Als in een droom bevangen, bleef de ontstelde marketentster op die
enkele regels staren, zoo schrikwekkend en duidelijk van _inhoud_, zoo
raadselachtig wat hun hèrkomst betrof. Dan begrijpt ze, onmiddellijk
Jakob met haar vondst in kennis te moeten stellen. Zij vindt hem echter
niet. Van zijn oppasser verneemt ze, dat hij wegens dienstzaken de stad
is ingegaan. Zij laat nu den ouden Ros het briefje lezen. Maar de
veteraan schudt glimlachend het hoofd:
»Ze hebben je bang willen maken, moeder Jane. Een misselijke laffe
streek, da's zeker! Maar--maak je nou heusch toch niet zoo ongerust. Dit
huis is immers onbewoond; wie zou het dan in de lucht laten vliegen, als
we het zèlf niet deden?... Nou ja, misschien lijkt het schrift een
beetje op dat van je zoon..."
»Dat weet ik niet--want hij was bij ons thuis en schrijven kwam dus zoo
niet voor..."
»Wel, kijk nou 'ereis aan! Dus enkel om dat de een of andere miserabele
vent wat bangmakerij op zoo'n vodje neerkrabbelt, zou je dwaas genoeg
zijn, je zoo van streek te laten brengen?"
»Maar--die dóós, hoe komt die doos daar dan?" vroeg zij gejaagd en zij
haalde de tabaksdoos uit haar zak, vertellend dat die van haar Willem
was.
De oudgediende begon de zaak nu toch wat ernstiger in te zien.
»Te deksel! Dat is een vreemde historie!" gromde hij, bedenkelijk aan
zijn knevel trekkend.
»En kom dan eens mee naar de keuken!" drong de marketentster opgewonden,
»dan zal ik je nog vreemder dingen laten zien!"
De oude Ros ging begrijpen, dat hij mogelijk wijs zou doen, een
onderzoek in te stellen om te kunnen beoordeelen, of allicht de
aanwezige officieren moesten gewaarschuwd worden.
Onderweg kwamen zij nog twee andere oppassers tegen.
»Jongens, ga eens even mee!" zei Ros. »Moeder Jane schijnt onraad
ontdekt te hebben!"
Met hun vieren kwamen zij in de keuken. Daar toonde de marketentster aan
de soldaten het verspreide haardvuur, hun vertellend hoe zij het geheel
anders verlaten had. Ook wees zij de asch en stukken houtskool op den
vloer.
»Da's verdacht!" zei Ros.--Met aandacht volgde hij het spoor, dat de
gemorste asch met vrij groote duidelijkheid afteekende. Het liep tot aan
een der wanden. Hij bekeek dien met aandacht, klopte er tegen, tuurde
nog eens onderzoekend langs het eikenhouten beschot en trok vervolgens
zijn sabel.
»Hier vind ik wat!" zei hij zacht. Toen stak hij de punt van het staal
wrikkend in een naad van den wand en peuterde, na eenig tobben, een door
niemand verwachte deur open.
Allen drongen haastig naderbij! Een kille kelderlucht kwam hun tegen;
maar het was volslagen donker in die ruimte, daar voor hen. Alleen de
bovenste treden van een steenen trap waren zichtbaar.
De marketentster stak een kaars aan.
»Heb jullie wapens?" vroeg Ros aan zijn makkers.
De een greep zijn pistool, de ander trok zijn sabel.
Ros, met de brandende kaars in zijn linker, en zijn zwaard in de
rechterhand, daalde behoedzaam de trap af. De kameraden volgden hem.
»Hm, wat een scherpe, prikkelende lucht!" gromde Ros. »Ruik jullie
niets?"
»Nou, òf ik!" kuchte zijn eerste volger. »Me dunkt, daar smeult hier het
een of ander!"
De trap kwam op een breede dwarsgang uit. Ook dáár was het donker; maar
ze vernamen een zacht gepraat dat zich meer en meer verwijderde. Dra
hoorden zij niets meer.
»Daar dienen we meer van te weten!" fluisterde Ros. »Die schelmen
voerden hier stellig niet veel goeds uit..."
Nauwelijks echter waren zij een tiental schreden gevorderd, of een
dichte, zwavelachtige damp sloeg hun tegen. De kaarsvlam gloeide op
eenmaal blauwachtig-rood.
»We moeten teruggaan!" waarschuwde de achterste.
»Ja, 't wordt hier onsecuur!" meende de ander.
»Kom, kom," zei Ros, »de terugweg blijft toch immers nog altoos vrij!"
Weer gingen zij eenige schreden verder; de zwaveldamp werd dichter en
dichter; het ademhalen ging moeilijker bij iederen stap. Plotseling woei
hun een koelte tegemoet, of opeens de wind ergens een vrijen doortocht
gekregen had. Op 't zelfde oogenblik was de kaars uit.
Terwijl zij besluiteloos in 't donker stonden, dreunde een doffe knal,
die het gansche gebouw deed sidderen...
»Dat was een mijn!" riep een der soldaten. »We moeten onmiddellijk
terug!"
Ook Ros begreep, dat verder voortgaan dolzinnig zou wezen.
Zij keerden dus om, tastend langs den muur van het gewelf, om de trap
weer te vinden. Het gelukte. Maar zij voelden zich steeds dichter
omwolkt van een verstikkenden walm en een verzengenden gloed. Met
beklemden adem repten zij zich de trap op en stormden de keuken binnen.
Maar ook dáár vonden zij reeds alles met rook en smook vervuld. Ros
stiet met zijn sabel eenige ruiten stuk; kletterend rinkelden zij op
straat... Nu kregen zij lucht en konden weer onbelemmerd ademhalen.
»Brand! Brand!" klonk het opeens van buiten. Bijna te zelfder tijd
roffelden de trommen en schetterden de trompetten op het bivak, onder
de vensters... Officieren, soldaten, alles vloog langs de breede
marmertrappen naar beneden, om op de straat veiligheid te zoeken.
Bij de poort kwam Jakob in volle vaart op hen toesnellen.
»Goddank dat u gered bent!" riep hij zijn moeder toe. »Ik was al bang,
dat ik te laat mocht wezen... Maar we moeten ons haasten om buiten te
komen... De vlammen slaan al overal door de vensters en boven het dak
uit!..."
Op straat pas konden zij het gevaar overzien in al zijn omvang.
Een reusachtig wolkgevaarte van zwarten, dichten rook lag over het
paleis, waar roodflakkerende vuurtongen aanhoudend doorheen flitsten.
Rook wervelde tegelijkertijd uit alle vensters, spiraalde uit de
benedenverdiepingen naar boven, steeg in zware kolommen uit de dakgoten
op. Niemand kon twijfelen, of de brand was moedwillig aangelegd.
Licht-ontvlambare stoffen moesten door het gansche gebouw verspreid
geweest zijn en door een plotswerkend middel overal tegelijk zijn
aangestoken, om zulk een brand te kunnen geven.
Met moeite wist men de paarden, die op het binnenplein stonden
vastgebonden, benevens eenigen voorraad te redden.
Maar déze brand was de eenige niet. In verschillende wijken der stad
stegen er vlammen omhoog; in verscheidene huizen werden eveneens
ontploffingen vernomen. Dan week men naar de nog overeind staande
stadsgedeelten uit, om een nieuw onderkomen te vinden. Maar op het punt
om die geheel gesloten en onbewoonde huizen te betreden, hoorden zij een
zwakke ontploffing; er steeg een lichte rook uit op, zich onmiddellijk
verdichtend en verdonkerend; die zwarte rook kreeg schielijk een
rosbruinen gloed; dat rosbruin nam even spoedig een vuurkleur aan; en
welhaast verdween het gebouw in een maalstroom van vlammen.
Velen hadden mannen van een afschuwelijk voorkomen, met lompen bedekt,
en verwoede vrouwen nabij die vlammen zien ronddwalen. Door den wijn
en door het goed gevolg hunner brandstichtingen bedwelmd, deden die
ellendelingen niet eens meer de moeite, zich verborgen te houden; zij
liepen in dollen triomf door de brandende straten; men verraste hen, met
brandende toortsen en verwoed voortgaande om de vlammen te verspreiden;
men moest hen met de sabel over de handen slaan om hen te doen ophouden.
't Was het uitvaagsel des volks, uit de gevangenissen losgelaten om,
onder aanvoering van enkele lijfeigenen en politiedienaars, Moscou te
verbranden tot verderf van de Fransche armee.
Terstond werd bevel gegeven, om de brandstichters die men ontdekte
zonder omslag dood te schieten. Maar wat de Franschen toen nog niet
wisten was, dat het Kremlin een kruitmagazijn inhield; daarenboven
hadden de in slaap gevallen en onachtzaam uitgezette wachtposten
dienzelfden nacht een geheel artilleriepark laten binnenrukken en zich
onder de vensters van Napoleon plaatsen. Eén enkele vonk op een der
kruitkisten gevallen en de Keizer en de keur van het leger waren
verloren geweest.
De Russen, die wél wisten dat het kruitmagazijn er zich bevond, hadden
juist ~die~ huizen aangestoken, welke gevaarlijk voor het Kremlin konden
worden. Driemalen veranderde de vrij hevige wind dien nacht en telkens
barstten nieuwe vlammen uit van den kant waar hij op dat oogenblik
vandaan kwam.
't Was een vreeselijke nacht! De helle vlammen verlichtten alles met
een rooden schijn en op sommige plaatsen vreesde men te stikken van den
zwaren rook. En--nergens bluschmiddelen, nergens water zelfs: want de
vijand had alle brandspuiten meegenomen, de waterleidingen afgesneden,
de wellen en putten der stad ontoegankelijk gemaakt.
Het geheele leger was op de been. Geheel de oude garde, die een gedeelte
van het Kremlin betrokken had, was onder de wapenen. De bagage stond
gepakt, paarden en wagens waren klaar, om, als de brand hen uit Moscou
verjoeg, buiten de poorten te gaan bivakkeeren.
