gaan. Want, honderdmaal reeds hadden zij het gezien, wie

rusten gingen gaven zich over aan den dood. Nauwelijks toch waren

zij gaan zitten, of terstond greep de winter hen aan. Dan was het

te vergeefs dat die ongelukkigen, voelende dat zij verstijfden, weer

opstonden en sprakeloos, versuft en half verdoofd als automaten eenige

passen voorwaarts deden... Zij waggelden en kwamen niet meer verder; uit

hun ontstoken oogen vloeiden in werkelijkheid bloedige tranen; hun borst

stootte diepe zuchten uit; zij zagen met een verschrikten, starenden

blik naar den hemel, vervolgens naar hun makkers en naar dien bevroren

grond. Hun knieën knikten; zij zonken er op neer, daarna op hun handen;

hun hoofd maakte nog een enkele beweging terwijl uit hun open mond

eenige stervensgeluiden kwamen; eindelijk raakte ook deze de sneeuw,

die dadelijk lichtrood werd gekleurd en hun lijden was geëindigd.

Honderd maal wel hadden zij dit gezien en daarom--niet rusten, zoolang

zij nog een voet konden verzetten, maar vóórt, steeds voort, tot zij een

beschutting tegen den nacht bereikt hadden.

Want bij die ontzettende koude was ieder verloren, die den nacht niet

onder een dak doorbracht, of althans aan een bivakvuur in de luwte der

bosschen.

Meermalen reeds had ons drietal met over de honderd menschen in een

klein vertrek moeten doorbrengen. Spoedig volgde dan een ondragelijke

warmte, terwijl zij geplaagd werden door ongedierte en vuil, want in

verscheidene weken hadden zij zich niet gewasschen of verschoond; de

huid begon dan onduldbaar te jeuken, zoodat zulk een nacht moeilijker

door te brengen was dan de dagen met hun vermoeiende marschen.

O, de vreeselijkste dingen hadden onze drie zwervers al beleefd! Geen

schuur aan den weg, of soldaten en officieren, allen wilden er binnen.

Zij hoopten en drongen er zich als beesten op elkaar om eenige vuren,

en daar zij de dooden niet van den haard konden wegkrijgen, gingen zij

er op zitten, om straks misschien zelf weer tot zetel van anderen te

dienen. Of nieuwe troepen kwamen en om het bezit van de schuur werd dan

dikwerf gevochten op leven en dood.

Ja, het waren huiveringwekkende tooneelen, die het drietal soms had

bijgewoond. Op een der dorpen bijvoorbeeld, die zij waren doorgetrokken,

staken de soldaten geheele huizen van buiten in brand, enkel om zich

eenige oogenblikken te kunnen verwarmen. Door het schijnsel dezer

branden werden andere ongelukkigen aangelokt, die door de hevige koude

en de vele ontberingen tot razernij waren vervallen. Woest kwamen deze

bezetenen er op aangeloopen; tandenknersend en onder een helschen

schaterlach wierpen zij zich in den vuurpoel, waar zij onder

afschuwelijke stuiptrekkingen den dood vonden.

Zulke afgrijzelijke tooneelen had het drietal reeds beleefd. Met het

Groote Leger was het zóó ver al gekomen, dat tusschen Smorgoni en Wilna

zelfs geen achterhoede meer bestond. Zij hadden Davoust, niet ver van

Osmiana, zich persoonlijk de grootste moeite zien geven om een peloton

uit alle wapens samen te stellen, ten einde aan de kozakken, die voor de

vervolgende Russische troepen uitzwermden, nog iets te kunnen vertoonen.

Hij beloofde hun gouden bergen en eindelijk was het hem gelukt een

honderdtal bijeen te brengen in twee gelederen; doch de maarschalk had

zich nog geen 500 pas verwijderd, of alles was weer uit elkander.

