De barbier haalde de schouders op. Trouwens, mijnheer Vermaat geloofde
zelf maar half, wat hij las en zei; maar hij hoopte dat zijn vrouw, die
juist warm water in het bekken goot, het zou gelooven.
Onder het scheren hadden beide mannen het druk over het andere
legernieuws; want hetzelfde nummer van het »_Dagblad_" deelde
»_nouvelles_" over den Keizer mee van den 3den December, waarin breed,
ja zelfs tot vier malen, werd gepraald met »de overwinning die den
28sten November bij den overtocht van de Berezina behaald was." Het
gevecht was--volgens het nieuwsblad--»door de luisterrijkste gevolgen
bekroond geworden." De Russische legers (eenvoudig corpsen genoemd)
waren deerlijk gehavend. Men had 9000 à 10.000 krijgsgevangenen gemaakt
en tien stukken geschut en zes standaards veroverd.
Doch hoe zeer mijnheer Vermaat zichzelf dit alles ook als waarheid
poogde op te dringen, wijl hij zoo gaarne aan den welstand van het
Groote Leger gelóófde, slechts enkele dagen later had ook hij geen hoop
meer.
's Morgens door de Doelenstraat gaande, had hij, niet ver van het huis
waarin mijnheer De Celles woonde, wel meer dan honderd menschen op een
hoop zien staan. Zij stonden met bleeke gezichten en uitgerekten hals
naar een groot aanplakbiljet te staren, dat alleen de voorsten lezen
konden. Het was het beruchte 29ste bulletin, waarin Napoleon vertelde,
dat de paarden gedurende den terugtocht alle nachten bij duizenden
stierven.
Van de menschen zei hij niets!...
Mijnheer Vermaat, die tot de voorste rijen had weten door te dringen,
las het papier met klimmende ontroering. Maar toen hij aan dat gedeelte
kwam:--»Onze kavalerie was zoodanig geslonken, dat men de officieren,
die nog een paard hadden overgehouden, heeft moeten vereenigen, ten
einde er vier compagnieën van te formeeren, elke compagnie van honderd
vijftig man. De generaals vervulden er de functiën van kapiteins, de
kolonels die van onderofficieren,"--toen hij dàt gedeelte las, hetwelk
over de ellende van het Groote Leger méér zei dan al het overige, toen
klemde hij de bleeke lippen krampachtig op elkaar om niet luide den man
te vervloeken, van wien het biljet, bij wijze van troost, aan het slot
nog meldde: »Nooit is de gezondheid van Zijne Majesteit beter geweest."
Om hem heen hoorde hij jammerkreten en gekerm van vrouwen, met een
doffen ondergrond van somber mompelende mannenstemmen. Diep geschokt
gingen allen naar huis; maar weer anderen kwamen en het smartbetoon
herhaalde zich; en dat duurde zoo tot den avond door. Heel Amsterdam,
geheel het Vaderland kwam in een toestand van moedelooze droefenis door
het bericht van de onmetelijke ramp der Groote Armee. Men treurde niet
enkel om verwanten en vrienden die men reeds omgekomen waande, maar was
te gelijk vol angst voor de nog achtergeblevenen. Want ieder begreep
wel, dat het overschot van het leger zoo spoedig mogelijk zou aangevuld
worden.
Te midden van de algemeene verslagenheid zagen echter eenige uitstekende
Nederlanders in, dat het, na dien noodlottigen tocht naar Rusland, niet
meer tot het gebied der onmogelijkheden hoefde te behooren, het
Vaderland eens van de overheersching der Franschen te bevrijden.
Zóó dachten Johan Melchior Kemper, hoogleeraar in de rechten te
Leiden, en Anton Reinhard Falck, die, na onder Koning Lodewijk hooge
staatsbetrekkingen bekleed te hebben, eenigen tijd, als verdacht bij
de keizerlijke politie, buiten 's lands was geweest, maar sedert 1812
de betrekking van kapitein bij een afdeeling der nationale garde te
Amsterdam op zich genomen had. Zij kwamen met elkander overeen, naar
vermogen partij te trekken van de omstandigheden, tot herstelling van
de nationale onafhankelijkheid. Hun staatkundige beginselen waren: een
getemperde oppermacht van het Huis van Oranje en vernietiging der oude
partijschappen.
Te zelfder tijd begonnen in Den Haag Van Hogendorp, die met het oog op
een mogelijke bevrijding reeds de schets van een grondwet had opgesteld,
Van der Duyn van Maasdam, de graaf Van Limburg Stirum en nog drie
anderen met datzelfde doel geheime bijeenkomsten te houden. Hoewel in
geen onmiddellijke betrekking tot het Haagsche zestal staande, waren
Kemper en Falck toch niet onbekend met hetgeen dat zestal wilde.
Doch vooreerst scheen er van bevrijding nog geen sprake, want weer zoo
rusteloos als ooit te voren was Napoleon bezig, Frankrijks strijdmacht
te herstellen. Zoo bepaalde hij reeds bij een decreet van den 24sten
Januari 1813, dat de conscriptie dat jaar verscheidene maanden vervroegd
zou worden. Vervolgens liet hij de lotelingen van 1809 tot 1812, die
nog niet gediend hadden, onder de wapenen roepen. Voorts werden uit
Spanje regimenten ontboden die, met de soldaten en kaders uit Rusland
teruggekeerd, bestemd werden om het jonge personeel te onderwijzen en de
kern te vormen voor nieuwe afdeelingen. Eindelijk moest onder de wapenen
komen--de lichting van 1814! Niet veel meer dan knapen dus nog.
»Nu nemen ze letterlijk alles, van huisvaders tot kinderen!" zuchtte het
onderdrukte volk. »Straks zullen ook nog de kreupelen, bijzienden en
halflammen den Keizer moeten dienen!"
En waarlijk, daar begon het spoedig veel op te lijken. Reeds in 't
vorige jaar toch had Napoleon bevel gegeven tot het oprichten eener
Nationale garde (schutterij) verdeeld in twee bans. De eerste ban
was verdeeld in cohorten en mobile nationale gardes: hij bestond uit
80.000 jongelingen die, òf vrijgeloot waren, òf vrijstelling wegens
broederdienst hadden gekregen, òf door geringe lichaamsgebreken niet in
de conscriptie waren gevallen. Beide bans zouden echter nooit, volgens
een Keizerlijk decreet, in het veld worden gebruikt.
Napoleon bekommerde zich evenwel thans weinig om dat vroeger besluit en
bepaalde, dat zij zich met het leger te velde zouden vereenigen. Ja, er
kwam zelfs nog een oproeping van een derden ban, bestaande uit mannen
die reeds jaren gehuwd waren, plaatsvervangers hadden gesteld, of om
andere gewichtige redenen vrijstelling hadden bekomen.
Door deze verschillende maatregelen, berekende de Keizer, zouden alle
gaten weer gestopt wezen en het leger zelfs nog grooter dan vóór den
Russischen veldtocht zijn.
Het uittrekken van de 80.000 man cohorten had plaats onder groote
weerspannigheid, maar ook de opschrijving voor den krijgsdienst
veroorzaakte op sommige plaatsen vreeselijke opschuddingen. Te
Oud-Beierland bijvoorbeeld moest de prefect zelf overkomen om de
lichting te bewerkstelligen met behulp van de gewapende macht, waarbij
de opstand in het bloed van een aantal boeren werd gesmoord.