Terwijl de soldaten schier wanhopig tegen de vlammen worstelden en aan
het vuur zijn prooi betwistten, was Napoleon, wiens slaap men gedurende
den nacht niet had durven storen, bij de dubbele helderheid van daglicht
en vlammen ontwaakt. Zijn eerste gemoedsbeweging was gramschap, en
terstond gaf hij bevel, den brand te blusschen, maar men overtuigt hem,
dat dit onmogelijk is. Verwonderd van in een rijk, dat hij in het hart
getroffen had, een andere gewaarwording te vinden dan vrees en
onderwerping, gevoelt hij zich overwonnen en in doortastendheid
overtroffen.
Die verovering, waarvoor hij alles had opgeofferd, thans bleek zij als
het ware een schaduw, welke hij had vervolgd en meenen te grijpen, maar
die hij op dit oogenblik, te midden van rook en vlammen, in de lucht zag
verzwinden.
Een groote gejaagdheid maakt zich nu van hem meester. Elk oogenblik
staat hij op, loopt met snelle schreden door zijn vertrekken, en gaat
eensklaps weer zitten. Zijn korte en driftige gebaren duiden een hevige
onrust aan; hij verlaat een dringend werk, neemt het vervolgens weer op,
en laat het opnieuw liggen om naar zijn vensters te ijlen, en den brand
te beschouwen. Driftige en korte uitroepen ontsnappen zijn beklemde
borst: »Welk een afgrijselijk schouwspel! En zèlf hebben zij den brand
gesticht! Hoe is 't mogelijk! Al die prachtige paleizen! Welk een
besluit! Wat menschen toch!"
Tusschen den brand en zijn verblijf lag een groote uitgestrektheid
woeste bouwgrond, tot aan de Moskowa met haar beide kaden; en toch waren
de glazen van het vensterraam, waartegen hij leunde, reeds heet, en
de rustelooze arbeid der vegers, op de ijzeren daken van het paleis
geplaatst, was onvoldoende om er de talrijke vuursprankels af te houden.
Op dit oogenblik verspreidt zich het gerucht, dat het Kremlin ondermijnd
is; Russen zeiden het en gevonden geschriften schenen het te bevestigen.
Eenige bedienden worden zinneloos van schrik; de soldaten wachten
gevoelloos af, wat het bevel des Keizers en hun noodlot zullen
beslissen... En--de Keizer beantwoordt deze ontsteltenis slechts met een
glimlach van ongeloof.
Toch loopt hij nog altijd rusteloos heen en weer, houdt bij elk venster
stil, en ziet het overwinnend verschrikkingselement zijn schitterende
verovering met woede vernielen; zich van al de bruggen, van al de
doortochten zijner vesting meester maken; elk oogenblik de omringende
huizen overweldigen, om hem ten slotte binnen de muren van het Kremlin
als op te sluiten.
Reeds ademde men daar schier louter in rook en asch. Orde en krijgstucht
bestonden niet meer; de soldaten, begeerig om aan de vlammen hun roof
te betwisten, drongen de nog gespaarde paleizen en magazijnen binnen,
plunderend wat van hun gading was. De nacht naderde, en zou door zijn
duisternis de gevaren voor Napoleon en zijn omgeving nog vermeerderen;
de wind, die de Russen behulpzaam was, werd heviger nog dan den nacht te
voren. Toen zag men den koning van Napels en prins Eugenius toesnellen:
zij voegden zich bij Berthier, drongen tot den Keizer door en op hun
knieën smeekten zij hem, die gevaarlijke plaats toch te verlaten.
Het was vergeefs.
Eindelijk meester van het paleis der Czaren, blijft Napoleon halsstarrig
weigeren die verovering af te staan, zelfs niet aan den brand, tot
eensklaps de kreet weerklinkt: »Het Kremlin staat in vlammen!"
De Keizer gaat naar buiten om het gevaar te beoordeelen. Tweemaal bleek
de brand reeds uitgebroken en ook weer gebluscht in het gebouw waarin
hij zich bevond; maar de toren van het tuighuis brandt nog. Men had er
een politiesoldaat gevonden. Men voert hem mee, en Napoleon laat hem in
zijn tegenwoordigheid ondervragen. Die Rus blijkt de brandstichter. Hij
verklaart, te hebben gehandeld op hoog bevel. Alles, tot zelfs het oude
geheiligde Kremlin, was dus ter vernieling gewijd.
De Keizer maakte een gebaar van afkeer en gramschap; daarop bracht men
den brandstichter naar het eerste voorplein, waar de woedende grenadiers
hem met hun bajonetten afmaakten.
Dit voorval had echter Napoleons onverzettelijkheid om te blijven, doen
zwichten. Hij beval dat men hem naar het keizerlijk kasteel Petrowsky
geleiden zou, een mijl buiten de stad.
Van de zijnen vergezeld, wilde de Keizer zich nu naar de Dorogomilowsche
poort begeven. Maar men zag zich reeds door een heir van vlammen
belegerd; zij omsingelden al de poorten der vesting en weerden de
eerste uittochtpogingen met verwoedheid af. Na eenigen tijd nauwlettend
rondgezocht te hebben, ontdekte men een poortje, dat op de Moskowa
uitkwam. Door dezen nauwen uitweg gelukte het Napoleon, met zijn staf en
zijn garde uit het Kremlin te ontsnappen.
Maar het scheen, dat men daarmee eigenlijk nog niets gewonnen had:
Terwijl zij zich dichter bij den brand bevonden, konden zij noch
terugkeeren, noch staan blijven; en hoe kon men vooruit gaan, hoe zou
men door de golven van die onstuimige vuurzee heenkomen? Zelfs zij, die
reeds de stad doorkruist hadden, waren het spoor volslagen bijster; de
asch had hen schier blind gemaakt en de straten waren in den rook en
onder de puinen verdwenen.
Toch drong het gevaar tot spoed. Elk oogenblik vermeerderde rondom hen
het knappend en loeiend vlammengedruisch...
Een nauwe, kromme en geheel brandende straat deed zich eerder als de
intrede dan als de uitgang van die hel op... De Keizer snelde te voet,
en zonder aarzelen, dien gevaarlijken doortocht in. Onder het geknetter
van die geweldige vuren, onder het geraas van krakende gewelven, het
neerploffen van brandende balken, het donderend ineenstorten van
gloeiende ijzeren daken, schreed de Keizer voort... Boven hem vormden de
vlammen, door den wind gekromd en neergebogen, een gloeiend verwulf...
Men liep op een grond van vuur, onder een hemel van vuur, tusschen twee
muren van vuur! Schroeihitte pijnde stekend hun oogen, die zij nochtans
open en op het gevaar moesten houden. Een verstikkende rook folterde
hun keel en longen; de gloeiende lucht en verzengende asch verhitten
steeds meer en meer hun korte, droge, hijgende ademhaling. Hun handen
brandden, als zij hun gelaat tegen de onverdragelijke hitte poogden te
beschermen en de vonken afsloegen, die elk oogenblik hun kleeren
bedekten en invraten.
Eensklaps staat de gids stil. Hij weet geen weg meer! Napoleon en de
zijnen achten zich reddeloos verloren. Doch eenige plunderaars van het
eerste corps hebben, in het midden van die vlammen, hun Keizer herkend;
zij snellen toe en geleiden hem langs de rookende puinen van een des
morgens reeds verbrande wijk.
Daar ontmoet men maarschalk Davoust, die, in den slag bij Borodino
gekwetst en nog niet hersteld, zich door de vlammen had laten dragen om
er zijn Keizer uit te bevrijden of er met hem in om te komen. Ontroerd
werpt hij zich in Napoleons armen; deze ontvangt hem hartelijk, maar met
die bedaardheid, welke hem in het gevaar nooit begeeft.
Alvorens hij echter geheel aan de rampzalige stad ontsnapt is, moet
hij nog een convooi buskruit voorbij, dat te midden dier vuurzee wordt
weggevoerd. Dit is niet zijn minste gevaar, maar het laatste en men komt
met den nacht behouden te Petrowsky aan.
Elfde Hoofdstuk.
Eindelijk gewroken.
Eenige dagen achtereen bleef de brand voortwoeden. Toen verminderde hij,
uit gebrek aan voedsel. Den 20sten trok Napoleon naar het Kremlin terug,
dat een bataljon zijner garde had weten te behouden.
De bivakken, welke de Keizer op zijn weg naar Moscou doorreed, leverden
een zonderling gezicht op. Te midden van een dikke, koude modder vlamden
groote vuren, gevoed door mahoniehouten meubels, vergulde deuren en
vensters. Daar omheen zag men, naast van vochtig stroo gemaakte bedden,
slechts armelijk beschut door enkele planken, de soldaten en hun
officieren, geheel met slijk bedekt en zwart geworden door den rook,
doch zittend in kostbare leuningstoelen of liggend op met zijde bekleede
divans. Aan hun voeten lagen, uitgespreid of opeengehoopt, de fijnste
cachemiren sjaals, rijke Perzische weefsels, de zeldzaamste pelzen van
Siberië. Hun eten gebruikten zij uit zilveren schotels en borden, maar
het bestond slechts uit een zwart baksel, onder de asch bereid, en
een lap half geroosterd, bloederig paardevleesch; 't was overal de
zonderlingste vereeniging van overvloed en gebrek, van rijkdom en
morsigheid, van weelde en ellende!
Tusschen die bivakken en de stad ontmoette men groote scharen van
soldaten, die zwoegend hun buit voortsleepten, of hun roof door
ongelukkige Russen lieten torsen, die zij als lastdieren voor zich
uitdreven; want de brand deed bijna twintig duizend inwoners voor den
dag komen, welke tot dien tijd in de onmetelijke stad onopgemerkt waren
gebleven.