In dezen staat van volkomen oplossing bereikte het vluchtende leger

eindelijk Wilna. Ongehoorde gruweltooneelen zijn ook dáár voorgevallen,

toen die benden uitgehongerde, van ellende en gebrek half waanzinnige

menschen voedsel verlangden, dat daar volop in de magazijnen was

opgehoopt, en--afgewezen werden omdat zij niet meer tot een corps

behoorden en dus niet van gewaarmerkte bons waren voorzien. Bij

gebrek aan bevelen zijn te Wilna duizenden gewonden en zieken--en

ziek waren bijna allen;--omgekomen van ellende naast magazijnen die

met levensmiddelen en kleedingstukken waren gevuld voor honderdduizend

soldaten! Eenige dagen later zouden die een buit worden voor de eveneens

half verhongerde kozakken die, voor de geregelde Russische troepen uit,

reeds den 10den December als een zwerm gieren om de stad begonnen te

zwerven.

Onze drie Amsterdammers waren reeds in den avond van den 8sten binnen de

stad gekomen. Zoo brachten zij den nacht door in een herberg en sliepen

in een warme kamer na zich voor het eerst weer met brood en zelfs met

een flesch wijn verkwikt te hebben. Hoe heerlijk was het hun, toen

zij eindelijk zich weer in een bewoonbaar huis bevonden! Wat scheen

een behoorlijk gebakken brood hun een kostelijk voedsel! Welk een

onuitputtelijk welbehagen, het te kunnen opeten, zittende op een stoel

en onder de koesterende warmte van een kachel! Het scheen hun toe, alsof

zij van het einde der wereld gekomen waren, zoodanig had die reeks van

ellenden hen uit al hun gewoonten gerukt.

Doch nauwelijks hadden zij een korten tijd van deze weldaden genoten,

toen het kanon der Russen al weer begon te bulderen. Alzoo vóórt!

rusteloos voort dus maar weer!

Met groote dagreizen, die hun krachten geheel moesten uitputten, kwamen

zij de Russische voorhoede vooruit, die het vluchtende Fransche leger,

zonder zich zelf te desorganiseeren, niet geregeld volgen kon.

Weldra kwam het drietal te Kowno. Dit was de laatste stad op Russisch

grondgebied. In den morgen van den 13den geraakten zij over den Niemen

en betraden, tusschen Wyrballe en Stallupönen, den Pruisischen bodem: Na

zes en veertig dagen onder de treurigste omstandigheden gemarcheerd te

hebben, zagen zij eindelijk een bevriend land terug.

Zonder zich op te houden, zonder achter zich te zien, trokken de meeste

hunner lotgenooten de Pruisische bosschen in, en verspreidden zich

aldaar.

Moeder Jane echter keerde zich om, teneinde nog éénmaal een blik te

werpen op het land, dat zij te nauwernood ontvlucht waren, waar zoo

véél ellende geleden was en--waar het overschot van haar oudsten jongen

rustte; tranen liepen haar langs de vermagerde wangen.

Maar ook Reinier en Jakob wierpen een laatsten blik naar dat vreeselijke

Russische land, waarin zoovelen waren achtergebleven, die het met

zooveel vreugde en trotsch waren binnengerukt.

»Kom, moeder, kom!..." zegt Jakob; het wordt hem daar op eenmaal zóó

nameloos wee, dat hij nu maar verder wil.

Doch de marketentster schijnt zich niet los te kunnen rukken van deze

plek; het is, of zij het beeld daarvan voor immer in haar geest wil

opnemen.

Dit was dan diezelfde oever, welke geschitterd had van die duizenden

bajonetten! Dit dezelfde grond die, slechts vijf maanden geleden,

op dien helderen Juli-morgen, haar had toegeschenen als veranderd in

heuvelen en dalen van bewegende menschen en paarden! Daar zag zij weer

diezelfde inzinkingen in het terrein, waar, onder een brandende zon,

de drie lange colonnes dragonders en kurassiers uit te voorschijn waren

gekomen als even zoovele stroomen van schitterend ijzer en staal!.....

En nu?...: Soldaten, wapens, adelaars, paarden,--zelfs de zon en de

rivier die de krijgers met zooveel hoop en moed waren

overgetrokken,--alles is verdwenen!