Van gelijke gevolgen was het verzet, dat zich half April in Rijnland
openbaarde, toen de Fransche autoriteiten de gehuwden voor den tweeden
ban begonnen op te schrijven. De anders zoo vreedzame huislieden stonden
in een oogenblik van wanhoop op en verscheurden de lijsten der
krijgsopschrijvingen, waarna ruim twintig personen werden gekerkerd.
Aan de Zaanstreek, in Delfland en het Westland ging het desgelijks en
met hetzelfde gevolg. In het geheel werden vijftien landgenooten, bij
deze woeligen betrokken, ter dood gebracht, terwijl vele anderen tot
dwangarbeid, gevangenisstraf en verbanning werden veroordeeld.
Duidelijk echter had men gezien, hoe onder den algemeenen druk
zoowel de Patriotten als de Oranjegezinden snakten naar vrijheid en
onafhankelijkheid. Er scheen geen twijfel, of de vrijheidskreet zou
weerklank vinden, zoo die slechts door mannen van achting en aanzien
met kracht en vastberadenheid werd geuit. Om nu den lust tot opstand bij
de Nederlanders voor goed te onderdrukken richtte Napoleon een _garde
d'honneur_ op, bestaande uit jongelingen van de aanzienlijkste familiën,
die hun kostbare uitrusting zelf moesten betalen en hem in náám als
eerewacht, in werkelijkheid als gijzelaars moesten vergezellen. De
aanneming tot deze garde werd als een gunst voorgesteld, wat niet
wegnam dat vooral in Amsterdam De Celles meestal dwang moest aanwenden,
om de jongelieden van het keizerlijk gunstbewijs gebruik te doen maken.
Het gebeurde zelfs wel, dat er voor eenige der gepreste jongelingen,
bloedverwanten van gelijken stand en leeftijd zich als plaatsvervangers
aanboden.
»U is wel vriendelijk, mijnheer," antwoordde De Celles dan met
hatelijken spot, »om zóó onze wenschen te voorkomen en de eer te
erkennen, die 's Keizers decreet van 5 April u vergunt. Inderdaad,
het was te wenschen, dat àllen zoo dachten!" En dan werden beiden,
de gepreste en die hem wilde vervangen, in dienst gesteld.
Onder al die kwellingen wachtte men hier te lande met angstige spanning
den loop der gebeurtenissen in Duitschland af. Tegen de gezamenlijke
legers van Rusland, Pruisen en Zweden,--waar later dat van Oostenrijk
nog bij kwam,--streed Napoleon met afwisselend geluk, doch de bulletins
en dagbladen vermeldden weer de eene overwinning na de andere.
Bert en Bruno hadden thuis al zoo vaak gehoord, hoe onbetrouwbaar die
berichten waren, dat zij in hun jongenswijsheid meenden, de menschen
daarvoor toch eens te moeten waarschuwen.
En toen er nu weer zoo'n biljet was aangeplakt, slopen de onnadenkende
bengels naar hun zolderkamertje, namen een vel papier en, na oneindig
veel hoofdbrekens, verscheen daar eindelijk een achtregelig versje op.
Het toeval wilde, dat zij 's avonds voor hun vader een boodschap moesten
doen. Stilletjes liepen zij nu naar de Doelenstraat en terwijl Bert
op den uitkijk ging staan of er geen onraad kwam, plakte Bruno hun
rijmprodukt vlak onder het bulletin van mijnheer De Celles. Grinnekend
van pleizier gingen zij daarop weer naar huis.
De menschen die den volgenden morgen door de Doelenstraat kwamen, hadden
niet weinig schik toen ze daar, onder het bulletin dat met zooveel ophef
een nieuwe overwinning van den Keizer meldde, ter inlichting lazen:
't Is louter kool en Fransche wind
Al wat men hier van 't leger vindt,
Wie nog de bulletins gelooft,
Is zeker toch niet wel bij 't hoofd;
Napoleon, die menschenplaag,
Krijgt tegenwoordig telkens slaag;
Ja, als dat zoo nog voort blijft gaan
Dan is zijn macht gauw naar de maan.
't Werd spoedig een heel oploopje, daar in de Doelenstraat; elk wilde
met eigen oogen dat versje lezen waar zoo druk over gesproken werd; men
duwde en drong elkander om er bij te komen. Dat duurde zoo voort tot
opeens die hatelijke gendarme Jean Malon verscheen en nijdig het
rijmprodukt van Bert en Bruno afscheurde. Gelukkig voor de deugnieten
had hun streek geen noodlottige gevolgen, en zij verheugden zich, de
menschen, naar zij meenden, nu toch eens wat beter te hebben ingelicht
dan die bulletins altoos deden.
In werkelijkheid echter voerde Napoleon den krijg aanvankelijk niet
ongelukkig. Den 2den Mei behaalde hij bij Lützen een overwinning,
welke den 23sten door een tweede, bij Bautzen, gevolgd werd. Zijn
veldmaarschalken Oudinot, Macdonald en Ney waren echter minder
voorspoedig. Na een wapenstilstand van twee maanden werden hun legers in
Augustus en September achtereenvolgens verslagen en eindelijk stond de
Fransche Keizer,--die eerst nog een schitterende zege te Dresden had
behaald,--met slechts 170.000 man tegenover 300.000 van de bondgenooten,
in de vlakten bij Leipzig. De bloedige veldslag die hier geleverd werd
en van den 16den tot den 19den October duurde, viel ten nadeele van
Napoleon uit. De eens zoo machtige Keizer was zelfs genoodzaakt, zich in
Frankrijk terug te trekken en de geallieerden rukten voort tot aan den
Rijn.
Groot was de schrik en ontsteltenis der Fransche ambtenaren hier te
lande, toen de uitslag van dezen strijd in Holland bekend werd, grooter
evenwel de blijdschap van het zoo lang onderdrukte Nederlandsche volk.
Het Haagsche zestal meende nu een stap verder te kunnen gaan en zich de
medewerking van een aantal personen uit de gezeten standen der
maatschappij te moeten verzekeren. Daartoe stelde ieder van hen zich in
betrekking met vier personen, die, zonder elkaar te kennen, zich
verplichtten om op het eerste teeken gereed te zijn en naar het
ontvangen bevel te handelen. Deze vier kozen weer vier anderen, en op
die wijze konden de zes weldra op 400 personen rekenen. Ten einde de
nasporingen der Franschen te ontgaan werd niets op schrift gesteld. Tot
deze voorbereidende maatregelen beperkte men zich vooreerst: het uur om
te handelen scheen nog niet aangebroken.
Anders dacht het volk te Amsterdam er over.
Op de nadering der Pruisen en der Russen bracht het eene beurtschip na
het andere vluchtende Fransche ambtenaren en douanen uit de steden in
het Noordoosten van ons land, naar Amsterdam, waar hun vervoer met
wagens en schuiten naar het Zuiden dag en nacht werd voortgezet. De
diligences naar Antwerpen, Brussel en Parijs waren tot stikkens gevuld
met vertrekkenden, en het inpakken van goederen in de hotels der
hoofdambtenaren, ja zelfs op het Paleis, duidde aan, hoe zij die
achterbleven voorzagen, dat het wellicht spoedig ook hun beurt zou
worden. Amsterdam's burgerij begon onder het zien van al die bedrijven
met den dag vrijmoediger te worden. De vrees voor de politie had reeds
een einde: reeds Zaterdag den 13den begroetten de burgers elkaar op
straat met de levendigste vreugde en wenschten elkander, zonder omwegen,
geluk met de naderende bevrijding. Zondagavond nam de blijdschap nog
toe, bij het gerucht dat zeventien schuiten aan de Berebijt gereed
lagen om de 800 man van het strafbataillon, naar Utrecht te vervoeren.