Toen de Keizer de stad zelf binnen kwam, vond hij van het groote
Moscou slechts weinige verspreide huizen over, en de brandlucht overal
was ondragelijk. De loop der straten bleek alleen nog maar kenbaar
aan groote hoopen asch en puin en, van afstand tot afstand, half
omvergestorte stukken muur of pilaren. Schier heel het leger was roovend
en plunderend door de stad verspreid. Napoleon vond zich herhaaldelijk
in zijn voortgang belemmerd door een lange reeks van stroopers,
uittrekkend op buit of er mee terugkeerend; door oproerige benden van
soldaten, zich opeenhoopend voor de keldergaten en voor de deuren der
paleizen, om die open te breken, eer de vlammen ze bereikten.
Overal ook was de weg versperd door kostbare meubelen, welke men uit
de ramen geworpen had om ze aan den brand te onttrekken en die men
nochtans, ter wille van een anderen buit, daar onverschillig had laten
liggen. Pleinen en legerplaatsen bleken in markten herschapen, waar een
ieder het overbodige tegen het noodzakelijke kwam verruilen. Daar werden
de zeldzaamste voorwerpen, door hun bezitters niet gewaardeerd, voor
een spotprijs verkocht; andere, die een bedriegelijk voorkomen hadden,
daarentegen ver boven de waarde overgenomen. Overal zag men soldaten,
die op balen met koopwaren zaten, in het midden der uitgezochtste wijnen
en likeuren, welke zij tegen een stuk brood zouden willen verruilen.
Door afmatting en dronkenschap overmeesterd vielen er verscheidene dicht
bij de vlammen neer, door welke zij bereikt en verbrand werden.
Onder zulke omstandigheden kwam Napoleon Moscou weer binnen. Hij liet de
stad aan de plundering over, hopend dat zijn over de puinen verspreid
leger deze niet vruchteloos doorzoeken zou. Toen hij echter vernam,
dat zelfs de oude garde ook al aan het plunderen was geslagen, dat de
Russische boeren, die men den voorraad welken zij aanbrachten ruim
betaalde om er meer te lokken, door zijn soldaten beroofd werden; toen
hij hoorde, dat de verschillende corpsen elkander de overblijfselen
van Moscou met geweld begonnen te betwisten; dat eindelijk al de nog
overgebleven hulpbronnen door de onregelmatige plundering verloren
gingen; gaf hij gestrenge orders. Maar het was te laat; de boeren kwamen
niet terug en vele levensmiddelen waren nutteloos verspild.
Na zijn terugkomst in het Kremlin was Napoleon's eerste werk, er een
vast bestuur op te richten; hij benoemde een gouverneur en stedelijke
overheidspersonen en gaf bevel, om er zich van leeftocht voor den winter
te voorzien. Reusachtige voorraden wijn en levensmiddelen van allerlei
aard, meel en pekelvleesch werden door de zorg der korpscommandanten in
het Kremlin of in magazijnen bijeengebracht. Ook in het onderhoud der
troepen werd behoorlijk voorzien, terwijl door een krachtig optreden
orde en krijgstucht weer spoedig bijkans volkomen waren teruggekeerd.
Om aan Europa den indruk te geven, dat in Rusland alles naar wensch
ging, schonk de Keizer aan een te Moscou achter gebleven troep Fransche
comedianten zelfs verlof, voorstellingen te geven en voor de costumes
gebruik te maken van de gevonden goederen. De troep maakte goede zaken;
die voorstellingen werden door de soldaten druk bezocht.
Inmiddels verwachtte de Keizer, in den vreeselijksten waan, dag op dag
boden uit Sint-Petersburg, die hem den vrede zouden komen afsmeeken,
althans tot onderhandelingen uitnoodigen. Want schoon het verbrande
Moscou geen waarde meer voor hem bezat, en hij het hachelijke van zijn
toestand zeer wel inzag, schrikte hij voor een achterwaartsche beweging.
Alles achtte hij verloren, wanneer hij voor de oogen van het verbaasde
Europa terugtrok, alles gewónnen, zoo hij Alexander in volharding
overtreffen kon.
Middelerwijl verdubbelde Napoleon de zorg voor zijn troepen. Zooveel
doenlijk werden zij in Moscou zelf onder dak gebracht. De officieren
van Jakob Stargardt's regiment hadden reeds dadelijk twee andere huizen
betrokken, en na al de doorgestane ellende leefden zij daar over het
algemeen zeer tevreden.
Iederen dag trok moeder Jane met haar wagen op levensmiddelen uit.
Vergezeld van een der officieren met enkele manschappen reed zij dan
naar het midden der stad en kocht van de soldaten de eetwaren welke zij
geplunderd hadden. Op deze manier kregen zij wijn, suiker, thee en nog
tal van andere artikelen. Vleesch en brood werden dagelijksch uitgedeeld
en daar in de moestuinen volop groenten werden gevonden, kon de
marketentster steeds een vrij goeden maaltijd bereiden.
Over niets werd door moeder Jane en haar zoon zoo dikwijls gesproken als
over Willem's geheimzinnige waarschuwing,--het eenige levensteeken dat
zij sedert van hem vernomen hadden--; en voorts, over den naderenden
winter. Het scheen toch, dat men dien in het afgebrande Moscou zou
doorbrengen. En nu hoorden zij wel, dat er groote magazijnen van granen,
brandewijn en lakens in handen der Franschen waren gevallen, doch de
juiste maatregelen voor een winter-campagne werden niet genomen. De
lakens bleven in de magazijnen en aan de officieren en soldaten werd
geen uitdeeling van een goede winterkleeding gedaan. Onder die
omstandigheden besloten de marketentster en haar zoon, zichzelf zooveel
mogelijk tegen de zoo geduchte Russische koude intijds te voorzien.
In verband hiermee ging Jakob herhaaldelijk er op uit, om nu dit, dan
dat aan te koopen.
In de nabijheid van het Kremlin hielden namelijk de soldaten der garde
een markt van geplunderde zaken. Zoo kocht hij daar op zekeren dag twee
bonten mutsen met lange pelsooren voor slechts één franc per stuk; een
ander maal twee pelzen voor tien francs samen; daarentegen moest men er
tot honderd francs voor een paar nieuwe laarzen geven.
Op een dier tochten had hij bijna het leven verloren. In de laatste
weken van het verblijf der Franschen te Moscou was het plunderen
strenger dan ooit verboden, ten gevolge waarvan er eenig vertier op de
straten kwam. Nu wilde het toeval dat Jakob, door een afgelegen straat
naar zijn kwartier terug rijdend, een soldaat van een der Duitsche
contingenten met een Russische vrouw zag worstelen. De ellendeling had
haar met geweld de oorbellen uitgetrokken, zoodat het arme schepsel
bloedde over het geheele gezicht. Op het oogenblik dat Jakob naderde,
wilde de kerel haar de amulet, die alle Russen dragen, van de borst
afrukken. Deze amuletten, van goud, zilver of ook wel van papier, zijn
door de Kerk gezegende voorwerpen, die men het vermogen toekent om den
drager of de draagster te beschermen. Begrijpelijk was het dus, dat de
Russin zich tegen dezen roof met wanhoop en woede verdedigde.
Verontwaardigd steeg Jakob van zijn paard en beval den kerel, alles wat
hij haar ontstolen had, aan de vrouw terug te geven. Morrend voldeed de
soldaat hier aan en Jakob wachtte nog eenigen tijd, om de Russin in de
gelegenheid te stellen te ontvluchten.
Toen steeg hij weer op en vervolgde stapvoets zijn weg. Maar nog geen
twintig passen verder hoorde hij een schot vallen in zijn onmiddellijke
nabijheid. Verrast omziende bemerkte hij, dat die schelm van een
soldaat, uit wraak dat hij zijn roof had moeten afstaan, op hem
geschoten had. Woedend trok hij zijn degen en stormde op den deugniet
los, die echter in een leegstaand huis de vlucht nam.
Jakob wendde nu den teugel en reed in bedaarden stap weer voort. Zoo
veel mogelijk toch werd zijn paard door hem ontzien, want wijl steeds
grooter gebrek aan fourage begon te komen, had het arme dier in de
laatste dagen weinig meer dan het dakstroo van een boerenwoning tusschen
de kiezen gehad. Wat men tot onderhoud der paarden in de stad zelf had
gevonden, was reeds opgebruikt en nu moesten de omliggende dorpen daarin
voorzien. Men kon echter geen toevoer aanbrengen, noch fourageeren,
zonder te vechten. Daarenboven zwierven groote troepen kozakken rond,
die aan de flanken allerlei nadeelen toebrachten. Op den weg naar
Moshaisk werden zelfs honderd en vijftig dragonders van de garde
overrompeld en hun opperhoofd gevangen genomen. Ook hadden zij reeds
twee aanzienlijke transporten opgelicht: het eene door de achteloosheid,
het andere door de lafhartigheid van den aanvoerder. Elken morgen
moesten de soldaten van de ruiterij het voedsel voor den avond en den
volgenden morgen ver weg gaan zoeken. En daar de omstreken van Moscou en
van Winkowo hoe langer hoe minder levensmiddelen opleverden, moesten zij
die weldra op 4 à 6 uur afstand vandaan halen. Zoowel de menschen als de
paarden keerden uitgeput terug--àls zij nog terug keerden; want elke
maat haver, elke bundel fourage werd hun betwist. Men moest ze geregeld
den vijand ontweldigen. Het waren aanhoudende overrompelingen,
gevechten, verliezen.
Ook de boeren werden lastig. Diegenen onder hen, welke uit winstbejag
met eenige levensmiddelen naar de Fransche legerplaatsen waagden te
gaan, straften zij met den dood. Anderen staken hun eigen dorpen in
brand om er de fourageurs uit te verjagen en aan de kozakken over te
leveren. Murat zelfs, die bij de dagelijksche schermutselingen de helft
van het overschot zijner ruiterij had zien verloren gaan, begon
eindelijk ongerust te worden.
En steeds nog bleef keizer Alexander zwijgen.