De Niemen is niet meer dan een uitgestrekte massa ijsschotsen, die door

den steeds in strengheid toegenomen winter in elkaar zijn geschoven en

vastgelegd. In plaats van de drie Fransche bruggen, die vijfhonderd

mijlen door de wakkere pontonniers waren meegevoerd en die met zulk een

stoutmoedige vaardigheid gelegd waren, bevindt er zich nu slechts een

enkele Russische brug. Van dat half millioen soldaten, die...

»Komaan", dringt zij nu zelf opeens, »laten we verder gaan!"

In Stollupönen vonden zij gelegenheid om ieder een paar warme sokken en

een paar wanten te koopen en aldus toegerust kwamen zij 's avonds om

acht uur nog te Gumbinnen.

Met hun verzwakte lichamen hadden zij in acht dagen den weg van Wilna

naar hier afgelegd, een afstand van vijf en zestig uur gaans.

Vergeefs poogden zij in Gumbinnen een onderkomen te krijgen. Toen

begaven zij zich naar het stadhuis, om een inkwartieringsbiljet. Doch

honderden van menschen verdrongen zich voor de kamer, waar de kwartieren

werden aangewezen en zij gaven den moed op, een biljet te krijgen.

Doodelijk vermoeid als zij waren, wilden zij nu in het stadhuis hier of

daar maar een hoekje opzoeken om den nacht door te brengen. De deuren

van het ruime gebouw waren gesloten, doch één deur ging open en zij

zagen een paar heeren aan lessenaars werkzaam. Jakob trad nu naar voren

en zei, in het beetje Duitsch dat hij indertijd in Pruisen had opgedaan:

»Mijne heeren, wij zijn ongelukkige Hollanders, twee ritmeesters en een

marketentster, die verschrikkelijk veel geleden hebben. Vergun ons,

dezen nacht aan uw heerlijk warme kachel door te brengen."

Deze woorden gaven aanleiding tot een lang gesprek, waarin onze

zwervelingen aan die menschen, in een mengelmoes van Fransch en Duitsch,

hun ongelukken verhaalden.

Het gevolg daarvan was, dat een der heeren hen in zijn huis nam, hoewel

het overvol van inkwartiering was. Hij verstrekte hun een matras, ja,

den volgenden morgen bezorgde hij hun zelfs een volledige verschooning.

Niets was het drietal aangenamer, dan zich het lichaam weer eens goed te

reinigen.

Gesterkt door deze vriendelijke behandeling en hartelijk dank betuigend

aan hun braven gastheer namen zij afscheid.

Een weinig later het stadhuis passeerend, wenkte hun een kolonel die hen

herkende en die daar juist op dat oogenblik een uitbetaling van eenige

soldij aan de officieren deed. Jakob en Reinier ontvingen ieder

driehonderd francs.

Den 18den December bereikte het drietal Koningsbergen waar zij, van

al hun vermoeienissen en ellenden nu eindelijk eens heerlijk dachten

te bekomen. De winter, die hen tot daar had vervolgd, verliet hen

eensklaps; in één nacht steeg de thermometer twintig graden. Die

plotselinge overgang was velen noodlottig. Een aantal soldaten en

generaals, die zich tot nog toe op de been gehouden hadden, verslapten

eensklaps en geraakten tot verval van krachten. Velen bezweken. Iederen

dag, ieder uur ontstelde men op het vernemen van nieuwe verliezen.

Ook voor onze Hollandsche zwervelingen werd die plotselinge overgang van

temperatuur noodlottig. Den volgenden morgen reeds lagen zij alle drie

doodziek in het hospitaal.

Vijftiende Hoofdstuk.

Weer thuis.

Sedert Napoleon met zijn machtig leger Rusland binnengetrokken was,

vernam men te Amsterdam herhaaldelijk het gedreun van een en twintig

achtereenvolgende kanonschoten.

»Alweer een overwinning!" riepen Bert en Bruno dan en zij snelden naar

de Doelenstraat, waar zij wisten, dat geregeld het nieuwste

oorlogsbulletin werd aangeplakt.

Maar hun moeder zuchtte: »Onze arme Reinier!... Misschien heeft hem die

overwinning wel het leven gekost... Of mogelijk is hij zwaar gewond...