Duizenden liepen naar den Amstel en toefden er tot omstreeks
middernacht, toen ze werkelijk de schuiten, opgepropt met Fransche
manschappen, zagen afvaren. Ook de gewapende douanen trokken nog dien
avond af, onder het gejuich en gejouw der menigte.
Den volgenden morgen kwam een buurman de familie Vermaat met een
stralend gezicht vertellen, dat generaal Molitor met zijn 1600 man 's
nachts in alle stilte naar Utrecht was gegaan. »En nu is 't Oranje boven
in de stad!" vervolgde de man opgewonden. »Aan den Zandhoek, hoor ik,
staat al een Oranjeboom en daar dansen jonge meisjes in 't wit om heen,
dat het een liefhebberij is! En de garen- en lintwinkel op de Leidsche
straat hing vol met Oranje lint! Maar die werd binnen een half uur al
leeg verkocht! Eindelijk is het dan toch Oranjeboven!"
»Ei kom," zei mijnheer Vermaat, »ik kan het nog maar slecht gelooven."
En hij stond op, om naar zijn kantoor te gaan; want na lang tobben had
hij eindelijk een baantje gevonden, dat redelijk wel betaald werd.
[Illustratie: Een oogenblik later sloegen de vlammen het houten
gebouwtje reeds uit.]
»Niet gelóóven? Maar, luister dan!... Daar hoor ik juist een troep
aankomen... Nu zult u toch zeker niet meer twijfelen!"
Allen stormden naar de stoep! En daar zagen zij een veertig of vijftig
mannen, vrouwen en kinderen, met Oranje versierd, die liepen te zingen:
»_Al is ons Prinsje nog zoo klein_," terwijl ze tusschenbeide luidkeels
schreeuwden: »De Franschen zijn weg, de Franschen zijn weg! Oranje
boven!"
Het zingen klonk valsch en het roepen was ruw, maar toch werden allen er
van ontroerd.
»Tjonge, tjonge! Als ze maar niet te gauw roepen," zei mijnheer Vermaat.
»Het heele Fransche bestuur is er toch nog en als dat maar even naar
Utrecht seint... Hei, jongens! waar wou jullie heen?"
»We mogen toch wel eens kijken, hé vader?" vroeg Bert.
»Als jullie in 's hemelsnaam toch maar voorzichtig bent!" zei moeder
bezorgd.
»Zeker, zeker!" riepen Bert en Bruno, die dit maar voor een verlof
hielden. En wèg waren ze reeds.
Eerst gingen ze door de Kalverstraat. Daar bleek me wat aan de hand! 't
Was er een gejoel en gedruisch, dat de jongens hun eigen woorden haast
niet konden verstaan! De straat zag zwart van de voetgangers en alle
koffiehuizen zaten vol met lachend-pratende menschen, die openlijk op
het vertrek der Franschen en de verlossing van Nederland dronken, zich
in 't minst niet meer bekommerend om betaalde spionnen.
Met moeite kwamen Bert en Bruno op den Dam. Ook hier was het volk reeds
op de been, ook hier klonk herhaaldelijk de vroolijke kreet: _Oranje
boven!_--en af en toe begon men daar reeds tusschen te roepen: _Weg met
de Franschen!_--en wel zóó krachtig en luid, dat mijnheer Le Brun, op
het Paleis, het stellig duidelijk hooren moest.
Toen de beide jongens aan het eind van het Damrak gekomen waren, riep
Bert opeens: »Kijk Ep de Breukelaar, wat gaat _die_ nu toch beginnen?"
»'t Is, of hij iemand uit het water redden wil. Hij trekt ten minste
zijn buis al uit!" zei Bruno.
Maar toen zagen zij, dat hij een Oranjevlag te voorschijn haalde en
ontplooide.
»Ja, menschen," zei hij tegen de omstanders, »al zes weken achter elkaar
heb ik die onder mijn kleeren gedragen! Maar nou, Goddank, behoeft dat
toch niet langer!"
Onmiddellijk waren vier wakkere maats gereed om hem te helpen. En dra
stond, aan een hooge steng, het dundoek op de Zuidwestzijde der Nieuwe
Brug, ter plaatse waar Y en Amstel elkander ontmoeten.
Zoo wapperde dan nu voor het eerst weer de Oranjevlag in Neerland's
hoofdstad en met daverend hoezee-gejuich werd zij begroet. Binnen
weinige minuten hadden al de omstanders zich met Oranje getooid, hing
Oranjelint te koop in tallooze winkels, wier eigenaars tot nog toe
geaarzeld hadden, en nog geen uur daarna versierde die kleur de dichte
volksmassa's, die juichten en jubelden in alle buurten der groote stad.
De honger dreef Bert en Bruno eindelijk naar huis, maar na den maaltijd
gingen zij onmiddellijk de straat weer op, om te zien wat daar verder
voorviel.
Op de Botermarkt[6] zagen zij een dichte volkshoop voor de hoofdwacht
der Nationale garden saamgestroomd, die reeds vrij rumoerig bleek.
Kolonel Van Brienen, die er het bevel voerde, sprak de menigte echter
met warmte en waardigheid toe en vermaande haar, zich van baldadigheid
te onthouden.
[6] Het Rembrandtsplein.
»Leve Kolonel van Brienen!" was het honderdvoudig antwoord en dansend en
springend ging het volk heen, onder het zingen van het lied:
Nu zijn de Franschen van den vloer, Hoezee!
Prins Willem komt nu aan het roer, Hoezee!
Nu dansen wij weer hand aan hand
Voor 't oude, lieve vaderland.
't Is Oranje, 't blijft Oranje, toch Oranje boven!
't Bleek allerwege vroolijkheid; op de pleinen, op de sluizen, overal
waar maar plaats was, zag men dansende troepjes en wie er aankwam, werd
juichend in den kring getrokken en moest meedansen. Bert en Bruno hadden
het zeker wel vijftig maal gedaan en nóg waren zij de pret niet moe.
Tegen den avond bevonden zij zich op het Droogbak, waar groote
volkshoopen, joelend en schreeuwend, en met stokken gewapend, zich op
dat oogenblik te zamen dromden.
»Zouden we nu toch niet eens naar huis gaan?" vroeg Bruno.
»Ja," zei Bert, »moeder mocht ongerust worden, als we nog langer
bleven."
Maar juist toen ze heen zouden gaan gebeurde er iets, dat hen tot
blijven noopte. Bij het volk, door de Fransche tolbeambten en commiesen
zoo vaak gekneveld en uitgebuit, ging eindelijk de behoefte aan wraak
zich in daden uiten.
»Daar hèb je zoo'n afzetterskrot!" zei de ballastschipper »Kees draai
me een loer," en hij schopte verachtelijk tegen de houten barak der
douanen, die daar stond.
Een sleeper spuwde er tegen.
»Laten we de keet omver halen!" schreeuwde een knuistige varensgast.
»Neen, in brand steken!" riep een sjouwerman.
Dat vond gretig bijval; verscheidene mannen, schippers en sjouwerlui,
beijverden zich om lichtbrandbare stoffen bijeen te sleepen.
»Vuur, hier heb jullie vuur, menschen!" krijschte van verre een schrale
oude-vrouwenstem. Bedrijvig kwam een schonkerig, kromgegroeid bestje met
een glimmende kool in een stooftest aangejacht.
De tongpunt stak tusschen haar verwelkte paarse lippen en de geslonken
borst hijgde piepend onder de inspanning waarmee het krom
geraamte-lijfje zich voorwaarts repte.