Napoleon werd hoe langer hoe onrustiger. In zijn toorn deed hij de
kerken van het Kremlin berooven van al wat tot zegeteekenen van het
Groote Leger kon verstrekken. Ook het reusachtige gouden kruis op den
toren van Iwan den Grooten moest er worden afgenomen om er het hôtel des
Invalides te Parijs mee te versieren. Het kostte enorm veel inspanning,
om dat kolossale gedenkstuk naar beneden te krijgen, aan welks bezit het
Russische volk het heil van 't rijk hechtte.
Hoewel Napoleon toenmaals reeds zeer goed begreep, dat een langer
verblijf in Moscou voor hem ondoenlijk was, bleef hij zijn besluit om
heen te gaan nochtans uitstellen van den eenen dag in den anderen. Hij
gevoelde, ja wist, dat hij de kracht van zijn strategisch kunnen had
uitgeput, dat hij een grens had bereikt, die niet kon overschreden
worden zonder gevaar voor vernietiging; dat hij niet verder in Rusland
doordringen, niet tegen St. Petersburg oprukken, een nieuw doel zich
stellen kon, omdat zijn leger hiertoe te zwak was geworden, te veel had
geleden.
Daar begon eensklaps de eerste sneeuw te vallen. Van dit oogenblik dacht
hij slechts aan den aftocht, al wilde hij er ook den naam niet van
uitspreken, geen bevel geven, dat dien stellig aankondigde.
»Het leger moet zich over twintig dagen in zijn winterkwartieren
bevinden," gelastte hij. »Men dient te zorgen voor het vervoer der
gekwetsten."
Er was gebrek aan paarden voor zijn grof geschut, dat voortaan te
talrijk was voor zulk een verminderd leger; men ried hem aan, een
gedeelte van zijn kanonnen in Moscou te laten.
»Neen," stoof hij op, »de vijand zou er zich een gedenkteeken van
oprichten. Alles moet worden meegevoerd!"
Hij gaf, in dat woeste land, bevel tot het aankoopen van twintig
duizend paarden en wilde, dat men zich voor twee maanden van fourage zou
voorzien op een grond, waar de verste en gevaarlijkste tochten
nauwelijks voldoende bleken om zich gedurende één dag te voeden.
Ondertusschen verzamelde Napoleon zijn legercorpsen; de monsteringen,
welke hij in het Kremlin hield, werden menigvuldiger; hij rangschikte al
de van paarden beroofde ruiters in bataljons en liet al de vervoerbare
gekwetsten naar Mohaisk brengen.
Nog te midden van deze voorbereidselen dwong de vijand hem reeds tot
handelen, want den 18den October greep deze Murats linkervleugel
onverhoeds met overmacht aan en wierp hem met een geweldig verlies in
Noordelijke richting terug.
Thans was Napoleons besluit terstond genomen. Het gansche leger ontving
bevel, zich den volgenden morgen buiten Moscou aan den weg naar Kaluga
te verzamelen.
In den avond van dienzelfden dag en gedurende heel den nacht trok het
zonder ophouden Moscou uit. In die colonne van honderdveertig duizend
menschen en omstreeks vijftig duizend paarden van allerlei soort,
herkende men aan de krijgslieden, die, gepakt en gewapend, met meer dan
vijfhonderd en vijftig stukken geschut en twee duizend artilleriewagens
vooruittrokken, nog het Groote Leger van weleer. Maar de rest geleek
meer op een bende Tartaren, die van een goed geslaagden rooftocht
huiswaarts keerden.
Het was een samenmengsel van kalessen, kruitwagens, prachtige rijtuigen
en karren van allerlei soort, beladen met zegeteekenen van Russische,
Turksche en Perzische standaards, alsook het reusachtige kruis van den
Heiligen Iwan met al de kostbaarheden, welke men uit de stad der Czaren
geroofd had. Lieden van allerlei volken, zonder wapenen; bedienden die
verschillende talen spraken; Fransche neringdoenden met hun vrouwen
en kinderen; gepreste Russische boeren wier paarden een gedeelte van
den buit moesten dragen of voortsleepen; komedianten; heel die bonte
karavaan zonder regelmaat en orde, deed aan een zwervend volk der
oudheid denken. Eén enkele stoute aanval der kozakken--en deze gansche
nasleep van het leger viel in hun handen.
Ondanks de breedte van den weg en het geschreeuw van zijn escorte, had
de Keizer moeite om door die zonderlinge menigte heen te komen. Toen hem
dit eindelijk gelukt was, ging hij op den ouden weg naar Kaluga voort.
Tegen den middag op het kasteel Krasnopasra aankomend, beval hij
eensklaps, dat zijn leger den nieuwen weg zou gaan, dien het na drie
marschen langs ongebaande wegen bereikte. Maar niet zonder moeite en
gevaar; want een zware regen maakte dien weg schier onbegaanbaar. Door
deze manoeuvre echter misleidde hij Kutusof, die hem op den ouden weg
afwachtte en dien hij nu in één dagmarsch voorbijtrekken kon, om vóór
hem te Kaluga te zijn.
Den 23sten October bereikte de Keizer het geheel verlaten stadje
Borowsk, waar hij, vertrouwende dat Kutusof achter hem was, een
zorgeloozen en gerusten nacht doorbracht.
Den volgenden dag werd prins Eugenius bij Malo-Jaroslawitz slaags met
een gedeelte van Kutusofs armee en behaalde een bloedige overwinning:
zij kostte Napoleon niet minder dan vierduizend man en zeven generaals.
Ook het huzaren-regiment van Jakob Stargardt had aan den veldslag
deelgenomen. Na den moorddadigen slag bij Borodino slechts zeer
onvoldoende aangevuld, had het in de herhaalde gevechten en
schermutselingen rondom Moscou nog weer tal van manschappen verloren;
thans was dit overschot tot op de helft geslonken.
Toen de Russen afgetrokken waren, reden Stargardt en de oude Ros in draf
naar de plaats terug, waar hun escadron het hevigst had gevochten. Daar
stegen zij af en zochten er tusschen de tallooze dooden en gewonden.
»Wáár heb je den wachtmeester zien vallen?" vroeg Jakob Stargardt aan
zijn oppasser.
»'t Moet niet ver van deze plaats wezen," zei Ros.
»Zàg je hem vallen?"
»Ik zag, dat hij een officier een houw gaf; meteen kreeg zijn paard
een slag, waardoor het begon te steigeren... Op dat oogenblik schoot
een Russische dragonder zijn pistool af, vlak langs mijn oor, en
wachtmeester Vermaat kreeg het schot in zijn borst. Hij stak zijn armen
in de lucht en viel achterover; en het paard viel op hem."
»Dus weet je niet zeker, of hij werkelijk dood is?"
»Hm!.... zèker,--neen, zeker kan ik het niet zeggen... Maar 't is toch
wel waarschijnlijk, ritmeester:--ik heb nog een paar keer naar hem
gekeken, maar geen lid zag ik hem verroeren... Zoowáár,--daar zie ik hem
liggen!"
Tusschen doode paarden en gesneuvelde ruiters lag Reinier Vermaat, het
hoofd rustend op den schouder van een gesneuvelden Franschman, die dwars
over het lijk van een Rus gevallen was. Reinier scheen te sluimeren;
zijn oogen waren half gesloten, heel zijn houding was die van een man,
die na een zware vermoeienis was ingeslapen; zijn opengerukte dolman en
vest, waardoor het van bloed doorweekte hemd zichtbaar werd, weersprak
echter droevig die schijnbaar kalme rust.
»Zoo heeft hij niet gelegen," zei Ros. Onwillekeurig sprak hij
fluisterend, als vreesde hij, den wachtmeester te zullen wekken. »Hij
lag met zijn gezicht naar den grond."
»Dan is er wellicht nog leven in," zei Jakob Stargardt.
Hij knielde bij den gewonde neer.
Reinier opende de oogen, en staarde zijn ritmeester vlak in 't gezicht.
»Laat mij sterven!" zei hij met zwakke stem, »en vervolg mij niet tot
aan mijn dood!"
»Je zult niet sterven, Vermaat," antwoordde Jakob Stargardt, zijn klamme
hand grijpend, die geheel bebloed was;--»je zult niet sterven; we zullen
doen wat we maar kunnen om je te laten genezen."
»Waarom ben je me komen opzoeken?" vroeg de gekwetste, terwijl zijn
oogen zich langzaam weer sloten.
»Omdat ik het niet kon verdragen dat iemand die berouw voelde, wellicht
de eeuwigheid kon ingaan, zonder in de gelegenheid te zijn, dat berouw
te bekennen."
»Ik heb geen berouw!" antwoordde Reinier somber.
»Dat heb je wèl, Vermaat,--mij dunkt dat _moet_ je hebben. Ik heb je
nooit eenig kwaad gedaan; ik heb je rechtvaardig behandeld,--en toch heb
je nu eenmaal jezelf opgedrongen, dat je mij haten moest.--Kom, laat ons
weer vrienden zijn.--Er is te veel goeds in je--je bent veel te
verstandig om je gemoed door haat te laten vergiftigen."
Reinier draaide zich om en streek met zijn mouw over de oogen.
»Drommels!" pruttelde hij, »die wond schijnt ook al op mijn oogen te
werken."
De gekwetste zweeg, maar liet zijn hand in die van zijn vijand.
»Zou je op een paard kunnen zitten, als je wat ondersteund werd?" vroeg
Stargardt nu.
»Ik weet het niet," antwoordde Reinier week.
»We moeten het maar eens probeeren," zei Jakob, »Maar eerst wil ik zoo
goed mogelijk je wonden zien te verbinden."
Hij ging naar zijn paard, rukte het chabrak los en haalde uit een der
holsters een rol linnen: Moeder Jane had hem geleerd, dat hij dit altijd
bij zich diende te hebben.