Ach wie weet, wat er van onzen armen jongen en zijn vriend en van die

wakkere vrouw Stargardt geworden is!..."

Zoo ging het geregeld bij ieder overwinningsbericht en geregeld ook

poogde mijnheer Vermaat haar dan te troosten, zeggend, »dat zij toch

niet altoos het ergste mocht onderstellen. Hun zoon kon immers net zoo

goed bevòrderd zijn ook; al die gesneuvelden moesten toch weer aangevuld

worden!..."

In het _Dagblad_ dat hij nog altijd las, werden Napoleons overwinningen

nog breeder uitgemeten dan in de bulletins; maar--nooit kwamen er

brieven uit het leger en dat moest zelfs de luchthartigsten wel ongerust

maken.

Half September vernam men te Amsterdam des Keizers groote overwinning

bij de Moskowa, gelijk Napoleon zelf den slag bij Borodino genoemd had.

Verheugd kwam mijnheer Vermaat er mee thuis: »Nu zal het vrede worden...

nu is de oorlog gedaan!... Reinier loopt nu geen gevaar meer te

sneuvelen!..."

Maar zijn vrouw werd er niet opgewekter door. »Och kom," zei ze, »als

Rusland veroverd is komt er wel gauw weer een ander land aan de beurt...

De wereld is nog zoo groot, lieve man!... En de Keizer zal niet te

vreden zijn, voor hij de heele wereld in zijn macht heeft..."

Acht dagen later wist men in de hoofdstad, dat het Fransche leger te

Moscou was, en er waren er die meenden, dat nu de drukkende belastingen

toch wel spoedig wat zouden verminderen. Van wege den grooten buit

natuurlijk, want Moscou, zeiden ze, was de rijkste stad van Rusland.

Maar het duurde niet lang of daar ging het gerucht, dat de Russen zelf

Moscou in brand hadden gestoken als was het een wespennest, en dat het

Fransche leger, om niet van honger te sterven, den terugtocht naar Polen

moest aanvangen.

Toch gingen de bulletins en dagbladen maar voort, het volk met

leugenachtige berichten omtrent het leger te misleiden.

En middelerwijl was reeds de winter gekomen, een winter, zoo streng,

als niemand heugde. Wie niet geregeld door stookte, zat te rillen in

zijn kamer.

»Arme soldaten, daar in dat barre Polen!" zei de barbier, toen hij op

een morgen bij mijnheer Vermaat binnenkwam.--Het was de 22ste December,

twee dagen nadat Napoleon als een geslagen vluchteling in de Fransche

hoofdstad was teruggekeerd.--

»Arme soldaten!" herhaalde de barbier, zijn groene wanten uittrekkend en

zich de verkleumde handen wrijvend. »Want _wij_ klagen al over de kou,

maar hoe koud zal het dáár nu wel zijn!"

»Nu, dat moet nog al meevallen," zei mijnheer Vermaat. »In het _Dagblad_

las ik ten minste, gisteravond, dat wij ons hier te lande over het

algemeen een veel te buitensporig denkbeeld van zoo'n Poolschen winter

maken, maar dat wij, wat dàt betreft, over onze vrienden en verwanten

bij het leger niet zoo ongerust behoeven te zijn."

Hij nam de courant van tafel en, het blad open vouwend vervolgde hij:

»_Hier_ bijvoorbeeld staat: _De koude is er zelden vinniger dan in

Holland, ja, verkieslijker zelfs, omdat zij geen vorst of regen

aanbrengt. Onze soldaten kunnen zich gemakkelijk daartegen beschutten.

Zij verdragen de koude even goed als de Polen en Russen, en de

winterkwartieren zijn te aangenamer, daar overal ontzaggelijke

magazijnen zijn opgericht, waarin alle voorwerpen aanwezig zijn, die

een groot leger van nut kunnen wezen. En evenzoo is er overvloed van

levensmiddelen._

De Zwervers van het Groote Leger: Historisch verhaal uit het tijdperk 1810-1813 · 第 10 / 22 题