»Hier, menschen, hier; ik zal je helpen!" gorgelde het niettemin uit
haar dorre keel in schrale, kort-uitgehijgde snerp-geluidjes.
»Hoezee!" brulden de kerels en »Kees draai me een loer," de test
aannemend, klopte het menschje op den rechter schouderschonk en zei:
»Bedankt, ouwe! Nou mag je zoo meteen je eens lekker warmen, voor je
moeite!"
De lichtontbrandbare stoffen vatten dadelijk vuur en een oogenblik later
sloegen de vlammen het houten gebouwtje reeds uit. Een luid
triomfgeschreeuw ging uit de menigte op en afschuwelijk schril klonk de
lach der oude, die het vuur geleverd had; het magere, kromme lijfje
schokte; en haar krukje stampte zij op en neer, onder die
weerzinwekkende uitbarsting van haar wraakgenot.
De zucht tot brandstichten werd aanstekelijk; kerels en wijven zochten
halfverbrande stukken hout te bemachtigen en snelden er mee weg, om een
volgend octrooihuisje aan te steken. Er stonden er meer dan twintig,
daar aan den Buitenkant. En binnen het uur stegen, op een lengte van
ongeveer een Hollandsche mijl, uit al die verblijven der gehate douanen
de vlammen ten hemel, zoodat men in Waterland en aan de Zaan meende, dat
half Amsterdam in brand stond.
Drie personen, die pas met de Harlinger beurtschuit aangekomen waren,
stonden met ernstige verbazing het woeste schouwspel aan te zien.
Nauwelijks echter had Bert het drietal bespeurd of hij gaf zijn broer
een bof in den rug van blijde verrassing en riep: »O, Bruno!--Daar heb
je Reinier!"
»En Jakob Stargardt met zijn moeder!" schreeuwde Bruno verrukt. Want in
't zelfde oogenblik had ook hij het drietal in 't oog. Als dol draafden
de jongens nu hun broer en de beide Stargardts te gemoet, niet achtend
de stompen en verwenschingen die hun deel werden, waar zij, zich door de
menigte spoedend, er een op de teenen trapten of tegen het lijf boften.
»En waar zijn vader en moeder?" vroeg Reinier, onmiddellijk na de
allerhartelijkste begroeting. Want hij kon natuurlijk niet denken, dat
de knapen, geheel alleen, zoo laat nog aan den Buitenkant zouden zijn.
Bert en Bruno bekenden met schaamte, dat zij eigenlijk lang reeds thuis
behoorden te wezen, maar zich, door het willen bijwonen van de
verbranding der douanenhuisjes, zoo schandelijk verlaat hadden.
»Allo, dan met spoed mee naar huis!" zei Reinier, »want vader en moeder
zullen doodelijk ongerust over jullie zijn!"
Maar van dien spoed kwam vooreerst niet veel, want opeens riep Bert:
»Daar komt de patrouille van de garde-te-paard! Nu zal 't er spannen!
Wisten we maar een goed heenkomen!"
»Hm! ze rijden nog al zacht," zei Jakob Stargardt. »Het beste zal wezen,
dat we maar met den stroom mee gaan."
Inderdaad, de patrouille, allen Hollandsche lotelingen--waaruit trouwens
de geheele garde was samengesteld--reed langzaam met ontbloote sabels,
door de menigte. Geen paard lieten zij springen, geen sabel werd tot
slaan gebruikt; statig reden zij voort. Hier en daar moesten zij
ophouden. »Hei mannen!" riep het volk, »jullie bent net zoo goed
Hollandsche jongens als wij! Zou je dan niet ereis op de gezondheid
van den prins willen drinken!" en dan werden hun glazen bij glazen
toegereikt en spelde men hun groote oranjestrikken op de witte mantels,
terwijl de meesten van hen mooi dronken in de kazerne terugkeerden.
»Hé, Vermaat!" riep een man, Reinier herkennend, »ben je waarachtig de
ellende ontkomen?" 't Was een vroegere klant van zijn vader, die menig
pondje tabak uit den winkel gehaald had.--»Nou, wat zeg je er van?" ging
hij voort: »Een prachtig vuurwerk, hè?"
»Dom genoeg," zei Reinier. »Als meneer De Celles het morgen naar Utrecht
seint, wat hier aan de hand is, dan kan generaal Molitor met zijn volk
weer gauw genoeg in Amsterdam terug wezen. En dan..."
»Waarachtig! hij heeft gelijk!" riep »Kees draai me een loer." En toen
tot het volk: »Komt jongens! We moeten naar de Weesperpoort, om de
telegraaf te vernielen! Anders brengt die stille verklikker het naar
Molitor of misschien wel naar Parijs over, dat we hier van avond een
pretje hebben!"
»Ja, ja! Naar de telegraaf!" schreeuwde de menigte en een dichte drom
bewoog zich nu in de richting van het Weesperplein. Heel dien nacht
bleef het volk op de been en terwijl het bij gansche troepen, zingend
en joelend, zich door de straten bewoog en overal de Fransche
wapenborden afrukte en vernielde, zaten mijnheer Vermaat en zijn vrouw
met betraande oogen te luisteren naar het lijdensverhaal der drie
zwervelingen.--O, hoe ànders bleek die ontzettende terugtocht te zijn
geweest, dan de bluffende bulletins en de leugenachtige dagbladen
verteld hadden!--En eindelijk, toen reeds alles geleden scheen, wat
vreeselijke dagen toen nog, daar in dat hospitaal te Koningsbergen!
Maanden lang hadden zij er gelegen in worsteling met den dood, maar hun
sterk gestel had toch ten slotte gezegevierd. Doch toen zij het ten
laatste verlieten, waren het Duitsche in plaats van Fransche dokters,
die hen hersteld verklaarden. Want heel Pruisen, enkele vestingen
uitgezonderd, bleek van Franschen te zijn bevrijd. Reinier en Jakob
behoefden dus niet bang te zijn, opnieuw bij het Fransche leger te
worden ingelijfd, tenzij ze dat zelf gewenscht hadden. Zij besloten
toen, de kans af te wachten, weer veilig naar het Vaderland terug te
kunnen keeren en zoo waren zij dan nu eindelijk weer in Amsterdam.
Aanvankelijk meenden moeder Jane en haar zoon, voorloopig in een herberg
hun intrek te nemen, doch de Vermaats wisten te bewerken, dat zij net
zoo lang van hun gastvrijheid zouden gebruik maken, tot zij een
geschikte woning hadden gehuurd.
Zestiende Hoofdstuk.
Oranje boven!
Den volgenden dag mochten Bert en Bruno, tot straf voor hun laat thuis
komen, de deur niet uit. Reinier en Jakob gingen echter de stad in,
benieuwd naar het verder beloop der gebeurtenissen.
Op straat bleek het veel rumoeriger nog dan daags te voren. Al dadelijk
ontmoetten zij een bende woestelingen, aangevoerd door kerels met
knuppels, terwijl de hoofdman een knuppel droeg, geheel met oranjelinten
versierd. Daarachter kwamen een aantal jonge kerels van het gemeenste
rapalje, met witpapieren strooken om hun hoeden, waarop in plompe
cijfers het nummer stond, dat hun in de loting voor de conscriptie was
te beurt gevallen.--»Hier heb jelui nog verzwegen conscrits! Hier bennen
jongens, die derlui verzwegen hebben!" gilde en brulde, met gloeiende
koppen en puilende oogen, de woeste troep.
»Nou naar de Doelenstraat!" schreeuwde de aanvoerder.