Reinier Vermaat bleek een schot in de borst te hebben; het bloed vloeide
nog langzaam uit de wond. Jakob, bijgestaan door zijn oppasser, verbond
de kwetsuur zoo goed hij kon, om het bloed te stelpen. Toen werd de
gekwetste voorzichtig op Ros zijn paard getild, dat door den oppasser
bij den teugel geleid werd. Stargardt ging naast Reinier rijden, om hem
te ondersteunen.
Op den wagen van moeder Jane werd daarop den gewonde zoo goed mogelijk
een ligplaats ingeruimd. Daarop kwam een der chirurgijns hem van den
Russischen kogel bevrijden en vervolgens verbinden.
Den volgenden dag ging Jakob Stargardt den gekwetste zoo gauw mogelijk
bezoeken. Hij lag stil voor zich uit te kijken.
»Ik heb goeie berichten," zeide de ritmeester,--»de chirurgijn staat er
voor in, dat je geneest; maar--je moet je rustig houden! Ook heb ik
ander mooi nieuws voor je: Je bent tot ritmeester bevorderd."
Reinier had geen enkele beweging gemaakt; hij sloot zijn oogen, maar
twee dikke tranen rolden langzaam over zijn verbleekte wangen neer.
»Ik zie," zei Stargardt, »dat ik je alleen moet laten; je bent wat van
streek,--dat deugt niet voor je."
Hij wilde weggaan, maar Vermaat greep zijn hand.
»Vergeef me," zei hij met een weeke stem, »ik heb je beleedigd en
miskend;--ik had gezworen mij niet door je edelmoedigheid te laten
vermurwen, maar je hebt overwonnen. Je hebt je verschrikkelijk
gewroken."
Twaalfde Hoofdstuk.
Op Smolensk terug.
Met welk een vijand Napoleon van nu af rekening zou moeten houden,
bleek hem reeds den morgen toen hij, het slagveld willende bezoeken,
zich eensklaps omsingeld zag door een horde kozakken, die hij in
de verte aanvankelijk voor Fransche cavalerie had aangezien. Aan de
garde-grenadiers te paard gelukte het echter nog juist bijtijds, dien
onverhoedschen aanval af te slaan.
Napoleon keerde naar zijn hoofdkwartier terug, eerst somber en zwijgend,
toen woedend, dat een handvol kozakken hem, den beheerscher van Europa,
op de vlucht had gejaagd.
Er werd nu langen tijd beraadslaagd en ten leste nam de Keizer het
besluit om af te trekken en dat wel langs den weg, die hem vooreerst
het spoedigst van den vijand zou verwijderen.
Het is opmerkenswaardig, dat hij het bevel tot dien aftocht naar het
Noorden gaf op hetzelfde oogenblik, dat Kutusof en zijn Russen, geheel
tot wankelen gebracht door den bloedigen slag bij Malo-Jaroslawitz, naar
het Zuiden aftrokken.
Den 28sten October zag het Fransche leger Moshaisk weer. Deze stad
was nog vol gewonden; sommige werden meegenomen, andere op één plaats
vereenigd en, even als te Moscou, aan de edelmoedigheid van den vijand
overgelaten. Na een verschrikkelijken strijd en na tien dagen met
marschen en contra-marschen te hebben doorgebracht, was het leger drie
dagreizen van Moscou af en--begon de winter!
Het was de Russische winter, en er was gebrek aan levensmiddelen! In de
eerste dagen van den aftocht had men de voorraadwagens, welke de paarden
niet meer konden voorttrekken, reeds verbrand. Daarna kwam het bevel, om
alles achter zich in brand te steken; men voldeed slechts gedeeltelijk
daaraan, door de kruitwagens, welker paarden uitgeput waren, in de lucht
te laten springen.
Reeds bezweken er eenige manschappen; wat zou het dus zijn, als de
winter zich in volle strengheid deed gevoelen? Het leger werd zelfs nu
al bedrukt en neerslachtig. Al mokkend marcheerde men verder.
Eensklaps gingen er kreten van ontroering op en een ieder zag om zich
heen. Men ontwaarde een geheel plat getreden, naakten, vernielden grond;
al de boomen bleken op eenige voeten boven de aarde afgehouwen en
verderop zag men van spitsen ontbloote heuvels; de hoogste scheen de
meest misvormde. Overal was de aarde bezaaid met overblijfsels van
helmen en harnassen, met gebroken trommels, vernielde wapenen, lompen
van monteeringen en met bloed bevlekte standaards.
Op dien verwoesten grond lagen dertigduizend half verteerde lijken! Het
was het slagveld van Borodino!
De Keizer trok er haastig voorbij. Niemand hield zich op. De koude, de
honger en de vijand drongen tot spoed; slechts wendde men, terwijl men
voortging, nog eens het hoofd om, teneinde een droeven en laatsten blik
te werpen op dat onmetelijke graf van zoo vele wapenbroeders, die
nutteloos waren opgeofferd.
In den nacht bereikte Napoleon Gjatz en twee dagen later Wiasme. Hier
vertoefde hij, om de corpsen van Prins Eugenius en Davoust af te
wachten, die van Malo-Jaroslawitz de achterhoede hadden gevormd.
Den eersten November trok de Keizer weer verder, terwijl hij Ney te
Wiasme liet, om met Davoust en Prins Eugenius den aftocht te dekken.
Twee dagen later had een Russisch legercorps die stad bereikt en moest
de achterhoede daar een formeelen veldslag leveren, om den terugtocht te
kunnen voortzetten.
De Franschen kostte dit treffen vierduizend man aan dooden en gewonden.
Het overschot van het Hollandsche regiment huzaren was zoo goed als
volkomen vernietigd. Slechts Jakob Stargardt, Ros en nog een stuk of wat
anderen waren ongedeerd gebleven, maar hun paarden waren bezweken, zij
zelf moedeloos en diep neerslachtig.
Moeder Jane poogde haar zoon te troosten: Weldra zouden zij immers
Smolensk bereikt hebben: en daar was overvloed, daar wachtten hun goede
winterkwartieren; daar nam hun ellende een einde.
»Maar vóór we zoo ver gekomen zijn, kunnen wij al lang verhongerd
wezen," zei Ros. »Uitdeelingen worden niet meer gedaan en nergens langs
den weg vinden we eenige levensmiddelen, want de voor ons uit gaande
corpsen zijn zoo roekeloos, om de meeste huizen en dorpen te verbranden.
De achterhoede vindt niets dan asch."
Inderdaad had de ellende reeds een groote hoogte bereikt. Het eenig
voedsel, nu bijna elk zijn kleinen voorraad zoo zoetjes aan had
verbruikt, was een stuk paardevleesch. En wijl iederen dag, door gebrek
aan voeding, honderden paarden neervielen, was dááraan geen gebrek.
Ook de beide paarden voor moeder Jane's voertuig konden nog slechts
moeizaam meer voort. Tegen den avond van den volgenden dag, juist toen
zij ze uit wilde spannen, stortte een der uitgeputte beesten plotseling
in elkaar, door zijn val ook het andere deerlijk verzwakte dier omver
werpend. De marketentster maakte de gareelen los en poogde de dieren
weer overeind en althans op zij van den weg te krijgen. Maar haar
inspanning bleek vergeefs. Vermoeid moest zij van alle verder pogen
afzien en even later bleken de dieren reeds dood.
Terwijl moeder Jane, diep verslagen, nog altoos naar haar arme, van
honger gestorven beesten te kijken stond, kwam plotseling een troep
soldaten aan, samenmengsel van verschillende regimenten. Zij wierpen
zich als een zwerm roofvogels op de doode paarden neer, hieuwen er
lappen vleesch van af, en ondanks het protest van Reinier Vermaat en
enkele andere vrienden, ondanks de smeekingen van moeder Jane, sloegen
zij den wagen tot brandhout, om het vleesch aan de punt van sabel of
bajonet een weinig te roosteren en daarop half rauw te verslinden.
Jakob, Ros en nog een tiental anderen waren er op uit gegaan om te zien,
of zij niet eenig voedsel op konden sporen. Toen zij met het invallen
van de duisternis terugkeerden, vonden zij de marketentster zonder wagen
en paarden.
Maar zij waren zoo gelukkig geweest een vos te schieten en brachten
bovendien een flinken voorraad hout mee.
Dadelijk werd het bivakvuur gemaakt en het vleesch geroosterd, dat zij
vervolgens, te gelijk met het laatste overblijfsel van den uit Moscou
meegevoerden leeftocht, verorberden.
Toen kwam het gesprek weer, als gewoonlijk in de laatste dagen, op den
rampzaligen toestand van het leger en natuurlijk ook weer op het jongste
verlies, dat de marketentster geleden had.
»Och," zei moeder Jane, »het spijt me natuurlijk om de arme dieren. Maar
ik was het immers ieder oogenblik te wachten dat ik ze kwijt zou raken.
En den wagen hadden we tòch niet mee kunnen nemen. Wel beschouwd is het
dus maar beter, dat onze ongelukkige soldaten er zich nog mee verwarmen,
dan dat hij in handen van die roofzieke Kozakken gevallen was. Maar ja,
op zoo'n eerste oogenblik zie je dat zoo niet in! Dan meen je, dat je
het grootste onrecht wordt aangedaan."
»Maar _wij_ hadden toch anders het vleesch gehad, dat zullie daar nu
verslonden hebben," zei een der soldaten van hun groepje, wijzend naar
de mannen rondom een naburig bivakvuur.
»Zou je dan denken, dat ik ook maar een enkele beet van mijn eigen
paarden zou kunnen eten?" vroeg moeder Jane. »En jullie hebt toch van
avond óók geen gebrek gehad, is 't wel?"
»Neen, neen," zei Reinier, »het maal heeft me kostelijk gesmaakt!"--De
Russische kogel die hem op het slagveld bij Malo-Jaroslawitz getroffen
had, bleek gelukkig niet diep gegaan te zijn en had geen edele deelen
geraakt. De zorgvuldige oppassing van Jakob en zijn moeder, gepaard
aan zijn gezond en krachtig lichaamsgestel, brachten dan ook een
wonderbaarlijk voorspoedige genezing. Bovendien was ook hij zoo
verstandig geweest, zich in Moscou voor den naderenden winter uit te
rusten.