»Ja, naar de Doelenstraat!" tierde de bende. »Dan zullen wij dien schelm
van een De Celles uit zijn huis halen!"
»En hem ophangen in de post van zijn deur!" voegde de hoofdman er aan
toe.
»Ik ga mee!" riep een smidsgezel, die 't hoorde, terwijl hij haastig een
hamer en een grooten spijker greep. Een slager hield triomfantelijk een
stuk touw omhoog en sloot zich insgelijks aan bij de moordlustige bende.
»Maar De Celles is al weg," zei er een, die tot nog toe vergeefs gepoogd
had, zich verstaanbaar te maken. »Hij is van morgen met meneer Le Brun
naar Utrecht afgetrokken."
»Hij is niet weg!" verzekerde de aanvoerder. »Hij lijdt aan 't pootje.
Ik weet secuur, dat de schelm nog niet weg is! En hij zal er aan
gelooven, de hond!"
»Drommels, dat loopt verkeerd," zegt Reinier. »Als het volk zóó gaat
beginnen, waar zal dan het einde zijn!"
Maar Jakob antwoordde niet. Hij dacht aan alles, wat hij en zijn
familie reeds door dien man geleden hadden en hij smaakte een oogenblik
een wreedaardig genoegen bij het vooruitzicht, dat ~nú~ het uur der
vergelding bleek aangebroken, dat ~nu~ het einde van den onmenschelijken
prefect nabij was.
Maar opeens bedacht hij, hoe het een eeuwige schande voor zijn
vaderstad zou blijven, zoo het volk werkelijk volvoerde, wat het vóór
had. En dan--Reinier had gelijk--als het Janhagel eenmaal begòn te
moorden, dan was er alle kans, dat het daarmee niet zoo dadelijk weer
zou eindigen. Maar--wat er aan te doen?
Plots kreeg de dolzinnige troep, op zijn weg naar De Celles' huis, een
paar wapenborden met den Franschen adelaar in 't oog! Die moesten er
eerst afgerukt en tot een vreugdevuurtje verstookt worden!
»Kom mee," zei Jakob, »door dit oponthoud kunnen wij den moord misschien
nog voorkomen!"
Zij snelden nu de uitgelaten bende vooruit, naar De Celles' woning.
Den huisknecht, die hen keeren wilde, smeten ze op zij en doorliepen
vervolgens eenige leege vertrekken. Onhoorbaar waren hun stappen op
de zachte tapijten. Eindelijk vonden zij den door pijnen gefolterden
prefect, schier radeloos van angst, terwijl hij vloekend en klagend zijn
papieren en kostbaarheden ter verzending deed inpakken.
»Dit huis is _mijn_ huis!" riep de man wanhopig, toen hij het tweetal
zag binnenkomen; tegelijkertijd greep hij naar een pistool, dat naast
hem op de tafel lag.
»Schiet niet!" riep Jakob, »want dat is juist uw ondergang!"
»Wij behooren niet tot de opstandelingen," zei Reinier. »Wij komen u
redden... Het oproerige volk is al op weg naar hier... Het zal u
vermoorden, zoo u zich niet in alles door ons raden laat!"
Jakob wist nu den wanhopigen prefect te bewegen, zich in een afgelegen
donker vertrekje te laten opsluiten en hem zijn keldersleutel toe te
vertrouwen. Daarop liet hij de knechts eenige ankers wijn op de stoep
zetten; vervolgens ging hij zelf voor de geopende huisdeur staan en
wachtte zoo het volk af. Reinier was inmiddels reeds heen gesneld om de
hoofdmacht der gardes te waarschuwen.
Daar kwamen zij aan, de woest tierende belhamels, vlammend op het
leven van den man, die hen zoo lang getergd en onderdrukt had.--»Nou
is het onze beurt!" schreeuwde de smidsgezel, den grooten spijker als
gereedhoudend, om dien in de deurpost te hameren.--De varkensslachter
strekte zijn touw langs de wijdgespreide armen uit: »Wat dunkt je,
menschen, zou het lang genoeg zijn?" vroeg hij met een boosaardigen
lach.--»Er schiet nog best een eindje voor Devilliers-Duterrage over!"
spotte een half dronken schippersgast.--Een daverend vreugdgebrul klonk
als goedkeurend antwoord.
Inmiddels was de troep het huis genaderd; Jakob Stargardt wenkte met de
hand;--»Wel jongens!" riep hij met zijn krachtige stem: »Een beetje te
laat is véél te laat; de vogel is al gevlogen! Maar hier heb ik zijn
sleutels. Deksels nog toe, de schelm heeft zoo 'n goeden wijnkelder!
'k Heb alvast den heelen voorraad naar buiten gesjouwd, om met jullie
op de gezondheid van den Prins van Oranje te drinken!"
In woeste graaizucht viel de bende nu op de meer dan honderd flesschen
aan, met hun tanden rukten zij de kurken af, gulzig zwelgend den
kostelijken wijn, die hun als bloed langs mond en kleeren droop.--»Nou
bennen we groote heeren, nou maggen we ook 'ereis volop wijn zuipen!"
schreeuwde de aanvoerder van het plebs. Opnieuw nam hij een geweldigen
slok; maar hij verslikte zich, waardoor schier de gansche rest van
het vocht hem bij den hals in gulpte.--»Vervloekt," riep de woesteling,
»ik heb genoeg van dat kleverige tuig!" Kletterend wierp hij de flesch,
waarvan de inhoud hem eigenlijk in het geheel niet gesmaakt had, tegen
de straatsteenen aan scherven.--»Vooruit, jongens!" schreeuwde hij toen.
»Naar de Oude Turfmarkt!"
»Ja, ja, naar de Oude Turfmarkt!" herhaalden verscheidene stemmen. En
joelend en tierend trok de losbandige troep weer voort: Het leven van
den prefect bleef verschoond. 's Avonds werd hij, met zijn secretaris
Dubois, in een overdekte schuit gebracht, die bij zijn huis lag, en wist
veilig uit de stad te komen.
Op de Oude Turfmarkt, waar de plaats-commandant woonde en de Fransche
politie haar hoofdbureaux gevestigd had, ging de menigte, door den wijn
nog doller geworden, veel ontstuimiger te werk. Voor deze bureaux--twee
aanzienlijke huizen--lag een drijvend vlot, waarop een houten gebouw,
het schoutshuisje, stond, met een vertrek voor de directie, een tweede
voor de agenten en een derde ter bewaring der arrestanten die naar de
politie waren overgebracht. Berucht als holen van willekeur en tirannie,
waren zij thans ter bewaking toevertrouwd aan een kleine afdeeling van
Nationale gardes, die echter geen oogenblik aarzelde, om zich tegen de
beraamde vernieling te verzetten. Doch wat vermocht het geringe aantal
tegen de aandringende, opeengepakte menigte, die nog voortdurend grooter
werd? Nadat de officier en een der manschappen zware wonden hadden
bekomen, werd de post overweldigd, het schoutshuisje in brand gestoken
en de bureaux aan de plundenaars prijs gelaten. Van boven tot beneden
zijn in weinige oogenblikken al de vensterramen dier hooge huizen
verbrijzeld, kostbare spiegels, commodes, tafels, stoelen, pendules,
lampen, porselein, alles wordt met duivelsche vernielzucht de ramen
uitgesmeten, de bedden worden opengesneden en het dons, evenals de
losgescheurde bladen der registers en schrifturen, in de gracht
geworpen. Duizenden menschen aanschouwen dit tooneel van schandelijken
moedwil en vernielzucht.
Eensklaps rijst, onder 't gewoel, gejuich, gedruisch en gekraak, een
kreet van ontzetting op!... Dertig of veertig Fransche gendarmes komen
rennend van de Doelenbrug met uitgetrokken sabels en werpen zich te
midden der dichte drommen! De toeschouwers stuiven uit elkaar! Maar het
gemeen blijft stand houden.----»Niet wijken, niet wijken!" riepen de
opstandelingen. »Smijt de honden in het water!... Weg met dat Fransche
canaille!..."--De gendarmes, niet in staat met hun sabels ruim baan te
maken, branden hun karabijnen los, die dood en verderf onder de menigte
brengen. Maar het gezicht der gevallenen verdubbelt de woede der
opstandelingen; ze werpen zich tandeknarsend op de kavaleristen, halen
den aanvoerder van zijn paard, smijten er eenigen in het water en
drijven de anderen op de vlucht. Ook de plaats-kommandant is nog in
tijds ontkomen.
De plunderaars zouden echter niet lang meester blijven van het slagveld.
Welhaast rukken Nationale garden in dichte drommen aan, vuren hun
geweren af, en, met kracht voortdringende, doen zij de plunderaars
verstuiven, die verscheidene gewonden en zelfs dooden achterlieten.
Jakob, die de plundering van de politiebureaux tot aan de komst der
gendarmes had bijgewoond, had daarop spoedig Reinier weer ontmoet, die
hem dadelijk zijn wedervaren vertelde.
»Toen ik aan het gebouw van de hoofdwacht kwam," zei Reinier, »liet
kolonel Van Brienen daar juist parade houden. Met verbazing zag ik, hoe
hij daarbij verscheen als Hollandsch bevelhebber, zonder adelaar op den
chako. Denkelijk deed hij dit, om zijn vertrouwen op de burgerij te
toonen en haar te bemoedigen.--Nu, zijn manschappen bleven niet achter,
dat begrijp je! Onmiddellijk rukten ook zij de teekenen der dwingelandij
van hun chako's, vertrapten ze en, onder het presenteeren en kletteren
der geweren, zwoeren zij hun bevelhebber trouw! De Fransche jagers, die
óók op de Botermarkt stonden, zagen dit tooneel met groote oogen aan en
zochten, na den post aan kapitein Falck overgegeven te hebben, als de
wind een goed heenkomen!"
Jakob vertelde nu op zijn beurt, hoe het bij De Celles was afgeloopen.
Inmiddels waren zij, aan de overzijde van het Rokin, tot bij de
Olieslagerssteeg gekomen, toen zij ook dáár een bende opstandelingen
aan den gang zagen. Het bureau en de woning van den gehaten
politie-commissaris Veyl bleken het te moeten ontgelden. Het bureau op
den wal, tegenover de woning, is welhaast aan de vlammen prijs gegeven,
en nu volgt de plundering van het huis. Alles wordt er vernield, stuk
geslagen en naar buiten geworpen. Hoewel de garden van den prefect in
't hoekhuis aan de steeg waren gehuisvest, kwamen zij niet tegen dien
euvelmoed in verzet. Zélf slachtoffers van dwang en willekeur,
huiverden zij, om zich aan de volkswraak bloot te stellen.
De beide vrienden zwierven nog eenigen tijd de stad door, om te zien hoe
het elders gesteld was.
Zij vernamen, dat het volk reeds vroeg in den morgen naar het Werkhuis
was getrokken en er Emanuel van Praag en Barth Meyer, benevens nog
enkele andere gevangenen met geweld bevrijd had.
Van het Werkhuis was de menigte naar het Spinhuis getogen, waar andere
slachtoffers der vroegere, mislukte opstanden waren gekerkerd. Ook deze
gevangenen had men verlost en in zegepraal rondgevoerd. Ten slotte had
het volk de onschuldig gevangenen in het Verbeterhuis de vrijheid
hergeven.
Hadden zij zelf den moord op De Celles weten te keeren, ook door anderen
werden buitensporigheden voorkomen. Zoo wisten Kapitein Falck en de
Kattenburgers, naar zij hoorden, een machtige bende opstandelingen tegen
te houden, die het uitzinnige plan hadden gevormd om de magazijnen,
de pakhuizen der douanen en de gebouwen der Keizerlijke tabaksfabriek
op de eilanden Kattenburg, Wittenburg en Oostenburg te vernielen; en
de bewoners van Droogbak voorkwamen het in de lucht springen van 't
bedreigde kommandantsjacht--een vaartuig van den chef der douanen,
dat veel buskruit aan boord had--door, alvorens de aanrukkende benden
naderden, dit schip te bemachtigen, het kruit over boord te werpen en de
Hollandsche vlag in top te hijschen.
Maar lang niet overal kon de dolle moedwil van het gepeupel worden
voorkomen. Zoo zagen Reinier en Jakob een andere bende van woestelingen
bij het huis van den politie-commissaris Chandon en dat van den
ontvanger der belastingen Jonas, hun domme, schandelijke vernielzucht
uitvieren. Chandon lag ziek te bed. Zijn dienstmeisjes riepen dit het
volk toe, smeekend, haar meester toch te sparen.
»Laat hem zijn eigen dood sterven!" schreeuwden de dolzinnigen. »Onze
handen zijn veel te goed, om zoo'n Franschen hond te vermoorden! Maar
de boeken moeten we hebben!"
In doodsangst werden zij afgestaan. Daarop stak het rapalje het houten
kantoortje aan den waterkant in brand en wierp de registers en
schrifturen in het vuur.
Minder goed kwam Jonas er af. Ook bij hem verbrandde het losbandige
grauw het houten kantoortje aan den wal en, om het eens ferm te laten
lieren, haalde het eenige vaten boter uit 's mans kelder en wierp die op
den vlammenden hoop. Daarop begon de menigte het huis te plunderen en
hierbij waren Jakob en Reinier bijna het slachtoffer geworden hunner
pogingen, om de benden tot bedaren te brengen. Nauwelijks toch hadden
zij, na een ernstige vermaning, de stoep verlaten, of een zware geldkist
kwam door een der bovenramen getuimeld en sloeg barsten en gaten in
zerksteen en metselwerk.
Een afdeeling Nationale gardes kwam aangerukt, om de orde te herstellen,
maar om den hoek van de Vijzelstraat konden zij niet verder door de
onafzienbare menigte van volk. Genoodzaakt tot schieten troffen hun
kogels drie opgeschoten jongens, waarop de plunderende bende in wilden
angst op de vlucht sloeg.
In andere wijken ging het niet beter toe en ten hoogste bekommerd om
alles wat zij gehoord en gezien hadden, keerden de beide vrienden ten
leste naar huis.
»Welnu, wat nieuws?" vroegen moeder Jane en juffrouw Vermaat om strijd.
»'t Is treurig met Amsterdam gesteld," was Reinier's weinig bemoedigend
antwoord. »Het hoofdbestuur heeft de stad verlaten, we zijn op 't
oogenblik volslagen regeeringloos!"
»Ja," zei Jakob, »een bandeloos gemeen, dat van kwaad tot erger dreigt
te gaan, speelt feitelijk de baas; ieder uur kunnen bovendien de
Franschen terug komen; het ziet er voor ons arme Amsterdam dus
bedenkelijk uit!"
Daarop vertelden zij, wat ze zoo al hadden bijgewoond.
»'t Is toch hard voor die gardes," zuchtte juffrouw Vermaat, »om op hun
eigen medeburgers te moeten schieten."
»Dat is het ook," zei Jakob, »maar die medeburgers waren op dat
oogenblik geen menschen meer, maar woeste, losgebroken tijgers."