Gelukkig echter werkte de natuur tot heden mee, om den tocht niet nòg
zwaarder te maken. Overdag was het meestal zonnig, zacht weer; alleen 's
nachts was het merkbaar, dat het koude jaargetijde naderde.
Maar den volgenden morgen veranderde opeens de lucht; het azuur verdween
in een sluier van koude dampen. Deze dampen werden al dichter en vormden
zich weldra tot een ontzaggelijke wolk, die in groote sneeuwvlokken op
de voorttrekkende legerbenden neerdaalde. Het scheen alsof de hemel
nederviel en zich vereenigde met den vijandelijken grond en zijn
bewoners, om hun verderf volkomen te maken. Alles werd verward en
onkenbaar; de dingen veranderden van gedaante; men trok voort zonder te
weten waar men was, zonder zijn doel te bespeuren, alles werd
verhindering.
Terwijl de soldaat zijn pogingen in het werk stelde om zich, te midden
van ijzige wervelwinden een doortocht te verschaffen, hoopten zich de
sneeuwvlokken, door den wind voortgedreven, opéén, en bleven in elke
holte liggen. Zoo verborg haar oppervlakte aanhoudend onbekende diepten,
welke zich trouweloos onder de voeten openden. De krijgsman zonk er in
weg, en de zwaksten werden er in bedolven. Zij, die achter hen kwamen,
maakten dan een omweg, maar de storm joeg de sneeuw des hemels en die
welke hij van de aarde opjoeg hun grimmig in het gezicht en verblindde
hun oogen; verwoed scheen hij zich tegen hun marsch te willen verzetten.
Onder deze nieuwe gedaante viel de Russische winter hun van alle kanten
aan: hij drong snijdend door hun dun gewaad en opengescheurd schoeisel
heen. Hun natte kleeren bevroren op hun lichamen; het ijs hechtte zich
op hun vel en verstijfde al hun leden. De scherpe en hevige wind deed
hun de lippen op elkander klemmen, maakte zich meester van hun adem, als
zij dien uitbliezen en herschiep hem in ijskegels, welke langs hun baard
om hun mond hingen.
Klappertandend sleepten de ongelukkigen zich voort, totdat de sneeuw,
die zich aan hun voeten klompte, een tak, een verloren wapen, of het
lichaam van een hunner kameraden hen deed struikelen en vallen.
Onmachtig de handen te roeren, was hun kermen te vergeefs; zij werden
spoedig door de sneeuw bedekt: een kleine verhevenheid slechts deed hen
dan nog onderkennen: dáár was hun graf!...
De weg was vòl van zulke verhevenheden; de onverschilligsten, de
onverschrokkensten werden er door geroerd; met de oogen er van
afgekeerd, gingen zij er voorbij.
Maar vóór hen, achter hen, overal was de sneeuw; hun gezicht verloor
zich in die onoverzienbare en treurige gelijkvormigheid; het was als
een onmetelijk doodskleed, waarmee de natuur het leger omhangen had.
De eenige voorwerpen, die er zich van losrukten, waren de donkere
mastboomen, boomen des grafs, met hun ontzettende somberheid en de
reusachtige onbewogenheid van hun zwarte stammen, waardoor zij dit
ijselijk schouwspel van een stervend wereldleger, te midden eener doode
natuur, slechts volmaakten.
Het geweer werd voor de verstijfde armen der nog levenden een
ondragelijk gewicht. Zij wierpen het niet weg, maar in hun menigvuldig
vallen ontschoot het aan hun handen, het brak in stukken, of ging
verloren in de sneeuw. Van vele anderen vroren de vingers aan het geweer
dat zij nog vasthielden en dat hun de beweging ontnam, vereischt om er
een overschot van leven en warmte in te behouden.
Welhaast ontmoette men een menigte menschen van allerlei corpsen, nu
eens afgezonderd, dan weer bij troepen. Zij waren niet laf van hun
standaards weggeloopen, het was de koude, de afmatting, die hen van hun
colonnes had gescheiden. En nu dwaalden zij rond, ongewapend,
overwonnen, zonder verdediging, zonder opperhoofden, slechts
gehoorzamend aan den drang tot zelfbehoud.
Velen, door het zien van eenige zijdelingsche paden verlokt,
verspreidden zich in de velden met de hoop, er brood en een schuilplaats
voor den naderenden nacht te zullen vinden; maar alles bleek over een
breedte tusschen de zeven en acht mijlen verwoest; zij ontmoetten
slechts kozakken of gewapende boeren, die hen omringden, mishandelden,
uitplunderden en hen, onder een woest gelach, naakt op de sneeuw lieten
omkomen.
Spoedig naderde de nacht, een nacht van zestien uren. Maar in die
sneeuw, welke alles bedekte, wist men niet wáár stil te houden en zich
neer te zetten om te rusten, of waar droog hout te vinden om de vuren te
ontsteken.
Toch dwongen vermoeidheid en duisternis om stand te houden. Maar de
storm die nog altijd woedde, verspreidde de eerste toebereidselen
der bivakken; de denneboomen, geheel met sneeuw beladen, weigerden
gewoonlijk halsstarrig vuur te vatten en al vlamden zij soms een
oogenblik op,--de sneeuw die door de warmte smolt, doofde die
opflikkerende vlam en daarmee tevens den moed en de hoop op redding.
»Neen, jongens, zóó gaat het niet!" zei moeder Jane, toen eenigen van
haar troepje met het bijeengebrachte dennenhout reeds een vuur wilden
maken: »We moeten eerst de sneeuw wegvegen!"
»Dat is gemakkelijk genoeg gezegd," meende een der soldaten, »maar,
waarmee?"
»Wel, met bezems natuurlijk!"
»Die we niet hebben!" gromde een ander.
»Maar die we best kunnen maken!" viel de marketentster in. »Dit bosch
heeft takken genoeg! Een bundeltje daarvan bij elkander gebonden, een
dikken tak tot steel, en--de bezem is klaar!"
»Warempel, je hebt gelijk!" zei Ros. »Komt, mannen, dan maar dadelijk
aan 't werk!"
Met hun drieën gingen zij nu aan het hakken en snijden; Jakob Stargardt,
Reinier en moeder Jane bonden de takken met eenige dunne twijgen bijeen,
terwijl de overigen met deze bezems het terrein schoon veegden.
De plaats voor het bivak gaf blijk van een verstandige keuze. Een hoogte
beschutte tegen den fellen wind; als het hun dus gelukken mocht om vuur
aan te maken, dan zou dit ten minste niet verwaaid worden. Maar het
versch gekapte hout wilde slecht branden. Schier een half uur tobbens
was reeds voorbijgegaan, zonder noemenswaardig resultaat, toen Ros en
Jakob, na veel zoekens, ieder met een arm vol dood hout kwamen
aandragen.
Nu laaide de vlam in een oogenblik hoog op, zoodat ook het andere hout
bruikbaar werd en waarvan men een genoegzame hoeveelheid bijeen had
gebracht om het vuur den ganschen nacht te kunnen onderhouden.
Zij roosterden nu hun paardevleesch en het weinigje roggemeel dat ieder
nog bezat kneedde hij met sneeuwwater tot deeg, om dit vervolgens in de
heete asch te laten bakken.
Dat was hun avondmaal.
Niet lang bleven zij echter alleen. Tal van ongelukkigen, aangelokt door
het flikkerende vuur, hadden zich al spoedig bij hen gevoegd en slechts
met moeite konden zij hun plaats behouden. Er werd afgesproken, dat
telkens twee hunner bij beurten het vuur zouden bewaken en voeden,
terwijl de overigen mochten slapen. Zoo ging men den nacht in.
Toen zij den volgenden morgen, ondanks het goed onderhouden vuur,
verkleumd en huiverend van het bivak opstonden om den vreeselijken tocht
weer voort te zetten, moesten zij over een dubbelen kring van lijken
stappen: soldaten, die, uit plaatsgebrek, buiten de warmtesfeer van
het vuur gebleven, in den fellen vriesnacht waren doodgevroren. Overal
elders zagen zij de bivakken door dergelijke gruwbare kringen
afgeteekend, en verder bleek de grond bedekt met honderden doode
paarden.
Sedert dien dag zonderden zich bij elk bivak, bij elken slechten
overtocht, voortdurend een gedeelte der nog georganiseerde troepen af,
om zich bij den ordeloozen nasleep te voegen.
Alleen bij de Keizerlijke garde bleef nog altoos de krijgstucht bestaan.
Maar men had zich genoodzaakt gezien, den buit van Moscou in een meer te
werpen: Kanonnen, Gotische wapenrustingen, uit het Kremlin meegenomen om
als zegeteekenen naar Parijs te worden gevoerd, zelfs het reusachtige
gouden kruis van den heiligen Iwan, alles verzonk in de diepte. Op dezen
ontzettenden terugtocht wierp het leger, evenals een groot schip dat
door den verschrikkelijksten storm geteisterd wordt, zonder aarzelen
alles wat zijn voortgang kon bemoeilijken of vertragen, in die zee van
sneeuw en ijs. Het was niet meer te doen om zijn leven áángenaam te
maken, maar om het te redden!
Eindelijk zag het leger Smolensk weer, waar men het eind van al zijn
rampen dacht te vinden. Reeds van verre wezen de soldaten het elkander
aan. Dáár was het beloofde land, waar hun hongersnood den begeerden
overvloed, hun vermoeidheid de rust zou erlangen; waar de bivakken van
negentien graden koude in wèl verwarmde huizen zouden vergeten worden.
Dààr zouden zij een herstellenden slaap genieten; hun havelooze plunje
kunnen oplappen; dáár zouden hun nieuwe schoenen en voor het klimaat
geschikte kleeren worden uitgedeeld!
Alleen de garde en eenige andere uitgelezen korpsen bleven in hun
gelederen, de overigen liepen weg en snelden naar de lang verbeide stad.