Gelukkig kwam mijnheer Vermaat tegen den avond met hoopvoller berichten
thuis: Voornamelijk door toedoen van kapitein Falck,--zoo had hij op het
kantoor vernomen,--was door de gezamenlijke officieren der gardes een
commissie uit hun midden benoemd, met opdracht, een aantal geachte,
aanzienlijke ingezeten op te roepen en deze te bewegen, aan de
regeeringloosheid een einde te maken, door zelf het bestuur in handen te
nemen. Deze commissie had onmiddellijk vergaderd en het resultaat harer
bemoeiingen was, dat, zoo aanstonds reeds, de genoodigden in de
vroedschapskamer zouden bijeenkomen.
Reinier en Jakob begaven zich nu terstond naar het stadhuis, om toch
maar zoo spoedig mogelijk den uitslag dier bijeenkomst te kunnen
vernemen.
Inderdaad kwamen weldra twintig van de vier-en-twintig genoodigden in de
raadzaal bijeen. Zoodra allen plaats genomen hadden nam Falck, op
verzoek van Kolonel van Brienen het woord.
»Het is noodeloos," sprak hij, »den toestand der stad voor u open te
leggen. Verlaten door de Hoofden van het Fransch Bestuur,--God geve
dat zij er nimmer wederkeeren!--zijn alle banden van gezag losgemaakt.
Het wilde gedruisch daarbuiten, de vlammen die ten hemel stijgen,
toonen--luider dan _ik_ het vermag--den algemeenen nood. Nog kunnen wij
de woeste menigte beteugelen; maar straks zal zij haar krachten kennen,
en het gevaar niet meer tellen. Dan wordt de dag, die de eerste van ons
geluk moest wezen, het begin van nieuwe ellende. Het gemeen kan door
kogels en bajonetten worden uiteen gejaagd; maar voor anderen dan voor
medeburgers moeten onze kogels en bajonetten zijn; en het volk, al is
het uitééngejaagd, is daarmee nog niet tot bedáren gebracht. Het gezag
alleen kan het onderwerpen, de rust herstellen, en bloed dat ons
dierbaar is, sparen. Zoo lang dit volk nog meent geregeerd te zijn door
Franschen, zoo lang zal de wanorde duren, grooter, ijselijker worden, ja
ten laatste zich van alles meester maken.
Maar toont het volk een Vaderlandsch Bestuur aan het hoofd der stad;
laat het namen hooren, die het oude ontzag en vertrouwen doen herleven:
die klank alleen zal reeds eerbied inboezemen, zal het verschiet van
betere tijden openen! Zoo zal de hoop ontluiken, en met haar de kalmte;
bandelooze woede zal voor zachtere gewaarwordingen plaats maken; en
duizenden handen, die nu slechts brandstichting en vernieling dreigen,
zullen zich wapenen voor de vrijheid! Aanvaardt dan de regeering van
Amsterdam, die wij u opdragen. Of vraagt gij, wat ons daartoe wettigt?
Wij zouden uit naam van het Fransch Bestuur zelve, u dit nieuw gezag
kunnen aanbieden. Maar gij wilt niet, dat het uit zulk een bron zal
vloeien. Al wat in de stad goed of eer te verliezen heeft roept u in, om
haar te beschermen tegen den moedwil. Het Vaderland, dat uit zijn asch
herrijzen zal, roept u in, als de eersten om het te behouden. En zoudt
gij voor die stem uw ooren dan willen sluiten? Gij _kunt_ het niet!"
Na deze overtuigende toespraak verklaarden zeventien van de twintig
aanwezigen zich bereid, om deel te nemen aan het voorloopig bestuur.
De aanstelling van dit nieuwe bestuur werd nu openlijk aan het volk
verkondigd, en de rustverstoorders onder bedreiging van strenge straffen
aangemaand, zich van alle baldadigheden te onthouden en tot orde en
rust terug te keeren. In plechtigen optocht, onder escorte van een
gedeelte der schutterij--welken naam de nationale garde reeds weer had
aangenomen--trokken de benoemde raadsleden bij fakkellicht door de
straten, luide toegejuicht door alle weldenkenden, die door herhaalde
hoezee's hun vertrouwen op het nieuw stadsbestuur te kennen gaven. De
genomen maatregelen hadden het beoogde gevolg, de stad kwam tot rust.
Nog dienzelfden avond werd het gebeurde te Amsterdam aan de verbondenen
in Den Haag bekend.
De Haagsche heeren begrepen, dat nu ook voor hen de tijd van handelen
gekomen was. Den volgenden morgen vertoonden zich Van Stirum en de zonen
van Van Hogendorp met de oranjecocarde op den hoed in de straten. Waar
zulke mannen dit waagden, daar twijfelde niemand, of de dageraad der
vrijheid was waarlijk aangebroken. Binnen weinige oogenblikken prijkte
de oranjekleur op aller hoofd of borst; welhaast zag men haar ook
voor de vensters en wapperde zij voor alle winkeldeuren. Huizen en
werkplaatsen liepen leeg, de gansche bevolking kwam op de straat, de
lucht weergalmde van gejuich en gelukwenschingen en uit veler oogen
vloeiden vreugdetranen! En schoon het aan geen verwenschingen van de
Franschen ontbrak, schoon welhaast hun adelaars en wapenschilden ook
hier niet langer geduld werden, nergens toch werd geweld gepleegd, en
nergens ontdekte men sporen der voormalige tweedracht.
De graaf Van Limburg Stirum aanvaardde nog dienzelfden dag, in naam van
den Prins van Oranje, de betrekking van gouverneur van Den Haag en
weldra trok de Fransche bezetting bij minnelijke schikking af.
Het eerste werk der Haagsche heeren was nu, de prinsgezinde oud-regenten
bijeen te roepen, om te beraadslagen over de instelling van een algemeen
landsbestuur. Deze vergadering leidde echter tot niets, evenals een
tweede, waarbij ook voormalige tegenstanders van het Huis van Oranje
waren genoodigd. Uit angst waren velen der opgeroepenen thuis gebleven
en voorzichtigheidshalve weigerde de overgroote meerderheid der
aanwezigen, vooreerst aan het voorgestelde doel mede te werken, daar
de uitslag van den opstand geheel zou afhangen van het oorlogsbeloop
in het buitenland. Van Hogendorp en Van der Duyn van Maasdam echter,
begrijpende dat het volk niet moest wachten, totdat het door vreemde
wapenen werd verlost, maar de gelegenheid diende aan te vatten om zich
zelf te bevrijden, aanvaardden den 21sten November het hooge landsbewind
tot de aankomst van den Prins van Oranje. Niet wetende of deze in
Engeland of in Duitschland was, zond men twee deputaties af, waarvan de
eene hem in Engeland aantrof.
Het algemeen bestuur ontsloeg onmiddellijk alle Nederlanders van den eed
van trouw aan den keizer der Franschen, doch aanvankelijk ondervond die
stoute daad niet de gewenschte medewerking bij het Nederlandsche volk,
al sloten zich ook verscheidene Hollandsche steden bij den opstand aan.
Amsterdam echter, van de eene zijde uit Utrecht, van de andere uit
Naarden bedreigd, bleef bij de onzijdige houding volharden, die het van
het begin af had aangenomen en die hierop neerkwam, dat men zich nòch
vóór den Prins, noch tegen den Keizer verklaarde.