Duizenden van menschen, meest zonder wapenen, bedekten de twee steile
oevers van den Dnieper; zij verdrongen zich voor de hooge muren en
poorten der stad; maar hun onordelijke menigte, hun vervuilde gezichten,
zwart geworden door aarde en rook, hun gescheurde monteeringen, de
zonderlinge kleeding waarmee zij zich behielpen, heel hun vreemd,
afzichtelijk voorkomen en hun vervaarlijke drift, schrikten af. Uit
vrees dat die van honger razende menigte, wanneer men haar binnen liet,
alles zou uitplunderen, sloot men de poorten. Men hoopte door deze
gestrengheid tevens te bewerken, dat die verstrooiden zich weer zouden
vereenigen.
Toen ontstond er onder het overschot van het rampzalige leger een
verschrikkelijke strijd tusschen de orde en de wanorde. Het was te
vergeefs, dat sommigen baden, weenden, smeekten, dat zij dreigden en
trachtten de poorten open te breken, dat zij stervende neervielen voor
de voeten van hun metgezellen, die belast waren hen terug te drijven.
Daar kwamen de oude en de jonge garde aan. Zij waren met den Keizer
meegekomen, die hen voor het vuur der Russen gespaard had, en niet de
minste wanorde was in hun gelederen voorgekomen, want voor hun voeding
was wel gezorgd. Eerst nà hen konden de ongelukkigen die voor de poorten
stonden binnentrekken, voor zoover ze niet dood of stervende aan de
steile oevers der rivier nederlagen; zij snelden naar de magazijnen,
maar men dreef hen er uit terug, omdat zij hun korps verlaten hadden en
niet in het bezit van volgbriefjes waren, waarmee de magazijnmeesters
zich verantwoorden konden en die door daartoe gemachtigde officieren
moesten worden ingeleverd. Zij hàdden geen officieren meer, ze wisten
niet eens waar hun regimenten waren. In dezen toestand bevond zich
tweederde van het leger.
Toen verspreidden zich die rampzaligen door de straten, geen hoop meer
hebbend dan in de plundering. Maar overal kondigden tot op de beenderen
toe ontlede paarden hun den hongersnood aan: overal waren de vernielde
en losgerukte deuren en ramen gebruikt om de bivakvuren te onderhouden
der doortrekkende troepen. Er waren geen winterkwartieren voorbereid,
men vond er geen hout; de zieken, de gekwetsten bleven in de straten,
op de wagens, die hen hadden vervoerd. Het was en bleef steeds de
noodlottige groote weg, dwars door een ijdelen naam heenloopende; het
was een nieuw bivak te midden van bedriegelijke puinen, die nog kouder
waren dan de bosschen, welke zij hadden verlaten. Kortom, datzelfde
Smolensk, door het leger als de grens van zijn lijden beschouwd, scheen
er slechts het eigenlijke begin van te worden. Honderden bij honderden
stierven ook hier van koude en gebrek; en toen het bleek, dat de
magazijnen slechts zeer onvoldoende werden bewaakt, kwamen de
uitgehongerde benden ze eensklaps plunderen, waarbij nog heel wat
voedsel nutteloos verloren ging.
Moeder Jane, Jakob, Reinier en Ros waren de eenigen van hun troepje, die
zich te midden van al die wanorde bij elkander hadden gehouden. Maar
juist door hun gering aantal was het hun des te gemakkelijker gelukt,
een vrij dragelijk verblijf te bekomen.
Reeds van Wiasme af droegen zij hun pelzen, in Moscou gekocht, op het
bloote lichaam, waardoor de koude hun weinig nadeel toebracht. Steeds
waren zij matig geweest, wanneer er onderweg nog eens voedsel gevonden
werd, en ook van het paardevleesch, soms overvloedig voorhanden, hadden
zij altoos maar weinig gebruikt. Daarenboven bezaten zij alle vier een
gezond en sterk gestel. In vergelijking van duizenden hunner metgezellen
waren zij er dus nog zoo slecht niet aan toe, maar wijl zij uit de
magazijnen niets hadden ontvangen, hadden zij thans volslagen gebrek aan
voedsel.
Gelukkig echter werden te Smolensk de achterstallige soldijen
uitbetaald, met een voorschot van twee maanden, waardoor hun beurzen
opeenmaal goed gevuld raakten.
Zij kochten nu zooveel mogelijk van de geroofde eetwaren der anderen,
wel wetend, dat nog tweehonderd uren gaans moesten afgelegd worden,
alvorens zij de Weichsel zouden bereikt hebben. Want dat men te Smolensk
niet overwinteren kon, was voor ieder nu wel duidelijk.
Onderweg had Jakob geducht met zijn laarzen gesukkeld: zijn pelslaarzen,
te Moscou opgedaan, waren wel warm geweest te paard, maar niet geschikt
om te loopen. Na eenige dagen marcheeren waren zij dan ook reeds zonder
zolen. Voor tachtig francs had hij toen een paar oude laarzen van een
rijdend artillerist gekocht, maar deze bleken hem te nauw, zoodat hij ze
hier en daar had moeten opensnijden. In Smolensk kocht hij thans voor
twintig francs een paar nieuwe soldatenschoenen.
Napoleon had er op gerekend, dat er voor vijftien dagen levensmiddelen
en fourage aanwezig zouden zijn voor een leger van honderd duizend man;
hij vond nog niet de helft dezer hoeveelheden aan meel, rijst en
brandewijn. Vleesch was er niet.
Onder die omstandigheden moest het verbazing wekken, dat de Keizer
niettemin zijn verblijf onnoodig te rekken scheen.
»We zijn hier nu al vier dagen," zei Jakob, »en onze aangekochte
eetwaren zijn al zoo goed als op. Wat heeft Napoleon in dit afgebrande,
verwoeste Smolensk anders te doen dan van de aanwezige levensmiddelen
gebruik te maken en zoo gauw mogelijk verder te gaan?"
»Misschien meent de Keizer," vond Reinier, »wanneer hij gedurende
verscheidene dagen zijn brieven uit Smolensk dateert, dat hij zijn
vlucht zal laten voorkomen als een langzame, roemrijke terugtocht. Hij
heeft ten minste bevel gegeven, de torens op de wallen te vernielen,
omdat hij niet meer door die muren wil opgehouden worden, zooals hij
zegt."
»Jawel," zei Ros, »alsof de mogelijkheid bestaat dat hij er weer terug
zal keeren, terwijl het nog niet eens zeker is, of hij er wel uit zal
kunnen komen."
»Licht wacht hij hier wel zoo lang, om de artilleristen gelegenheid te
geven, hun paarden op scherp te zetten," giste moeder Jane.
»Alsof er arbeid te verwachten is van werklui die uitgeput zijn van
honger en van de langdurige marschen!" zei Jakob. »De dag is voor de
meesten nog niet toereikend om de noodige levensmiddelen te vinden en ze
gereed te maken."
»En dan," zei Ros, »de smidswagens zijn achter gelaten of vernield en
alle materiaal ontbreekt voor zoo'n omvangrijk werk. Dàt kan het dus óók
niet zijn."
Evenwel, den volgenden dag, den 14den November, verliet Napoleon
eindelijk Smolensk toch weer. Prins Eugenius had bevel gekregen, om
de stad op den 15den, Davoust om ze op den 16den te ontruimen. Ney
daarentegen moest eerst den 17den vertrekken. Hem was opgedragen, de
assen der affuiten van de kanonnen die hij moest achterlaten, te laten
doorzagen; die kanonnen zelf te begraven, de munitie onbruikbaar te
maken, alle achterblijvers voor zich uit te drijven en de torens op de
wallen te laten springen.
Tegen vijf uur in den morgen vertrok de Keizerlijke colonne. Zij
marcheerde nog ordelijk, doch de houding der manschappen was somber en
zwijgend. De nachtelijke stilte werd slechts afgebroken door het geluid
der slagen waarmee de arme paarden voortdurend aangezet werden, alsook
door de driftige verwenschingen bij het doortrekken van een ravijn,
wanneer er op de gladde hellingen, in de duisternis, paarden voor de
kanonnen neerstortten en de geheele bespanning in een verwarden hoop
naar beneden tuimelde.
Op dezen eersten dag werden vijf mijlen afgelegd. De artillerie van de
garde had er twee en twintig uur voor noodig gehad.
Dertiende Hoofdstuk.
Van Smolensk naar Orcha.
Toen de Keizer vertrokken was trachtte Prins Eugenius in Smolensk zijn
verspreide troepen weder te vereenigen; met moeite onttrok hij hen aan
de plundering der magazijnen en eerst den 15den gelukte het hem, acht
duizend man bij elkaar te brengen, waarmee hij zich weer op weg begaf.
Ook Jakob Stargardt en zijn moeder, benevens hun beide vrienden, sloten
zich daar bij aan.
Het was omstreeks drie uur in den namiddag toen dit viertal het waagde,
den grooten weg te verlaten, in de hoop eenig voedsel te vinden. Weldra
stonden zij voor de ruïne van een huis. Het was een steenen gebouw
geweest, waarvan het dak en het gansche binnenwerk bleek verdwenen. De
sporen van groote bivakvuren in de omgeving bewezen duidelijk genoeg,
waartoe dat binnenwerk had moeten dienen; slechts de muren waren blijven
staan.
Schoon die bouwval dus weinig hopen deed, ving niettemin terstond een
scherp onderzoek aan; een ieder deed zijn best om nog iets uit de ruïne
op te schommelen, dat in een of ander opzicht bruikbaar wezen mocht.
Aanvankelijk bleef alle onderzoek vruchteloos.
»Ik geef het op!" zei Ros al tegen Reinier. »Maar kijk eens!--wat heeft
moeder Jane daar gevonden? Daar is vast iets bijzonders, want haar zoon
staat er bij met een gezicht als rook bij ossengebraad."
Reinier keek in de aangeduide richting en zag de marketentster zich
bukken tot een poging, om een zwaar stuk puin weg te wentelen.
Jakob, zonder recht te begrijpen wat zijn moeder eigenlijk voor had,
sloeg nu dadelijk zijn handen aan den steenbrok en rolde dien, schoon
niet zonder krachtsinspanning, op zij.
»Neem nu dàt stuk óók nog weg," zei de marketentster, nog hijgend van
haar vergeefsche poging.
Jakob deed het, zonder te vragen waarom en nam daarop een afwachtende
houding aan.
»Als we nu die kleine brokken ook nog wegruimen--dan zal het misschien
gaan," zei de marketentster.
»Wàt zal gaan?" vroeg Reinier, die inmiddels met Ros naderbij gekomen
was.
»Wel, kijk eens in dit gat hier," verzocht moeder Jane.
Reinier bukte en zag, tusschen de kleinere steenbrokken door, een losse
trap, slechts eenige treden diep, en onder die trap, een deur.
»Dat is een kelder!" riep hij, met een uitdrukking in zijn oogen, die
dadelijk aan een menigte »goede zaken" deed denken, welke een flink
voorziene kelder zoo al bevatten kan.
Volijverig zetten hij en Ros zich nu mede aan den arbeid, en in een
oogenblik was de trap geheel vrij. Maar de deur, of juister het luik,
dat zoo zeer de algemeene verwachting gespannen hield, was goed gesloten
en bood weerstand aan de krachtigste pogingen om het open te breken.
De arme zwervers waren echter sedert hun vertrek uit Moscou te zeer
gewoon geraakt aan de aanwending van allerlei middelen van geweld, om
lang verlegen te staan. Er werden eenige halfverkoolde stukken hout bij
elkaar gezocht en tegen het luik gelegd, vervolgens werd vuur gemaakt en
daarna het houtstapeltje aangestoken. Toen gingen zij blazen en de lucht
in beweging brengen om het vuur goed te doen vlammen, en binnen een
kwartier was het luik zoo ver verbrand, dat het verder met gemak kon
worden verbrijzeld.
Jakob kroop vervolgens door de opening heen... Toen hij een oogenblik
beneden geweest was stak hij het hoofd weer buiten het verbrijzelde luik
en zei verheugd: »Roep nou maar, zoo luid je kunt, hoezee!--Maar,
drommels, neen! laten wij ons liever dood stil houden, er mochten kapers
op de kust komen!"
Toen hij dit gezegd had, wierp hij achtereenvolgens twee Westfaalsche
hammen op den besneeuwden grond, en verdween weer in de diepte.
Een oogenblik later kwamen er gerookte worsten te voorschijn en Jakob
verklaarde, dat er nog meer lekkernijen in den kelder waren; ja, hij
geloofde, dat er ook nog wat anders in was, want er stond een groote
ijzeren kist, die hij met geen mogelijkheid alleen kon optillen.
Reinier reikte Jakob nu een brandend stuk hout aan, om hem tot fakkel te
dienen; maar het bleek dat de kelder, op de ijzeren kist na, niets meer
bevatte dan een paar flesschen wijn. Maar de totale voorraad was toch
meer dan voldoende om het viertal gedurende eenige dagen tot onderhoud
te kunnen strekken.
»Wij zullen verstandig doen," zei Jakob, zich weer bij de overigen
voegend, »met die ijzeren kist maar ongemoeid te laten; het ding is zoo
zwaar, dat het wel geen twijfel lijdt of het houdt geld en voorwerpen
van waarde in. Wij zijn geen roovers,--laat de eigenaar zijn schat dus
ongedeerd terugvinden."
»En dan," zei Reinier, »waarvoor zou de ballast ons dienen? Morgen
zouden wij dien misschien toch moeten wegwerpen. Neen, laten wij liever
eens een proefje van onze kostelijke provisie nemen; want ik moet
eerlijk bekennen, dat het gezicht van al die heerlijkheden mij doet
watertanden."
Nadat alle vier zich met een teug wijn verkwikt en een paar flinke
sneden ham benevens een stuk worst genuttigd hadden, besloten zij,
binnen den bouwval hun bivak gereed te maken. Zij togen dus naar het
nabij gelegen bosch, om een voldoende hoeveelheid hout te verzamelen.
Nauwelijks echter waren zij daar mee bezig, of zij werden door een
sterke bende Russische boeren overvallen. Tegenover die groote overmacht
zou alle weerstand nutteloos zijn geweest, te meer, wijl zij hun wapenen
in den bouwval hadden achter gelaten. De boeren namen het viertal
in hun midden en voerden hun gevangenen met zich mee het bosch in.
Na een kwartier ongeveer hielden zij stil op een plaats, waar reeds
verscheidene der hunnen op hen wachtten; van tijd tot tijd kwamen andere
troepen den weg van Smolensk af en sommige hadden eenige Franschen als
gevangenen bij zich. De Russen schenen eindelijk voltallig te zijn. Zij
dreven de gevangenen te hoop, namen ze daarop in hun midden en trokken
verder het woud in.
Na een half uur bereikten ze een open plaats, die echter rondom door
het bosch was ingesloten. Hier brandden hooge wachtvuren, waar talrijke
groepen gewapende landlieden omheen lagen.
Met verwondering zagen de gevangenen ook vele vrouwen, die de algemeene
haat tegen den vijand van haar vreedzame werkzaamheden afgerukt en
midden in het krijgsgewoel der mannen gevoerd had. Eenige maakten het
eten klaar, andere poetsten wapenen, enkele zagen zij een gewonde
verbinden.
Door de nabijheid van het Fransche leger hadden de Russen, die de vier
Hollanders waren overvallen, zich geen tijd gegund, hun gevangenen te
berooven. Thans schenen zij daartoe echter te willen overgaan. Een
baardige Rus trad op moeder Jane toe en wilde haar de pelsmuts van het
hoofd rukken. Onwillekeurig trad zij een stap achteruit, terwijl Jakob
toesprong en den boer met de hand afweerde. Woedend hief deze nu zijn
knuppel tot een geweldigen slag omhoog. Doch opeens klonk de kreet van
een vrouwenstem; in 't zelfde oogenblik drong een Russin door de rijen
en hield den opgeheven arm van den boer tegen. Driftig keerde deze zich
om, doch toen hij zag wie hem tegenhield, veranderde zijn toorn opeens
in onderdanigheid en trad hij zwijgend terug.
Jakob drukte dankbaar de hand van zijn redster in wie hij thans de vrouw
herkende, die hij in Moscou tegen de roofzucht van den Duitschen soldaat
verdedigd had. Met gebaren beval hij nu ook zijn drie lotgenooten in
haar bescherming aan.
Zij knikte, als bewijs dat zij hem begrepen had.
Op dit oogenblik naderde de aanvoerder, die blijkbaar haar echtgenoot
was. Hij scheen inlichtingen te vragen, maar aan de vier Hollanders
ontging het niet, dat hij onder het uitvoerig relaas der vrouw af en toe
de wenkbrauwen samen trok en herhaaldelijk het hoofd schudde.
Even later liet hij allen verzamelen en men zette zich in beweging,
terwijl de vier Hollandsche gevangenen door eenige landlieden met pieken
bewaakt werden.
Eindelijk bereikte men een dorp, waar de bende zich in verscheidene
groepjes splitste om een onderkomen te zoeken.
De aanvoerder trok met een kleine afdeeling nog wat verder, tot zij aan
een halfverwoest landhuis kwamen. Hier werden de Hollanders in een klein
vertrek opgesloten, waar zij al spoedig van vermoeidheid in slaap
vielen.
Nauwelijks drong het eerste licht van den wintermorgen tot hen door, of
een jonge Rus trad binnen die hun eenig voedsel bracht. Moeder Jane, bij
het zien van den Russischen lijfeigene, werd plotseling doodsbleek; zij
uitte een kreet van ontroering... In 't volgende oogenblik lag zij,
snikkend van blijdschap, in de armen van haar oudsten zoon.
»En vader?..." was Willems eerste vraag.
»Leeft niet meer!" zei moeder Jane somber.
Uit de aanwezigheid zijner moeder bij het Groote Leger had hij dit wel
begrepen; toch werd hij door het antwoord hevig geschokt.
»Maar hoe ben je nu _hier_ toch te recht gekomen?" vroeg Jakob.
»Ja," zei moeder Jane, »vertel ons dat toch eens: we meenden stellig,
dat je ergens in Engeland zat."
»Toen ik aan boord van dat Engelsche vaartuig gekomen was, ondernamen we
al heel gauw een reis naar de Oostzee. We leden evenwel schipbreuk en,
zonder een penning op zak, werd ik aan de kust geworpen. Een Russische
herbergier borgde mij voor zes roebels. Betalen kon ik die niet en zoo
werd ik, volgens de gebruiken van dit land, zijn lijfeigene."
»Om zes roebels?" vroeg moeder Jane ontroerd. »Verschrikkelijk!"
»De herbergier verkocht me aan een baron en in _zijn_ dienst was het,
dat ik zijn prachtige woning te Moscou moest helpen in brand steken.
Gelukkig had ik, ongezien, u beiden herkend en kwam ik in de
gelegenheid, u nog juist bij tijds door middel van dat briefje voor het
gevaar te waarschuwen.
Toen wij ons vernielingswerk in Moscou verricht hadden, voegden wij ons
bij het Russische leger, maar al heel spoedig sneuvelde de baron in een
van die vele schermutselingen nabij de stad, en door zijn weduwe werd
ik daarop aan een aanzienlijk koopman verkocht, mijn tegenwoordigen
meester. Te Moscou bezat hij eenige groote magazijnen en winkels, maar
zij werden door de Franschen geplunderd en toen trok ook hij uit om
Napoleon's leger zooveel mogelijk afbreuk te doen.
Het huis waar we nú zijn is van zijn broer, een aanzienlijk
grondbezitter, die zich met al zijn volk bij de Russische landweer heeft
aangesloten...