Den 24sten kwam daarin verandering. Op den morgen van dien dag verscheen
namelijk een voorhoede van tweehonderd Kozakken voor de Muiderpoort,
die door de burgerij met de uitbundigste vreugde werd ontvangen. De
verschijning dier woeste gasten was als die van beschermende Engelen. En
hoe weinig ook die 200 man beteekenden, hoe ook Molitor met zijn 4000
Franschen Amsterdam bleef bedreigen--de overtuiging, dat de verbonden
mogendheden zich Holland's zaak aantrokken, vooral de ijverige pogingen
van Falck, brachten thans de stadsregeering er toe, zich bij het
Algemeene Bestuur aan te sluiten.
Ook Jakob en Reinier zagen dien morgen de aangekomen Kozakken, maar niet
met de opgewondenheid hunner stadgenooten. Het stemde hun bitter, dat
diezelfde ellendige, smerige kerels, die luizige schooiers in vodden van
kleeren gehuld, zittend op oude schonkige knollen, zonder zadel, met den
voet in een touw bijwijze van stijgbeugel, een oud verroest pistool als
vuurwapen, een stok met een verroesten spijker er aan in plaats van een
lans,--diezelfde eeuwig naar brandewijn stinkende schooiers, welke als
een troep gieren het stervende Groote Leger hadden omzwermd, maar de
vlucht namen bij het minste verweer,--het stemde hun bitter dat die
paar honderd hongerige lafaards door de Amsterdamsche burgerij als
vrijheidshelden werden verwelkomd en dat de komst van zóó'n bende het
weifelend stadsbestuur bemoedigde, om zich bij den opstand te voegen.
Evenwel, toen dit besluit, onder het uitsteken der oranjevlag, van
de pui van het stadhuis afgelezen, opnieuw het volk in geestdrift
bracht,--toen waren toch ook zij van harte verheugd, dat Amsterdam
eveneens voor de zaak der vrijheid was gewonnen.
Dordrecht, dat zich dadelijk had aangesloten, sloeg een aanval der
Franschen moedig af, doch Woerden had nog een allerschandelijkste
plundering der troepen van Molitor te doorstaan. Intusschen waren de
Kozakken de grenzen overgetrokken en hadden de Noordelijke provinciën
bezet. De Pruisen drongen tegelijkertijd Gelderland binnen en
vermeesterden den 30sten November Arnhem, terwijl de Zeeuwen in hun
opstand door de Engelschen ondersteund werden. Bij het einde van 1813
waren nog slechts enkele vestingen in de macht der Franschen.
Wel stond 's Gravenhage dus niet zoo heel lang alleen, wel werd ook
Utrecht den 28sten door Molitor ontruimd en den volgenden dag door
Kozakken bezet, doch zoolang men niets van den Prins van Oranje vernam,
in wiens naam men handelde, stond het te vreezen, dat de minste
tegenspoed de zoo lang gerekte en telkens weer opgewonden geestdrift
zou ter neder slaan. Gelukkig kwam er Zondag den 28sten een brief van
den Prins, waarin de vorst zijn blijdschap over de gebeurtenissen in
Holland te kennen gaf, zijn goedkeuring betuigde ten opzichte der
genomen maatregelen en de belofte deed, dat hij binnen weinige dagen
zou overkomen.
Op het Engelsche fregat »~The Warrior~" stak hij in zee en kreeg den
30sten November Scheveningen in het gezicht. Men drong den Prins om,
alvorens te landen, kondschap in te winnen omtrent den staat van zaken,
doch Willem Frederik wees dit voorstel van de hand. Hij ging van 't
oorlogsschip in een pink over en werd vervolgens, onder het gebulder
der kanonschoten van het fregat, met een wagen aan wal gebracht. 't
Bericht dat Oranje naderde, was reeds te 's Gravenhage verspreid vóór
~The Warrior~ het anker wierp en vandaar dat strand, duinen en gansch
Scheveningen vervuld waren met tallooze scharen, die den langgewenschten
vorst verbeidden en hem jubelend welkom heetten. Van Hogendorp, Van der
Duin en de graaf van Stirum ontbraken niet, om den Prins te begroeten,
die nu in een open rijtuig, te midden der feestvierenden, naar 's
Gravenhage reed.
Mijnheer Vermaat bevond zich juist in Den Haag, waarheen hij door zijn
patroon was gezonden, om een hangende kwestie met een daar gevestigde
firma, zoo mogelijk, tot klaarheid te brengen. En schoon hij nooit op
redenaarstalenten had mogen bogen, werd de goede man zelfs welsprekend,
toen hij 's anderendaags aan zijn huisgenooten 's Prinsen aankomst ging
verhalen.
»De reis van Scheveningen naar Den Haag," vertelde hij, »was een
zegetocht, door het fraaiste weer begunstigd en onder de toejuiching
van duizenden! Nooit heb ik menschelijke blijdschap zich op zóó
verschillende manier zien uiten. Hier staarden de menschen wezenloos,
alsof zij niet geloofden wat zij zagen; dáár stonden er met gloeiende
wangen, anderen weer waren doodsbleek van ontroering. De een barstte
los in gejuich, de oogen van den ander stonden vol tranen. Nooit hoorde
ik zóóveel gejubel, nooit zag ik zóóveel geestdrift! Sommigen snikten,
anderen vielen elkander om den hals, ja, de menschen ontzagen vaak
hoeven noch wielen en lieten zich bijna overrijden door de Prinselijke
koets, om maar een blik of een glimlach van den Vorst op te vangen.
Hoeden werden gezwaaid, doeken werden gewuifd, het Oranjeboven galmde
uit ieders mond. 't Was, of de bejaarden een zoon, of de mannen een
broêr, of de jongelingen een vader uit den dood hadden terug gekregen!
De Prins stapte in het Voorhout bij Van Stirum af. De deuren van het
hôtel bleven open en ieder had vrijen toegang tot den Vorst.
Weinige uren na zijn aankomst liet de Prins een proclamatie afkondigen,
waarin hij verklaarde, al het verledene te vergeven en te vergeten en al
zijn landgenooten opriep, om zich met hem te vereenigen tot bevestiging
van Holland's onafhankelijkheid."
»Die proclamatie heb ik gelezen," zei Reinier. »Die is van morgen
ook hier in Amsterdam aangeplakt. Maar tegelijk nog een andere, van
Fannius Scholten en Kemper, waarin zij verklaren dat de vorst, die het
Nederlandsche volk terug heeft gevraagd, niet is Willem de Zesde, van
wien de natie niet weet wat zij eigenlijk te hopen of te verwachten
heeft, maar Willem de Eerste, die als een souverein vorst, zijn volk
aan de slavernij van een schandelijke buitenlandsche overheersching zal
ontrukken."
»Mooi zoo," riep mijnheer Vermaat, »dat is de beste manier om de oude
partijschappen nooit meer te laten herleven en nieuwe verdeeldheid te
voorkomen."
Niet minder groot dan te 's Gravenhage was de geestdrift, toen de Prins
den volgenden dag zijn intocht in de hoofdstad deed. Meer dan twee volle
uren duurde het, eer de stoet den Dam bereikt had. Dat was een andere
intocht dan die, welke, twee jaar te voren, Napoleon in dezelfde
hoofdstad had gedaan. Toen schreeuwden gehuurden en gedwongenen het
»Vive l'Empereur!"--~nu~ klonk uit duizenden monden het hartelijk en
welgemeend: »Oranje-boven!"
En de drie zwervers van het Groote Leger, hoe verheugd zij ook den voet
weer in het vaderland gezet hadden, zij kregen eigenlijk pas thans het
rechte, heerlijke gevoel van weer thuis te zijn!
[Decoratieve Illustratie]